Conclusie van de advocaat generaal
1 Bij op 30 mei 1997 ter griffie van het Hof ingeschreven verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen dat de Portugese Republiek, door niet binnen de gestelde termijn alle nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen voor de omzetting in nationaal recht van richtlijn 84/156/EEG van de Raad van 8 maart 1984 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor kwiklozingen afkomstig van andere sectoren dan de elektrolyse van alkalichloriden(1) (hierna: "richtlijn"), niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 189, derde alinea, EG-Verdrag en artikel 4 van de richtlijn.
2 Artikel 4, lid 1, van de richtlijn bepaalt, dat de lidstaten specifieke programma's opstellen voor lozingen van kwik uit velerlei bronnen die geen industriële bedrijven zijn en waarop de in artikel 3 bedoelde emissienormen in de praktijk niet kunnen worden toegepast. Voorts preciseert artikel 4, lid 3, van de richtlijn, dat de specifieke programma's met ingang van 1 juli 1989 van toepassing zijn en aan de Commissie worden meegedeeld.
3 Overeenkomstig artikel 7, lid 1, van de richtlijn treffen de lidstaten de nodige maatregelen om binnen twee jaar na kennisgeving van de richtlijn eraan te voldoen, en stellen zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
4 Daar de Portugese regering niet reageerde op het verzoek om mededeling van programma's als bedoeld in artikel 4 van de richtlijn, maande de Commissie haar op 18 juni 1993 aan, binnen twee maanden haar opmerkingen over de naleving van de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen te maken.
5 Op 6 januari 1994 antwoordde de Portugese Republiek op deze aanmaning, dat er in andere sectoren dan de elektrolyse van alkalichloriden geen enkele installatie die kwik loosde, op haar grondgebied was aangetroffen. Derhalve konden geen kwiklozingen noch verontreiniging door kwik worden vastgesteld. De Portugese Republiek stelde dus, dat zij niet kon worden verplicht tot het opstellen van de in artikel 4 van de richtlijn bedoelde programma's.
6 Niet overtuigd van de gegrondheid van deze opmerkingen, deed de Commissie de Portugese regering bij brief van 25 oktober 1995 een met redenen omkleed advies toekomen met het verzoek, de nodige maatregelen te treffen om binnen twee maanden na de kennisgeving ervan aan het advies te voldoen.
7 Op 18 juli 1996 deelde de Portugese regering in haar reactie hierop mee, dat zij weliswaar de noodzaak en de spoedeisendheid van de uitvoering van de genoemde programma's inzag, maar dat hun toepassing bijzonder moeilijk was wegens de problemen bij de vaststelling van velerlei verschillende bronnen. Zij voegde er evenwel aan toe, dat zij zich inspande om zo snel mogelijk aan de voorschriften van de richtlijn te voldoen en dat zij de Commissie van het resultaat van haar inspanningen in kennis zou stellen.
8 Toen zij van de Portugese regering verder geen enkele inlichting ontving over de tenuitvoerlegging van de richtlijn door de Portugese Republiek, besloot de Commissie het onderhavige beroep in te stellen.
9 In haar verweerschrift betwist de Portugese regering de verweten niet-nakoming niet, doch betoogt zij, dat zij ernstige praktische moeilijkheden ondervindt bij de uitvoering van de specifieke programma's bedoeld in artikel 4 van de richtlijn. Daarom stelt zij het Hof voor, de beslissing op te schorten totdat de omzetting is voltooid.
10 De Commissie heeft het Hof laten weten, dat zij afzag van repliek.
11 Wat betreft het verzoek om opschorting, moet mij van het hart, dat de Portugese regering de problemen van praktische aard waarop zij bij de uitvoering van de omzettingsmaatregelen was gestuit, pas ter sprake heeft gebracht nadat de implementatietermijn al was verstreken en de richtlijn dus al in werking was getreden. In een dergelijk geval, waarin een richtlijn reeds is vastgesteld en in werking getreden, meen ik, dat dat argument een verdragsschending bestaande in het verzuim een richtlijn tijdig te implementeren, niet kan opschorten of rechtvaardigen. Anders zou een lidstaat, door zich te beroepen op dergelijke echte of vermeende moeilijkheden, zich maar al te gemakkelijk kunnen onttrekken aan zijn verplichting de richtlijn binnen de termijn in nationaal recht om te zetten.(2)
12 Verder moet worden opgemerkt, dat de Portugese Republiek niet ontkent, dat zij de voor de implementatie van de richtlijn noodzakelijke maatregelen niet binnen de in die richtlijn gestelde termijn heeft getroffen.
13 Mitsdien moet het beroep van de Commissie worden toegewezen en moet worden vastgesteld, dat de Portugese Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen te treffen om zich naar de in geding zijnde richtlijn te voegen, haar verplichtingen krachtens artikel 4 van de richtlijn niet is nagekomen. Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de Portugese Republiek worden verwezen in de kosten.
Conclusie
14 Bijgevolg geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat de Portugese Republiek, door niet binnen de gestelde termijn alle nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen voor de omzetting in nationaal recht van richtlijn 84/156/EEG van de Raad van 8 maart 1984 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor kwiklozingen afkomstig van andere sectoren dan de elektrolyse van alkalichloriden, de krachtens artikel 4 van de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2) de Portugese Republiek te verwijzen in de kosten van de procedure.
(1) - PB L 74, blz. 49.
(2) - Zie, naar analogie, arrest van 16 september 1997, Commissie/Duitsland (C-139/96, Jurispr. blz. I-4845), en punt 12 van mijn conclusie van 16 december 1997 in de zaak Commissie/Duitsland (C-344/96, arrest van 12 maart 1998, Jurispr. blz. I-1166).
Full & Egal Universal Law Academy