Conclusie van de advocaat generaal
1 Met zijn prejudiciële vraag aan het Hof wenst het Verwaltungsgericht Köln in wezen te vernemen, of het recht van verblijf dat het kind van een Turkse werknemer dat in een lidstaat een beroepsopleiding heeft voltooid, aan artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije(1) (hierna: "besluit nr. 1/80") ontleent, afhangt van de voorwaarde dat op het moment waarop het kind in die lidstaat toegang tot de arbeidsmarkt wil verkrijgen, zijn ouder daar nog aanwezig of zelfs werkzaam is.
De toepasselijke wetgeving
2 Besluit nr. 1/80 is vastgesteld krachtens artikel 36 van het Aanvullend Protocol(2) bij de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije(3) (hierna: "overeenkomst"). Dit artikel bepaalt, dat het vrije verkeer van werknemers tussen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geleidelijk zal worden gerealiseerd, overeenkomstig de in artikel 12 van de overeenkomst neergelegde beginselen, volgens welke de contractpartijen zich laten inspireren door de artikelen 48, 49 en 50 EEG-Verdrag.
3 Hoofdstuk II ("Sociale bepalingen") van besluit nr. 1/80 behandelt in deel 1 een aantal "Arbeidsmarktvraagstukken en vraagstukken in verband met het vrije verkeer van werknemers", waaronder dat van de toegang van Turkse onderdanen tot de arbeidsmarkt van een lidstaat. Het recht op toegang tot de arbeidsmarkt kunnen zij aan twee bepalingen in het bijzonder ontlenen, eenmaal in hun hoedanigheid van werknemer die tot de legale arbeidsmarkt behoort en eenmaal in hun hoedanigheid van gezinslid van een tot de legale arbeidsmarkt behorende Turkse werknemer.
4 Zo wordt in artikel 6, lid 1, in de eerste plaats rekening gehouden met de hoedanigheid van werknemer van de Turkse onderdaan, afhankelijk van de duur van zijn legale tewerkstelling in de betrokken lidstaat. Deze bepaling luidt als volgt:
"1. Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden, heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort:
- na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;
- na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die lidstaat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die lidstaat;
- na vier jaar legale arbeid, in die lidstaat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze."
5 Krachtens artikel 7 kan een Turks onderdaan vervolgens als gezinslid van een Turkse werknemer een recht op toegang tot arbeid verkrijgen, hetzij wanneer hij toestemming heeft gekregen zich bij zijn ouder te voegen (eerste alinea), hetzij wanneer hij kind van een Turkse werknemer is en in de lidstaat van ontvangst een beroepsopleiding heeft voltooid (tweede alinea):
"Gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen:
- hebben het recht om - onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang - te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert ten minste drie jaar aldaar legaal wonen;
- hebben er vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze wanneer zij sedert ten minste vijf jaar aldaar legaal wonen.
Kinderen van Turkse werknemers die in het gastland een beroepsopleiding hebben voltooid, kunnen, ongeacht hoe lang zij in de betreffende lidstaat wonen, in die lidstaat op ieder arbeidsaanbod reageren, op voorwaarde dat één van de ouders gedurende ten minste drie jaar legaal in de betrokken lidstaat heeft gewerkt."
6 Ten slotte verleent artikel 9 van besluit nr. 1/80 Turkse kinderen, voordat zij op zoek gaan naar werk, onder bepaalde voorwaarden het recht op toegang tot onderwijs in de lidstaat van ontvangst. Dit artikel luidt:
"Turkse kinderen die legaal in een lidstaat van de Gemeenschap wonen bij hun ouders die aldaar legaal tewerkgesteld zijn of zijn geweest, hebben in die lidstaat toegang tot het algemeen onderwijs, opleiding in het kader van een leerlingenstelsel en beroepsopleiding op basis van dezelfde toelatingseisen ter zake van genoten onderwijs en opleiding als kinderen van onderdanen van die lidstaat. Zij kunnen in die lidstaat de door de nationale wetgeving op dit gebied geboden voordelen genieten."
De feiten en de procedure
7 De vraag van de verwijzende rechter is gesteld in het kader van een geding tussen H. Akman (hierna ook: "verzoeker in het hoofdgeding"), een in 1960 geboren Turks onderdaan, en de Duitse autoriteiten die bevoegd zijn op het gebied van de verblijfsvergunning (Oberkreisdirektor des Rheinisch-Bergischen Kreises), ter zake van de weigering hem in Duitsland een verblijfsvergunning te verlenen.
8 Kort na zijn regelmatige binnenkomst op het grondgebied van de Duitse Bondsrepubliek kreeg verzoeker in het hoofdgeding in januari 1980 een in de tijd beperkte verblijfsvergunning teneinde een beroepsopleiding te volgen, die hij in april 1993 met succes zou afsluiten. Na zijn binnenkomst woonde hij eerst bij zijn vader, die sinds 1971 in Duitsland werknemer was, doch in 1981 ging hij dichter bij zijn plaats van opleiding wonen. Zijn vader verliet het Duitse grondgebied in 1986 en keerde naar Turkije terug.
9 De verblijfsvergunning van Akman werd eerst tot 1982 en vervolgens steeds voor beperkte periodes verlengd, telkens om hem de beëindiging van zijn ingenieursopleiding mogelijk te maken. Vanaf 1990 bevatte de verblijfsvergunning de voorwaarde, dat hij, behoudens in deeltijd en gedurende de collegevrije periodes, geen beroepsactiviteit mocht uitoefenen.
10 Nadat hij op 16 januari 1991 een onvoorwaardelijke arbeidsvergunning voor onbepaalde duur had verkregen, was Akman achtereenvolgens van 1 mei 1991 tot en met 31 augustus 1993 en vervolgens vanaf 5 april 1994 in deeltijd bij twee werkgevers werkzaam. Op de datum van de terechtzitting (8 november 1995), oefende hij geen bezoldigde activiteit uit, doch was hem volgens zijn zeggen door verschillende werkgevers een arbeidsaanbod gedaan.(4)
11 Na het behalen van zijn diploma vroeg Akman op 24 juni 1993 de verlenging van zijn verblijfsvergunning aan, in de eerste plaats in de vorm van een verblijfsvergunning voor onbepaalde duur en, subsidiair, een verblijfsvergunning om een aanvullende studie te kunnen volgen.
12 De bevoegde Duitse autoriteiten willigden deze subsidiaire aanvraag in en verleenden hem een tot en met 25 augustus 1994 geldige verblijfsvergunning, teneinde een aanvullende studie aan de universiteit Essen te kunnen volgen.
13 Nadat zijn eerste bezwaar tegen deze beschikking geen resultaat had opgeleverd, in die zin dat zijn eerste aanvraag niet werd ingewilligd, verzocht Akman op 19 augustus 1994 opnieuw om verlenging van zijn verblijfsvergunning, doch de bevoegde autoriteiten hebben dit verzoek tot op heden nog niet beantwoord.
14 Gelet op het uitblijven van antwoord van de bevoegde autoriteiten, stelde Akman beroep in bij het Verwaltungsgericht Köln. Met een beroep op artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 stelde hij, dat zijn hoedanigheid van kind van een Turkse werknemer dat op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland een beroepsopleiding heeft voltooid en wiens vader aldaar gedurende meer dan drie jaar legaal werkzaam is geweest, hem na het arrest van 5 oktober 1994 in de zaak Eroglu(5) het recht gaf, op ieder arbeidsaanbod te reageren, alsmede een correlatief recht van verblijf.
15 De verwerende autoriteiten stellen echter, dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 7, tweede alinea, aangezien de vader van Akman, op het moment waarop zijn zoon toegang tot de arbeidsmarkt wilde krijgen, niet meer in Duitsland woonde of werkte.
16 Daar de verwijzende rechter twijfels heeft over de juiste toepassing van de gemeenschapsrechtelijke bepaling, heeft hij het Hof de volgende vraag voorgelegd:
"Geldt voor het recht op verlenging van de verblijfsvergunning, dat een kind van een Turkse werknemer volgens het arrest van het Hof van 5 oktober 1994, Eroglu (C-355/93), ontleent aan artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie, als voorwaarde dat de als werknemer tewerkgestelde ouder op het tijdstip waarop het kind zijn beroepsopleiding heeft voltooid en op een arbeidsaanbod wil reageren, nog op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland verblijft of zelfs nog een dienstverband heeft, of volstaat het voor deze bepaling, dat de Turkse ouder op een eerder tijdstip ten minste drie jaar legale arbeid heeft verricht?"
Juridische beoordeling
17 Om te beginnen wil ik opmerken, dat de ontvankelijkheid van de gestelde vraag buiten kijf staat. Het is immers vaste rechtspraak, dat de besluiten van de Associatieraad ter uitvoering van de overeenkomst, op dezelfde voet als die overeenkomst zelf een integrerend bestanddeel van de communautaire rechtsorde vormen en het voorwerp van een prejudiciële vraag aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag kunnen zijn.(6)
18 Voorts wil ik erop wijzen, dat dit besluit, en met name de artikelen 6 en 7 ervan, "(...) de bevoegdheid van de lidstaten intact laat om zowel de toegang van Turkse onderdanen tot hun grondgebied als de voorwaarden voor hun eerste tewerkstelling te reglementeren; het regelt uitsluitend (...) de situatie van Turkse werknemers die reeds legaal in de arbeidsmarkt van de lidstaten zijn opgenomen".(7) De contractpartijen hebben immers niet de toegang tot de grondgebieden van de lidstaten willen regelen, doch zij hebben, vooruitlopend op een toetreding(8), geleidelijk een vrij verkeer van werknemers tussen hen tot stand willen brengen.(9)
19 Heeft een lidstaat Turkse onderdanen echter eenmaal toegang tot zijn grondgebied verleend, dan kunnen die onderdanen daar onder bepaalde voorwaarden een recht van verblijf genieten, en wel krachtens besluit nr. 1/80. Het Hof heeft immers uit de rechtstreekse werking van de bepalingen waarin een recht op toegang tot arbeid is voorzien(10), een correlatief recht van verblijf afgeleid, aangezien "(...) deze twee aspecten van de persoonlijke situatie van de Turkse werknemer nauw met elkaar zijn verbonden".(11)
20 Dit nauwe verband tussen het recht op toegang tot arbeid en het recht van verblijf is in de eerste plaats vastgesteld in het kader van artikel 6, lid 1, derde streepje, want "waar die werknemer na een bepaalde periode van legale arbeid in de lidstaat toegang heeft tot elke arbeid in loondienst te zijner keuze, houden de betrokken bepalingen noodzakelijkerwijs in, dat de belanghebbende ten minste op dat moment een recht van verblijf heeft, omdat anders het recht dat die bepalingen aan de Turkse werknemer toekennen, elke inhoud zou verliezen".(12)
Diezelfde redenering is toegepast op de bepalingen van artikel 6, lid 1, eerste streepje, "omdat, zonder een recht van verblijf, de toekenning aan een Turkse werknemer na een jaar legale arbeid van het recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever even inhoudsloos zou zijn".(13)
Ten slotte oordeelde het Hof in het arrest Eroglu (reeds aangehaald), waarnaar de verwijzende rechter specifiek verwijst, dat "evenzo [moet] worden erkend, dat het bij artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 verleende recht om op elk arbeidsaanbod te reageren, noodzakelijkerwijs de erkenning van het recht van verblijf van de rechthebbende impliceert".(14) Hieruit volgt, dat "een Turks onderdaan die aan de voorwaarden van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 voldoet en die dus op ieder arbeidsaanbod in de betrokken lidstaat kan reageren, zich uit dien hoofde op die bepaling ook kan beroepen om verlenging van zijn verblijfsvergunning te verkrijgen".(15)
21 Het Verwaltungsgericht Köln vraagt zich onder verwijzing naar het arrest Eroglu dus terecht af, of verzoeker in het hoofdgeding krachtens besluit nr. 1/80 een recht op toegang tot arbeid heeft, waaruit een correlatief recht van verblijf kan worden afgeleid.
22 In zijn vraag gaat hij weliswaar in het bijzonder in op artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80, doch, alvorens dit af te wijzen, heeft hij ook nagegaan of andere bepalingen van dit besluit in casu van toepassing zijn, aangezien hij in het algemeen wil vaststellen, "(...) of een recht op afgifte van een verblijfsvergunning uit het gemeenschapsrecht kan voortvloeien".(16)
23 Ik ben met de verwijzende rechter van mening, dat alleen de toepassing van artikel 7, tweede alinea, in aanmerking komt, aangezien noch de bepalingen van artikel 6, lid 1, noch die van artikel 7, eerste alinea, in casu relevant zijn.
24 Wat artikel 6, lid 1, betreft, zou alleen het derde streepje voor verzoeker in het hoofdgeding van belang kunnen zijn. Hij verlangt immers het recht om op elk arbeidsaanbod te reageren, en niet om na het eerste jaar legale arbeid bij dezelfde werkgever te blijven werken (een situatie die door het eerste streepje wordt beheerst), of na drie jaar legale arbeid in hetzelfde beroep bij een andere werkgever op een arbeidsaanbod te reageren (artikel 6, lid 1, tweede streepje).(17)
Artikel 6, lid 1, derde streepje, bevat echter twee cumulatieve voorwaarden die moeten worden vervuld om een Turks onderdaan een recht op vrije toegang tot elke beroepsactiviteit van zijn keuze te verlenen; in de eerste plaats moet hij in een lidstaat tot de legale arbeidsmarkt behoren en in de tweede plaats moet hij vier jaar legaal werkzaam zijn geweest. Het is niet nodig in te gaan op het "legale" karakter van de door verzoeker in het hoofdgeding uitgeoefende werkzaamheden(18); het staat immers vast, dat hij in Duitsland niet gedurende vier jaar heeft gewerkt.
25 Artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 is in casu evenmin relevant.
26 Sinds het arrest Kadiman, reeds aangehaald, is immers duidelijk dat deze bepaling, die tot doel heeft "(...) de tewerkstelling en het verblijf van de tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer te bevorderen, door te waarborgen dat hij zijn familiebanden kan behouden"(19), gunstige voorwaarden voor gezinshereniging wil creëren.(20)
De erkenning van de bij dit artikel aan de betrokkene verleende rechten hangt dus af van de voorwaarden waaronder het recht op toegang en verblijf is verkregen: "(...) in artikel 7, eerste alinea, [wordt] uitdrukkelijk gepreciseerd, dat het gezinslid van de betrokken lidstaat toestemming moet hebben verkregen om zich aldaar bij de tot de legale arbeidsmarkt van die staat behorende Turkse werknemer te $voegen'".(21) Bovendien vereist deze bepaling, dat gedurende de voorziene periode sprake is van een "werkelijk samenwonen in gezinsverband met de werknemer"(22), tenzij "(...) objectieve omstandigheden rechtvaardigden, dat de migrerende werknemer en het gezinslid niet onder één dak wonen in de lidstaat van ontvangst".(23)
Het is duidelijk, dat de situatie van Akman niet aan dit vereiste voldoet. In de eerste plaats heeft hij immers geen toestemming gekregen zich bij zijn vader "te voegen" in de zin van het arrest Kadiman, aangezien hij legaal Duitsland is binnengekomen om aldaar een studie te volgen en een verblijfsvergunning heeft verkregen om "onderwijs aan de Fachoberschule te volgen".(24) In de tweede plaats lijkt het mij twijfelachtig, of de beslissing van Akman om in het jaar na zijn binnenkomst in Duitsland het huis van zijn vader te verlaten en alleen te gaan wonen, werd ingegeven door een "objectieve omstandigheid", die rechtvaardigt dat zij niet onder hetzelfde dak wonen. Het Hof oordeelde in het arrest Kadiman weliswaar, dat van een objectieve omstandigheid sprake is, indien "de afstand tussen de woonplaats van de werknemer en de plaats van arbeid van het gezinslid of een instelling waar dit gezinslid een beroepsopleiding volgt, de betrokkene verplicht om een eigen woning te nemen"(25), doch dit neemt niet weg, dat dergelijke onderbrekingen van het samenleven "zonder bedoeling om het samenwonen in de lidstaat van ontvangst op te geven"(26) moeten zijn. Uit de vaststellingen van de verwijzende rechter blijkt echter, dat Akman is verhuisd zonder bedoeling later naar het huis van zijn vader terug te keren.
27 Daarom moet de vraag, of verzoeker in het hoofdgeding een uit een recht op toegang tot arbeid voortvloeiend recht van verblijf geniet, inderdaad aan de hand van artikel 7, tweede alinea, worden beoordeeld.
28 Gelijk door de Griekse regering is opgemerkt(27), moet voor een beroep op deze bepaling volgens de bewoordingen ervan aan drie cumulatieve voorwaarden worden voldaan.
29 De betrokkene moet: 1) kind van een Turkse werknemer zijn, 2) in de lidstaat van ontvangst een beroepsopleiding hebben voltooid, en 3) kunnen aantonen, dat één van zijn ouders "gedurende ten minste drie jaar legaal in de betrokken lidstaat heeft gewerkt".
30 Ofschoon het in de aan het Hof voorgelegde vraag hoofdzakelijk om de derde voorwaarde gaat, moet niettemin eerst worden onderzocht, of verzoeker in het hoofdgeding wel aan de eerste voorwaarde voldoet, hetgeen door de Griekse regering wordt betwist.(28) Daar de tweede voorwaarde door partijen niet ter sprake is gebracht, zal ik op die voorwaarde niet verder ingaan.
31 Het gaat dus om de vraag, of Akman zich nog steeds op zijn familieband met een "Turkse werknemer" kan beroepen, ofschoon zijn vader op het tijdstip waarop hij zich op die hoedanigheid wilde beroepen, het grondgebied van de lidstaat van ontvangst en, a fortiori, de legale arbeidsmarkt van die staat definitief had verlaten.
32 De rechtspraak van het Hof over het vrije verkeer van communautaire werknemers lijkt mij in dit opzicht bijzonder verhelderend.
33 Het Hof heeft in het arrest Brown(29) artikel 12 van verordening (EEG) nr. 1612/68(30) aldus uitgelegd, dat het slechts rechten op het gebied van toegang tot onderwijs toekent aan een kind dat met zijn ouders of met een van hen in een lidstaat heeft gewoond terwijl ten minste een van zijn ouders daar woonde in de hoedanigheid van werknemer, en niet aan het kind van een werknemer dat is geboren nadat de werknemer had opgehouden in de ontvangende staat te werken en te wonen; hieruit kon reeds worden afgeleid, dat de hoedanigheid van kind van een (communautair) werknemer niet afhangt van de aanwezigheid van de ouder op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst.
In het arrest Echternach en Moritz(31) heeft het Hof bevestigd, ditmaal duidelijk en zonder dat een beroep op een uitlegging a contrario behoefde te worden gedaan, dat "een kind van een werknemer van een lidstaat die in een andere lidstaat arbeid heeft verricht, de hoedanigheid van gezinslid van een werknemer in de zin van verordening nr. 1612/68 behoudt, wanneer de familie van het kind terugkeert naar de lidstaat van herkomst en het kind - eventueel na een zekere onderbreking - in het gastland blijft om er zijn opleiding te vervolgen, die hij in het land van herkomst niet kon voortzetten".(32)
34 Daar Turkije niet tot de Gemeenschap behoort, kunnen de bepalingen betreffende het vrije verkeer van communautaire werknemers en hun gezinsleden niet rechtstreeks op Turkse onderdanen worden toegepast; dit neemt echter niet weg, dat aan hun situatie in het gemeenschapsrecht zonder meer zodanige vorm is gegeven, dat deze de situatie van communautaire werknemers zoveel mogelijk benadert.
35 Ik wil nogmaals onder de aandacht brengen, dat de Associatieraad met de vaststelling van de sociale bepalingen van besluit nr. 1/80, krachtens artikel 12 van de overeenkomst een verdere stap beoogde te doen in de richting van de verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers, waarbij hij zich, gelet op het feit dat de overeenkomst als een voorfase van toetreding werd gezien, door de artikelen 48, 49 en 50 van het Verdrag liet leiden. Om de eerbiediging van die doelstelling te verzekeren, is het volgens het Hof "volstrekt noodzakelijk, dat de in het kader van deze bepalingen erkende beginselen zoveel mogelijk worden toegepast op Turkse werknemers die de bij besluit nr. 1/80 toegekende rechten genieten".(33)
36 Ik geef het Hof daarom in overweging, het begrip "kind van een Turkse werknemer" uit te leggen overeenkomstig het begrip "kind van een werknemer" zoals door het Hof in het kader van de bepalingen betreffende het vrije verkeer van communautaire werknemers, en met name in het licht van de arresten Brown en Echternach en Moritz, reeds aangehaald, uitgelegd.
37 Ik concludeer hieruit, dat een Turks onderdaan die legaal het grondgebied van een lidstaat is binnengekomen om aldaar een beroepsopleiding te volgen, niet zijn hoedanigheid van "kind van een Turkse werknemer" in de zin van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 verliest, omdat zijn ouder op het moment waarop hij zich op die hoedanigheid wil beroepen, niet langer op het grondgebied van die staat werkt of verblijft.
38 In casu is niet betwist, dat de vader van Akman gedurende de eerste zes jaar van diens verblijf in Duitsland, een in die staat legaal tewerkgestelde Turkse werknemer was. Men kan daarom niet stellen, dat Akman zijn hoedanigheid van kind van een Turkse werknemer heeft verloren, alleen op grond van het feit dat zijn vader niet langer in Duitsland woont.
39 Nu eenmaal is vastgesteld, dat verzoeker in het hoofdgeding zich nog steeds op zijn familieband met een Turkse werknemer kan beroepen, moet worden nagegaan, of hij eveneens aan de voorwaarde voldoet, dat een van zijn ouders "gedurende ten minste drie jaar legaal in de betrokken lidstaat heeft gewerkt", zodat hij een recht van verblijf geniet, voortvloeiende uit het recht op toegang tot arbeid dat hij aan artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 ontleent.
40 De twee uitleggingen van deze voorwaarde die in de procedure voor het Hof zijn voorgesteld, leiden tot volstrekt verschillende uitkomsten.
41 Volgens de Duitse, de Griekse en de Oostenrijkse regering veronderstelt het recht van een kind van een Turkse werknemer op verlenging van zijn verblijfsvergunning krachtens artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80, niet alleen dat een van zijn ouders gedurende ten minste drie jaar legaal in de betrokken lidstaat werkzaam is geweest, maar eveneens dat die ouder op het moment waarop het kind zich op het recht van verblijf beroept, nog steeds werkzaam is.
42 De Commissie en verzoeker in het hoofdgeding hebben echter betoogd, dat artikel 7, tweede alinea, enkel veronderstelt, dat de betrokkene in de lidstaat van ontvangst een beroepsopleiding heeft voltooid en dat zijn ouder daar gedurende ten minste drie jaar legaal werkzaam is geweest. Huns inziens wordt echter niet verlangd, dat de betrokken migrerende werknemer op het moment waarop zijn kind op een arbeidsaanbod wil ingaan, nog steeds in die lidstaat woont en/of werkt.
43 Ik ben ervan overtuigd, dat die laatste benadering de juiste is.
44 Om te beginnen lijkt een letterlijke uitlegging van de tekst ten gunste van deze stelling te pleiten.
45 De Franse versie, waarin een verleden tijd wordt gebruikt - preciezer gezegd de verleden tijd van de aanvoegende wijs - ("à condition qu'un des parents ait légalement exercé") en, in dezelfde zin, een voorzetsel ("depuis"), dat "het moment aangeeft, waarop een handeling (of een toestand) is begonnen, die op het moment waarop men spreekt of dat men voor ogen heeft nog voortduurt"(34), verwijst mijns inziens niet noodzakelijkerwijs naar een situatie in het heden. Mij lijkt eerder, dat met deze formulering twee soorten situaties worden beoogd: situaties die reeds zijn beëindigd en situaties die, ofschoon in het verleden begonnen, in het heden nog steeds voortduren.
Had de wetgever, gelijk de bij de procedure betrokken regeringen stellen, slechts naar een situatie in het heden willen verwijzen, dan was het gebruik van de tegenwoordige tijd (of de tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs) zonder meer geschikter geweest: hij zou dan hebben verwezen naar de voorwaarde, dat een van de ouders "gedurende ten minste drie jaar legaal (...) werkt". Overigens is artikel 7, eerste alinea, in de tegenwoordige tijd gesteld, zodat het noodzakelijkerwijs naar een actuele situatie verwijst en niet naar een situatie in het verleden ("wanneer zij sedert ten minste 3 jaar [of 5 jaar] aldaar legaal wonen"). Het feit dat in artikel 7, tweede alinea, voor een verleden tijd is gekozen, lijkt mij dus zonder meer veelzeggend.
46 De Duitse regering en de Commissie wijzen er niettemin op, dat het in de verschillende taalversies gebruikte voorzetsel (in de Franse, de Engelse, de Duitse en de Nederlandse versie wordt respectievelijk gesproken van: "depuis", "for", "seit" en "gedurende") tot verwarring kan leiden en, afhankelijk van de individuele taalversie, een verschillende betekenis kan hebben.
47 Ik ben het met hen eens, dat een letterlijke uitlegging op zich niet doorslaggevend is; de ratio legis van artikel 7, tweede alinea, verzet zich echter tegen de door de Duitse, de Griekse en de Oostenrijkse regering voorgestelde uitlegging.
48 Zoals eerder gezegd, is het gemeenschappelijke element van artikel 7 de categorie van personen waaraan het rechten verleent: de gezinsleden van de Turkse werknemer. Lezing van de beide alinea's van deze bepaling toont echter aan, dat de contractpartijen binnen die groep van personen de kinderen van die werknemers een bijzondere behandeling hebben willen geven.
49 Gelijk door het Hof in het arrest Kadiman (reeds aangehaald) uiteengezet, heeft artikel 7, eerste alinea, duidelijk de gezinshereniging tot doel, waaruit voor het gezinslid de verplichting voortvloeit om met de ouder samen te wonen, hetgeen het Hof met name afleidt uit de bewoordingen "(...) die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen".(35)
50 Artikel 7, tweede alinea, heeft daarentegen niet specifiek tot doel, gunstige voorwaarden voor de gezinshereniging te creëren. Dit volgt mijns inziens zowel uit de rechtspraak als uit de nuttige werking van die bepaling.
In het arrest Eroglu (reeds aangehaald) heeft het Hof immers geoordeeld, dat het feit dat het inreis- en verblijfsrecht het kind van een Turkse werknemer aanvankelijk niet is verleend "met het oog op gezinshereniging, maar, bijvoorbeeld, voor studiedoeleinden, een kind van een Turkse werknemer dat aan de voorwaarden van artikel 7, tweede alinea, voldoet, niet het voordeel [ontneemt] van de bij die bepaling verleende rechten"(36); het Hof onderscheidde daarmee noodzakelijkerwijs de door artikel 7, tweede alinea, geregelde gevallen van de in het arrest Kadiman behandelde gevallen, waarop artikel 7, eerste alinea, van toepassing is.
Overigens zou aan artikel 7, tweede alinea, dat specifiek op "kinderen van Turkse werknemers" van toepassing is, iedere nuttige werking worden ontnomen, indien het aldus werd uitgelegd, dat ook deze bepaling gunstige voorwaarden voor de gezinshereniging beoogt te creëren. Indien het aldus werd opgevat, zou het in verhouding tot de eerste alinea, die de gezinshereniging van "gezinsleden" in ruime zin beoogt, waartoe natuurlijk ook kinderen behoren, niets nieuws brengen.
Ten slotte lijkt mij, dat, indien artikel 7, tweede alinea, eveneens de gezinshereniging beoogde, de voorwaarde dat de ouder een werkzaamheid van drie jaar moet kunnen aantonen, in het kader van besluit nr. 1/80 geen bestaansrecht zou hebben. Een vergelijkend onderzoek van artikel 7, eerste alinea, kan in dat opzicht verhelderend werken. Aangezien deze bepaling specifiek de gezinshereniging betreft, bevat zij enkel voorwaarden betreffende de legale arbeid van de ouder, en geen verdere voorwaarde betreffende de duur ervan, daar dit voor het beoogde doel irrelevant is.
51 Aangezien artikel 7, tweede alinea, niet specifiek de gezinshereniging beoogt, kan nu reeds worden vastgesteld, dat deze bepaling niet aldus kan worden opgevat, dat zij een verplichting tot samenwonen van ouder en kind inhoudt op het moment waarop dit kind, na voltooiing van zijn beroepsopleiding, op een arbeidsaanbod wil ingaan.
52 In feite dient de betrokken bepaling een geheel ander doel dan de gezinshereniging. Gelijk door de Commissie uiteengezet, draagt zij ertoe bij, dat het kind als een zelfstandig wezen wordt beschouwd, dat in een lidstaat een beroepsopleiding heeft voltooid, teneinde zijn kansen te vergroten zelf werk te vinden en voor zijn levensonderhoud niet langer een beroep te moeten doen op zijn ouder. Zij beoogt kinderen van Turkse werknemers die een beroepsopleiding hebben voltooid de toegang tot de arbeidsmarkt mogelijk te maken, en wel met voorrang boven hen die geen beroepsopleiding hebben voltooid.
Deze uitlegging sluit aan bij het concept beroepsopleiding zoals door het Hof in het arrest Gravier(37) met betrekking tot gemeenschapsonderdanen voorgesteld: "door de toegang tot de beroepsopleiding kan het vrije verkeer van personen in de gehele Gemeenschap worden bevorderd, door de betrokkenen de mogelijkheid te bieden om een opleiding te volgen in de lidstaat waar zij voornemens zijn hun beroep uit te oefenen (...)".
53 Door de voltooiing van een beroepsopleiding krijgt het kind van de Turkse werknemer een autonoom recht op arbeid, voor zover zijn ouder tenminste tot de arbeidsmarkt van de lidstaat heeft behoord of behoort.
54 Naast deze autonome ratio legis van artikel 7, tweede alinea, ten opzichte van de eerste alinea, moet noodzakelijkerwijs ook rekening worden gehouden met de context van deze bepaling.
55 De "coherentie" van het bij besluit nr. 1/80 ingevoerde stelsel, waaraan het Hof het grootste belang toekent(38), zou immers worden verstoord, indien men ervan uitgaat, dat de toepassing van artikel 7, tweede alinea, vooronderstelt, dat de Turkse ouder van het kind dat zijn opleiding heeft afgesloten, op het moment waarop zijn kind toegang tot de arbeidsmarkt wil verkrijgen, nog werkzaam is.
56 Dienaangaande moet op de formulering van artikel 9 van besluit nr. 1/80 worden gewezen, dat de toegang tot de beroepsopleiding van Turkse kinderen regelt. Dit artikel moet noodzakelijkerwijs worden ingeroepen voordat de betrokkenen op zoek gaan naar werk, in tegenstelling tot artikel 7, tweede alinea, dat de situatie regelt van die kinderen van Turkse ouders die hun beroepsopleiding hebben afgesloten.
Tot de voorwaarden die artikel 9 stelt om Turkse kinderen toe te laten tot "het algemeen onderwijs, opleiding in het kader van een leerlingstelsel en beroepsopleiding" behoort, naast het vereiste dat het kind in de lidstaat van ontvangst "legaal" bij zijn ouders moet wonen, de voorwaarde dat de ouders "aldaar legaal tewerkgesteld zijn of zijn geweest".
Niet vereist is dus, dat de ouder van het kind dat toegang tot een opleiding wil verkrijgen, op het moment waarop dit kind zich op artikel 9 beroept, nog legaal is tewerkgesteld. Het lijkt mij enigszins incoherent, om niet te zeggen absurd, om een dergelijk vereiste dan wel na beëindiging van die beroepsopleiding te stellen. Indien de Turkse ouder volgens artikel 9 al niet meer werkzaam behoeft te zijn wanneer zijn kind een beroepsopleiding gaat volgen, hoe kan men er dan redelijkerwijs van uitgaan of verlangen, dat hij een paar jaar later, wanneer zijn kind die beroepsopleiding afsluit, wel werkzaam is?
57 Ik ben daarom van mening, dat de voorwaarde van artikel 7, tweede alinea, dat de ouder ten minste drie jaar op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst moet hebben gewerkt, zowel naar een huidige als naar een voormalige tewerkstelling kan verwijzen.
58 Mijn overtuiging wordt op geen enkele wijze beïnvloed door de stelling van de Duitse regering, dat een andere dan de door haar verdedigde uitlegging kinderen van Turkse werknemers zou bevoordelen ten opzichte van kinderen van gemeenschapsonderdanen die, overeenkomstig artikel 5 van verordening (EEG) nr. 1251/70(39), in de lidstaat van ontvangst alleen beschikken over een recht van verblijf, indien zij dit uitoefenen binnen twee jaar nadat de werknemer die zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend, zijn werkzaamheid heeft beëindigd.
Artikel 5 van de verordening heeft immers niet dezelfde materiële en personele werkingssfeer als artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80: in de eerste plaats gaat het in verordening nr. 1251/70 om het recht van gezinsleden om in de lidstaat van ontvangst te blijven, en niet om aldaar op een arbeidsaanbod te reageren; in de tweede plaats geldt deze verordening alleen voor bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of daarmee gelijkgestelden.(40)
59 Het lijkt mij echter van belang, dat bij de toepassing van artikel 7, tweede alinea, een zeker parallellisme wordt verzekerd ten opzichte van de toepassing van de bepalingen van artikel 6. Het gaat erom, dat kinderen van Turkse werknemers die een - zij het ook nog zo korte - beroepsopleiding hebben voltooid, in termen van hun recht van verblijf niet gunstiger worden behandeld dan hun ouders, die mogelijkerwijs tientallen jaren in de lidstaat van ontvangst hebben gewerkt.
60 Zoals sinds het arrest Bozkurt (reeds aangehaald) bekend, is een Turkse werknemer die de arbeidsmarkt van een lidstaat definitief heeft verlaten, omdat hij, bijvoorbeeld, de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt of volledig of ten dele arbeidsongeschikt is, krachtens artikel 6, lid 2, van besluit nr. 1/80 niet gerechtigd op het grondgebied van deze lidstaat te blijven. Uit het arrest Tetik (reeds aangehaald) volgt echter, dat een Turks onderdaan, "voor zover hij een echte werkzoekende is die daadwerkelijk nieuwe arbeid in loondienst probeert te vinden en, in voorkomend geval, de voorschriften van de in de lidstaat van ontvangst vigerende regeling naleeft", niet moet worden geacht de arbeidsmarkt van een lidstaat definitief te hebben verlaten. Evenals gemeenschapsonderdanen die zich in dezelfde situatie bevinden(41) moet hij worden geacht "gedurende de termijn die hij redelijkerwijs nodig heeft om nieuw werk te vinden"(42), tot de legale arbeidsmarkt van die staat te blijven behoren.
61 In het belang van de coherentie ben ik daarom van mening, dat het kind van een Turkse werknemer krachtens artikel 7, tweede alinea, na voltooiing van zijn beroepsopleiding weliswaar op elk arbeidsaanbod mag ingaan en een correlatief recht van verblijf geniet, doch dat dit recht binnen een "redelijke termijn" moet worden uitgeoefend, dat wil zeggen een termijn "om zich op het grondgebied van die lidstaat op de hoogte te stellen van de werkaanbiedingen die bij zijn beroepskwalificatie passen, en om in voorkomend geval het nodige te doen om te worden aangeworven", aldus de bewoordingen van het Hof in het arrest Tetik (reeds aangehaald)(43), waarbij het zich voor Turkse onderdanen liet leiden door het arrest Antonissen (reeds aangehaald).(44) In casu lijkt mij aan dit vereiste te zijn voldaan, aangezien verzoeker in het hoofdgeding zich voor de verwijzende rechter op verschillende werkaanbiedingen heeft beroepen.
Conclusie
62 Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de vraag van het Verwaltungsgericht Köln te beantwoorden als volgt:
"Het kind van een Turkse werknemer geniet na voltooiing van zijn beroepsopleiding in de lidstaat van ontvangst gedurende een redelijke termijn een recht van verblijf voortvloeiende uit het recht op toegang tot arbeid krachtens artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, op voorwaarde dat een van zijn ouders gedurende ten minste drie jaar legaal op het grondgebied van die lidstaat werkt of heeft gewerkt, zonder dat het noodzakelijk is dat die ouder op het moment waarop zijn kind in die lidstaat toegang tot de arbeidsmarkt wil krijgen daar nog steeds werkt of zelfs verblijft."
(1) - Het besluit van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, is op 1 juli 1980 in werking getreden. Het is niet gepubliceerd in het Publicatieblad, doch in een andere publicatie van het Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen: Associatieovereenkomsten en protocollen EEG-Turkije en andere basisteksten, Brussel, 1992.
(2) - Op 23 november 1970 te Brussel ondertekend teneinde de voorwaarden, de wijze en het tempo van verwezenlijking van de overgangsfase vast te stellen, en namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 293, blz. 1).
(3) - Op 12 september 1963 te Ankara ondertekend door de Turkse Republiek, enerzijds, en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap, anderzijds, en namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, blz. 3685).
(4) - Aldus de gegevens in de verwijzingsbeschikking.
(5) - C-355/93, Jurispr. blz. I-5113.
(6) - Arresten van 14 november 1989, Griekenland/Commissie (30/88, Jurispr. blz. 3711, punt 13), en 20 september 1990, Sevince (C-192/89, Jurispr. blz. I-3461, punten 9 en 12).
(7) - Arrest van 16 december 1992, Kus (C-237/91, Jurispr. blz. I-6781, punt 25). Zie eveneens arrest Eroglu, reeds aangehaald, punt 10, en arrest van 23 januari 1997, Tetik (C-171/95, Jurispr. blz. I-329, punt 21).
(8) - Artikel 28 van de overeenkomst luidt: "Wanneer de werking van de overeenkomst het toelaat de algehele aanvaarding door Turkije van de uit het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te overwegen, onderzoeken de overeenkomstsluitende partijen de mogelijkheid van een toetreding tot de Gemeenschap."
(9) - Arrest van 6 juni 1995, Bozkurt (C-434/93, Jurispr. blz. I-1475, punten 14 en 19), en arrest Tetik, reeds aangehaald, punt 20.
(10) - Zie voor de artikelen 6, lid 1, en 7, tweede alinea, bijvoorbeeld arrest Eroglu, reeds aangehaald, punt 17; voor artikel 7, eerste alinea, kan worden verwezen naar het arrest van 17 april 1997, Kadiman (C-351/95, Jurispr. blz. I-2133, punt 28).
(11) - Zie in het bijzonder arrest Eroglu, reeds aangehaald, punt 18.
(12) - Arrest Sevince, reeds aangehaald, punt 29.
(13) - Arrest Kus, reeds aangehaald, punt 30.
(14) - Arrest Eroglu, reeds aangehaald, punt 20.
(15) - Ibidem, punt 23.
(16) - Aldus de bewoordingen van de verwijzingsbeschikking.
(17) - Zie arrest Tetik, reeds aangehaald, punt 26.
(18) - Zie voor het legale karakter van de arbeid in de zin van artikel 6, lid 1, arrest Sevince, reeds aangehaald, punt 30: "(...) het legale karakter van de arbeid in de zin van [artikel 6, lid 1] onderstelt wel, dat de situatie van de betrokkene op de arbeidsmarkt [van een lidstaat] stabiel en niet slechts van voorlopige aard is"; dit werd bevestigd in de reeds aangehaalde arresten Kus, punt 14, en Bozkurt, punt 26, waarin in punt 27 bovendien werd bevestigd, dat "het legale karakter van arbeid (...) moet worden beoordeeld in het licht van de wetgeving van de lidstaat van ontvangst (...)".
(19) - Punt 34.
(20) - Ibidem, in het bijzonder de punten 35, 36 en 38.
(21) - Ibidem, punt 39.
(22) - Ibidem, punt 40.
(23) - Ibidem, punt 42.
(24) - Aldus de bewoordingen van de verwijzingsbeschikking.
(25) - Punt 42.
(26) - Ibidem, punt 48.
(27) - Bladzijde 8 van de Franse vertaling van haar opmerkingen.
(28) - Ibidem.
(29) - Arrest van 21 juni 1988 (197/86, Jurispr. blz. 3205, punt 30).
(30) - Verordening van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2)
(31) - Arrest van 15 maart 1989 (389/87 en 390/87, Jurispr. blz. 723).
(32) - Ibidem, punt 23, cursivering van mij.
(33) - Arrest Bozkurt, reeds aangehaald, punt 20. Zie, meer recentelijk, arrest Tetik, reeds aangehaald, punten 20 en 28.
(34) - J. Girodet, "Dictionnaire Bordas des pièges et difficultés de la langue française", Les référents Bordas.
(35) - Punt 29, cursivering van mij.
(36) - Arrest Eroglu, reeds aangehaald, punt 22.
(37) - Arrest van 13 februari 1985 (293/83, Jurispr. blz. 593, punt 24).
(38) - Arrest van 29 mei 1997, Eker (C-386/95, Jurispr. blz. I-2697, punt 23).
(39) - Verordening van de Commissie van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een lidstaat na er een betrekking te hebben vervuld (PB L 142, blz. 24).
(40) - De gezinsleden waarop de verordening van toepassing is zijn volgens artikel 1 die welke worden bedoeld in artikel 10 van verordening nr. 1612/68, reeds aangehaald, hetgeen volgens lid 1, sub a, wil zeggen voor de "bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn".
(41) - Arrest van 26 februari 1991, Antonissen (C-292/89, Jurispr. blz. I-745, punten 13, 15 en 16), waarnaar in punt 27 van het arrest Tetik (reeds aangehaald) wordt verwezen.
(42) - Arrest Tetik, reeds aangehaald, punt 46.
(43) - Punten 27-30.
(44) - Punten 13, 15 en 16.
Full & Egal Universal Law Academy