Conclusie van de advocaat generaal
1 Deze prejudiciële verwijzing van het Landessozialgericht Niedersachsen betreft de vraag, of een Spaans onderdaan die met haar echtgenoot, zelf een Spaans onderdaan, in Duitsland woont, aanspraak kan maken op Duitse gezinsbijslag op dezelfde basis als Duitse onderdanen, wanneer haar echtgenoot die in dienst is van het consulaat-generaal van Spanje in Hannover, op basis van artikel 16, lid 2, eerste zin, van verordening (EEG) nr. 1408/71(1) heeft gekozen voor de toepassing van het Spaanse socialezekerheidsstelsel.
Het toepasselijke gemeenschapsrecht
2 Artikel 1, sub u-i, van verordening nr. 1408/71 in de ten tijde van de feiten geldende versie(2) verstaat onder "gezinsbijslagen":
"alle verstrekkingen of uitkeringen ter bestrijding van de gezinslasten in het kader van een in artikel 4, lid 1, sub h, bedoelde wettelijke regeling, met uitzondering van de in bijlage II vermelde bijzondere uitkeringen bij geboorte of adoptie".(3)
3 Artikel 2, lid 1, bepaalt:
"Deze verordening is van toepassing op werknemers of zelfstandigen op wie de wetgeving van één of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van één der lidstaten, dan wel op het grondgebied van één der lidstaten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen."
4 Artikel 3, lid 1, bepaalt:
"Personen die op het grondgebied van één der lidstaten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening."
5 Artikel 4, lid 1, bepaalt:
"Deze verordening is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:
(...)
h) gezinsbijslagen."
6 In titel II, met als opschrift "Vaststelling van de toe te passen wetgeving", bepaalt artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71:
"Onder voorbehoud van artikel 14 quater zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld."
7 Artikel 13, lid 2, bepaalt:
"Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:
a) is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat."
8 Artikel 16 bepaalt:
"1. Artikel 13, lid 2, sub a, is van toepassing op leden van het bedienende personeel van diplomatieke zendingen of consulaire posten en op de particuliere bedienden in dienst van ambtenaren van deze zendingen of posten.
2. Niettemin mogen de in lid 1 bedoelde werknemers die onderdaan zijn van de lidstaat welke zendstaat is, kiezen voor de toepassing van de wetgeving van die staat. Dit keuzerecht kan aan het einde van ieder kalenderjaar opnieuw worden uitgeoefend en heeft geen terugwerkende kracht."
De feiten en de vragen
9 P. Gómez Rivero, verzoekster in het hoofdgeding, en haar echtgenoot zijn in Duitsland woonachtige Spaanse onderdanen. Verzoekster woont er sinds 1968 en haar echtgenoot sinds 1966. Zij hebben twee kinderen, geboren in 1977 en 1982.
10 Verzoekster oefent, afgezien van een volgens de verwijzingsbeschikking geringe werkzaamheid als hulp in de huishouding - blijkbaar voor ongeveer vijf à zes uur per week - sinds 1994 geen beroepswerkzaamheid uit. Deze werkzaamheid is niet aan de sociale zekerheid onderworpen. Sinds 1968 is haar echtgenoot in dienst van het Spaanse consulaat-generaal in Hannover.
11 Verzoeksters echtgenoot koos overeenkomstig artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1408/71 voor toepassing van de Spaanse socialezekerheidswetgeving. Verzoekster heeft dit keuzerecht niet uitgeoefend of willen uitoefenen.
12 In casu betwist verzoekster de beslissing van de Bundesanstalt für Arbeit Nürnberg, verweerster in het hoofdgeding, haar met ingang van 1 februari 1995 geen Kindergeld voor haar twee zonen meer toe te kennen.(4) Deze beslissing was gebaseerd op het door haar echtgenoot uitgeoefende keuzerecht.
13 Volgens de Spaanse socialezekerheidsregeling voldoet verzoekster niet aan de voorwaarden voor aanspraak op gezinsbijslag, aangezien het gezinsinkomen hoger is dan de inkomensgrens waaronder kinderbijslag wordt uitbetaald.
14 In de verwijzingsbeschikking stelt de verwijzende rechter vast, dat verzoekster naar Duits recht nog steeds voldoet aan alle voorwaarden voor aanspraak op Kindergeld en gerechtigd is op uitbetaling daarvan. De vraag rijst evenwel, of de Duitse wetgeving inzake Kindergeld op verzoekster van toepassing is. Weliswaar valt het Kindergeld als gezinsbijslag binnen de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71, en valt verzoekster zelf binnen de personele werkingssfeer van de verordening, doch het blijft nog de vraag, of zij door de keuze van haar echtgenoot voor de toepassing van de Spaanse wetgeving eveneens onder de Spaanse wetgeving valt, zodat zij niet gerechtigd is op socialezekerheidsuitkeringen naar Duits recht. Meer bepaald vraagt de verwijzende rechter, of de uitoefening van het keuzerecht ook rechtsgevolgen heeft voor de echtgenoot van een werknemer, wanneer hij, zoals in verzoeksters geval, niet met de uitoefening van dit keuzerecht heeft ingestemd of niet zelf daartoe heeft besloten.
15 Wanneer verzoekster door de keuze van haar echtgenoot aan het Spaanse socialezekerheidsrecht is onderworpen, ongeacht of zij al dan niet met die keuze heeft ingestemd of zelf daartoe heeft besloten, is de beslissing tot stopzetting van de uitbetaling van het Duitse Kindergeld volgens de verwijzende rechter rechtmatig, aangezien zij dan niet onder het Duitse socialezekerheidsstelsel valt. Indien de uitoefening van het keuzerecht geen dergelijk gevolg voor verzoekster heeft, dan is zij volgens verordening nr. 1408/71 gerechtigd op Duits Kindergeld.
16 In deze omstandigheden heeft de verwijzende rechter het Hof de volgende vragen gesteld:
"1) Heeft de keuze van een lid van het bedienend personeel van een consulaire post, overeenkomstig artikel 16, lid 2, eerste zin, van verordening (EEG) nr. 1408/71, voor de toepassing van de wetgeving van de lidstaat die zendstaat is, waarvan hij onderdaan is, ook rechtsgevolg voor zijn - niet tot het bedienend personeel van een consulaire post behorende - echtgenoot, die eveneens onderdaan is van de lidstaat die zendstaat is,
of
is de wetgeving van de lidstaat die zendstaat is, alleen dan op de echtgenoot van toepassing, indien deze zelf ook voor de toepassing ervan heeft gekozen?
2) Indien de keuze van de tot het bedienend personeel van een consulaire post behorende onderdaan voor de toepassing van de wetgeving van de lidstaat die zendstaat is, ook rechtsgevolg heeft voor diens echtgenoot: is voor de geldigheid van de toepassing van de wetgeving van de lidstaat die zendstaat is, de toestemming of enige andere vorm van medewerking van die echtgenoot vereist?"
Opmerkingen
17 Verzoekster, de Finse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen gemaakt.
18 Volgens verzoekster is verordening nr. 1408/71 irrelevant voor de vaststelling van haar recht op Kindergeld. Ongeacht of het door haar man uitgeoefende keuzerecht haar al dan niet bindt, verliest zij of haar echtgenoot door diens keuze voor de toepassing van de Spaanse socialezekerheidswetgeving niet het recht op Duitse gezinsbijslag. De bepalingen van titel II van de verordening, "Vaststelling van de toe te passen wetgeving", inzake onder meer het recht van bedienend personeel van consulaire posten te kiezen voor de toepassing van het socialezekerheidsstelsel van de zendstaat, betreffen alleen de vaststelling van de toepasselijke wetgeving, ingeval een werknemer onder verschillende nationale socialezekerheidsstelsels valt en laat de wet betreffende het verlenen van de bijslagen onverlet. Aangezien de verordening alleen de sociaalrechtelijke bepalingen van de lidstaten coördineert, kan zij nationale bepalingen die gunstiger zijn dan die van gemeenschapsrecht niet buiten werking stellen. Voorts, aldus verzoekster, is de verordening niet van toepassing, wanneer er geen grensoverschrijdend element is, en liggen in haar geval alle beslissende factoren, namelijk haar woonplaats, die van haar echtgenoot en haar kinderen, in Duitsland.
19 Volgens de Finse regering bepaalt titel II van verordening nr. 1408/71 de toe te passen wetgeving, telkens wanneer iemand onder de socialezekerheidsregeling van meer dan één lidstaat valt. Krachtens artikel 2 van de verordening geldt zij ook voor de gezinsleden van de werknemer. Titel II voorziet niet in andere regels tot vaststelling van de op de gezinsleden van een werknemer toepasselijke wetgeving. Volgens de systematiek van de verordening zijn op de gezinsleden van een werknemer de rechtsbepalingen van toepassing die voor de werknemer zelf gelden. Dat is ook het geval, wanneer de werknemer het keuzerecht van artikel 16, lid 2, uitoefent. In dat geval kunnen de gezinsleden van een werknemer niet zelf beslissen, welke rechtsbepalingen op hen van toepassing zijn. De keuze van de werknemer voor de toepassing van de sociaalrechtelijke wetgeving van een lidstaat heeft dus ook gevolgen voor zijn gezinsleden. Voorts kan de tekst van de bepaling niet aldus worden uitgelegd, dat de gezinsleden vooraf met de keuze moeten hebben ingestemd.
20 De Commissie is het met de verwijzende rechter eens, dat de uitbetaling aan verzoekster van Kindergeld terecht is stopgezet met ingang van 1 februari 1995, indien zij gebonden is door de keuze van haar echtgenoot voor de toepassing van het Spaanse socialezekerheidsstelsel. Indien de uitoefening van dit keuzerecht haar evenwel niet bindt, dan is de Duitse socialezekerheidsregeling ingevolge artikel 13, lid 2, sub a, van de verordening op haar van toepassing en is de beslissing haar geen Kindergeld meer uit te betalen onwettig, aangezien zij voldoet aan alle voorwaarden voor aanspraak op die uitkering naar Duits recht.
21 Volgens de Commissie moeten de vragen in het licht van de arresten van het Hof in de zaken Cabanis-Issarte en Hoever en Zachow(5) worden beantwoord. Aan de hand van deze rechtspraak moet worden uitgemaakt, of de rechtsbepalingen de gezinsleden van de werknemer persoonlijke rechten verlenen dan wel alleen op de werknemer van toepassing zijn. Volgens de Commissie geldt artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1408/71 alleen voor de werknemer zelf. Deze bepaling verleent het personeelslid van een consulaire post een keuzerecht op basis van zijn status als zodanig. De gezinsleden van deze werknemer die deze status niet bezitten, beschikken niet over dit keuzerecht. De uitoefening van dit keuzerecht door de werknemer heeft verder geen rechtsgevolgen voor zijn gezinsleden die in casu dus aan de Duitse socialezekerheidsregeling zijn onderworpen.
Beoordeling
22 Ik ben het eens met de Finse regering, dat in gevallen zoals het onderhavige voor de gezinsleden van een werknemer de wetgeving geldt die voor de werknemer zelf geldt. Dit beginsel is ook van toepassing, wanneer een werknemer zijn keuzerecht krachtens artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1408/71 heeft uitgeoefend. Zulks blijkt duidelijk uit de systematiek en de tekst van de verordening.
23 Ter vergemakkelijking van het vrij verkeer van werknemers verschaft artikel 51 EG-Verdrag op basis waarvan verordening nr. 1408/71 is vastgesteld, de rechtsgrondslag voor gemeenschapsregelingen inzake sociale zekerheid die migrerende werknemers en hun gezinsleden bij de uitoefening van hun recht op vrij verkeer behoeden voor verlies van in een lidstaat verworven aanspraken op uitkeringen. De verordening strekt tot coördinatie van de socialezekerheidsregelingen van de lidstaten ter vrijwaring van de doelstellingen van artikel 51. In het kader van deze doelstellingen moet in de eerste plaats worden gewaarborgd, dat de tijdvakken van bijdrage van de gerechtigden in de verschillende lidstaten worden bijeengeteld en in de tweede plaats dat de uitkeringsgerechtigden, ongeacht waar zij in de Gemeenschap verblijven, worden uitbetaald. Het systeem beoogt de territoriale grenzen voor de toepassing van de verschillende socialezekerheidsregelingen binnen de Gemeenschap zo veel mogelijk op te heffen.(6)
24 Verordening nr. 1408/71 strekt tot coördinatie van de nationale socialezekerheidsbepalingen onder meer door vast te stellen welk socialezekerheidsstelsel van toepassing is op een werknemer en zijn gezinsleden die hun recht op vrij verkeer hebben uitgeoefend. Deze bepalingen staan in titel II van de verordening, met het opschrift "Vaststelling van de toe te passen wetgeving".
25 In verschillende zaken oordeelde het Hof, dat de bepalingen van titel II van de verordening een volledig en eenvormig stelsel van collisieregels vormen, met als doel de werknemers die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, onder de socialezekerheidsregeling van één enkele lidstaat te brengen, zodat geen verschillende nationale wettelijke regelingen toepasselijk zijn, met alle mogelijke complicaties van dien.(7) Opgemerkt zij evenwel, dat de verordening niet verder gaat dan de coördinatie van de nationale bepalingen. Zij bepaalt bijvoorbeeld niet onder welke voorwaarden bij een socialezekerheidsstelsel moet of kan worden aangesloten.(8)
26 Ik ben het niet eens met de Commissie, dat de echtgenoot van een werknemer, ook al is hij niet zelf verzekerd, volgens de verordening onderworpen kan zijn aan een ander nationaal socialezekerheidsstelsel dan dat waaraan de werknemer is onderworpen.
27 Artikel 13, lid 2, sub a, waarop de Commissie zich beroept, verwijst alleen naar de werknemer, niet naar de echtgenoot. Bovendien blijkt duidelijk uit de systematiek van de verordening, dat de gezinsleden van een werknemer, behoudens bepaling van het tegendeel, aan dezelfde rechtsbepalingen zijn onderworpen als de werknemer. Dat is volledig logisch, aangezien de aanspraken van gezinsleden volgens de systematiek van de verordening voortvloeien uit de status van de werknemer als verzekerde. Uiteraard kan de situatie verschillen, wanneer een gezinslid zelf werknemer is in de zin van artikel 2, lid 1.
28 Evenmin ben ik het eens met de Commissie, dat de door het Hof gestelde beginselen om eigen en afgeleide aanspraken te onderscheiden relevant zijn voor de vaststelling van de toepasselijke wetgeving. Mijns inziens verwart de Commissie de vaststelling van de toepasselijke wetgeving met de bepaling van de rechten van de gezinsleden van een werknemer krachtens die wetgeving. De arresten van het Hof in de zaken Cabanis-Issarte en Hoever en Zachow(9) betreffen alleen deze laatste vraag. In de zaak Cabanis-Issarte ging het over de pensioenrechten van de weduwe van een Frans werknemer die zijn loopbaan gedeeltelijk in Nederland had gehad. De toepasselijke wetgeving was de Nederlandse wetgeving en de vraag was, of mevrouw Cabanis-Issarte krachtens deze wetgeving zelf rechten kon doen gelden, welke vraag het Hof bevestigend beantwoordde. De zaak Hoever en Zachow betrof het recht op ouderschapsuitkering van echtgenotes van in Duitsland werkzame, doch in Nederland woonachtige Duitse werknemers. Daar zij in Duitsland werkten, moest de Duitse wetgeving worden toegepast en de vraag was, of mevrouw Hoever en mevrouw Zachow, die als zelfstandigen werkten in de zin van de verordening, zelf recht hadden op de uitkering: opnieuw beantwoordde het Hof deze vraag bevestigend. Uit deze arresten blijkt dus weliswaar, dat de rechten van de gezinsleden van een migrerend werknemer niet zijn beperkt tot uit hun status van gezinslid van een werknemer afgeleide rechten, doch daaruit blijkt geenszins, dat het onderscheid tussen afgeleide en eigen rechten bij de vaststelling van de toepasselijke wetgeving relevant is. Evenmin kan dat onderscheid mijns inziens een rol spelen bij die vaststelling. Volgens de systematiek van de verordening moet in de eerste plaats de toe te passen wetgeving worden vastgesteld, alvorens de werkelijke rechten op uitkering te kunnen vaststellen en daartoe bevat de verordening bindende voorschriften over de toe te passen wetgeving. Aangezien er geen bijzondere bepalingen voor de gezinsleden van een werknemer zijn, gelden de op migrerende werknemers toepasselijke rechtsbepalingen volgens de systematiek van de verordening ook voor hun gezinsleden. Dit moet ook gelden in het uitzonderlijke geval waarin de migrerend werknemer krachtens artikel 16, lid 2, een keuzerecht heeft.
29 In casu heeft de verordening weliswaar tot gevolg, dat verzoekster geen aanspraak op de betrokken uitkeringen kan maken, terwijl zij daarop recht zou hebben gehad, indien de verordening er niet was. Dit resultaat is evenwel het gevolg van de functie van titel II van de verordening die erin bestaat een volledig stelsel van collisienormen vast te stellen. Bovendien is dit resultaat, zoals het Hof erkende, niet in strijd met het in zijn rechtspraak gehuldigde beginsel, dat de toepassing van de verordening geen verlies van uitsluitend krachtens een nationale wetgeving verkregen rechten mag meebrengen. Dit beginsel geldt aldus het Hof niet voor de regels tot vaststelling van de toepasselijke wetgeving.(10)
30 Mijns inziens moet de eerste vraag derhalve aldus worden beantwoord, dat wanneer een personeelslid van een consulaire post krachtens artikel 16, lid 2, eerste zin, van verordening nr. 1408/71 kiest voor de toepassing van de wetgeving van de zendstaat waarvan hij een onderdaan is, deze keuze ook gevolgen heeft voor zijn echtgenoot die niet in dienst is van de consulaire post en die ook een onderdaan van de zendstaat is.
31 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of, indien de keuze voor de toepassing van de wetgeving van de zendstaat ook voor de echtgenoot gevolgen heeft, de toestemming of enige andere vorm van medewerking van de echtgenoot vereist is voor de geldigheid van die keuze.
32 Mijns inziens valt nergens uit de tekst van artikel 16, lid 2, van de verordening af te leiden, dat de echtgenoot van een werknemer met de keuze moet instemmen om geldig te zijn. Deze bepaling aldus verstaan dat de instemming van de echtgenoot (of van een ander volwassen gezinslid van de werknemer) noodzakelijk is, zal leiden tot rechtsonzekerheid, de bepaling onbruikbaar maken en haar aldus alle praktische werkzaamheid ontnemen. Ik moge ook opmerken, dat de gezinsleden van een migrerend werknemer die het keuzerecht krachtens artikel 16, lid 2, heeft uitgeoefend, niet slechter af zijn dan de gezinsleden van een migrerend werknemer die dat recht niet heeft: in dit laatste geval zijn de gezinsleden hoe dan ook gebonden door de voorschriften tot vaststelling van de toepasselijke wetgeving.
33 Ten slotte, aldus de Commissie, zou verordening (EEG) nr. 1612/68(11) van toepassing kunnen zijn. Artikel 7 van deze verordening bepaalt:
"1. Een werknemer die onderdaan is van een lidstaat mag op het grondgebied van andere lidstaten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid (...)
2. Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers."
34 Gelet op verzoeksters werkzaamheid gedurende vijf à zes uur per week kan zij volgens de Commissie een werknemer in de zin van deze verordening zijn, zodat zij ingevolge artikel 7, lid 2, daarvan gerechtigd is op dezelfde sociale voordelen als Duitse onderdanen. De Commissie wenste hier evenwel niet nader op in te gaan omdat zij de feiten onvoldoende kent, zodat de verwijzende rechter in het licht van de rechtspraak van het Hof over de definitie van werknemer daarover moet beslissen.(12)
35 Of verordening nr. 1612/68 van toepassing kan zijn, hoeft mijns inziens om de volgende redenen niet te worden onderzocht. In de aan het Hof voorgelegde vragen en in de verwijzingsbeschikking is geen sprake van deze verordening. Derhalve waren de partijen in het hoofdgeding en de lidstaten niet in de gelegenheid de strekking van deze verordening voor het Hof te bespreken. Deze bedenkingen zouden niet gelden in een zaak waarin de verordening volledig relevant was en per abuis over het hoofd werd gezien. Dit is hier evenwel niet het geval. In casu is het helemaal niet duidelijk, of verzoekster volgens de verordening een werknemer is, dan wel of het discriminatieverbod van verordening nr. 1612/68 prevaleert op de voorschriften van verordening nr. 1408/71 tot vaststelling van de toepasselijke sociale wetgeving. Op deze belangrijke vragen kunnen wij zonder uitdrukkelijke argumentatie niet ingaan.
Conclusie
36 Mitsdien moeten de vragen van het Landessozialgericht Niedersachsen mijns inziens worden beantwoord als volgt:
"1) Artikel 16, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer een personeelslid van een consulaire post krachtens artikel 16, lid 2, eerste zin, van verordening nr. 1408/71 kiest voor de toepassing van de wetgeving van de zendstaat, waarvan hij onderdaan is, dit ook gevolgen heeft voor zijn echtgenoot die niet in dienst is van de consulaire post en die ook een onderdaan van de zendstaat is.
2) Voor de geldigheid van deze keuze is de toestemming of enige andere vorm van medewerking van de echtgenoot niet vereist."
(1) - Verordening van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1).
(2) - Artikel 1, sub u-i, is gewijzigd bij verordening (EG) nr. 3096/95 van de Raad van 22 december 1995 (PB L 335, blz. 10) met het oog op de gelijkstelling van de uitkeringen bij geboorte en de uitkeringen bij adoptie.
(3) - In bijlage II wordt voor Duitsland niet een dergelijke uitkering genoemd.
(4) - Naar Duits recht dient verzoeksters aanspraak tot 31 december 1995 te worden beoordeeld op basis van het Bundeskindergeldgesetz (BKGG) in de op 31 januari 1994 uitgevaardigde versie (BGBl. I, blz. 168, 701) en vervolgens van de met ingang van 1 januari 1996 geldende §§ 62 e.v. van het Einkommensteuergesetz in de door de wet van 11 oktober 1995 (BGBl. I, blz. 1250) gewijzigde versie.
(5) - Arresten van 30 april 1996, Cabanis-Issarte (C-308/93, Jurispr. blz. I-2097), en 10 oktober 1996, Hoever en Zachow (C-245/94 en C-312/94, Jurispr. blz. I-4895).
(6) - Arrest van 9 december 1965, Singer (44/65, Jurispr. blz. 1191, inz. blz. 1199).
(7) - Zie, bijvoorbeeld, arresten van 13 maart 1997, Huijbrechts (C-131/95, Jurispr. blz. I-1409, punt 17), en 11 juni 1998, Kuusijärvi (C-275/96, punt 28, Jurispr. blz. I-3419).
(8) - Zie arrest van 3 mei 1990, Kits van Heijningen (C-2/89, Jurispr. blz. I-1755, punt 19), en arrest Kuusijärvi, reeds aangehaald, punt 29.
(9) - Aangehaald in voetnoot 5.
(10) - Zie arrest van 12 juni 1986, Ten Holder (302/84, Jurispr. blz. 1821, punt 22).
(11) - Verordening van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2)
(12) - Voor de definitie van werknemer in de zin van verordening nr. 1612/68, zie bijvoorbeeld arresten Hof van 3 juni 1986, Kempf (139/85, Jurispr. blz. 1741), en 21 november 1991, Le Manoir (C-27/91, Jurispr. blz. I-5531).
Full & Egal Universal Law Academy