Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1 Welke gevolgen heeft de omstandigheid, dat een ademanalyseapparaat niet "in Brussel is aangemeld"? In de onderhavige procedure gaat het om de vraag, of een verdachte zich in een strafzaak voor de nationale rechter kan beroepen op het feit, dat nationale bepalingen betreffende het gebruik van ademanalyseapparaten, die op het eerste gezicht technische voorschriften vormen in de zin van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (hierna: "richtlijn")(1), niet bij de Commissie zijn aangemeld.
II - De feiten en de toepasselijke wetgeving
a) De feiten en de verwijzingsbeschikking
2 Het arrest van het Hof in de zaak CIA Security International(2) lijkt in Nederland enige opschudding te hebben veroorzaakt. Het arrest was voor de regering aanleiding een lijst op te stellen van circa 400 regelingen die als technische voorschriften in de zin van de richtlijn zouden kunnen worden aangemerkt, doch die niet waren aangemeld en waartegen voor de nationale rechterlijke instanties in beginsel dus een beroep op de rechtstreekse werking van artikel 8 van de richtlijn kon worden gedaan. De kwestie werd in juni 1997 in de pers bekend en de lijst werd op 21 juli 1997, na een daartoe strekkend bevel van de rechtbank aan de regering, openbaar gemaakt. Op dat tijdstip had de Nederlandse regering, met toepassing van de in de richtlijn geregelde urgentieprocedure, de Regeling ademanalyse 1997, waarvan de bepalingen identiek zijn aan de nationale regeling waar het in deze zaak om gaat, bij de Commissie aangemeld.
3 De feiten zoals deze uit de verwijzingsbeschikking en uit de door de Nederlandse regering in haar opmerkingen verstrekte informatie blijken, zijn de volgende. Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat hij een motorvoertuig heeft bestuurd terwijl het alcoholgehalte van zijn adem de wettelijke norm overschreed. Voor de Arrondissementsrechtbank te Maastricht verklaarde de verdachte op 13 juni 1997 het volgende: "Ik heb uit de pers begrepen dat er problemen zijn met de blaasapparatuur. Ik beroep mij erop, dat deze apparatuur niet in Brussel is aangemeld, en vraag me af, wat de eventuele gevolgen voor mijn zaak kunnen zijn." Vaststellende dat een beslissing over sommige punten nodig was om vonnis te kunnen wijzen, heeft de Arrondissementsrechtbank te Maastricht het Hof de volgende vragen voorgelegd:
"1) Kan door of namens een verdachte die in een strafzaak terechtstaat wegens overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, Wegenverkeerswet 1994, met vrucht een beroep worden gedaan op het buiten toepassing laten van de Regeling ademanalyse, Ned. Stct 1987, 187, zoals gewijzigd, bevattende nadere regels omtrent de eisen waaraan ademanalyseapparaten dienen te voldoen en de onderzoeken waaraan zij dienen te zijn onderworpen - welke regeling voor het in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, Wegenverkeerswet 1994 bedoelde onderzoek ingevolge artikel 65 van de Invoeringswet Wegenverkeerswet 1994 berust op artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994 gezien in samenhang met artikel 5 van het Besluit alcoholonderzoeken, Stb. 1987, 432, zoals gewijzigd - aangezien ten aanzien van deze regeling de bij artikel 8 van richtlijn 83/189/EEG voorgeschreven mededeling aan de Europese Commissie niet heeft plaatsgevonden?
2) Dient de rechter in een strafzaak als hierboven bedoeld, deze regeling ambtshalve buiten toepassing te laten wegens bedoelde niet mededeling?"
4 De Nederlandse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. De Nederlandse en de Franse regering alsmede de Commissie waren ter terechtzitting vertegenwoordigd.
b) De nationale bepalingen
5 Artikel 8, lid 2, sub a, van de Wegenverkeerswet 1994 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
"Het is een ieder verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan tweehonderdtwintig microgram per liter uitgeademde lucht."
In artikel 163 van deze wet is de procedure voor het uitvoeren van de ademanalysetests neergelegd, terwijl artikel 163, lid 10, bepaalt, dat nadere regels worden vastgesteld over de uitvoering van dit artikel en van artikel 160, lid 5. De minister van Justitie dient de maatregelen ter uitvoering van die bepalingen vast te stellen.
6 Artikel 3 van het Besluit alcoholonderzoeken van 24 september 1987, zoals gewijzigd met het oog op de Wegenverkeerswet 1994, bepaalt, dat voor het verrichten van ademanalyse gebruik wordt gemaakt van een ademanalyseapparaat dat behoort tot een door de minister van Justitie aangewezen type. Op grond van artikel 5 van dit besluit stelt de minister van Justitie nadere regels omtrent de eisen waaraan ademanalyseapparaten moeten voldoen, en de onderzoeken waaraan zij dienen te zijn onderworpen.
7 De artikelen 2 en 3 van de Regeling ademanalyse van 25 september 1987, zoals gewijzigd (hierna: "Regeling ademanalyse 1987"), bevatten regels over de goedkeuring en het typeonderzoek van het ademanalyseapparaat door een keuringsinstelling aan de hand van de punten 4.3 tot 4.5 van bijlage 1 bij de regeling betreffende, respectievelijk, het typeonderzoek, het eerste individueel onderzoek en het herhaald individueel onderzoek.
III - Juridische beoordeling
a) Ontvankelijkheid
8 In de verwijzingsbeschikking wordt niet uitvoerig ingegaan op de feitelijke en juridische achtergrond van de zaak. Geen van de lidstaten die opmerkingen hebben ingediend, heeft echter gesteld dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk moet worden verklaard, op grond dat de verstrekte informatie zo gebrekkig is, dat het Hof de relevante gemeenschapsrechtelijke bepalingen niet kan uitleggen in verband met de situatie die het voorwerp van geding is, gelijk in de zaak Telemarsicabruzzo e.a.(3) het geval was. Evenmin heeft de gebrekkige informatie hun belet relevante opmerkingen in te dienen over de belangrijke vragen van gemeenschapsrecht die aan de orde komen.(4) De Commissie heeft gesteld, dat ofschoon het Hof dit verzoek niet-ontvankelijk kan verklaren, het dit niet moet doen, aangezien er een communautair belang bestaat, duidelijkheid te verkrijgen over de draagwijdte van het arrest CIA Security International.
9 Ofschoon de verwijzingsbeschikking uiterst beknopt is, beschikt het Hof mijns inziens over voldoende informatie omtrent het feitelijk en juridisch kader van het hoofdgeding om een nuttig antwoord te kunnen geven. De beschikking vermeldt dat aan de verdachte rijden onder invloed ten laste wordt gelegd, en specificeert in de vragen de nationale bepalingen waarvan de niet-aanmelding ter discussie staat. In zoverre is deze zaak vergelijkbaar met de zaken Gallotti e.a. Daar werd in de verschillende verwijzingsbeschikkingen slechts uiteengezet dat aan de diverse verdachten overtreding van de Italiaanse wettelijke bepalingen inzake afvalstoffen ten laste werd gelegd, en werd de gemeenschapsbepaling genoemd waarvan uitlegging werd gevraagd. Het Hof oordeelde, dat "gelet op de zeer algemene aard van de gestelde vragen en de zeer uitvoerige uiteenzetting van de nationale rechter in de motivering van zijn beschikkingen over de uitlegging van richtlijn 91/156, het Hof over voldoende gegevens beschikt om een nuttig antwoord op de gestelde vragen te kunnen geven".(5) Ook in het arrest Vaneetveld oordeelde het Hof, dat het informatievereiste "minder absoluut [is] wanneer de vragen betrekking hebben op specifieke technische punten, en het Hof ook dan een nuttig antwoord kan geven wanneer de nationale rechter de juridische en feitelijke context niet in bijzonderheden heeft uiteengezet".(6)
10 Mijns inziens moet de toereikendheid van de door de nationale rechter verstrekte informatie worden beoordeeld tegen de achtergrond van de gestelde gemeenschapsrechtelijke vragen. Aangezien de nationale rechter een vraag van uitlegging van het gemeenschapsrecht aan de orde heeft gesteld en hij de relevante feiten kort maar bondig heeft uiteengezet, is het Hof verplicht die vraag te beantwoorden.(7)
b) Het toepassingsgebied ratione temporis van de richtlijn
11 Een tweede kwestie waarover eerst duidelijkheid moet worden verschaft, is de vraag welke versie van de richtlijn van toepassing was op de feiten die tot de onderhavige procedure hebben geleid. Volgens de Commissie is dat de oorspronkelijke versie van vóór de wijzigingen van 1988 en 1994, aangezien die versie van kracht was ten tijde van de vaststelling van de Regeling ademanalyse 1987. De Nederlandse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk stellen zich echter op het standpunt, dat de bij de twee latere richtlijnen gewijzigde versie van de richtlijn van toepassing is, terwijl de Franse regering zich hierover niet heeft uitgesproken.
12 De achtereenvolgende wijzigingen van de richtlijn strekten met name ertoe, de bepalingen van de richtlijn uit te breiden en te verduidelijken. Ofschoon het begrip "technisch voorschrift" bij elke gelegenheid is verruimd, lijken deze wijzigingen niet relevant voor de beoordeling van de nationale bepalingen waar het in deze zaak om gaat. Daarom kan, gelijk door de Commissie is voorgesteld, de definitie van deze term zoals opgenomen in de oorspronkelijke versie van de richtlijn worden gebruikt, aangezien de wijzigingen, zelfs indien zij op de feiten van toepassing werden geacht, niet van invloed zouden zijn op de indeling van de Regeling ademanalyse 1987.
c) De vragen ten gronde
13 De eerste vraag die in deze zaak aan de orde komt, is of de Regeling ademanalyse 1987 een "technisch voorschrift" in de zin van de richtlijn vormt. Een "technisch voorschrift" is in wezen een reeks technische specificaties "die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor de verhandeling of het gebruik in een lidstaat of in een groot deel van deze staat, met uitzondering van die welke door de plaatselijke overheid zijn vastgesteld" (artikel 1, lid 5). Een "technische specificatie" wordt door de richtlijn omschreven als een specificatie "ter omschrijving van de vereiste kenmerken van een product" (artikel 1, lid 1). Behoudens enkele hier niet relevante uitzonderingen, verplicht artikel 8 de lidstaten de Commissie ieder ontwerp voor een technisch voorschrift mee te delen en, in voorkomend geval, de wettelijke en bestuursrechtelijke basisbepalingen. In de zaak CIA Security International oordeelde het Hof, "dat richtlijn 83/189 aldus moet worden uitgelegd, dat het verzuim van de verplichte kennisgeving de niet-toepasselijkheid van de betrokken technische voorschriften meebrengt, zodat deze niet aan particulieren kunnen worden tegengeworpen".(8) Nadien oordeelde het in de zaak Bic Benelux, dat als technische voorschriften in de zin van de richtlijn moeten worden aangemerkt alle nationale maatregelen die "het intracommunautaire handelsverkeer al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kunnen belemmeren".(9)
14 De Nederlandse regering heeft gesteld, dat de Regeling ademanalyse 1987 niet strekt tot uitvoering van enige communautaire norm en dat zij, als regeling op het gebied van het strafrecht, betrekking heeft op een materie die buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht valt. Om die redenen zou de regeling niet als technisch voorschrift kunnen worden aangemerkt.
15 Ik ben het hiermee niet eens. Uit de vaste rechtspraak van het Hof volgt duidelijk, dat "het strafrecht en het strafprocesrecht (...) [weliswaar] behoren (...) tot de bevoegdheid van de lidstaten, doch dat (...) het gemeenschapsrecht grenzen (...) aan die bevoegdheid [stelt]".(10) De richtlijn staat geen enkele afwijking toe ten gunste van strafrechtelijke bepalingen die technische voorschriften zouden kunnen zijn, en de verplichting tot aanmelding kan in beginsel dus ook voor dergelijke bepalingen ontstaan.
16 In het licht van de arresten CIA Security International en Bic Benelux kan worden gesteld, dat aan de hand van de volgende criteria wordt bepaald, of een nationale maatregel een technisch voorschrift vormt:
- bevat de maatregel technische specificaties?(11)
- is de naleving ervan de jure of de facto verplicht voor de verhandeling of het gebruik in een lidstaat of in een groot deel van deze staat?
- kan de maatregel het intracommunautaire handelsverkeer al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, belemmeren?
17 Het lijdt geen enkele twijfel, dat de Regeling ademanalyse 1987 "technische specificaties" bevat; bijlage 1 bevat een gedetailleerde lijst van kenmerken waaraan het ademanalyseapparaat moet voldoen en die in het bijzonder verband houden met de kwaliteit, de werking, het onderzoek en de wijzen van onderzoek, alsmede de procedures om te beoordelen of het apparaat aan de voorschriften voldoet. Er bestaat eveneens weinig twijfel over de vraag, of de naleving van de Regeling ademanalyse de jure verplicht is, in die zin dat de politie goedgekeurde apparatuur moet gebruiken teneinde aan te tonen, dat er sprake is van een overtreding. Blijft over de vraag, of de regeling het handelsverkeer kan belemmeren in de zin van het arrest Bic Benelux.
18 Het kan zijn, dat de Regeling ademanalyse 1987, gelijk de Nederlandse regering heeft opgemerkt, veeleer de betrouwbaarheid van ademanalyseapparaten beoogt te waarborgen dan dat zij regels wil vastleggen over de verhandeling of het gebruik van dergelijke apparatuur. Mijns inziens volgt uit de rechtspraak van het Hof echter duidelijk, dat de mogelijke gevolgen die een nationale regeling voor het handelsverkeer kan hebben, bepalend zijn voor de vraag of deze moet worden aangemeld, en niet de doelstellingen ervan. In het arrest Commissie/Nederland oordeelde het Hof, dat een regeling die de voorwaarden bevatte waaronder vervangende producten als margarine mochten worden verkocht een technisch voorschrift vormde: "Aan deze voorwaarde kan niet worden afgedaan door het argument van de Nederlandse regering, dat de Vrijstellingsregeling ruimere mogelijkheden voor het verhandelen van margarine biedt (...) Deze verplichting [tot aanmelding] kan niet afhankelijk zijn van de eenzijdige beoordeling, door de lidstaat die het ontwerp heeft opgesteld, van de eventuele gevolgen van dit ontwerp voor het handelsverkeer tussen lidstaten."(12) Meer in het algemeen stelde het Hof in het arrest Bic Benelux, dat belemmeringen van het handelsverkeer "het gevolg [kunnen] zijn van de vaststelling van nationale technische voorschriften, (...) ongeacht op welke gronden die voorschriften zijn vastgesteld", en het vervolgde, dat "de omstandigheid dat een nationale maatregel is vastgesteld ter bescherming van het milieu, of de omstandigheid dat die maatregel niet bedoeld is ter uitvoering van een technische norm die zelf een belemmering kan vormen voor het vrije verkeer, niet uitsluit dat de betrokken maatregel een technisch voorschrift in de zin van richtlijn 83/189 kan zijn".(13)
19 De Nederlandse regering heeft er voorts op gewezen, dat de Regeling ademanalyse 1987 niet voor de gehele markt van ademanalyseapparatuur geldt, doch slechts voor een enkele koper, namelijk de politie, en dat apparatuur die niet aan de voorwaarden van de regeling voldoet, zonder enige belemmering mag worden verkocht en gebruikt. Zij noemt als voorbeeld exploitanten van horecabedrijven, die dergelijke apparaten voor gebruik door hun klanten willen aanschaffen.
20 Het is mogelijk, dat er een tweede markt voor ademanalyseapparatuur bestaat of kan bestaan. Dit volstaat mijns inziens echter niet om de mogelijkheid uit te sluiten, dat de Regeling ademanalyse 1987 de handel in dergelijke goederen tussen lidstaten kan belemmeren. Het Hof oordeelde immers in het arrest Van de Haar en Kaveka de Meern: "Artikel 30 EEG-Verdrag maakt ten aanzien van maatregelen die kunnen worden aangemerkt als maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, geen onderscheid naar gelang de mate waarin de handel tussen lidstaten ongunstig wordt beïnvloed. Een nationale maatregel die de importen kan belemmeren, vormt ook dan een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, indien de belemmering van geringe omvang is en er andere afzetmogelijkheden voor de ingevoerde producten bestaan."(14) Aangezien de richtlijn betrekking heeft op alle mogelijke handelsbelemmeringen, moet de verplichting tot aanmelding mijns inziens ook gelden voor maatregelen als de Regeling ademanalyse 1987, zelfs al kan worden aangetoond, dat in Nederland ook andere ademanalyseapparatuur kan worden verkocht. Ik ben daarom van mening, dat de Regeling ademanalyse 1987 een technisch voorschrift in de zin van de richtlijn vormt.
21 De volgende vraag, die veel lastiger te beantwoorden is, is of een particulier die zich in een situatie als de verdachte in de nationale strafzaak bevindt, krachtens het gemeenschapsrecht een beroep kan doen op het verzuim van de Nederlandse regering om de Regeling ademanalyse 1987 aan te melden. Het gaat hier om "de netelige vraag, wie bij de nationale rechter een beroep op het gemeenschapsrecht kan doen"(15), en in hoeverre bepalingen van richtlijnen rechtstreekse werking hebben.
22 In deze context is het wellicht zinvol eraan te herinneren, dat volgens artikel 189, derde alinea, van het Verdrag "een richtlijn (...) verbindend [is] ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is". Hieruit volgt dus, dat resultaten die uit de toepassing van een richtlijn kunnen voortvloeien, doch door deze niet worden beoogd, gemeenschapsrechtelijk gezien in beginsel niet bindend zijn voor de lidstaat.
23 De resultaten die de richtlijn waar het in deze zaak om gaat, beoogt te bereiken, werden door het Hof in het arrest CIA Security International omschreven als volgt:
"Richtlijn 83/189 [beoogt] door middel van een preventieve controle het vrije verkeer van goederen (...) te beschermen, dat een van de grondslagen van de Gemeenschap vormt. Het nut van deze controle bestaat hierin, dat onder de richtlijn vallende technische voorschriften een belemmering kunnen vormen voor het vrije verkeer van goederen tussen lidstaten, en deze belemmeringen enkel kunnen worden toegestaan, indien zij noodzakelijk zijn om te voldoen aan dwingende eisen verband houdend met een doelstelling van algemeen belang."(16)
24 Na te hebben geoordeeld, dat de artikelen 8 en 9 van de richtlijn onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn om te kunnen worden ingeroepen tegen ermee strijdige nationale bepalingen, stelde het Hof vast, "welke rechtsgevolgen moeten worden verbonden aan een verzuim door de lidstaten van hun kennisgevingsplicht en, meer in het bijzonder, of richtlijn 83/189 aldus moet worden uitgelegd, dat het verzuim van de kennisgevingsplicht, dat een procedurefout is bij de vaststelling van de betrokken technische voorschriften, de niet-toepasselijkheid van deze technische voorschriften meebrengt, die dus niet aan particulieren kunnen worden tegengeworpen".(17) Deze zelfde formulering herhaalde het Hof in zijn conclusie hierover in punt 54 van het arrest.
25 Niet-aanmelding van een technisch voorschrift in de zin van de richtlijn betekent, dat een lidstaat dit voorschrift niet aan particulieren kan tegenwerpen. Het betekent niet, dat niet-aangemelde technische voorschriften in alle omstandigheden niet-toepasselijk en dus van nul en gener waarde zijn; dat zou alleen mogelijk zijn, indien de Gemeenschap bevoegd was bepalingen van nationaal recht nietig te verklaren. Een dergelijke bevoegdheid heeft het Hof echter nooit opgeëist. Het feit dat het Hof de verplichting tot aanmelding als procedurele verplichting aanmerkt, betekent niet, dat deze verplichting in beginsel verschilt van de algemene plicht de wezenlijke bepalingen van richtlijnen op de juiste wijze om te zetten, ten uitvoer te leggen en af te dwingen. Het betekent evenmin, dat de niet-nakoming van een dergelijke procedurele verplichting andere rechtsgevolgen heeft dan die welke uit de niet-nakoming van wezenlijke verplichtingen voortvloeien.
26 De niet-toepasselijkheid van nationale bepalingen die op het eerste gezicht onverenigbaar zijn met gemeenschapsrechtelijke bepalingen, geldt niet voor alle gevolgen van die bepalingen, maar hangt af van het resultaat dat de richtlijn beoogt. De onverenigbare nationale bepalingen blijven daarom alleen buiten toepassing, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op de "bevordering van het vrije verkeer van goederen (...) door het voorkomen van nieuwe belemmeringen", aldus de doelstelling van de richtlijn zoals omschreven in de tweede overweging van de considerans van de richtlijn van 1988. In de omstandigheden van de onderhavige zaak zie ik niet in, hoe de niet-toepassing van de Regeling ademanalyse 1987 in de strafzaak tegen de verdachte zou bijdragen tot de bevordering van het vrije verkeer van goederen. Een dergelijk gevolg valt daarom niet onder het door de richtlijn "te bereiken resultaat".
27 De rechtstreekse werking van bepalingen van richtlijnen kan overeenkomstig artikel 189 van het Verdrag ratione personae worden begrensd. In de zaak Faccini Dori bijvoorbeeld stelde het Hof, dat "de rechtspraak inzake het inroepen van richtlijnen tegenover overheidsorganen gebaseerd is op het dwingende karakter dat artikel 189 EEG-Verdrag aan de richtlijn toekent, doch uitsluitend ten aanzien van $elke lidstaat waarvoor zij bestemd is'. Deze rechtspraak strekt ertoe te voorkomen, dat $een staat voordeel heeft bij zijn miskenning van het gemeenschapsrecht'."(18) In dergelijke gevallen kan een bepaling van nationaal recht als niet-toepasselijk voor sommige doeleinden worden aangemerkt, maar volledig toepasbaar blijven op situaties die buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht liggen.
28 Op bepalingen van een richtlijn die rechtstreekse werking hebben, kan beroep worden gedaan door andere personen dan degenen voor wie de richtlijn in eerste instantie was vastgesteld, indien dit gerechtvaardigd is om het beoogde resultaat te bereiken. Zo kon in het arrest Stoeckel(19) een werkgever beroep doen op het bevel aan de lidstaten, "de nodige maatregelen [te nemen] om te bereiken dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen [worden ingetrokken] die in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling", zoals neergelegd in artikel 5, lid 2, sub a, van richtlijn 76/207/EEG van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden.(20) In die zaak werd het doel van de richtlijn in artikel 5, lid 1, voornamelijk omschreven in termen van rechten van werknemers: "Toepassing van het beginsel van gelijke behandeling (...) [houdt] in, dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond van geslacht." Een verklaring voor deze beslissing kan worden gevonden in het feit, dat de nuttige werking van een verbod van discriminatie van werknemers zich noodzakelijkerwijs tot hun werkgevers uitstrekt. Dit is stellig het geval voor zover het om verplichtingen gaat. Stoeckel is echter een voorbeeld van een ondernemer die het discriminatieverbod te zijnen gunste inriep.
29 Anderzijds oordeelde het Hof in het arrest Verholen e.a., een zaak die door verschillende partijen in deze procedure is aangehaald, dat "het recht om een beroep te doen op de bepalingen van richtlijn 79/7, niet uitsluitend toekomt aan justitiabelen die onder de personele werkingssfeer van de richtlijn vallen. Het is immers niet uit te sluiten, dat ook andere personen er rechtstreeks belang bij kunnen hebben, dat het non-discriminatiebeginsel jegens de beschermde personen in acht wordt genomen."(21) Deze beslissing is door sommigen aldus uitgelegd, dat niet alleen degenen die onder de personele werkingssfeer van de richtlijn vallen, maar ook zij "die een rechtstreeks belang bij de toepassing van een bepaling van een richtlijn hebben, een beroep daarop moeten kunnen doen".(22)
30 Men zou natuurlijk kunnen stellen, dat de verdachte in het hoofdgeding strikt genomen een belang heeft bij toepassing van de richtlijn. Een verklaring van de nationale rechter, dat de Regeling ademanalyse 1987 in zijn zaak niet van toepassing is, zou voor hem gunstig zijn, aangezien het zou betekenen dat het bewijs waarop de strafvervolging is gebaseerd, niet mag worden gebruikt. Mijns inziens verwijzen de woorden "rechtstreeks belang" die het Hof in het arrest Verholen e.a. gebruikte, echter niet naar dergelijke louter indirecte gevolgen, maar naar een belang dat krachtens het gemeenschapsrecht ontstaat. De materiële werkingssfeer van de richtlijn wordt in artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 omschreven als "de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op de prestaties". In het hoofdgeding van de zaak Verholen e.a. was het pensioenbedrag waarop de verzoeker voor de nationale rechter, Heiderijk, recht had, rechtstreeks afhankelijk van de tijdvakken gedurende welke zijn echtgenote als "verzekerde" kon worden aangemerkt. Krachtens de relevante nationale bepalingen werd "alleen aan de man een pensioen (...) uitgekeerd, waarin de pensioenrechten van beide echtgenoten waren begrepen".(23) Het Hof oordeelde, dat "de justitiabele die de gevolgen van een discriminerende nationale bepaling ondervindt, zich slechts op richtlijn 79/7 kan beroepen indien zijn echtgenote, het slachtoffer van de discriminatie, zelf onder de werkingssfeer van de richtlijn valt".(24)
31 Ofschoon de berekening van verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot, binnen de materiële werkingssfeer van richtlijn 79/7 viel, werd het belang van Heiderijk bij de toepassing ervan afhankelijk geacht van de vraag, of zijn echtgenote aan de voorwaarden van de richtlijn voldeed; viel zij niet binnen de personele werkingssfeer van de richtlijn, dan zou het beroep van haar echtgenoot op artikel 4, lid 1, niet bijdragen tot de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling, zodat hij krachtens het gemeenschapsrecht geen belang had bij de verzekering van de toepassing van die bepaling. Mij lijkt, dat de verdachte in deze zaak zich in een soortgelijke positie als Heiderijk bevindt, ervan uitgaande dat de echtgenote van laatstgenoemde buiten de personele werkingssfeer van richtlijn 79/7 viel; ofschoon beiden mogelijkerwijs "belang" hebben bij de toepassing van de relevante bepalingen van de richtlijn, komt dit belang uitsluitend uit het nationale recht voort en kunnen zij in die context dus geen beroep op de richtlijn doen. Andersom had zowel de werkgever in de zaak Stoeckel als in de zaak Heiderijk, indien zijn echtgenote binnen de personele werkingssfeer van richtlijn 79/7 viel, ingevolge het gemeenschapsrecht een belang bij de juiste toepassing van de relevante bepaling van de richtlijn.
32 In het geval van richtlijn 83/189 hebben degenen die zich op de verdragsregels betreffende het vrije verkeer van goederen kunnen beroepen, mijns inziens ten opzichte van de lidstaat een belang bij de toepassing van de richtlijn, zodat zij voor de nationale rechter een beroep op die richtlijn kunnen doen. Dit was bijvoorbeeld duidelijk het geval voor de verzoeker in de zaak CIA Security International, wiens alarmsysteem was samengesteld uit goederen die zowel in twee andere lidstaten als in België werden vervaardigd.(25) Toen eenmaal was vastgesteld dat er gemeenschapsrechtelijk gezien sprake was van een belang, was het in wezen irrelevant, dat dit belang was ontstaan in een procedure die krachtens het nationale recht tegen concurrenten werd gevoerd. Eveneens duidelijk is mijns inziens, dat de verdachte in deze zaak een dergelijk belang niet heeft; geen enkel element van zijn rechtspositie kan worden aangemerkt als verband houdende met het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap.
33 In casu is niet gesteld, dat de nationale bepaling die Nederland aan de verdachte wil tegenwerpen, namelijk artikel 8, lid 2, sub a, van de Wegenverkeerswet, een technisch voorschrift in de zin van de richtlijn is. Anderzijds kan de verdachte in omstandigheden als die van de onderhavige zaak niet op grond van het gemeenschapsrecht bezwaar maken tegen de toepassing van de Regeling ademanalyse 1987, ofschoon deze een technisch voorschrift kan zijn. Hij wordt door bepalingen waarin de technische kenmerken van dergelijke apparatuur worden omschreven, niet geraakt uit hoofde van enig persoonlijk kenmerk, beroep of activiteit die binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht valt. Wanneer hij door de Regeling ademanalyse 1987 op zich beschouwd niet aldus wordt geraakt, verandert het feit dat hij wel kan worden geraakt door de toepassing van deze regeling op grond van nationale strafrechtelijke bepalingen waarin de bewijsmethoden van verkeersovertredingen worden omschreven, niets aan zijn positie krachtens het gemeenschapsrecht.
34 Uit het voorgaande volgt, dat de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord, in welk geval de tweede vraag geen beantwoording behoeft.
IV - Conclusie
35 Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de door de Arrondissementsrechtbank te Maastricht bij beschikking van 13 juni 1997 gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
"Richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, moet aldus worden uitgelegd, dat een lidstaat in een strafzaak wegens overtreding van artikel 8, lid 2, sub a, van de Wegenverkeerswet 1994, niet behoeft af te zien van de toepassing van nationale bepalingen als de Regeling ademanalyse, die niet overeenkomstig artikel 8 van de richtlijn bij de Commissie zijn aangemeld."
(1) - PB L 109, blz. 8. De richtlijn is nadien gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG (PB L 81, blz. 75; hierna: "richtlijn van 1988") en richtlijn 94/10/EG (PB L 100, blz. 30; hierna: "richtlijn van 1994"). De vraag welke versie van de richtlijn in beginsel op de onderhavige zaak van toepassing is, wordt in de punten 11 en 12 van deze conclusie besproken.
(2) - Arrest van 30 april 1996 (C-194/94, Jurispr. blz. I-2201).
(3) - Arrest van 26 januari 1993 (C-320/90, C-321/90 en C-322/90, Jurispr. blz. I-393).
(4) - Arrest van 1 april 1982, Holdijk e.a. (141/81, 142/81 en 143/81, Jurispr. blz. 1299, punt 6), en beschikking van 20 maart 1996, Sunino en Data (C-2/96, Jurispr. blz. I-1543, punt 5).
(5) - Arrest van 12 september 1996 (C-58/95, C-75/95, C-112/95, C-119/95, C-123/95, C-135/95, C-140/95, C-141/95, C-154/95 en C-157/95, Jurispr. blz. I-4345).
(6) - Arrest van 3 maart 1994 (C-316/93, Jurispr. blz. I-763, punt 13).
(7) - Zie bijvoorbeeld arrest van 17 juli 1997, Leur-Bloem (C-28/95, Jurispr. blz. I-4161, punten 25-27), en de aangehaalde zaken.
(8) - Arrest aangehaald in voetnoot 2, punt 54.
(9) - Arrest van 20 maart 1997 (C-13/96, Jurispr. blz. I-1753, punt 19).
(10) - Arresten van 2 februari 1989, Cowan (186/87, Jurispr. blz. 195, punt 19, en 11 november 1981, Casati (203/80, Jurispr. blz. 2595, punt 27).
(11) - Aangezien de richtlijn zoals gewijzigd bij de richtlijn van 1994 voor een bijzonder feitencomplex geldt, moeten de woorden "andere eisen" worden toegevoegd. Dit begrip wordt omschreven in artikel 1, punt 3, van de gewijzigde richtlijn.
(12) - Arrest van 11 januari 1996 (C-273/94, Jurispr. blz. I-31, punten 13-15).
(13) - Arrest aangehaald in voetnoot 9, punten 19 en 20.
(14) - Arrest van 5 april 1984 (177/82 en 178/82, Jurispr. blz. 1797, punt 13).
(15) - Punt 32 van de conclusie van advocaat-generaal Darmon bij het arrest van 11 juli 1991, Verholen e.a. (C-87/90 en C-89/90, Jurispr. blz. I-3757).
(16) - Arrest aangehaald in voetnoot 2, punt 40.
(17) - Ibidem, punt 45.
(18) - Arrest van 14 juli 1994 (C-91/92, Jurispr. blz. I-3325, punt 22).
(19) - Arrest van 25 juli 1991, C-345/89, Jurispr. blz. I-4047; zie eveneens mijn conclusie van 4 december 1997 in de zaak Clean Car Autoservice (C-350/96, Jurispr. blz. I-2521).
(20) - PB L 39, blz. 40.
(21) - Arrest aangehaald in voetnoot 15, punt 23.
(22) - Prechal: Directives in European Community Law, Proefschrift Universiteit Amsterdam, SLSN, 1995, blz. 167.
(23) - Aldus advocaat-generaal Darmon in punt 35 van zijn conclusie bij het arrest Verholen e.a., aangehaald in voetnoot 15.
(24) - Arrest aangehaald in voetnoot 15, punt 25.
(25) - Punt 29 van de conclusie van advocaat-generaal Elmer bij het arrest CIA Security International, aangehaald in voetnoot 2.
Full & Egal Universal Law Academy