Conclusie van de advocaat generaal
1 Moet de Eerste richtlijn (80/1263/EEG) van de Raad van 4 december 1980 betreffende de invoering van een Europees rijbewijs(1), aldus worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzet, dat een lidstaat een onderdaan van een andere lidstaat die zich op zijn grondgebied vestigt, verplicht zijn door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs binnen een termijn van een jaar in te wisselen tegen een rijbewijs van de lidstaat van vestiging, onder bedreiging met strafsancties die kunnen gaan tot een gevangenisstraf of een geldboete, wegens rijden zonder rijbewijs?
2 Dat zijn in wezen de prejudiciële vragen waarover het Belgische Hof van Cassatie, waarbij I. Awoyemi cassatieberoep tegen een op 4 januari 1995 door de Correctionele rechtbank te Brugge gegeven beslissing in hoger beroep heeft ingesteld, het Hof verzoekt uitspraak te doen.
3 Het Hof had reeds een soortgelijke vraag te beantwoorden in zijn arrest van 29 februari 1996, Skanavi en Chryssanthakopoulos(2), met betrekking tot door een gemeenschapsonderdaan in een vergelijkbare context opgelopen strafsancties.
De richtlijnen betreffende het rijbewijs
4 Volgens de eerste overweging van de considerans heeft richtlijn 80/1263, die slechts een eerste fase van de harmonisatie van de rijbewijzen is, tot doel bij te dragen tot verhoging van de verkeersveiligheid en het verkeer te vergemakkelijken van personen die zich vestigen in een andere lidstaat dan die waar zij een rijexamen hebben afgelegd of die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.
5 Te dien einde zijn bij richtlijn 80/1263 de nationale regels ter zake geharmoniseerd, onder meer wat de nationale stelsels van afgifte van rijbewijzen, de categorieën voertuigen en de voorwaarden voor de geldigheid van die rijbewijzen betreft. Die richtlijn heeft ook een Europees model van rijbewijs ingevoerd, en een stelsel van onderlinge erkenning van rijbewijzen door de lidstaten en van inwisseling van die rijbewijzen wanneer de houders hun domicilie of hun plaats van arbeid van een lidstaat naar een andere lidstaat overbrengen.
6 Ingevolge artikel 6 van richtlijn 80/1263 is de afgifte van het rijbewijs enerzijds afhankelijk van het slagen voor een praktisch en theoretisch examen en het voldoen aan medische normen, en anderzijds van het bestaan van een normale woonplaats op het grondgebied van de lidstaat van afgifte, wanneer zulks is voorgeschreven bij de wettelijke bepalingen van de betrokken lidstaat.
7 Artikel 8, lid 1, van die richtlijn preciseert, dat indien de houder van een geldig nationaal rijbewijs of rijbewijs van Europees model dat is afgegeven door een lidstaat, een normale woonplaats verwerft in een andere lidstaat, zijn rijbewijs in deze laatste lidstaat maximaal geldig blijft gedurende het jaar volgend op de verwerving van de woonplaats. Op aanvraag van de betrokkene geeft de lidstaat van vestiging hem binnen voornoemde termijn, tegen inlevering van zijn rijbewijs, een rijbewijs van Europees model af voor de overeenkomstige categorie of categorieën, zonder dat hem, onder meer, het slagen voor een praktisch en theoretisch examen of het voldoen aan medische normen wordt opgelegd. Deze staat kan evenwel de inwisseling van het rijbewijs weigeren in gevallen waarin zijn nationale voorschriften, de medische normen daaronder begrepen, de afgifte van het rijbewijs in de weg staan.
8 Richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs(3), is een nieuwe fase van de harmonisatie van de nationale bepalingen, onder meer wat de voorwaarden voor de afgifte van rijbewijzen en de categorieën voertuigen betreft. Zij schaft de verplichting tot inwisseling van het rijbewijs bij het verwerven van een gewone verblijfplaats in een andere lidstaat af(4), en vervangt die verplichting(5) door een onderlinge erkenning van de rijbewijzen (artikel 1, lid 2). De inwisseling van het geldige rijbewijs dat door een lidstaat is afgegeven aan de houder die zijn gewone verblijfplaats naar een andere lidstaat heeft overgebracht, is dus nog slechts facultatief (artikel 8, lid 1).
9 Artikel 12 van richtlijn 91/439 verplicht de lidstaten na raadpleging van de Commissie vóór 1 juli 1994 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om vanaf 1 juli 1996 aan die richtlijn te voldoen. Artikel 13 bepaalt, dat richtlijn 80/1263 op diezelfde datum vervalt.
Het relevante nationale recht
10 In België bepaalt artikel 2 van het koninklijk besluit van 6 mei 1988:
"§ 1. Kunnen een Belgisch rijbewijs bekomen:
1_ de personen die ingeschreven zijn in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van een Belgische gemeente en die houder zijn van een der volgende in België afgegeven documenten:
a) de identiteitskaart van Belg of voor vreemdeling;
b) het bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
c) de verblijfskaart van onderdaan van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen;
d) het attest van immatriculatie;
2_ de personen die houder zijn van één van de volgende in België afgegeven documenten:
a) de diplomatieke identiteitskaart;
b) de consulaire identiteitskaart;
c) de bijzondere identiteitskaart.
§ 2. De personen bedoeld in § 1, 1_, mogen slechts onder dekking van een Belgisch rijbewijs een motorvoertuig besturen. Gedurende een termijn van een jaar, te rekenen vanaf de dag van hun inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister van een Belgische gemeente, mogen ze evenwel sturen onder dekking van een geldig buitenlands nationaal rijbewijs dat uitgereikt werd door een van de lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap. De andere bestuurders van motorvoertuigen moeten houder en drager zijn van een Belgisch rijbewijs of van een buitenlands nationaal of internationaal rijbewijs, onder de voorwaarden die inzake internationaal wegverkeer van toepassing zijn
(...)"
De feiten en de procedure voor de nationale rechter
11 Awoyemi, van Nigeriaanse nationaliteit, is sedert 17 december 1990 gevestigd in België, waar hij in loondienst werkzaam is. Op 27 juli 1993 kon hij, aan het stuur van een motorvoertuig, bij een politiecontrole enkel een door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk afgegeven rijbewijs, geldig van 11 april 1990 tot 26 januari 2003, overleggen.
12 Op 4 januari 1995 veroordeelde de Correctionele rechtbank te Brugge (België) hem in hoger beroep tot een geldboete van 2 000 BFR, omdat hij te Oostende op de openbare weg een motorvoertuig had bestuurd, zonder overeenkomstig artikel 2 van voormeld koninklijk besluit van 6 mei 1988 in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs.
13 Awoyemi, die zich op zijn in het Verenigd Koninkrijk afgegeven geldige rijbewijs van Europees model en op voornoemd arrest Skanavi en Chryssanthakopoulos beroept, heeft tegen die beslissing cassatieberoep ingesteld.
14 Uit de motivering van de het verwijzingsarrest blijkt, dat volgens het Belgische Hof van Cassatie het koninklijk besluit van 6 mei 1988 onder meer is vastgesteld ter omzetting van artikel 8, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 80/1263, dat uitdrukkelijk bepaalt, dat wanneer de houder van een door een lidstaat afgegeven rijbewijs een normale woonplaats verwerft in een andere lidstaat, zijn rijbewijs in deze laatste lidstaat slechts geldig blijft gedurende het jaar volgend op de verwerving van de woonplaats. Het merkt echter op, dat richtlijn 91/439 die bepaling heeft ingetrokken en dat de inwisseling van het rijbewijs vanaf 1 juli 1996 niet meer verplicht is. Het vraagt zich echter af, of richtlijn 91/439 niet op voorbije situaties van toepassing zou kunnen zijn. Ten slotte wenst het te vernemen, of de oplossing die het Hof in voornoemd arrest Skanavi en Chryssanthakopoulos heeft gekozen, kan worden toegepast op de onderhavige situatie, waarin het gaat over een onderdaan van een derde land, die houder is van een door een lidstaat afgegeven rijbewijs. Daarom acht het het noodzakelijk om uitlegging van die gemeenschapsbepalingen te verzoeken, en stelt het het Hof de navolgende prejudiciële vragen:
"1) Staan de bepalingen van de Eerste richtlijn (80/1263/EEG) van de Raad van 4 december 1980 betreffende de invoering van een Europees rijbewijs, inzonderheid artikel 8, eraan in de weg dat het besturen van een voertuig door een bestuurder die geen hoedanigheid heeft van burger van de Europese Unie, doch houder is van een door een lidstaat afgeleverd nationaal rijbewijs of rijbewijs van Europees model en die tegen inwisseling een rijbewijs van de lidstaat van ontvangst had kunnen verkrijgen, doch dit niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan, wordt gelijkgesteld met het rijden zonder rijbewijs, en dat hierop als strafsanctie een gevangenisstraf of een geldboete wordt gesteld?
2) Hebben artikel 1, lid 2, van richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs, luidens hetwelk de door de lidstaten afgegeven rijbewijzen onderling worden erkend, en het in artikel 8, lid 1, van deze richtlijn bepaalde recht tot omwisseling tot gevolg dat ook bij ontstentenis van nationale regeling ter zake, een bestuurder die geen hoedanigheid heeft van burger van de Europese Unie, doch houder is van een door een lidstaat afgeleverd nationaal rijbewijs of rijbewijs van Europees model en op het grondgebied van een andere lidstaat zijn normale woonplaats verwerft, zich vanaf 1 juli 1996 voor de rechter op de toepassing van deze bepalingen kan beroepen?
3) Bij bevestigend antwoord op de tweede vraag, werken de artikelen 1, lid 2, en 8, lid 1, van richtlijn 91/436/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs, terug in die zin dat zij eraan in de weg staan dat het besturen van een voertuig door een bestuurder die geen hoedanigheid heeft van burger van de Europese Unie, doch houder is van een door een lidstaat afgeleverd nationaal rijbewijs of rijbewijs van Europees model en die tegen inwisseling een rijbewijs van de lidstaat van ontvangst had kunnen verkrijgen, doch op 27 juli 1993 dit niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan, wordt gelijkgesteld met het rijden zonder rijbewijs, en dat hierop als strafsanctie een gevangenisstraf of een geldboete wordt gesteld?"
De antwoorden op de vragen
De eerste vraag
15 De eerste vraag strekt ertoe te vernemen, of de door het Hof in voornoemd arrest Skanavi en Chryssanthakopoulos gekozen oplossing op de onderhavige situatie kan worden toegepast.
16 In dat arrest oordeelde het Hof, dat de door artikel 8 van richtlijn 80/1263 opgelegde verplichting tot inwisseling van het rijbewijs, ofschoon zij een belemmering van het vrije verkeer van personen vormde, niet in strijd was met artikel 52 van het Verdrag(6), want, "gelet op de complexiteit van de materie en de verschillen die tussen de wettelijke regelingen van de lidstaten bestonden, was de Raad (...) bevoegd de vereiste harmonisatie in etappen tot stand te brengen (...)".(7)
17 Bovendien preciseerde het Hof, dat ofschoon de lidstaten bij ontbreken van een gemeenschapsregeling die sancties stelt op de niet-nakoming van de verplichting tot inwisseling, in beginsel bevoegd blijven wetgevend op te treden, zij "volgens vaste rechtspraak betreffende de niet-nakoming van de formaliteiten vereist voor de vaststelling van het verblijfsrecht van een door het gemeenschapsrecht beschermd individu, (...) geen onevenredige sanctie [kunnen] opleggen die een belemmering van het vrije verkeer van personen zou creëren, [hetgeen] met name het geval is bij een gevangenisstraf (zie in het bijzonder arrest van 12 december 1989, Messner, C-265/88, Jurispr. 1989, blz. 4209, punt 14). Wegens de invloed van het recht om een voertuig te besturen op de daadwerkelijke uitoefening van de met het vrije verkeer van personen verbonden rechten dringen dezelfde overwegingen zich op met betrekking tot de overtreding van de verplichting tot inwisseling van het rijbewijs."(8)
18 Het Hof verklaarde dus voor recht, dat "artikel 52 van het Verdrag eraan in de weg staat, dat het besturen van een voertuig door iemand die een rijbewijs van de lidstaat van ontvangst had kunnen verkrijgen door het tegen een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs in te wisselen, doch dit niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan, wordt gelijkgesteld met het rijden zonder rijbewijs, en dat hierop als strafsanctie een gevangenisstraf of een geldboete wordt gesteld, zulks gelet op de gevolgen die, zoals in de betrokken nationale rechtsorde, uit deze sanctie voortvloeien".(9)
19 Overeenkomstig zijn vaste rechtspraak was het Hof dus van oordeel, dat enkel wegens de negatieve gevolgen voor de door de artikelen 48 en 52 EG-Verdrag aan de communautaire werknemers gewaarborgde rechten van vrij verkeer en vestiging, de door de nationale regels op inbreuken gestelde sancties onverenigbaar zouden kunnen zijn met het gemeenschapsrecht.
20 Vaststaat, dat Awoyemi houder is van een door de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk afgegeven rijbewijs, dat op het tijdstip van de feiten geldig was.
21 Richtlijn 80/1263 is echter van toepassing op de houders van door de lidstaten overeenkomstig de bepalingen van die richtlijn afgegeven rijbewijzen van Europees model, ongeacht hun nationaliteit.(10)
22 Bijgevolg valt Awoyemi binnen de personele werkingssfeer van richtlijn 80/1263.
23 Het staat echter ook vast, dat hij geen gemeenschapsonderdaan is. Hij kan zich dus niet met goed gevolg beroepen op de door het Verdrag, inzonderheid de artikelen 48 of 52, aan de communautaire werknemers toegekende vrijheid van verkeer.
24 Bijgevolg valt de rechtspositie van een onderdaan van een derde land, wat de sancties betreft die hem kunnen worden opgelegd in geval van niet-nakoming van de door artikel 8, lid 1, van richtlijn 80/1263 opgelegde verplichtingen, niet onder het gemeenschapsrecht, maar uitsluitend onder het nationale recht.
25 Mitsdien geef ik het Hof in overweging, op de eerste vraag te antwoorden, dat noch richtlijn 80/1263 noch de bepalingen van het Verdrag in een geval als dat van het hoofdgeding eraan in de weg staan, dat de aan betrokkene verweten overtreding die is welke in de betrokken nationale regeling is voorzien, namelijk rijden zonder rijbewijs, waarop als strafsanctie een gevangenisstraf of een geldboete is gesteld.
De tweede en de derde vraag
26 Omdat de tweede en de derde prejudiciële vraag niet los van elkaar kunnen worden gezien, zal ik ze tezamen beantwoorden. Met die vragen wenst de verwijzende rechter te vernemen, of bij ontbreken van omzetting in nationaal recht de artikelen 1, lid 2, en 8 van richtlijn 91/439 rechtstreeks kunnen worden aangevoerd door een onderdaan van een derde land, houder van een door een lidstaat afgegeven rijbewijs van Europees model, die een gewone verblijfplaats heeft verworven in een andere lidstaat dan die van afgifte van het rijbewijs, maar zijn rijbewijs niet binnen de in richtlijn 80/1263 gestelde termijn heeft ingewisseld, om te beletten dat hem een gevangenisstraf of een geldboete wordt opgelegd voor feiten, namelijk rijden zonder rijbewijs, die onder vigeur van richtlijn 80/1263 zijn gepleegd.
27 Volgens artikel 12 van richtlijn 91/439 moesten de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig waren om per 1 juli 1996 aan die richtlijn te voldoen, vóór 1 juli 1994 door de lidstaten worden vastgesteld. Bovendien bepaalde artikel 13 van die richtlijn, dat richtlijn 80/1263 pas op 1 juli 1996 zou vervallen.
28 Derhalve gold de in artikel 8 van richtlijn 80/1263 bedoelde verplichting om het rijbewijs in te wisselen, tot 1 juli 1996. De justitiabelen kunnen zich dus vóór die datum niet rechtstreeks beroepen op de rechten die hun eventueel door de artikelen 1, lid 2, en 8 van richtlijn 91/439 zouden worden verleend. Met andere woorden, die bepalingen hebben geen terugwerkende kracht.
29 Gezien de omstandigheden van de onderhavige zaak, vragen de Commissie en het Verenigd Koninkrijk zich af, wat het nut is van de vraag over de uitlegging van richtlijn 91/439 voor de afloop van het geding. Zij wijzen erop, dat de in het hoofdgeding aan Awoyemi verweten feiten zijn gepleegd op 26 juli 1993 en dat de Correctionele rechtbank te Brugge daarover uitspraak heeft gedaan op 4 januari 1995, dus op een tijdstip waarop richtlijn 91/439 nog niet van kracht was.
30 Volgens mij vraagt de verwijzende rechter zich af, welke uitlegging aan de artikelen 1, lid 2, en 8 van richtlijn 91/439 moet worden gegeven, omdat hij van oordeel is, dat hij het in zijn nationale recht bekende beginsel van de terugwerkende kracht van de mildere strafwet moet toepassen. Dat beginsel, dat in sommige nationale rechtsstelsels bestaat, verplicht de nationale strafrechter de nieuwe, gunstigere strafbepalingen onmiddellijk toe te passen op feiten waarover niet definitief uitspraak is gedaan en die vóór de inwerkingtreding van die bepalingen zijn gepleegd. Hij meent dus, dat hij verplicht zou kunnen zijn de bepalingen van zijn nationale recht buiten toepassing te laten, indien het in strijd zou zijn met de bepalingen van richtlijn 91/439.
31 In vergelijkbare omstandigheden(11) heeft het Hof echter onveranderlijk geoordeeld(12), dat "het aan de nationale rechter staat om de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis, alsmede de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen".(13)
32 Ofschoon het Hof immers duidelijk heeft bevestigd, dat het gemeenschapsrecht geen beginsel kent dat vergelijkbaar is met dat van onmiddellijke toepassing van de mildere strafwet(14), en dat het, bij ontbreken van regels tot harmonisatie van de sancties op overtredingen van het gemeenschapsrecht, aan de interne rechtsorde van iedere lidstaat toekomt ze te bepalen, is het Hof toch van oordeel, dat het beginsel van gelijkwaardigheid van het gemeenschapsrecht zich ertegen zou verzetten, dat overtredingen van de communautaire voorschriften niet onder gelijke materiële en formele voorwaarden worden bestraft als vergelijkbare en even ernstige overtredingen van het nationale recht.(15)
33 Het antwoord op deze door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vraag inzake de uitlegging van de artikelen 1, lid 2, en 8 van richtlijn 91/439 en de verplichting ze rechtstreekse werking toe te kennen, kan dus nuttig blijken voor de nationale strafrechter die krachtens het in zijn nationale recht bekende beginsel van terugwerkende kracht van mildere strafwetten, verplicht is de bepalingen van richtlijn 91/439, die eventueel gunstiger zijn voor de houder van een rijbewijs die dit laatste niet heeft ingewisseld, toe te passen op onder vigeur van richtlijn 80/1263 gepleegde feiten. Die vraag dient dus te worden beantwoord.
34 Volgens vaste rechtspraak(16) bestaat het recht van de justitiabelen om zich in rechte tegenover een lidstaat op een richtlijn te beroepen, enkel wanneer de lidstaat heeft verzuimd de nodige uitvoeringsmaatregelen te treffen, of maatregelen heeft getroffen die niet met de richtlijn in overeenstemming zijn.
35 In het kader van het gestelde probleem - toepassing met terugwerkende kracht van een mildere strafwet - moet de nationale rechter derhalve nagaan, of de relevante bepalingen van richtlijn 91/439 in zijn nationale recht zijn omgezet. In de formulering van zijn tweede vraag geeft de verwijzende rechter te verstaan, dat die omzetting niet binnen de gestelde termijn heeft plaatsgevonden. Mitsdien moet als vaststaand worden beschouwd, dat de artikelen 1, lid 2, en 8 van voornoemde richtlijn niet zijn omgezet en niet op 1 juli 1996 in het interne recht in werking zijn getreden.
36 Wat het beginsel van de rechtstreekse werking betreft, heeft het Hof voortdurend geoordeeld, dat enkel wanneer bepalingen "inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig lijken te zijn en uitvoeringsmaatregelen niet tijdig zijn getroffen, (...) de particulieren zich op die bepalingen [kunnen] beroepen tegenover elk nationaal voorschrift dat niet met de richtlijn in overeenstemming is. Hetzelfde geldt wanneer die bepalingen rechten vastleggen die de particulieren tegenover de staat kunnen doen gelden."(17)
37 Het lijdt immers nauwelijks twijfel, dat de artikelen 1, lid 2, en 8 van richtlijn 91/439, wat de inhoud betreft van het recht dat zij aan particulieren verlenen, voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk zijn.
38 Die artikelen bepalen zeer duidelijk, dat de door de lidstaten afgegeven rijbewijzen onderling worden erkend, respectievelijk dat de houder van een dergelijk rijbewijs niet meer verplicht is zijn rijbewijs in te wisselen, wanneer hij zijn gewone verblijfplaats overbrengt naar een andere lidstaat dan die welke het rijbewijs heeft afgegeven. De aldus aan de lidstaten opgelegde negatieve verplichting laat hun geen beoordelingsmarge wat de te nemen maatregelen betreft.
39 Dat verbod om de inwisseling van het rijbewijs van Europees model te verlangen, is bovendien duidelijk geformuleerd in de eerste overweging van de considerans van richtlijn 91/439, volgens welke "een nationaal rijbewijs van Europees model [moet worden ingevoerd,] dat door de lidstaten onderling wordt erkend en waarvoor er geen verplichting tot inwisseling bestaat".(18) Deze maatregel vertolkt zeer goed het met die tweede harmonisatierichtlijn nagestreefde tweevoudige doel, te weten bijdragen tot verhoging van de veiligheid van het wegverkeer, en vergemakkelijking van het verkeer van personen die zich vestigen in een andere lidstaat dan die waar zij een rijexamen hebben afgelegd.
40 Dat de houder van een door een lidstaat afgegeven rijbewijs geen gemeenschapsonderdaan is, speelt geen rol, aangezien richtlijn 91/439 de voorwaarden voor de afgifte van rijbewijzen definitief harmoniseert en van de lidstaten verlangt, dat zij de door een andere lidstaat afgegeven rijbewijzen onderling erkennen, ongeacht de nationaliteit van de houder.
41 Het Hof heeft trouwens in punt 26 van voornoemd arrest Skanavi en Chryssanthakopoulos reeds stilzwijgend geoordeeld, dat die bepalingen rechtstreekse werking hadden en aldus moesten worden uitgelegd, dat met ingang van 1 juli 1996 de door een lidstaat afgegeven rijbewijzen door de andere lidstaten moeten worden erkend, zonder dat enige formaliteit moet worden vervuld.
42 Ik stel daarom voor op deze tweede vraag te antwoorden, dat bij ontbreken van omzetting in het nationale recht, en wegens het in het nationale recht van sommige lidstaten bekende beginsel van onmiddellijke toepassing van mildere strafwetten, de artikelen 1, lid 2, en 8 van richtlijn 91/439 zich ertegen verzetten, dat het besturen van een motorvoertuig, op een tijdstip waarop richtlijn 80/1263 nog van kracht was, door de houder van een nationaal rijbewijs van Europees model, niet-onderdaan van een lidstaat, die niet binnen de gestelde termijn zijn rijbewijs heeft ingewisseld tegen een rijbewijs van de lidstaat van vestiging, wordt gelijkgesteld met het rijden zonder rijbewijs en dat hierop als strafsanctie een gevangenisstraf of een geldboete wordt gesteld.
Conclusie
43 Mitsdien geef ik het Hof in overweging de vragen van het Belgische Hof van Cassatie te beantwoorden als volgt:
"1) Noch de bepalingen van de Eerste richtlijn (80/1263/EEG) van de Raad van 4 december 1980 betreffende de invoering van een Europees rijbewijs, inzonderheid artikel 8, noch de bepalingen van het EG-Verdrag staan eraan in de weg, dat het besturen van een voertuig door een bestuurder die geen burger is van de Europese Unie, doch houder is van een door een lidstaat afgegeven nationaal rijbewijs of rijbewijs van Europees model en die tegen inwisseling een rijbewijs van de lidstaat van vestiging had kunnen verkrijgen, doch dit niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan, wordt gelijkgesteld met het rijden zonder rijbewijs en dat hierop als strafsanctie een gevangenisstraf of een geldboete wordt gesteld.
2) Bij ontbreken van omzetting in het nationale recht, en wegens het in het nationale recht van sommige lidstaten bekende beginsel van onmiddellijke toepassing van mildere strafwetten, verzetten de artikelen 1, lid 2, en 8 van richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs, zich ertegen, dat het besturen van een motorvoertuig, op een tijdstip waarop richtlijn 80/1263 nog van kracht was, door de houder van een nationaal rijbewijs van Europees model, niet-onderdaan van een lidstaat, die niet binnen de gestelde termijn zijn rijbewijs heeft ingewisseld tegen een rijbewijs van de lidstaat van vestiging, wordt gelijkgesteld met het rijden zonder rijbewijs en dat hierop als strafsanctie een gevangenisstraf of een geldboete wordt gesteld."
(1) - PB L 375, blz. 1.
(2) - C-193/94, Jurispr. blz. I-929.
(3) - PB L 237, blz. 1.
(4) - Eerste overweging van de considerans.
(5) - Die, volgens de negende overweging van de considerans, een belemmering vormt voor het vrije verkeer van personen en, rekening houdend met de in het kader van de Europese integratie gemaakte vooruitgang, niet kan worden geaccepteerd.
(6) - Punt 28.
(7) - Ibidem, punt 27.
(8) - Ibidem, punt 36.
(9) - Ibidem, punt 39.
(10) - Zie, onder meer, de artikelen 1 en 8, lid 1.
(11) - Zie, onder meer, arresten van 23 februari 1995, Bordessa e.a. (C-358/93 en C-416/93, Jurispr. blz. I-361), en 26 september 1996, Allain (C-341/94, Jurispr. blz. I-4631, punt 12).
(12) - Zie voornoemde arresten Bordessa e.a., punt 10, en Allain, punt 13.
(13) - Zie arrest Skanavi en Chryssanthakopoulos, reeds aangehaald, punt 18.
(14) - Zie, onder meer, arrest van 29 januari 1985, Gesamthochschule Duisburg (234/83, Jurispr. blz. 327, punt 20).
(15) - Zie, onder meer, arrest Allain, reeds aangehaald, punt 29.
(16) - Zie, onder meer, arresten van 5 april 1979, Ratti (148/78, Jurispr. blz. 1629), 6 mei 1980, Commissie/België (102/79, Jurispr. blz. 1473), en 19 november 1991, Frankovich e.a. (C-6/90 en C-9/90, Jurispr. blz. I-5357, punt 11).
(17) - Arrest van 19 januari 1982, Becker (8/81, Jurispr. blz. 53, punt 25; cursivering van mij).
(18) - Cursivering van mij.
Full & Egal Universal Law Academy