Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1 In de onderhavige zaak verzoekt de Uudenmaan lääninoikeus (administratieve rechtbank van de provincie Uusimaa, Finland) het Hof om uitlegging van artikel 99 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (94/C 241/08; hierna: "Toetredingsakte")(1), zoals gewijzigd bij besluit 95/1/EG, Euratom, EGKS van de Raad van 1 januari 1995 houdende aanpassing van de documenten betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie.(2)
II - Rechtskader
A - Bepalingen van gemeenschapsrecht
2 Overeenkomstig artikel 3 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: "Verdrag") omvat het optreden van de Gemeenschap onder meer:
"a) de afschaffing tussen de lidstaten van de douanerechten en de kwantitatieve beperkingen bij in- en uitvoer van goederen alsmede van alle overige maatregelen van gelijke werking,
b) (...)
c) een interne markt, gekenmerkt door de afschaffing tussen de lidstaten van hinderpalen voor het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal,
(...)"
3 Titel I (artikelen 9-37) van het derde deel van het Verdrag, betreffende het "beleid van de Gemeenschap", bevat een aantal bepalingen die tot doel hebben het vrij verkeer van goederen in het douanegebied van de Gemeenschap, dat wil zeggen de eerste van de vier in het Verdrag geformuleerde fundamentele vrijheden, te verzekeren.
4 Artikel 9 van het Verdrag bepaalt:
"1. De Gemeenschap is gegrondvest op een douane-unie welke zich uitstrekt over het gehele goederenverkeer en welke zowel het verbod medebrengt van in- en uitvoerrechten en van alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de lidstaten onderling als de invoering van een gemeenschappelijk douanetarief voor hun betrekkingen met derde landen.
2. De bepalingen van hoofdstuk 1, eerste afdeling, en van hoofdstuk 2 van deze titel zijn van toepassing op de producten welke van oorsprong zijn uit de lidstaten alsook op de producten uit derde landen welke zich in de lidstaten in het vrije verkeer bevinden."
5 Artikel 10, lid 1, van het Verdrag formuleert de voorwaarden waaronder producten uit derde landen worden geacht zich in het vrije verkeer in een lidstaat te bevinden. Concreet bepaalt artikel 10, lid 1:
"Als zich bevindend in het vrije verkeer in een lidstaat worden beschouwd: de producten uit derde landen waarvoor in genoemde staat de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschuldigde douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn voldaan en waarvoor geen gehele of gedeeltelijke teruggave van die rechten en heffingen is verleend."
6 Voorts bepaalt artikel 12 van het Verdrag:
"De lidstaten onthouden zich ervan onderling nieuwe in- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking in te voeren en de rechten en heffingen te verhogen welke zij in hun onderlinge handelsbetrekkingen toepassen."
7 Overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag schaffen de lidstaten in de loop van de overgangsperiode zowel de tussen hen bestaande invoerrechten als de tussen hen van toepassing zijnde heffingen van gelijke werking als invoerrechten geleidelijk af.(3)
8 Artikel 2 van de Toetredingsakte bepaalt:
"Onmiddellijk bij de toetreding zijn de oorspronkelijke Verdragen en de door de instellingen vóór de toetreding genomen besluiten verbindend voor de nieuwe lidstaten en in deze staten toepasselijk onder de voorwaarden voorzien in deze Verdragen en in deze Akte."
9 Uit dit artikel volgt dus, dat het reeds bestaande gemeenschapsrecht voor de nieuwe lidstaten een "acquis communautaire" vormt en dat de bepalingen van gemeenschapsrecht in hun geheel in de nieuwe lidstaten van de Unie volledig effect sorteren en voor die staten verbindend zijn onder de in de Verdragen en de Toetredingsakte geformuleerde voorwaarden.
10 Artikel 98 van de Toetredingsakte bepaalt:
"Het basisrecht dat wordt gebruikt voor de geleidelijke aanpassing aan het gemeenschappelijk douanetarief overeenkomstig artikel 99 is voor elk product het recht dat door de Republiek Finland op 1 januari 1994 daadwerkelijk werd toegepast."
11 Ten slotte luidt artikel 99 van de Toetredingsakte als volgt:
"De Republiek Finland mag gedurende drie jaar vanaf de toetreding voor de in bijlage XI genoemde producten zijn douanetarief ten aanzien van derde landen handhaven.
Gedurende deze periode vermindert de Republiek Finland het verschil tussen zijn basisrecht en het recht van het gemeenschappelijk douanetarief volgens het volgende tijdschema:
- op 1 januari 1996 wordt elk verschil tussen het basisrecht en het GDT-recht verminderd tot 75 %;
- op 1 januari 1997 wordt elk verschil tussen het basisrecht en het GDT-recht verminderd tot 40 %.
De Republiek Finland past het gemeenschappelijk douanetarief vanaf 1 januari 1998 volledig toe."
B - Nationale wettelijke regeling
12 Met betrekking tot de invoer van goederen uit een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap, waarover reeds een douanerecht is geheven overeenkomstig verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief(4), bepaalt § 1 van Finse wet nr. 1255/94 van 16 december 1994 betreffende bepaalde tijdelijke douanerechten (eräistä väliaikaisista tulleista annettu laki):
"Bij de invoer van in de bijlage bij deze wet genoemde producten van niet-communautaire oorsprong wordt een douanerecht geheven overeenkomstig de bijlage.
Bij de invoer uit een andere lidstaat van de Gemeenschap van een product waarover een douanerecht is geheven overeenkomstig verordening (EEG) nr. 2658/87 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief en dat reeds vanuit een derde land het douanegebied van de Gemeenschap is binnengebracht, wordt het verschil geheven tussen het in de bijlage genoemde recht en het bij invoer in de Gemeenschap geheven recht.
(...)"
13 § 2 van die wet bepaalt onder meer, dat van de invoer van een in § 1, lid 2, bedoeld product bij de douaneautoriteiten aangifte moet worden gedaan volgens de bij decreet gegeven nadere regels.
14 Ten slotte bepaalt § 3 van die wet:
"Deze wet treedt in werking op de bij decreet vastgestelde datum en blijft van kracht tot einde 1997. Zij vindt geen toepassing op producten die vóór haar inwerkingtreding in het vrije verkeer zijn gebracht of tot inklaring hadden moeten worden aangegeven."
15 Wet nr. 1255/94 trad op 1 januari 1995 in werking en zou van kracht blijven tot einde 1997.
16 § 1, lid 2, van die wet is uiteindelijk ingetrokken bij wet nr. 413/96 van 14 juni 1996(5), die thans van kracht is.
III - De feiten
17 De vennootschap naar Fins recht KappAhl Oy (hierna: "KappAhl Oy") voerde tussen 29 maart 1995 en 26 juni 1996 textiel- en kledingproducten van oorsprong uit derde landen vanuit Zweden in Finland in. Bij de invoer van die goederen in Zweden waren de op grond van verordening nr. 2658/87 verschuldigde douanerechten geheven en de producten bevonden zich in Zweden in het vrije verkeer.
18 Bij de invoer van die goederen in Finland sloeg de Lahden tullikamari (douanekantoor te Lahti) KappAhl Oy aan voor het verschil tussen het in de bijlage bij wet nr. 1255/94 genoemde recht en het ten tijde van de invoer in de Gemeenschap, in casu in Zweden, geheven recht. KappAhl Oy had die producten bij de douaneautoriteiten aangegeven.
19 KappAhl Oy stelde beroep in tegen de beschikkingen van de Lahden tullikamari waarbij de douanerechten waren opgelegd. Zij vorderde nietigverklaring van in totaal 1 056 beschikkingen van de Lahden tullikamari waarbij voor de periode tussen 29 mei 1995 en 9 juli 1996 douanerechten waren opgelegd, en daarnaast terugbetaling van de rechten ten belope van in totaal 6 911 586 FIM, vermeerderd met de wettelijke interest.
20 Voor de nationale rechter stelde KappAhl Oy, dat § 1, lid 2, van wet nr. 1255/94 kennelijk in strijd was met de artikelen 9, 12 en 13 van het Verdrag en dat de betrokken bepaling op geen enkele van de voor de overgangsperiode vastgestelde uitzonderingsbepalingen berustte.
21 Concreet stelde KappAhl Oy, dat artikel 99 van de Toetredingsakte strikt moest worden uitgelegd, omdat daarbij een uitzondering werd ingevoerd op het fundamentele gemeenschapsrechtelijke beginsel van vrij verkeer van goederen. Noch de formulering van dit artikel, noch het daarmee nagestreefde doel stonden de Republiek Finland toe douanerechten te heffen met betrekking tot goederen die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevonden na in een andere lidstaat te zijn ingevoerd. Aangezien de artikelen 9, 12 en 13 van het Verdrag rechtstreekse werking hebben, zijn de Finse autoriteiten verplicht die hogere rechtsregels toe te passen en dienovereenkomstig daarmee strijdige lagere rechtsregels, zoals die van § 1, lid 2, van wet nr. 1255/94, buiten toepassing te laten.
22 Volgens de Finse autoriteiten daarentegen zijn de bewoordingen van artikel 99 van de Toetredingsakte onduidelijk, om niet te zeggen ongelukkig. Huns inziens zijn douanerechten niet van toepassing op landen, doch op goederen, en kan dit artikel worden geacht te doelen zowel op uit derde landen ingevoerde goederen als op goederen die uit die derde landen afkomstig zijn.
23 Volgens het Ministerie van Financiën wordt de door de Finse autoriteiten gegeven uitlegging geschraagd door elementen uit de aan de toetreding voorafgegane onderhandelingsfase. Verder stelt het dat het, gelet op de begin 1993 verwezenlijkte één enkele markt, duidelijk was, dat de aan Finland toegestane afwijking de gevoelige industriesectoren van Finland niet kon beschermen, wanneer het onmogelijk bleek ook over via een andere lidstaat ingevoerde goederen douanerechten te heffen. Wanneer de heffing door de Finse autoriteiten van het zogeheten aanvullende douanerecht kon worden vermeden door het product via een andere lidstaat in te voeren, zouden nooit goederen rechtstreeks uit derde landen in Finland worden ingevoerd.
24 Bovendien blijkt uit de verwijzingsbeschikking, dat de Commissie in haar brief van 19 december 1995 tegen die door de Republiek Finland vastgestelde wettelijke maatregel bezwaar had gemaakt. In die brief stelde zij, dat artikel 99 van de Toetredingsakte geen uitzondering op het algemene beginsel van vrij verkeer van goederen als de bij de litigieuze bepaling van § 1, lid 2, van wet nr. 1255/94 ingevoerde uitzondering toestond.
25 De Finse autoriteiten antwoordden, dat zij het standpunt van de Commissie niet deelden, doch dat zij om praktische redenen hadden besloten, dat de litigieuze bepaling per 1 juli 1996 zou worden ingetrokken.
IV - De prejudiciële vraag
26 Omdat hij twijfelt omtrent de uitlegging van artikel 99 van de Toetredingsakte heeft de Uudenmaan lääninoikeus de behandeling van de zaak geschorst en besloten het Hof krachtens artikel 177 van het Verdrag de volgende vraag ter prejudiciële beslissing voor te leggen:
"Moet artikel 99 van de Akte van toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden aldus worden uitgelegd, dat het ook doelt op uit derde landen afkomstige goederen die zich in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden en van daaruit in Finland worden ingevoerd?"
V - Ten gronde
27 KappAhl Oy stelt, dat artikel 99 van de Toetredingsakte als bepaling waarbij een uitzondering wordt ingevoerd op het fundamentele beginsel van vrij verkeer van goederen, strikt moet worden uitgelegd. Noch de bewoordingen van dit artikel, noch het daarmee nagestreefde doel stonden de Republiek Finland toe rechten te heffen met betrekking tot goederen die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevonden, wanneer die in een andere lidstaat waren ingevoerd. Zij leidt hieruit af, dat de litigieuze bepaling van § 1, lid 2, van wet nr. 1255/94 in strijd is met de artikelen 9, 12 en 13 van het Verdrag, alsmede met artikel 99 van de Toetredingsakte.
28 De Finse regering is evenals de Commissie van mening, dat de formulering van artikel 99 van de Toetredingsakte onduidelijk is en het niet mogelijk maakt, nauwkeurig vast te stellen of de ingevoerde uitzondering betrekking heeft zowel op rechtstreeks vanuit derde landen in Finland ingevoerde goederen als op goederen die slechts uit derde landen afkomstig zijn en in de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn gebracht.
29 Volgens de Finse regering volgt uit de tekst van de bepalingen van artikel 99, juncto artikel 98, waarin sprake is van het voor elk product toegepaste basisrecht, dat, aangezien douanerechten niet van toepassing zijn op landen, doch op producten, de goederen die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden bij invoer in Finland worden onderworpen aan het bij wet nr. 1255/94 ingevoerde aanvullende recht.
30 Hoewel de Commissie beklemtoont, dat de tekst van artikel 99 onduidelijk is, deelt zij het standpunt van de Finse regering niet. Zij voert daartoe drie redenen aan: het uitzonderingskarakter van de betrokken bepaling, die strikt moet worden uitgelegd, het doel ervan en het onderzoek van de voorbereidende werkzaamheden van de Toetredingsakte. Zij leidt hieruit af, dat artikel 99 van de Toetredingsakte niet ziet op uit derde landen afkomstige goederen die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden en die vervolgens in Finland worden ingevoerd.
31 Om te beginnen zij erop gewezen, dat de Toetredingsakte (artikel 2) berust op het beginsel van de onmiddellijke en volledige toepasselijkheid van het (primaire en afgeleide) gemeenschapsrecht op Finland, natuurlijk onder voorbehoud van de bij andere bepalingen van die Toetredingsakte vastgestelde overgangsbepalingen.(6)
32 Voorts vertoont mijns inziens de douane-unie waarop de Gemeenschap is gegrondvest ingevolge de artikelen 9, 12, 13 en 16 van het Verdrag twee fundamentele aspecten: in de eerste plaats het "algemene en volstrekte"(7) verbod van in- en uitvoerrechten en van alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de lidstaten onderling. Dit aspect wordt gecompleteerd door de bepalingen inzake de afschaffing van alle vormen van kwantitatieve beperkingen tussen de lidstaten (artikelen 12-17 en 30-37 van het Verdrag). In die bepalingen is de eerste van de vier fundamentele vrijheden van de Gemeenschap, het vrij verkeer van goederen, verankerd. Het tweede fundamentele aspect van de douane-unie bestaat in de invoering van een gemeenschappelijk douanetarief dat van toepassing is op het handelsverkeer tussen de lidstaten en derde landen (artikelen 18-29). Er moet dus duidelijk onderscheid tussen die twee aspecten van de douane-unie worden gemaakt, zoals KappAhl Oy terecht opmerkt.
33 Het verbod van in- en uitvoerrechten en van alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de lidstaten onderling, geldt zowel voor producten van oorsprong uit de lidstaten als voor producten van oorsprong uit derde landen die zich in de lidstaten in het vrije verkeer bevinden: het is immers vaste rechtspraak van het Hof(8), dat laatstgenoemde producten "definitief en volledig" zijn gelijkgesteld met producten van oorsprong uit de lidstaten.
34 Mijns inziens moet artikel 99 van de Toetredingsakte worden uitgelegd met inachtneming van dit fundamentele beginsel.
35 Om te beginnen blijkt duidelijk uit de letterlijke uitlegging van dit artikel, dat het enkel een voorlopige afwijking van de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief in het handelsverkeer tussen een lidstaat en derde landen behelst. Enerzijds heeft die afwijking uitsluitend betrekking op bepaalde producten van oorsprong uit derde landen, die worden genoemd in bijlage XI, en anderzijds kan die afwijking niet gelden voor een langere periode dan drie jaar na de toetreding van de Republiek Finland tot de Gemeenschappen.
36 Artikel 99 voorziet evenwel in geen enkele afwijking van het beginsel van verbod van handhaving of invoering van nieuwe douanerechten tussen de lidstaten; met andere woorden, het heeft geen betrekking op het vrij verkeer van goederen binnen de interne markt, dat wil zeggen binnen het douanegebied van de Gemeenschap. Een zo essentiële afwijking van het voor de gemeenschappelijke markt fundamentele beginsel van verbod van douanerechten en heffingen van gelijke werking tussen de lidstaten onderling, welke beginsel geldt voor alle producten en goederen, zou uitdrukkelijk en onbetwistbaar moeten voortvloeien uit de bewoordingen zelf van artikel 99 van de Toetredingsakte en zou strikt moeten worden uitgelegd.(9)
37 Tot die slotsom komt men overigens, wanneer de reeds door het Hof geformuleerde uitleggingsregels met betrekking tot de door de toetredingsakten voorziene afwijkingen worden toegepast. In de rechtspraak van het Hof wordt immers gepreciseerd, dat de afwijkingen a) met zoveel woorden moeten zijn voorzien(10), b) strikt moeten worden uitgelegd(11), en c) zo moeten worden uitgelegd, dat de doelstellingen van het Verdrag gemakkelijker kunnen worden verwezenlijkt en volledige toepassing van de voorschriften ervan mogelijk wordt.(12)
38 Mijns inziens heeft de afwijking van artikel 99 betrekking op rechtstreeks in Finland ingevoerde producten van derde landen en dus niet op producten van oorsprong uit de lidstaten, waarmee producten van oorsprong uit derde landen die zich in ongeacht welke lidstaat in het vrije verkeer bevinden, zijn gelijkgesteld.
39 Aangezien bij de uitlegging van de bepalingen van de Toetredingsakte rekening moet worden gehouden met de grondslagen en het stelsel van de Gemeenschap, zoals die zijn neergelegd in het Verdrag(13), is de tekst van die bepaling mijns inziens duidelijk en moet zij strikt worden uitgelegd. Derhalve moet de werkingssfeer ervan niet worden uitgebreid tot producten van oorsprong uit derde landen die zich reeds in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden.
40 Die conclusie wordt voorts geschraagd door de volledige gelijkstelling van producten uit derde landen die zich in de lidstaten in het vrije verkeer bevinden met producten van oorsprong uit de lidstaten, wat betreft de toepassing op die producten van onder meer artikel 12 overeenkomstig artikel 9, lid 2, zoals overigens wordt erkend in 's Hofs vaste rechtspraak.(14)
41 Mijns inziens is enkel een strikte uitlegging van artikel 99 van de Toetredingsakte in overeenstemming met de doelstelling van voltooiing van de gemeenschappelijke markt en met die van waarborging van het vrij verkeer van goederen. Met andere woorden, die uitlegging strookt met de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag, met de integrale toepassing van de voorschriften ervan en met de ratio van de bij dit artikel ingevoerde overgangsregeling(15), zoals hierna zal worden uiteengezet.
42 Die conclusie wordt eveneens bevestigd door een systematische uitlegging van artikel 99. Zo maakt die bepaling deel uit van hoofdstuk 4 van de Toetredingsakte, "Externe betrekkingen met inbegrip van de douane-unie" (artikelen 97-105). Dit hoofdstuk bevat onder meer een specifieke regeling inzake de toepassing door de Republiek Finland van door de Gemeenschap met derde landen gesloten internationale overeenkomsten.(16)
43 De enige bepaling van hoofdstuk 4 die geen betrekking heeft op externe betrekkingen is artikel 101, op grond waarvan de Republiek Finland tot en met 31 december 1999 voor styreen(17) een jaarlijks tariefcontingent tegen nulrecht mag openen. Hier gaat het evenwel, het zij nogmaals gezegd, om een specifieke bepaling die, anders dan artikel 99, uitdrukkelijk voorziet in bepaalde beperkingen van de toepassing van de uitzondering, teneinde geen inbreuk te maken op het beginsel van het vrij verkeer van goederen.(18) Daarnaast bestond er in dat geval een specifieke bepaling inzake de uitvoer van bepaalde producten vanuit Finland naar andere lidstaten.(19)
44 De Finse regering voert vervolgens een reeks van argumenten aan die zijn ontleend aan een teleologische uitlegging van artikel 99 van de Toetredingsakte. Om te beginnen stelt zij, dat de uitzondering van artikel 99 wat Finland betreft was aanvaard teneinde de aanpassing van gevoelige industriesectoren bij de toetreding te vergemakkelijken en de Republiek Finland in de gelegenheid te stellen haar vroegere douanebescherming stapsgewijs te ontmantelen.(20) Die uitzondering zou het evenwel niet mogelijk maken die gevoelige sectoren te beschermen, indien niet ook douanerechten konden worden toegepast op goederen van oorsprong uit derde landen die via een andere lidstaat waren ingevoerd. Indien het mogelijk was aan de heffing van die aanvullende rechten door de Finse autoriteiten te ontkomen door het product via een andere lidstaat in te voeren, zouden goederen van oorsprong uit derde landen nooit rechtstreeks in Finland worden ingevoerd.
45 De Finse regering onderstreept eveneens, dat het mogelijk is dat voor Finland bestemde goederen uit derde landen in een andere lidstaat worden ingeklaard en vervolgens op Fins grondgebied worden ingevoerd. Die handelwijze zou tot gevolg hebben, dat het handelsverkeer werd verstoord en de mededinging werd vervalst, hetgeen zou indruisen tegen de doelstelling van verwezenlijking van één enkele markt, die erin bestaat alle marktdeelnemers gelijke mededingingsvoorwaarden te verzekeren.(21)
46 Met betrekking tot die kwestie erkent de Commissie, ervan uitgaande dat artikel 99 van de Toetredingsakte geen betrekking heeft op goederen van oorsprong uit derde landen die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden en vervolgens in Finland worden ingevoerd, dat de door haar in overweging gegeven uitlegging ligt in de lijn van de aanpassing van het door de Republiek Finland toegepaste douanetarief aan dat van de Gemeenschap. Volgens haar stelde artikel 99 voor een overgangsperiode het maximale verschil vast tussen de twee tarieven die Finland moest toepassen vanuit de invalshoek van de kosten-opbrengstverhouding. Geringe verschillen tussen beide tarieven moesten voorkomen, dat het handelsverkeer werd verlegd, doordat de gevoelige industriesectoren gelijktijdig werden beschermd en ertoe werden aangezet zich snel aan de nieuwe realiteit in de Gemeenschap aan te passen.
47 Mijns inziens volstaat de aanzienlijke toename van het gevaar van verlegging van het handelsverkeer, nu de Republiek Finland na haar toetreding tot de Gemeenschappen geen controle meer kan uitoefenen aan de binnengrenzen van de Gemeenschap, niet om de heffing van het litigieuze aanvullende recht uit hoofde van het nationale recht te rechtvaardigen, omdat de heffing van dat recht rechtstreeks in strijd is met een fundamenteel beginsel van het Verdrag.
48 Er is in casu evenmin sprake van inbreuk op het beginsel van gelijke behandeling van marktdeelnemers op grond dat rechtstreeks in Finland ingevoerde producten uit derde landen en producten die zich reeds in een andere lidstaat in het vrije verkeer bevinden en vervolgens in Finland worden ingevoerd, ter zake van douanerechten verschillend zouden worden behandeld. In het onderhavige geval is er namelijk sprake van een verschillende behandeling van verschillende situaties, hetgeen naar gemeenschapsrecht niet verboden is.
49 Ten slotte tracht de Finse regering haar standpunt te schragen door terug te grijpen op een historische uitlegging van artikel 99. Zo betoogt zij, dat de door haar voorgestane uitlegging steunt op elementen die teruggaan tot het stadium van de onderhandelingen met betrekking tot de toetreding van Finland tot de Gemeenschappen. Bij het begin van de onderhandelingen met de Commissie trachtte de Republiek Finland de grenscontroles gedurende een bepaalde periode te handhaven. Daarin is zij evenwel niet geslaagd en de nieuwe lidstaten hebben zich er derhalve toe verplicht, de grenscontroles ten aanzien van de andere lidstaten af te schaffen.
50 De Finse regering beroept zich daarenboven op een gemeenschappelijke verklaring van de toenmalige lidstaten, die een schriftelijke voorwaarde behelsde dat het op grond van de toepassing van die tijdelijke douanerechten niet was toegestaan controlemaatregelen in het leven te roepen aan de binnengrenzen/grenzen tussen de lidstaten. Die voorwaarde zou doelloos zijn, wanneer de mogelijkheid voor de Republiek Finland om hogere rechten te heffen dan die welke in het gemeenschappelijk douanetarief zijn voorzien, enkel de rechtstreekse invoer in Finland van producten uit derde landen zou bestrijken.
51 Volgens KappAhl Oy vormen de gegevens betreffende het verloop van de toetredingsonderhandelingen, de door de betrokken partijen in de loop van die onderhandelingen ingenomen standpunten en de persoonlijke meningen van de ambtenaren van de Commissie ter zake, waarop de Finse regering zich beroept, evenveel bronnen waarover enkel de Finse regering kan beschikken. Derhalve kunnen die elementen, die niet toegankelijk zijn voor het publiek, haars inziens niet worden toegelaten voor de uitlegging van artikel 99 van de Toetredingsakte, omdat anders inbreuk zou worden gemaakt op het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde procesrechtelijke beginsel van de gelijkheid van procespartijen ("equality of arms").
52 Het betoog van de Finse regering kan niet worden aanvaard.
53 Mijns inziens kunnen de elementen die betrekking hebben op gegevens over het verloop van de onderhandelingen tussen de Republiek Finland en de Gemeenschap niet worden toegelaten voor de uitlegging van om het even welke bepaling van de Toetredingsakte, wanneer zij niet zijn terug te vinden in de tekst van de bepaling waarop de uitlegging betrekking heeft. Dienaangaande kan worden volstaan met eraan te herinneren, dat het Hof herhaaldelijk heeft verklaard, dat de verklaringen die zijn opgenomen in notulen van de Raad tijdens de voorbereidende werkzaamheden betreffende een handeling, "niet bij de uitlegging van die [handeling] kunnen worden gebruikt, wanneer de inhoud ervan niet in de tekst van de betrokken bepaling is terug te vinden en dus geen rechtskracht heeft".(22)
54 De Commissie heeft het Hof laten weten, dat de permanente vertegenwoordiging van Finland in de loop van de onderhandelingen had verzocht om de invoering van een communautaire procedure om het hoofd te bieden aan het gevaar van verlegging van het handelsverkeer, doch dat geen enkele procedure in die zin was ingevoerd. Daar het verzoek van de Republiek Finland niet was ingewilligd, had de permanente vertegenwoordiging vervolgens uitdrukkelijk verzocht om op via het grondgebied van een andere lidstaat in Finland ingevoerde producten van oorsprong uit derde landen een heffing te mogen toepassen waarvan het bedrag gelijk was aan het verschil tussen het nationale tarief en het gemeenschapstarief. Zoals de Commissie terecht opmerkt, zou het bestaan van een gedifferentieerd douanetarief evenwel onlosmakelijk verbonden zijn met controlestelsels en noodzakelijkerwijs gepaard gaan met de invoering van een beschermingsregeling. De Gemeenschap heeft de Republiek Finland evenwel geen uitzondering van een dergelijke strekking toegestaan.
55 Verder wordt noch in het oorspronkelijke antwoord van de Commissie op dat verzoek van de permanente vertegenwoordiging van Finland noch in de tekst van de Toetredingsakte met zoveel worden en onbetwistbaar gerept van de mogelijkheid om een gedifferentieerde tariefbehandeling te handhaven voor bepaalde producten die in Finland worden ingevoerd nadat zij in een andere lidstaat in het vrije verkeer zijn gebracht.
56 Integendeel, de Gemeenschap nam in oktober 1993 het volgende gemeenschappelijke standpunt in(23): "Het is voor de Gemeenschap aanvaardbaar, dat Finland gedurende drie jaar vanaf de toetreding voor de in de bijlage genoemde producten zijn douanerechten handhaaft, waarvan de tarieven hoger zijn dan die welke uit het gemeenschappelijke douanetarief voortvloeien, met dien verstande dat zulks niet zal leiden tot controles aan de binnengrenzen. Voorts verzoekt de Gemeenschap Finland de mogelijkheid in ogenschouw te nemen, die overgangsperiode te gebruiken om de hierboven genoemde tarieven geleidelijk aan te passen aan het gemeenschappelijk douanetarief."(24)
57 Dat gemeenschappelijke standpunt komt inmiddels tot uitdrukking in artikel 153 van de Toetredingsakte, dat luidt als volgt:
"Teneinde de goede werking van de interne markt niet te verstoren mag de tenuitvoerlegging van de nationale voorschriften van de nieuwe lidstaten gedurende de in deze Akte bedoelde overgangsperioden niet leiden tot grenscontroles tussen de lidstaten."
58 Aangezien de Gemeenschap voorts de invoering van het door de Republiek Finland in de loop van de toetredingsonderhandelingen voorgestelde communautaire controlestelsel uitdrukkelijk van de hand heeft gewezen, concludeert de Commissie dat het enige werkelijke alternatief hetzij de instelling van controles aan de binnengrenzen - welke oplossing de Gemeenschap expliciet heeft verworpen - hetzij het gevaar van verlegging van het handelsverkeer lijkt te zijn.
59 Ik ben niettemin van mening, dat het gevaar van verlegging van het handelsverkeer uiteindelijk minder ernstig kan worden geacht dan het gevaar dat door een extensieve uitlegging van artikel 99 van de Toetredingsakte - welke bepaling wegens haar uitzonderingskarakter strikt moet worden uitgelegd - op ondoordachte wijze een gebrekkige eerbiediging van een fundamentele vrijheid, het vrij verkeer van goederen, wordt getolereerd. Een ruime uitlegging zou als paard van Troje kunnen dienen, waarmee het in het Verdrag neergelegde fundamentele gemeenschapsrechtelijke beginsel van vrij verkeer van goederen wordt omzeild.
60 Derhalve kan artikel 99 van de Toetredingsakte, uitgelegd in het licht van de artikelen 9, 10, 12 en 13 van het Verdrag, niet ten grondslag worden gelegd aan de toepassing of de handhaving van een douanerecht als dat voorzien in Finse wet nr. 1255/94, dat van toepassing is op goederen van oorsprong uit derde landen die zich in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden en vervolgens in Finland worden ingevoerd.
VI - Conclusie
61 Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vraag van de Uudenmaan lääninoikeus te beantwoorden als volgt:
"Artikel 99 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, zoals gewijzigd bij besluit 95/1/EG, Euratom, EGKS van de Raad van 1 januari 1995 houdende aanpassing van de documenten betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd, dat het niet doelt op uit derde landen afkomstige goederen die zich in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden en van daaruit in Finland worden ingevoerd."
(1) - PB 1994, C 241, blz. 21.
(2) - PB L 1, blz. 1.
(3) - Ten slotte bepaalt artikel 16 van het Verdrag, dat de lidstaten uiterlijk aan het einde van de eerste etappe de tussen hen bestaande uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking opheffen.
(4) - PB L 256, blz. 1.
(5) - Wet tot wijziging van artikel 1 alsmede van de in de bijlage bij de wet betreffende bepaalde tijdelijke douanerechten opgenomen nomenclatuur (laki eräistä väliaikaisista tulleista annetun lain 1 §:n ja liitteenä olevan luettelon muuttamisesta).
(6) - Zie, bijvoorbeeld, arrest van 9 december 1982, Metallurgiki Halyps/Commissie (258/81, Jurispr. blz. 4261, punt 8).
(7) - Zie, bijvoorbeeld, arrest van 14 september 1995, Simitzi (C-485/93 en C-486/93, Jurispr. blz. I-2655, punt 14).
(8) - Zie, bijvoorbeeld, arresten van 15 december 1976, Donckerwolcke (41/76, Jurispr. blz. 1921, punten 14 en 15), en 11 juni 1985, Commissie/Ierland (288/83, Jurispr. blz. 1761, punt 24). Zie eveneens arrest van 22 maart 1990, Houben (C-83/89, Jurispr. blz. I-1161, punten 9 en 10).
(9) - Zie, bijvoorbeeld, arrest van 15 april 1997, Deutsches Milch-Kontor (C-272/95, Jurispr. blz. I-1905, punt 35), alsmede de eerdere arresten van 13 november 1964, Commissie/Luxemburg en België (90/63 en 91/63, Jurispr. blz. 1277), en 20 april 1978, Commissionnaires Réunis (80/77 en 81/77, Jurispr. blz. 927, punt 24).
(10) - Zie, bijvoorbeeld, arrest Metallurgiki Halyps/Commissie, aangehaald in voetnoot 6 (punt 8).
(11) - Zie, bijvoorbeeld, arresten van 29 maart 1979, Commissie/Verenigd Koninkrijk (231/78, Jurispr. blz. 1447, punt 16); 23 maart 1983, Peskeloglou (77/82, Jurispr. blz. 1085, punt 12); 10 mei 1984, Commissie/Griekenland (58/83, Jurispr. blz. 2027, punt 9), en 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki/Commissie (11/82, Jurispr. blz. 207, punt 26).
(12) - Arrest van 25 februari 1988, Commissie/Griekenland (194/85 en 241/85, Jurispr. blz. 1037, punten 19 en 20), dat betrekking had op het beginsel van vrij verkeer van landbouwproducten.
(13) - Zie, bijvoorbeeld, arrest Commissie/Verenigd Koninkrijk, aangehaald in voetnoot 11 (punt 12).
(14) - Zie onder meer arrest Donckerwolcke, aangehaald in voetnoot 8 (punten 14 en 15).
(15) - Het Hof heeft herhaaldelijk bij de uitlegging van bepalingen van een toetredingsakte waarbij uitzonderingen op het ene of het andere beginsel werden ingevoerd, ernaar gestreefd die uitlegging in overeenstemming te brengen met de ratio van de ingevoerde overgangsregeling; zie, bijvoorbeeld, arresten van 27 september 1989, Lopes da Veiga (9/88, Jurispr. blz. 2989, punt 10), betreffende het vrij verkeer van werknemers, en 27 maart 1990, Rush Portuguesa (C-113/89, Jurispr. blz. I-1417, punt 13), betreffende het vrij verrichten van diensten. Zie eveneens arrest van 30 mei 1989, Commissie/Griekenland (305/87, Jurispr. blz. 1461, punten 15-27), betreffende het vrij verkeer van werknemers.
(16) - Het gaat om de artikelen 100 en 102-105 van de Toetredingsakte.
(17) - Bepaalde koolwaterstof die voorkomt in de samenstelling van tal van kunststoffen.
(18) - Artikel 101, lid 1, bepaalt dat de Republiek Finland tot en met 31 december 1999 een jaarlijks tariefcontingent tegen nulrecht voor styreen van 21 000 ton mag openen, mits de betrokken goederen: a) in het vrije verkeer worden gebracht op het grondgebied van Finland en aldaar worden verbruikt, of worden verwerkt waardoor zij aldaar de gemeenschapsoorsprong verkrijgen, en b) onder douanetoezicht blijven overeenkomstig de betreffende gemeenschapsbepalingen inzake eindverbruik.
(19) - Artikel 101, leden 2 en 3, bepaalt dat het bepaalde in lid 1 alleen van toepassing is indien, ter staving van de invoeraangifte voor het vrije verkeer, een door de betrokken Finse autoriteiten afgegeven vergunning wordt overgelegd waaruit blijkt dat de betrokken goederen aan het bepaalde in lid 1 voldoen. Bovendien nemen de Commissie en de bevoegde Finse autoriteiten alle noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat het eindverbruik van het betrokken product, of de verwerking waardoor het de gemeenschapsoorsprong verkrijgt, plaatsvindt op het grondgebied van Finland.
(20) - Zoals de Finse regering opmerkt (punt 11 van haar schriftelijke opmerkingen), waren de over bepaalde producten van oorsprong uit derde landen geheven rechten immers 20 % hoger dan die van het gemeenschappelijk douanetarief.
(21) - De Finse regering verklaart (in punt 13 van haar schriftelijke opmerkingen), dat, bij gebreke van een uniform buitentarief ten aanzien van derde landen, de tenuitvoerlegging van het verbod van rechten op de interne markt, die het tweede aspect van de douane-unie vormt, niet mogelijk is zonder het handelsverkeer te verstoren.
(22) - Zie onder meer arresten van 13 februari 1996, Bautiaa en Société française maritime (C-197/94 en C-252/94, Jurispr. blz. I-505, punt 51), en 26 februari 1991, Antonissen (C-292/89, Jurispr. blz. I-745, punt 18), en het eerdere arrest van 30 januari 1985, Commissie/Denemarken (143/83, Jurispr. blz. 427, punt 13).
(23) - De achtereenvolgende brieven van de permanente vertegenwoordiging van Finland van 10 mei 1993 en 1 juni 1993 zijn opgenomen in bijlage III, resp. bijlage IV bij de schriftelijke opmerkingen van de Commissie. Voornoemd gemeenschappelijk standpunt van de Gemeenschap is vastgesteld tijdens de bijeenkomst van het Comité van permanente vertegenwoordigers van 27 oktober 1993. Dit document is opgenomen in bijlage IV bij de schriftelijke opmerkingen van de Commissie.
(24) - Dit blijkt voorts eveneens uit brief nr. 14923 van de bevoegde dienst van de Commissie van 15 december 1995 aan de permanente vertegenwoordiging van Finland bij de Gemeenschappen, waarin de Commissie de Finse regering heeft meegedeeld, dat artikel 99 van de Toetredingsakte een dergelijke uitzondering op het fundamentele beginsel van vrij verkeer van goederen niet toestond en haar heeft verzocht de maatregelen te nemen die nodig zijn om een einde te maken aan de schending van de krachtens artikel 9 van het Verdrag op haar rustende verplichtingen door de handhaving van wet nr. 1255/94. Bij brief van 25 maart 1996 verklaarde de Finse regering, dat zij de zienswijze van de Commissie inzake de uitlegging van artikel 99 niet deelde; om praktische redenen besloot zij echter de litigieuze bepaling van wet nr. 1255/94 in te trekken.
Full & Egal Universal Law Academy