Conclusie van de advocaat generaal
A - Inleiding
1 In de onderhavige zaak betwist verzoekster de forfaitaire correcties van de door het EOGFL(1) gefinancierde uitgaven. Zij betreffen enerzijds de interventiemaatregelen in het kader van de openbare opslag van granen en anderzijds een uitvoerresitutie voor smeltkaas. De correcties zijn met name gebaseerd op de ontoereikende controle op de opslag respectievelijk het niet in de handel brengen van het product. Volgens verzoekster is er in de twee gevallen schending van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.(2) De twee gevallen kunnen evenwel het best afzonderlijk worden besproken.
2 Wat de interventiemaatregelen in het kader van de openbare opslag van granen betreft, verwijzen de twee partijen in de eerste plaats naar hun memories in de zaak Frankrijk/Commissie (C-232/96).(3) Ter rechtvaardiging van een correctie van de door het EOGFL gefinancierde uitgaven voor het boekjaar 1992 wees de Commissie er in deze zaak op, dat zij in het kader van controles tekortkomingen in de openbare opslag van granen had vastgesteld.
3 Nadat verzoekster voor het boekjaar 1993 verbeteringen had aangekondigd, stelde de Commissie alsnog een aantal tekortkomingen vast, met name:
- achterstand in de voorraadboekhouding;
- bepaalde gebreken in de controle;
- ontoereikende opslagcondities en tekortkomingen in de plaatsing van borden voor de identificatie van de interventievoorraden;
- gebrek aan planimetrie;
- gebrekkige voorraadboekhouding.
4 De Commissie ging dus over tot een forfaitaire correctie van 2 % van de uitgaven wegens technische kosten, financieringskosten en andere kosten voor het begrotingsjaar 1993.
5 Voor de correctie van de uitvoerrestitutie voor smeltkaas baseert de Commissie zich op de volgende punten:
- het product had geen gezonde handelskwaliteit,
- het kwalitatieve gebrek ontstond bij de productie, dus vóór de uitvoer,
- het product was in het land van bestemming niet op de markt gebracht.
B - De feiten
I - Interventiemaatregelen in het kader van de openbare opslag van granen
6 Op dit punt concludeert de Franse Republiek tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie(4), voor zover daarbij 103 286 730 FF wegens interventiemaatregelen voor graan niet ten laste van het EOGFL zijn gebracht. Ter rechtvaardiging van deze correctie wees de Commissie op de tekortkomingen in de openbare opslag van granen.
7 Bij een controle in juni-juli 1993 stelde de Commissie tekortkomingen vast in het beheer van het interventiestelsel. Zij lichtte de Franse nationale autoriteiten daarvan in en kondigde, aldus verzoekster, financiële consequenties aan voor het boekjaar 1993. In hun antwoord van december 1993 stelden de Franse autoriteiten een lijst op van de maatregelen die zij ter verbetering van het stelsel van openbare opslag van granen zouden nemen.
8 Daarop, aldus verzoekster, deelde de Commissie haar mee, dat met name in het licht van de aangekondigde verbeteringen van het beheerstelsel geen algemene financiële sanctie zou worden getroffen. Tegelijk evenwel kondigde de Commissie - wat verzoekster niet betwist - financiële correcties aan, indien mocht blijken dat graan uit de interventieopslag vervangen was door graan uit de vrije markt.
9 Bij een nieuwe controle in juni-juli 1994 stelde de Commissie vast, dat de Franse autoriteiten ondanks de eind 1993 aangekondigde verbeteringen de bij de eerste controle in juni-juli 1993 vastgestelde tekortkomingen niet volledig hadden verholpen. Zij deelde de autoriteiten mee, dat vanaf het begrotingsjaar 1992 tot financiële correcties zou worden besloten. Na verdere briefwisseling met de Commissie wendde verzoekster zich ten slotte tot het bemiddelingsorgaan. In zijn eindverslag kwam dit tot de slotsom, dat de financiële correctie gerechtvaardigd was. Het bemiddelingsorgaan wijst er ook op, dat de Franse autoriteiten niet betwisten, dat zij hun aanvankelijk systeem moesten wijzigen om aan de eisen van de Commissie te voldoen.
10 Er zijn weliswaar enige wijzigingen aangebracht, doch de Franse regering betwist niet, dat bepaalde regels plaatselijk niet zijn nageleefd. Verder beroept verzoekster zich op een accountantsrapport van het kantoor Ernst & Young, dat de betrouwbaarheid van het Franse systeem voor controle en opslagbeheer zou bevestigen.
11 Dit rapport, aldus de Commissie, behelsde evenwel de toetsing van de theoretische situatie aan de geldende voorschriften, terwijl de door haar uitgevoerde controles uitwezen, dat er tekortkomingen bleven bestaan.
II - Uitvoerrestituties voor smeltkaas
12 Op dit punt concludeert de Franse regering tot nietigverklaring van beschikking 97/333 van de Commissie, voor zover een bedrag van 720 720 FF voor de uitvoer van 73,5 ton smeltkaas naar Saudi-Arabië daarbij van uitvoerrestitutie is uitgesloten.
13 De kaasfabrieken Bel voerden in het laatste kwartaal van 1988 in totaal 14 256 dozen kaas "La Vache qui rit" (totaalgewicht 89 ton, handelswaarde 883 700 FF) naar Saudi-Arabië uit. Daarvoor ontvingen zij een uitvoerrestitutie van 780 720 FF.
14 Nadat de Saudische klant zich in januari 1989 bij de fabrikant beklaagde over de ongewoon slappe textuur van het geleverde product, gelastten de kaasfabrieken Bel na intern onderzoek(5) en controle bij de klant, de vernietiging van 12 148 dozen kaas. Deze vond nog plaats in februari 1989.(6) De kosten voor vernietiging werden geheel gedragen door de kaasfabrieken Bel; de aankoopprijs is aan de Saudische klant terugbetaald.
15 Voor de met de betaling van de uitvoerrestitutie belaste Franse dienst was de kaas overeenkomstig de geldende bepalingen naar Saudi-Arabië uitgevoerd, in het bijzonder daar de kwaliteit van de kaas niet liet vermoeden, dat hij in de Gemeenschap wederingevoerd zou worden en de Saudische autoriteiten het in de handel brengen zouden verhinderen.
16 In de loop van 1995 wees de Commissie er de Franse autoriteiten meermaals op, dat er geen aanspraak kon bestaan op betaling van uitvoerrestituties, aangezien de kaas wegens een fabricagegebrek kwalitatief niet voldeed en de markt van bestemming niet had bereikt.
17 Het betoog van de Franse autoriteiten, dat de kaas van een gezonde handelskwaliteit was en in het land van bestemming regelmatig was ingevoerd en aldaar in de handel gebracht, kon de Commissie niet volgen, zodat de Franse regering zich tot het bemiddelingsorgaan wendde. Dit kon de partijen evenwel niet tot elkaar brengen, zodat de Franse regering tegen de verrichte correcties het onderhavige beroep instelde.
Conclusies van partijen
18 De Franse Republiek concludeert dat het het Hof behage:
nietig te verklaren beschikking 97/333(7) van de Commissie betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1993 hebben ingediend in verband met de door het EOGFL, afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven, voor zover de Commissie voor het jaar 1993 wat Frankrijk betreft, de volgende uitgaven niet ten laste van het EOGFL heeft gebracht:
- 720 720 FF als restitutie bij uitvoer van 73,5 ton smeltkaas naar Saudi-Arabië;
- 103 286 730 FF als interventiemaatregelen in het kader van de openbare opslag van granen;
subsidiair,
- vast te stellen dat deze correcties onevenredig hoog zijn;
- verweerster te verwijzen in de kosten.
19 De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
- het beroep af te wijzen;
- de Franse Republiek te verwijzen in de kosten.
C - Standpuntbepaling
I - Interventiemaatregelen in het kader van de openbare opslag van granen
20 In dit verband betwist verzoekster de beschikking van de Commissie in drie opzichten. Zij stelt, dat de door de Franse autoriteiten genomen (controle)maatregelen op het gebied van de interventiemaatregelen voor graan toereikend waren en dat de Commissie het rechtszekerheids- en - subsidiair - het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden.
21 Om te beginnen zij vastgesteld, dat de partijen in hun betoog hoofdzakelijk verwijzen naar hun memories in voormelde zaak Frankrijk/Commissie(8) en deze hier overnemen.
22 Ter rechtvaardiging van de correcties voor het begrotingsjaar 1992 wees de Commissie er toentertijd op, dat de maatregelen van de Franse autoriteiten niet toereikend waren en het EOGFL wegens de tekortkomingen in het controlesysteem dus aan grote financiële risico's werd blootgesteld. Tegen een gedetailleerde opsomming van de bestaande tekortkomingen bracht de Franse regering alleen in, dat de toepasselijke gemeenschapsregeling niet voorzag in sommige van de door de Commissie verlangde maatregelen. Haars inziens waren de door haar genomen maatregelen toereikend en werden de controles conform de gemeenschapsregeling verricht. Toch betwistte zij niet, dat het aanvankelijke systeem moest worden gewijzigd om te voldoen aan de eisen van de Commissie.
23 Aangaande dit argument, dat ook in de onderhavige zaak is aangevoerd, moet om te beginnen worden gewezen op artikel 6 van verordening (EEG) nr. 689/92 van de Commissie van 19 maart 1992 tot vaststelling van de procedures en voorwaarden voor de overneming van granen door de interventiebureaus.(9) Dit luidt: "Teneinde rekening te houden met de bijzondere omstandigheden in de lidstaat waaronder zij ressorteren, stellen de interventiebureaus zo nodig aanvullende procedures en voorwaarden voor de overneming vast, welke verenigbaar zijn met de bepalingen van deze verordening (...)."
24 De lidstaten moeten evenwel de nodige controles in het kader van het EOGFL verrichten, ook al voorziet de tekst van de toepasselijke regeling daarin niet in detail.(10)
25 Daar de lidstaat volgens vaste rechtspraak van het Hof(11) moet aantonen, dat is voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de door de Commissie geweigerde financiering, wanneer de Commissie bepaalde uitgaven niet ten laste van het EOGFL wil brengen, omdat zij voortvloeien uit aan deze lidstaat toe te rekenen overtredingen van gemeenschapsregels, kan geen genoegen worden genomen met zuivere beweringen van verzoekster. Krachtens deze bewijsregel moet de lidstaat aantonen, dat de door hem genomen maatregelen toereikend waren.
26 Naast haar argumenten in de zaak Frankrijk/Commissie wijst de Franse regering in wezen op de in het kader van het systeem van en de controle op de openbare opslag ingevoerde wijzigingen, en acht zij haar stelling gestaafd door het accountantsrapport van het kantoor Ernst & Young. Inmiddels wordt doeltreffender gecontroleerd en zijn de gelaakte tekortkomingen grotendeels opgeheven. De Franse regering geeft evenwel zelf toe, dat niet aan alle kritiek gevolg is gegeven.
27 De Commissie wijst op de nog steeds vastgestelde tekortkomingen en is van mening, dat de Franse regering niet heeft aangetoond, dat de genomen maatregelen toereikend waren.
28 Alles welbeschouwd heeft de Commissie gelijk. In haar betoog uit de Franse regering in wezen alleen zuivere beweringen. Zo geeft zij zelf toe, dat niet alle aangekondigde wijzigingen tot verbetering van het systeem van controle op de openbare opslag zijn doorgevoerd. Evenmin blijkt uit het accountantsrapport, dat de genomen maatregelen toereikend zijn. Blijkens het betoog van de Franse regering zelf behelst dit rapport alleen de toetsing van de theoretische situatie aan de geldende bepalingen, zonder dat op hun feitelijke omzetting in de praktijk is ingegaan. Dit verslag kan niet dienen tot bewijs, dat de door de Commissie gelaakte tekortkomingen niet bestaan. Verzoeksters betoog moet dus worden verworpen.
29 Wat de gestelde schending van het rechtzekerheidsbeginsel betreft, wijst de Franse regering op de mededeling van de Commissie, dat er in het bijzonder wegens de door de Franse autoriteiten aangekondigde verbeteringen geen financiële correcties zullen worden verricht. Door voor 1993 uiteindelijk toch een correctie te verrichten, schendt de Commissie de rechtszekerheid.(12) Deze grief betreft hoofdzakelijk een overtreding bestaande in een verwisseling van verschillende regelingen voor graanopslag.
30 Hier zij opgemerkt, dat de Commissie er bij haar mededeling vooral van uitging, dat de Franse autoriteiten verbeteringen hadden aangekondigd. Deze zijn volgens de Commissie evenwel niet volledig doorgevoerd, wat de Franse regering overigens evenmin betwist.
31 Voorts bleek uit de mededeling van de Commissie ook duidelijk, dat nieuwe overtredingen tot aanzienlijke financiële correcties zouden leiden. Wordt daartoe na de vaststelling van dergelijke overtredingen uiteindelijk overgegaan, dan kan dat geen inbreuk maken op de rechtszekerheid.
32 Voorts, aldus verzoekster, mocht de Commissie niet voortgaan op zuivere geruchten betreffende verwisseling van verschillende regelingen voor graanopslag. De argumenten van de Commissie zijn in deze context evenwel toereikend, daar zij bij de controles inderdaad vaststelde, dat granen die onder verschillende regelingen waren opgeslagen, met elkaar waren gemengd of onderling verwisseld.
33 Ten slotte betoogt verzoekster, dat de Commissie geen voorbeeld kan noemen van een geval van verwisseling van granen van verschillende opslagregelingen. Hier zij verwezen naar de rechtspraak van het Hof. Dat de Commissie geen individuele gevallen van niet-naleving van de landbouwregeling aantoont, betekent volgens het Hof geenszins, dat het in de lidstaat bestaande controlesysteem de juiste toepassing van de regeling (ook in feite) garandeert. Bewezen individuele gevallen kunnen de kritiek van de Commissie op de doelmatigheid van het controlesysteem in die lidstaat ondersteunen.(13) Bovendien heeft verzoekster zelf niet betwist, dat dergelijke vervangingen plaatsvonden. Er valt derhalve geen schending van de rechtszekerheid te constateren.
34 Ten slotte verwijst verzoekster subsidiair naar schending van het evenredigheidsbeginsel. Haars inziens had de correctie van 2 % niet ook begrotingspost 10-13 inzake verlies bij verkoop van voorraad mogen betreffen. Dit verlies is volledig gecompenseerd krachtens verordening (EEG) nr. 3597/90 van de Commissie van 12 december 1990 inzake boekingsregels voor aankoop, opslag en verkoop van landbouwproducten door de interventiebureaus.(14) Het EOGFL lijdt dus geen enkel verlies in het kader van deze begrotingspost.
35 Volgens de Commissie daarentegen betreft deze post de financiële consequenties van verlies bij verkoop. Aangezien zij manco's vaststelde, kon dat samen met de tekortkomingen in de controles tot verlies voor het EOGFL leiden.
36 Volgens de door het Hof vastgestelde regels inzake de bewijslast moet verzoekster aantonen, dat het haar verweten gedrag niet tot een verhoging van de kosten voor het EOGFL heeft geleid.(15)
37 Evenzo kan blijkens de rechtspraak van het Hof de zuivere waarschijnlijkheid van verlies ten koste van de gemeenschapsbegroting als criterium ter beoordeling van de evenredigheid van de verrichte correcties worden gehanteerd.(16)
38 Of er echt manco's waren, wordt tussen partijen betwist. Zoals gezegd, waren er wel tekortkomingen in de controle. In dat geval kan verzoekster niet worden gevolgd in haar betoog, dat dergelijke verliezen bij verkoop onmiddellijk worden gecompenseerd. Daartoe is een alomvattende controle vereist, die evenwel niet is verricht. Er konden dus ook verliezen in begrotingspost 10-13 zijn. Zodoende heeft verzoekster evenwel niet kunnen aantonen, dat het EOGFL geen enkele schade heeft geleden.
39 Wat het bedrag van de correcties betreft, verwijst de Commissie terecht naar de rechtspraak van het Hof, volgens welke de financiering van uitgaven volledig kan worden geweigerd, wanneer de precieze financiële gevolgen van een met het gemeenschapsrecht strijdige maatregel niet zijn vast te stellen.(17)
40 Voor forfaitaire vermindering heeft de Commissie bepaalde richtsnoeren gegeven op voorstel van een interdirectionele groep (Belle Group Report). Daarbij wordt voorgesteld, de forfaitaire rekeningen naar gelang van de ernst van de tekortkoming met een van drie mogelijke percentages te verminderen: 2 %, 5 % of 10 %. De kleinste vermindering met 2 % wordt toegepast wanneer de tekortkomingen slechts minder belangrijke onderdelen van het controlesysteem betreffen of controles die niet volstrekt noodzakelijk zijn om de regelmatigheid van de uitgaven te garanderen, zodat het EOGFL slechts een gering risico van verlies loopt.
41 Verzoekster heeft - zoals gezegd - evenwel niet weten aan te tonen, dat de beoordelingen van de Commissie omtrent de bij de goedkeuring van de rekeningen verrichte financiële correctie onjuist zijn, aangezien er daadwerkelijk tekortkomingen in de controles waren.
42 Het evenredigheidsbeginsel is dus niet geschonden, vooral daar voor de forfaitaire correctie het laagste percentage is gekozen. Er is dus geen enkele reden om de beschikking van de Commissie nietig te verklaren, omdat de uitgaven wegens interventiemaatregelen in het kader van de openbare graanopslag daarbij niet ten laste van het EOGFL zijn gebracht.
II - Uitvoerrestituties voor smeltkaas
43 Om te rechtvaardigen dat de uitgaven voor uitvoerrestituties voor smeltkaas niet ten laste van het EOGFL zijn gebracht, wijst de Commissie erop, dat het product de markt van het land van bestemming niet heeft bereikt, omdat het niet van gezonde handelskwaliteit was, welke tekortkoming was te wijten aan een fabricagefout en dus reeds vóór de uitvoer bestond.
44 Volgens de Franse regering was de kaas bij uitvoer vrij van gebreken, gezond en geschikt voor consumptie. De veranderde textuur bracht daarin geen wijziging. Het product is zonder enig bezwaar van de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de Saudi-Arabische regeling ingevoerd. De vernietiging van de 12 148 dozen werd alleen gelast uit bezorgdheid om het merkimago en wegens het belang van goede relaties met de klant.
45 Volgens artikel 6 van verordening (EEG) nr. 876/68 van de Raad(18) wordt de restitutie uitbetaald, wanneer het bewijs is geleverd, dat de producten uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd.
46 Artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3665/87(19) verstaat onder "dag van uitvoer" "de dag waarop de douaneautoriteit de aangifte ten uitvoer aanvaardt, waarin is vermeld dat een restitutie zal worden gevraagd".
47 Volgens lid 4 is deze dag "bepalend voor de vaststelling van hoeveelheid, aard en kenmerken van het uitgevoerde product".
48 Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 3665/87 luidt:
"Voor de betaling van de (...) restitutie geldt niet alleen de voorwaarde dat het product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten, maar ook dat (...) het product binnen twaalf maanden na de datum waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in een derde land (...) is ingevoerd (...)
Bovendien kunnen de bevoegde instanties van de lidstaten bijkomende bewijzen verlangen waarmee ten genoegen van die instanties wordt aangetoond dat het product in het derde land van invoer werkelijk in ongewijzigde staat op de markt is gebracht."
49 Volgens artikel 13 van verordening nr. 3665/87 worden uitvoerrestituties evenwel niet verleend "indien de producten niet van gezonde handelskwaliteit zijn".
50 Naar luid van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 3665/87 moet het product
"binnen twaalf maanden na de datum waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in het derde land (...) in ongewijzigde staat zijn ingevoerd".
51 Volgens artikel 17, lid 3, wordt het product als ingevoerd beschouwd "wanneer de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in het derde land zijn vervuld".
52 In casu rijzen dus twee vragen:
1. Was de naar Saudi-Arabië uitgevoerde smeltkaas "La Vache qui rit" van gezonde handelskwaliteit?
2. Was de smeltkaas overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 3665/87 ingevoerd respectievelijk op de markt gebracht?
De gezonde handelskwaliteit
53 Aangezien het begrip gezonde handelskwaliteit niet in dwingende gemeenschapsbepalingen is gedefinieerd, moeten in beginsel de lidstaten hieromtrent nadere bepalingen vaststellen.(20)
54 Een dergelijke nationale bepaling mag evenwel naar strekking en doel niet in strijd zijn met de toepasselijke gemeenschapsbepalingen. Om misbruiken te voorkomen, moet volgens de vierde overweging van de considerans van verordening nr. 3665/87 de uitbetaling van een restitutie "afhankelijk (...) worden gesteld (...) ook van de voorwaarde dat het product in een derde land is ingevoerd en, in voorkomend geval, in het derde land werkelijk op de markt is gebracht". In de negende overweging van de considerans heet het dan, dat de kwaliteit van de producten waarvoor uitvoerrestitutie wordt verleend, zodanig moet zijn, "dat zij onder normale omstandigheden in de handel kunnen worden gebracht".
55 Dat in casu noch de Franse autoriteiten van uitvoer, noch de Saudische autoriteiten van invoer aanmerkingen maakten op de kwaliteit van de producten, kan dus niet alleen bepalend zijn. Veeleer is van belang, dat het product onder normale omstandigheden in de handel kon worden gebracht.
56 Dienaangaande wijst de Franse regering er zelf op, dat de kaasfabrieken Bel hadden besloten het grootste deel van de geleverde kaas te vernietigen, omdat hij volgens de importeur wegens de veranderde textuur moeilijk verkoopbaar was. Ook de genoemde bezorgdheid om het merkimago wijst erop, dat de producent moeilijkheden bij het in de handel brengen van het product verwachtte.
57 Wanneer nu het product om die redenen niet in de handel kon worden gebracht, kan het niet worden geacht van gezonde handelskwaliteit te zijn geweest.
58 Ten slotte zij opgemerkt, dat de van de gewone textuur afwijkende kwaliteit, steeds volgens verzoekster, aan een fabricagefout was te wijten, ook al bleek van dit "gebrek" eerst bij controle door de Saudische klant. Blijkens intern onderzoek van de producent waren er fabricagegebreken in de periode waarin de betrokken producten werden geproduceerd. Daardoor had de uitgevoerde kaas reeds bij uitvoer het gebrek waardoor het niet kon worden geacht van gezonde handelskwaliteit te zijn. Daaraan doet ook niet af, dat niet alle geleverde partijen kaas zijn vernietigd of soortelijke kaas naar andere landen is uitgevoerd. Beslissend is alleen het gegeven individuele geval waarvoor de uitvoerrestitutie is aangevraagd.
59 Derhalve moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat de geleverde kaas niet van gezonde handelskwaliteit in de zin van artikel 13 van verordening nr. 3665/87 was.
De vraag of het product in de handel is gebracht
60 Volgens de Franse regering is het voor aanspraak op de betaling van uitvoerrestitutie voldoende, dat de geleverde producten overeenkomstig de invoerbepalingen van het derde land zijn ingevoerd en de invoerautoriteiten geen bezwaar tegen de invoer hebben gemaakt.
61 Volgens de Commissie kan daarmee niet worden volstaan, doch moet worden aangetoond, dat de producten de markt van het land van bestemming hebben bereikt.
62 Volgens vaste rechtspraak van het Hof heeft het stelsel van uitvoerrestituties tot doel "de markten van de betrokken landen toegankelijk te maken of te houden"(21) voor de gemeenschapsuitvoer. Het Hof heeft daaruit geconcludeerd, dat aan het doel van het restitutiestelsel afbreuk zou worden gedaan, indien voor het ontstaan van de aanspraak de producten alleen uitgeladen moesten zijn, zonder dat zij de markt van bestemming behoefde te bereiken. De inklaring verschaft het product in beginsel daadwerkelijk toegang tot de markt van het land van bestemming, doch is slechts een principiële voorwaarde voor toegang tot de markt en staat niet gelijk aan het in de handel brengen van het product.
63 Gelet op de doelstellingen van het stelsel van uitvoerrestituties is het derhalve essentieel, dat de met die restituties gesubsidieerde producten de markt van bestemming werkelijk bereiken en aldaar in de handel worden gebracht.(22)
64 Uit de omstandigheid dat de bevoegde instanties krachtens artikel 5, lid 1, laatste zin, van verordening nr. 3665/87 andere documenten (dan die met betrekking tot de invoer) kunnen verlangen, ten bewijze "dat het product in het derde land van invoer werkelijk op de markt is gebracht"(23), blijkt dat het bewijs van de invoer slechts een weerlegbare aanwijzing is, dat het doel van de uitvoerrestituties, namelijk het product (met het oog op verkoop) op de markt van bestemming te brengen, werkelijk is bereikt.(24)
65 Volgens voormelde rechtspraak van het Hof kan een product de markt van bestemming niet werkelijk hebben bereikt "wanneer de vernietiging of wederuitvoer plaatsvindt nadat in het land van bestemming de formaliteiten zijn vervuld waarvan dat land de inklaring of verhandeling van het product op zijn grondgebied afhankelijk stelt, voor zover de vernietiging of wederuitvoer van het product een uitvloeisel is van beslissingen, door de bevoegde diensten van het land van bestemming genomen tijdens de vervulling van die formaliteiten".(25) Daartoe moet het gebrek van het product, dat daarvoor de reden is, vóór de inklaring zijn opgetreden.
66 In een dergelijk geval is er geen recht op betaling van uitvoerrestituties. In casu was de vernietiging van het product weliswaar niet het gevolg van een beslissing van de bevoegde diensten van het land van bestemming, doch verhinderde de fabrikant zelf, dat het product werkelijk op de markt van bestemming werd gebracht.
67 In casu is het product gedeeltelijk nog in december 1988 geleverd en werd reeds in januari 1989 tot vernietiging beslist. Het product is dus regelmatig in het land van bestemming ingevoerd en bij de klant aangekomen, doch het is kort na inklaring ingevolge een beslissing van de fabrikant vernietigd, zodat het niet op de markt van bestemming kon worden gebracht.
68 De Commissie is dus terecht overgegaan tot correctie van de EOGFL-uitgaven. Alles welbeschouwd valt op de handelwijze van de Commissie dus niets aan te merken, zodat het beroep van de Franse Republiek ongegrond is.
Kosten
69 Volgens artikel 69, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
D - Conclusie
70 Mitsdien geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren:
"1) Het beroep wordt afgewezen.
2) De Franse Republiek wordt in de kosten verwezen."
(1) - Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw.
(2) - PB L 94, blz. 13.
(3) - Thans aanhangig; zie ook de conclusie van advocaat-generaal Alber van 24 maart 1998.
(4) - Beschikking 97/333/EG van de Commissie van 23 april 1997 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1993 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven (PB L 139, blz. 30).
(5) - Blijkens het onderzoek was de ongewone textuur te wijten aan een fabricagefout.
(6) - De overige dozen zijn in Saudi-Arabië verkocht.
(7) - Zie voetnoot 4.
(8) - Voetnoot 3.
(9) - PB L 74, blz. 18.
(10) - Zie de conclusie van advocaat-generaal Alber in de zaak Frankrijk/Commissie (aangehaald in voetnoot 3, punten 51 en 52, met verwijzingen).
(11) - Arresten van 10 november 1993, Nederland/Commissie (C-48/91, Jurispr. blz. I-5611, punt 14), en 24 maart 1988, Verenigd Koninkrijk/Commissie (347/85, Jurispr. blz. 1749, punt 14).
(12) - Ook hier komt het betoog overeen met dat in zaak C-232/96 (aangehaald in voetnoot 3).
(13) - Arrest Nederland/Commissie (aangehaald in voetnoot 11, punt 33).
(14) - PB L 350, blz. 43.
(15) - Arrest Nederland/Commissie (aangehaald in voetnoot 11).
(16) - Arrest van 14 september 1995, Ierland/Commissie (C-49/94, Jurispr. blz. I-2683, punt 22).
(17) - Arresten van 4 juli 1996, Griekenland/Commissie (C-50/94, Jurispr. blz. I-3331, punt 26); 7 februari 1979, Frankrijk/Commissie (15/76 en 16/76, Jurispr. blz. 321, punten 32 e.v.), en arrest Verenigd Koninkrijk/Commissie (aangehaald in voetnoot 11, punt 13).
(18) - Verordening van 28 juni 1968 tot vaststelling van de algemene voorschriften betreffende de toekenning van de restituties bij de uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het bedrag van de restitutie in de sector melk en zuivelproducten (PB L 155, blz. 1).
(19) - Verordening van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1).
(20) - Arrest van 8 juni 1994, Ellinika Dimitriaka (C-371/92, Jurispr. blz. I-2391, punt 23).
(21) - Arresten van 2 juni 1976, Milch-, Fett- und Eier-Kontor (125/75, Jurispr. blz. 771); 2 maart 1977, Milch-, Fett- und Eier-Kontor/Raad en Commissie (44/76, Jurispr. blz. 393); 11 juli 1984, Dimex (89/83, Jurispr. blz. 2815), en 28 maart 1996, Anglo Irish Beef Processors International e.a. (C-299/94, Jurispr. blz. I-1925).
(22) - Arrest Dimex (aangehaald in voetnoot 21).
(23) - Cursivering van mij.
(24) - Het vereiste te bewijzen dat het product in de handel is gebracht, was ook aan de orde in het arrest Milch-, Fett- und Eier-Kontor/Raad en Commissie (aangehaald in voetnoot 21). Het Hof achtte het vereiste gerechtvaardigd ter voorkoming van fraude (punt 16 van het arrest).
(25) - Arrest Dimex (aangehaald in voetnoot 21, punt 18).
Full & Egal Universal Law Academy