Conclusie van de advocaat generaal
1 In de onderhavige zaak wordt het Hof verzocht de draagwijdte uit te leggen van een vrijstelling van douanerechten op het gebied van motorbrandstof. Deze vrijstelling wordt verleend door artikel 112 van verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen(1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1315/88 van de Raad van 3 mei 1988(2) (hierna: "douaneverordening" of eenvoudig "verordening"). Aan de zaak ligt een verzoek om een prejudiciële beslissing van het Belgische Hof van Cassatie ten grondslag.
2 Ofschoon de feiten de heffing van een nationale accijns en niet van douanerechten betreffen, bepaalde het Belgische nationale recht, dat vrijstellingen inzake accijns bij invoer slechts "in gelijke mate en onder gelijke voorwaarden" zouden worden verleend als vrijstellingen van douanerechten.(3) Aangezien de douaneverordening in de betrokken periode de situatie met betrekking tot de invoerrechten beheerste, is zij toegepast op de onderhavige zaak.
De feiten
3 De verzoekers in de nationale procedure zijn de Belgische vennootschap Transports A. M. Schoonbroodt SPRL en haar twee zaakvoerders (hierna gezamenlijk: "Schoonbroodt"). De vennootschap houdt zich bezig met internationaal vervoer, en is gespecialiseerd in het vervoer van goederen bij gecontroleerde temperatuur. Zij maakt gebruik van grote trekkers en aanhangwagens met een koelsysteem. Haar voertuigen rijden in heel Europa, onder meer naar Frankrijk, Spanje en Italië, maar ook verder, naar Polen en Rusland.
4 Blijkbaar rustte de fabrikant van de voertuigen van Schoonbroodt de trekkers uit met twee reservoirs, waarvan er één (met een inhoud van 100 liter) voor het koelsysteem werd gebruikt. Aangezien Schoonbroodt echter de hoeveelheid brandstof die haar voertuigen konden vervoeren, wenste te vergroten, liet zij haar aanhangwagens uitrusten met bijkomende reservoirs met een inhoud van 700 liter. Deze bijkomende reservoirs werden door dealers of carrosseriebouwers aangebracht. Zij waren uitgerust met een elektrische pomp die wordt bediend met een schakelaar op de aanhangwagen, en konden zowel worden gebruikt om het koelsysteem van brandstof te voorzien, als voor het vullen van de standaardreservoirs op de trekker, waarmee zij rechtstreeks waren verbonden. Ter terechtzitting heeft Schoonbroodt verklaard, dat de helft van haar voertuigen werd gekocht met aanvullende reservoirs die reeds door de fabrikant waren aangebracht, en dat de andere helft van haar voertuigen op haar verzoek werd uitgerust of gebouwd.
5 Volgens Schoonbroodt werden met het vergroten van de actieradius van haar voertuigen vier doeleinden nagestreefd: a) bevoorradingsproblemen voorkomen in landen waar de brandstofdistributie onzeker is, en waar de brandstof wegens de ontoereikende raffinagekwaliteit gevaarlijk is voor de voertuigen, met name in de voormalige Oostbloklanden; b) voorkomen, dat moet worden getankt in landen waar brandstof prohibitief duur is (zoals Zwitserland, de noordse landen en, tot voor kort, Italië); c) vermijden van de administratieve moeilijkheden om de BTW terug te krijgen, en d) de bevoorrading zo veel mogelijk groeperen, om bij de petroleummaatschappijen de interessantste tarieven te kunnen bedingen, teneinde de kosten te verlagen en de rendabiliteit van de vennootschap te verhogen.
6 Zoals boven uiteengezet, bepaalde het Belgische nationale recht, dat vrijstellingen inzake accijns bij invoer slechts in gelijke mate en onder gelijke voorwaarden zouden worden verleend als vrijstellingen van invoerrechten. Krachtens artikel 112, lid 1, sub a, van de douaneverordening was motorbrandstof van rechten bij invoer vrijgesteld, wanneer zij zich bevond in de "normale reservoirs" van motorvoertuigen of containers voor speciale doeleinden als gedefinieerd in artikel 112, lid 2, sub c. Artikel 115 van de verordening verbood de doorverkoop, het overpompen of de opslag van de met vrijstelling ingevoerde brandstof.(4) De Belgische autoriteiten waren van mening, dat de brandstof in de bijkomende reservoirs van 700 liter niet voor vrijstelling in aanmerking kwam, omdat die reservoirs, volgens hen, niet als normale reservoirs in de zin van de douaneverordening konden worden beschouwd.
7 Artikel 56 van de Belgische algemene wet inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977 bepaalde, dat bij de invoer van goederen te land de voerman of geleider die goederen moet aangeven op de eerste post of het eerste expeditiekantoor, gevestigd aan de grenzen, in de steden en plaatsen die zullen worden bepaald en bekendgemaakt, zowel voor de invoer in het algemeen, als in het bijzonder ten opzichte van accijnsgoederen.
8 Artikel 220 van diezelfde wet bedreigde met correctionele straffen elke voerman of geleider die, bij invoer of bij uitvoer, poogt de vereiste aangiften te ontgaan en aldus tracht de rechten van de schatkist te ontduiken.
9 Op grond van die bepalingen vervolgden de Belgische autoriteiten Schoonbroodt wegens het zich onttrekken aan de bijzondere accijns op 85 848 liter dieselolie, die zij buiten België had gekocht en in de reservoirs van haar voertuigen in België had ingevoerd. Volgens de Belgische regering was de brandstof in Luxemburg gekocht. Schoonbroodt werd ervan beschuldigd, niet de vereiste aangiften te hebben gedaan, hetzij op het eerste kantoor na binnenkomst, hetzij op enig ander kantoor waar een dergelijke aangifte moet worden gedaan. De gestelde misdrijven dateren uit de periode tussen 17 februari 1992 en 24 december 1992.
10 Bij vonnis van 17 mei 1995 sprak de Correctionele Rechtbank te Verviers Schoonbroodt vrij, op grond dat niet was bewezen dat de betrokken reservoirs geen "normale reservoirs" in de zin van de verordening waren. Op 8 mei 1996 was het Hof van Beroep te Luik echter van oordeel, dat bedoelde reservoirs niet onder de definitie van "normale reservoirs" in artikel 112 van de verordening vielen. Het veroordeelde Schoonbroodt tot betaling, niet enkel van de accijnzen, maar ook van een boete van 4 403 440 BFR, zijnde het tienvoud van de verschuldigde accijns, vermeerderd met interessen en kosten. Het beval ook de inbeslagneming van de trekkers en aanhangwagens van Schoonbroodt, met een waarde van 88 373 377 BFR (de duur van die maatregel wordt niet vermeld), en veroordeelde de twee zaakvoerders tot gevangenisstraffen met uitstel.
11 Schoonbroodt wendde zich tot het Hof van Cassatie en betwistte dat de reservoirs geen "normale reservoirs" in de zin van verordening (EEG) nr. 918/83 waren. Het Hof van Cassatie verzocht het Hof om een beslissing over de navolgende vraag:
"Moeten de reservoirs die zijn aangebracht in of aan containers met een koelsysteem, die zijn bestemd voor het wegvervoer over lange afstand, worden beschouwd als $normale' reservoirs in de zin van artikel 112 van verordening (EEG) nr. 918/83 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen, zoals dat artikel is gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1315/88, wanneer
1) die reservoirs door een dealer van de fabrikant of door een carrosseriebouwer blijvend zijn aangebracht, met een permanente inrichting die het rechtstreeks verbruik van brandstof zowel voor de voortbeweging van het voertuig als voor de werking van de koelsystemen mogelijk maakt, en
2) deze inrichting bedoeld is om het vervoermiddel - trekker en container - een actieradius te verlenen die het mogelijk maakt, de navolgende doelstellingen te bereiken:
a) bevoorradingsproblemen voorkomen in landen waar de brandstofdistributie onzeker is, en de brandstof wegens de ontoereikende raffinagekwaliteit gevaarlijk is voor de voertuigen;
b) voorkomen, dat tegen soms prohibitieve prijzen moet worden getankt in landen waar brandstof te duur is;
c) vermijden van de moeilijkheden die voortvloeien uit de verplichting om administratieve stappen te ondernemen om de belasting over de toegevoegde waarde terug te krijgen in de landen waar zij is geheven;
d) de bevoorrading zo veel mogelijk te groeperen, om bij de petroleummaatschappijen de interessantste tarieven te kunnen bedingen?"
12 Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Schoonbroodt, de Belgische, de Finse en de Franse regering en de Commissie. Schoonbroodt, de Belgische regering en de Commissie waren ter terechtzitting vertegenwoordigd.
Het gemeenschapsrecht
13 Luidens de tweede overweging van de considerans van de douaneverordening is "een dergelijke belasting [de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief] in bepaalde welomschreven omstandigheden niet gerechtvaardigd (...), wanneer de bijzondere omstandigheden bij de invoer van goederen de toepassing van de gebruikelijke maatregelen ter bescherming van de economie niet vereisen".
14 Krachtens artikel 112 van de verordening is brandstof, onder bepaalde specifieke voorwaarden, van rechten bij invoer vrijgesteld. Dat artikel luidt als volgt:
"1. Behoudens het bepaalde in de artikelen 113 tot en met 115, is van rechten bij invoer vrijgesteld:
a) de brandstof welke zich in de normale reservoirs bevindt van:
- personenwagens, bedrijfsvoertuigen en motorrijwielen,
- containers voor speciale doeleinden,
die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen;
(...)
2. In de zin van lid 1 wordt verstaan onder:
a) $bedrijfsvoertuig': elk motorvoertuig (trekkers met of zonder aanhangwagens daaronder begrepen) dat op grond van constructietype en uitrusting geschikt en bestemd is voor vervoer, al dan niet tegen betaling:
- van meer dan negen personen, met inbegrip van de bestuurder,
- van goederen,
alsmede ieder wegvoertuig bestemd voor een ander gebruik dan vervoer in eigenlijke zin;
(...)
c) $normale reservoirs':
- de door de fabrikant blijvend in of aan alle motorvoertuigen van hetzelfde type als het betrokken voertuig aangebrachte reservoirs, waarvan de blijvende inrichting het rechtstreeks verbruik van brandstof mogelijk maakt, zowel voor de voortbeweging van de voertuigen als, in voorkomend geval, voor de werking, tijdens het vervoer, van koel- en andere systemen.
(...)
- de door de fabrikant blijvend in of aan alle containers van hetzelfde type als de betrokken container aangebrachte reservoirs, waarvan de blijvende inrichting het rechtstreeks verbruik van brandstof mogelijk maakt voor de werking, gedurende het vervoer, van koel- en andere systemen waarmee de containers voor speciale doeleinden zijn uitgerust;
d) $containers voor speciale doeleinden': alle containers die zijn uitgerust met inrichtingen die speciaal zijn aangepast voor koelsystemen, systemen voor zuurstoftoevoer, thermische isolatiesystemen of andere systemen."
15 Ofschoon de vraag de douaneverordening betreft, zij opgemerkt, dat ten tijde van de gestelde misdrijven (17 februari 1992 tot 24 december 1992) een gemeenschapsrichtlijn ter zake van kracht was. Die richtlijn uniformiseerde de voorschriften ten aanzien van de toelating met vrijdom van recht van brandstof in de reservoirs van bedrijfsautomobielen die grenzen tussen de lidstaten overschrijden (richtlijn 68/297/EEG(5), zoals gewijzigd bij richtlijn 85/347/EEG(6); hierna: "richtlijn").
16 De richtlijn werd vastgesteld krachtens de artikelen 75 en 99 van het Verdrag, in het kader van het gemeenschappelijk vervoerbeleid(7) en "met het oog op de harmonisatie van de mededingingsvoorwaarden tussen de vervoersondernemers van de verschillende lidstaten".(8) De lidstaten moesten, overeenkomstig de richtlijn, "de voorschriften [uniformiseren] ten aanzien van de toelating met vrijdom van recht van de brandstof die zich bevindt in de reservoirs van (...) bedrijfsautomobielen die gemeenschappelijke grenzen tussen de lidstaten overschrijden".(9) De in de richtlijn gegeven definities van "bedrijfsautomobiel" en "normale reservoirs"(10) gelijken op die welke de douaneverordening bevat. De definitie van normale reservoirs in de richtlijn maakt geen melding van containers, maar volgens de Belgische regering heeft de nationale rechter ten onrechte van containers gesproken, aangezien de betrokken reservoirs niet zijn bevestigd aan containers, maar aan aanhangwagens, die een onderdeel van het voertuig zijn. Indien dat het geval is, lijken er tussen die definities geen verschillen te bestaan die van belang zijn in de context van de onderhavige zaak.
17 De vrijstelling van accijnzen van brandstof in motorvoertuigen die gemeenschappelijke grenzen tussen de lidstaten overschrijden, wordt thans beheersd door richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop(11), richtlijn 92/81/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën(12), en richtlijn 92/82/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven voor minerale oliën.(13) Geen van die richtlijnen is echter van toepassing op de onderhavige zaak, aangezien zij niet van kracht waren in 1992, toen de gestelde misdrijven werden gepleegd.
De ontvankelijkheid
18 De douaneverordening, die vrijstellingen van douanerechten voor in de Gemeenschap ingevoerde goederen betreft, is niet krachtens het gemeenschapsrecht op de onderhavige zaak van toepassing, daar het geding over de heffing van accijnzen handelt. Zoals boven uiteengezet, is de verordening enkel relevant omdat de Belgische wet bepaalde, dat vrijstellingen inzake accijns bij invoer slechts in gelijke mate en onder gelijke voorwaarden zouden worden verleend als vrijstellingen van invoerrechten.
19 Het Hof heeft zich echter herhaaldelijk krachtens artikel 177 van het Verdrag bevoegd verklaard om het gemeenschapsrecht uit te leggen in situaties waarin, zoals in de onderhavige zaak, de feiten van het hoofdgeding buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallen, doch waarin deze bepalingen toepasselijk zijn gemaakt door het nationale recht.(14)
20 Bovendien is het best mogelijk, dat het relevante gemeenschapsrecht in de onderhavige zaak de richtlijn en niet de verordening is, aangezien de richtlijn op het ogenblik van de feiten van kracht was, en de bepalingen ervan de toelating met vrijdom van recht beheersten, van brandstof die zich bevindt in de reservoirs van bedrijfsautomobielen die gemeenschappelijke grenzen tussen de lidstaten overschrijden. Zoals boven uiteengezet, zouden de relevante definities, met het oog op de onderhavige zaak, dezelfde kunnen zijn in de verordening en in de richtlijn. De verwijzing is dus in ieder geval ontvankelijk, op grond dat de nationale rechter de richtlijn zou kunnen willen toepassen.
Bij het Hof ingediende opmerkingen
21 Ik onderzoek thans de voor het Hof aangevoerde argumenten. Deze argumenten betreffen de verordening; de richtlijn is slechts ter terechtzitting vermeld door de Commissie, die het onnodig achtte ze te onderzoeken. Anders dan Schoonbroodt, spreken de Belgische, de Finse en de Franse regering en de Commissie zich alle uit voor een restrictieve uitlegging van het begrip "normale reservoirs" in artikel 112 van de verordening.
22 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat artikel 112 verlangt dat de reservoirs door de fabrikant blijvend in of aan alle voertuigen of containers van hetzelfde type zijn aangebracht. In het geval van motorvoertuigen moeten de reservoirs een blijvende inrichting hebben die het rechtstreeks verbruik van brandstof mogelijk maakt, zowel voor de voortbeweging van de voertuigen als, in voorkomend geval, voor de werking, tijdens het vervoer, van de koel- en andere systemen. In het geval van containers moet de brandstof rechtstreeks worden gebruikt voor de werking, gedurende het vervoer, van koel- en andere systemen waarmee de containers voor speciale doeleinden zijn uitgerust.
23 Volgens Schoonbroodt heeft de verordening tot doel, de gevaren verbonden aan de invoer van brandbare stoffen in geïmproviseerde reservoirs (jerrycans en andere blikken) te voorkomen, en tevens de transporteurs van formaliteiten in verband met de inhoud van hun brandstofreservoirs te ontlasten. Schoonbroodt is dus van mening, dat reservoirs als normale reservoirs moeten worden beschouwd, zolang zij dat soort risico niet meebrengen.
24 Schoonbroodt beklemtoont, dat de bijkomende reservoirs aan de in de verordening gegeven definitie van normale reservoirs voldoen, aangezien zij blijvend in of aan de voertuigen zijn aangebracht, en zowel de motor als het koelsysteem kunnen bevoorraden. Zoals boven gezegd(15), heeft Schoonbroodt uiteengezet, om welke redenen zij bijkomende reservoirs heeft laten aanbrengen, en die redenen worden door het Hof van Cassatie in de prejudiciële vraag vermeld.
25 Dat sommige van de bijkomende reservoirs, na de fabricage, door met de afwerking van de voertuigen belaste carrosseriebouwers zijn aangebracht, acht Schoonbroodt irrelevant, aangezien de fabrikant in de praktijk zeer weinig doet: over het algemeen beperkt hij zich tot de bouw van een chassis of "skelet", terwijl de carrosseriebouwer de rest van het werk voor zijn rekening neemt, naar gelang van de bestemming van het voertuig. Schoonbroodt legt uit, dat de installatie van grote reservoirs in de catalogus van alle fabrikanten als optie wordt aangeboden, en dat dergelijke reservoirs zeer vaak worden gebruikt door vervoerders op lange afstand. Zij betoogt, dat het de beginselen van de vrije mededinging en het vrije verkeer van goederen zou schenden, de vrijstelling van brandstof in normale reservoirs te weigeren, enkel omdat de betrokken reservoirs niet door de fabrikant zijn aangebracht, wanneer de carrosseriebouwer die ze aanbracht, dat deed onder gelijkwaardige omstandigheden van veiligheid en bekwaamheid. Volgens Schoonbroodt zou rekening moeten worden gehouden met de gewijzigde praktijk bij de bouw van voertuigen, namelijk dat voertuigen thans volgens de specificaties van de klant worden gebouwd, en dus noodzakelijk niet alle identiek zijn. Het arrest waartegen cassatieberoep is ingesteld, trekt de door Schoonbroodt beschreven feitelijke omstandigheden niet in twijfel, maar is van oordeel, dat zij niet volstaan om de reservoirs onder de in de verordening gegeven definitie van normale reservoirs te doen vallen.
26 Op het argument van Schoonbroodt, dat de gewijzigde praktijk bij de bouw van voertuigen een ruimere uitlegging van de term "producent" vereist, antwoordt de Belgische regering, dat, zelfs indien zulks het geval zou zijn, dat een taak voor de gemeenschapswetgever en niet voor het Hof zou zijn.
27 De Belgische regering is van mening, dat de betekenis van het woord "constructeur" en zijn equivalent in andere taalversies (manufacturer in het Engels, fabrikant in het Nederlands en Hersteller in het Duits) zeer duidelijk is en geen dealers of carrosseriebouwers kan omvatten. Zij voegt daaraan toe, dat het in artikel 112 van de verordening gestelde vereiste, dat de reservoirs in of aan alle voertuigen van hetzelfde type moeten zijn aangebracht, bevestigt dat de verwijzing naar de fabrikant in dat artikel strikt moet worden uitgelegd, aangezien enkel de fabrikant kan verzekeren, dat een bepaald onderdeel in of aan alle voertuigen van hetzelfde type is aangebracht.
28 Onder verwijzing naar het arrest in de zaak Ethicon(16), betoogt de Belgische regering, dat de bepaling, aangezien zij vrijstelling van douanerechten verleent, moet worden uitgelegd aan de hand van objectieve, uit de tekst ervan volgende criteria. Zij verwijst naar de algemene regel, dat afwijkingen strikt moeten worden uitgelegd, en naar het feit dat, luidens de tweede overweging van de considerans van de verordening, een belasting enkel "in bepaalde welomschreven omstandigheden" niet gerechtvaardigd is.(17) Volgens haar, is een strikte uitlegging noodzakelijk om de gelijkheid van behandeling tussen transporteurs te verzekeren. Zij wijst dus de redenen die Schoonbroodt als verklaring voor haar bijkomende reservoirs heeft aangevoerd, als irrelevant van de hand.(18)
29 Volgens de Finse regering vallen de betrokken reservoirs duidelijk niet onder de definitie van normale reservoirs, omdat deze laatste enkel het koelsysteem (of andere systemen waarmee de container is uitgerust) mogen bevoorraden, en niet de motor die het voertuig aandrijft, terwijl de reservoirs in de onderhavige zaak voor beide kunnen worden gebruikt (dat standpunt gaat echter uit van de veronderstelling, dat de betrokken reservoirs in of aan containers zijn aangebracht, terwijl, zoals eerder vermeld, de Belgische regering staande houdt, dat de nationale rechter ten onrechte van containers spreekt, aangezien de reservoirs in werkelijkheid in of aan de voertuigen zijn bevestigd).
30 Zoals de Belgische regering, betoogt ook de Finse, dat de tweede overweging van de considerans van de verordening, die spreekt van het verlenen van een vrijstelling "in bepaalde welomschreven omstandigheden", erop wijst dat de vrijstelling restrictief moet worden uitgelegd. Volgens haar moeten de reservoirs in de praktijk door de fabrikant zijn aangebracht, of althans algemeen door de fabrikant als optie worden aangeboden, en kunnen reservoirs die op speciaal verzoek of na de fabricage zijn aangebracht, niet als normale reservoirs worden beschouwd.
31 De Franse regering is van mening, dat de betrokken reservoirs niet als "normale reservoirs" kunnen worden beschouwd, vooral omdat zij niet door de fabrikant zijn aangebracht. Volgens haar is er een duidelijk onderscheid tussen een fabrikant en een dealer. Indien ook dealers zouden zijn bedoeld, zouden zij uitdrukkelijk zijn vermeld.
32 Naar de mening van de Commissie is het uitgangspunt het arrest van het Hof in de zaak Olasagasti e.a.(19), waarin het Hof, onder verwijzing naar het arrest Ethicon(20), verklaarde, dat "de bepalingen waarbij douanerechten worden geschorst, strikt en overeenkomstig hun formulering moeten worden uitgelegd, zodat zij niet met voorbijgaan van de letter ervan kunnen worden toegepast op producten die er niet in zijn vermeld".
33 De Commissie erkent, dat het Hof in verschillende zaken de draagwijdte van een vrijstelling van douanerechten voor wetenschappelijke instrumenten en apparaten ruim heeft uitgelegd.(21) Die zaken zouden echter verschillen van de onderhavige, omdat er geen nauwkeurige definitie van de term "wetenschappelijk instrument" bestond, en de considerans van de verordening die in die zaken in geding was, sprak van de noodzaak om voorwerpen van wetenschappelijke aard "zo veel mogelijk" vrij te stellen.
34 De Commissie is van mening, dat reservoirs, om als "normale reservoirs" in de zin van de douaneverordening te kunnen worden aangemerkt, aan drie voorwaarden moeten voldoen: in de eerste plaats moeten zij door de fabrikant zijn aangebracht; in de tweede plaats moeten zij in of aan alle containers van hetzelfde type zijn aangebracht; in de derde plaats mogen zij enkel dienen om het koelsysteem van de containers of andere speciale systemen van brandstof te voorzien.
35 Volgens de Commissie is aan geen van die drie voorwaarden voldaan: de betrokken bijkomende reservoirs zijn niet door de fabrikant, maar door dealers of carrosseriebouwers aangebracht; dat het niet de fabrikant was, wijst erop, dat die bijkomende reservoirs niet in of aan alle containers van hetzelfde type waren aangebracht, en Schoonbroodt heeft inderdaad zelf verklaard, dat bijkomende reservoirs een optie waren; ten slotte dienden die reservoirs niet alleen voor de voeding van het koelsysteem, maar ook voor de voortbeweging van de voertuigen.
36 De eerste twee voorwaarden gelden zowel voor reservoirs bevestigd in of aan motorvoertuigen als voor reservoirs bevestigd in of aan containers. Zoals de Commissie evenwel ter terechtzitting heeft erkend, berust haar argument inzake de levering van brandstof voor de voortbeweging van de voertuigen op de veronderstelling dat de reservoirs in of aan containers, en niet in of aan voertuigen waren bevestigd, hetgeen volgens de Belgische regering niet het geval was. Niettemin betoogde de Commissie, dat aan het derde onderdeel van de definitie van normale reservoirs niet zou zijn voldaan indien, zoals mogelijk het geval was, de brandstof in de bijkomende reservoirs niet rechtstreeks kon worden gebruikt.
Beoordeling
37 Gezien de eventuele relevantie van de richtlijn voor de onderhavige zaak, zal ik het kort daarover hebben. Aangezien het Hof van Cassatie zijn vraag van uitlegging echter met betrekking tot de verordening heeft gesteld, en alle opmerkingen op die grondslag zijn ingediend, zal ik eerst de uitlegging van de verordening onderzoeken.
38 Volgens mij moet bij de uitlegging van de verordening worden uitgegaan van het beginsel, waarnaar door de Commissie en de Belgische regering wordt verwezen, dat "de omschrijving van een product waarvoor schorsing van douanerechten is verleend, [moet] worden uitgelegd aan de hand van objectieve, uit de tekst van die omschrijving volgende criteria".(22) Dat beginsel berust op de eisen van de rechtszekerheid, en de moeilijkheden waarvoor de nationale douanediensten staan.(23) De door Schoonbroodt aangevoerde en in de prejudiciële vraag opgesomde redenen om de bijkomende reservoirs te gebruiken, zijn dus irrelevant voor de vraag, of die reservoirs onder het begrip normale reservoirs in de zin van de verordening vallen.
39 Zoals de Commissie heeft opgemerkt, is de formulering van de definitie zeer duidelijk: zij vereist onder meer, dat brandstofreservoirs, om onder het begrip "normale reservoirs" in de zin van de verordening te vallen, door de fabrikant zijn aangebracht, en wel in of aan alle voertuigen van hetzelfde type. In strijd met die vereisten, is ten minste een deel van de in de onderhavige zaak bedoelde reservoirs niet door de fabrikant, maar door dealers of carrosseriebouwers aangebracht. Schoonbroodt zelf beschrijft de bijkomende reservoirs als een optie.
40 Weliswaar dient in het belang van de belastingbetaler het vereiste van rechtszekerheid in acht te worden genomen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het rechtszekerheidsbeginsel een fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht, dat onder meer verlangt, dat een regeling waarbij aan de belastingplichtige lasten worden opgelegd, duidelijk en nauwkeurig omschreven is, opdat de belastingplichtige ondubbelzinnig zijn rechten en verplichtingen kan kennen en dienovereenkomstig zijn voorzieningen kan treffen. Daaruit volgt, dat dubbelzinnige maatregelen waarbij lasten worden opgelegd, ten gunste van de belastingbetaler moeten worden uitgelegd: zie, bijvoorbeeld, het arrest Gondrand Frères en Garancini.(24) Volgens mij is er in de onderhavige zaak echter geen dergelijke dubbelzinnigheid.
41 Men zou kunnen stellen, dat de term "fabrikant" ruim moet worden uitgelegd, om rekening te houden met de - volgens Schoonbroodt wijd verbreide - praktijk, een deel van het fabricageproces aan dealers of carrosseriebouwers over te laten. Het gebeurt soms, dat het Hof, bij de uitlegging van het douanetarief, rekening houdt met technische ontwikkelingen: in het arrest Chem-Tec(25), bijvoorbeeld, oordeelde het Hof, dat de term "verpakkingen" in een van de postonderverdelingen moest worden uitgelegd in het licht van de technische ontwikkeling, die bij verpakkingen uiterst snel verloopt. In het arrest Analog Devices(26) daarentegen oordeelde het Hof, dat, ofschoon de technische ontwikkelingen die tot een steeds veelvuldiger gebruik van geïntegreerde schakelingen leiden, een andere tariefindeling rechtvaardigden, het aan de gemeenschapsorganen stond, die wijziging aan te brengen. Zolang dit evenwel niet was geschied, mocht men niet, al naar gelang van de technische ontwikkeling, het douanetarief verschillend gaan uitleggen.
42 Volgens mij is de betekenis van de term "fabrikant" echter op zichzelf duidelijk. Bovendien verleent de verordening slechts vrijstellingen "in bepaalde welomschreven omstandigheden", en verklaarde het Hof in het arrest Ethicon, dat omschrijvingen van producten waarvoor schorsing van douanerechten is verleend, "niet, in strijd met de letter ervan, van toepassing [mogen] worden verklaard op andere producten, ook niet wanneer deze zich ten aanzien van hun eigenschappen en gebruik niet onderscheiden van de producten die wel onder de schorsing vallen". Mijns inziens volgt daaruit, dat het feit dat in de praktijk thans een deel van het werk van de fabrikant, met dezelfde bekwaamheid en hetzelfde resultaat, door dealers of carrosseriebouwers wordt verricht, niet in aanmerking kan worden genomen, tenzij misschien wanneer zij als vertegenwoordigers van de fabrikant in het productieproces optreden.
43 Zelfs indien men zou toegeven dat bij de uitlegging van de term "fabrikant" een zekere beoordelingsmarge zou moeten bestaan, lijkt het in ieder geval duidelijk, dat wanneer een bijkomend reservoir als optie wordt aangeboden, hetgeen volgens Schoonbroodt hier het geval is, het per definitie niet is aangebracht op alle voertuigen van hetzelfde type. Het komt mij voor, dat de definitie van "normale reservoirs" in artikel 112 van de verordening dus voldoende duidelijk is, en dat het rechtszekerheidsbeginsel niet is geschonden.
44 Ik concludeer dus, dat de term "normale reservoirs" in artikel 112 van de douaneverordening aldus moet worden uitgelegd, dat hij zich niet uitstrekt tot bijkomende reservoirs die als optie in of aan motorvoertuigen of containers worden aangebracht.
45 Ik kom thans tot de definitie van "normale reservoirs" in de richtlijn. Zoals boven uiteengezet, lijkt deze definitie identiek aan die in de verordening, voor zover zij relevant kan zijn voor de onderhavige zaak. Men zou kunnen stellen, dat bij de uitlegging van een richtlijn betreffende vrijstelling van accijnzen in de context van de interne markt, andere overwegingen moeten gelden dan bij de uitlegging van een verordening betreffende vrijstelling van douanerechten met betrekking tot importen uit derde landen in de Gemeenschap. Gelet op de duidelijke formulering van de richtlijn, zie ik in de onderhavige zaak echter geen reden om de vrijstelling in de richtlijn ruimer uit te leggen dan die in de verordening.
Evenredigheid van de straffen
46 Ten slotte kom ik tot het verzoek van Schoonbroodt aan het Hof, de vraag te onderzoeken, of de door de Belgische Staat opgelegde sancties het evenredigheidsbeginsel schenden. Schoonbroodt stelt, dat de opgelegde straffen onevenredig zijn, aangezien de geldboete waartoe zij, naast de gevangenisstraf met uitstel, is veroordeeld, overeenkomt met tienmaal de betrokken belasting, en de waarde van de door de autoriteiten in beslag genomen goederen gelijk is aan tweehonderdmaal die belasting.
47 De vraag van de evenredigheid van de opgelegde straffen is niet voorgelegd door het Hof van Cassatie, en Schoonbroodt erkent ook, dat zij dat argument niet in haar memorie voor dat Hof, maar enkel in haar pleitnota heeft opgeworpen. Niettemin betoogt Schoonbroodt, dat het Hof van Cassatie naar Belgisch recht bevoegd is om eigener beweging een vraag betreffende de onwettigheid van een overheidshandeling op te werpen, en dat het dit had moeten doen.
48 Het Hof van Justitie onderzoekt soms vraagstukken van gemeenschapsrecht die door de nationale rechter niet zijn opgeworpen, indien zijn uitspraak daarover helpt, de door de verwijzende rechter gestelde vraag te beslechten. In de onderhavige zaak is de vraag van de evenredigheid van de door de Belgische Staat opgelegde sancties echter accessoir, en zal de mening van het Hof over de verenigbaarheid van die sancties met het gemeenschapsrecht, niet helpen bij de beantwoording van de gestelde vraag, namelijk of de betrokken brandstofreservoirs onder de in de verordening bedoelde vrijstelling van invoerrechten vallen.
49 Ofschoon een beslissing op dat punt buiten het kader van deze verwijzing zou vallen, kan worden opgemerkt, dat tegen de straffen bezwaar zou kunnen bestaan, indien zij zwaarder zouden zijn dan die bij het niet-betalen van accijns op brandstof in een volledig binnenlandse situatie. Ook al zouden bepaalde verschillen in de behandeling van overtredingen bij invoer kunnen worden gerechtvaardigd door de verschillende omstandigheden waarin die invoer plaatsvindt (bijvoorbeeld een verschillend belastingtarief of een verschillende graad van moeilijkheid wat de handhaving betreft), mag dat verschil niet onevenredig zijn met de mate van ongelijkheid tussen grensoverschrijdende en volledig binnenlandse situaties.(27) Bovendien zouden, zelfs zonder enige discriminatie, op het ontduiken van accijns gestelde straffen die zo buitensporig zouden zijn, dat zij het vrije verkeer van goederen of diensten (bijvoorbeeld, zoals hier, door voertuigen in beslag te nemen) in overdreven mate belemmeren, volgens mij een schending van artikel 30 of artikel 59 van het Verdrag kunnen opleveren.(28) Indien de zaak rechtstreeks binnen het bereik van het gemeenschapsrecht zou vallen, zou een straf die tot inbeslagneming van voertuigen leidt, uit het oogpunt van het gemeenschapsrecht ook de vraag kunnen doen rijzen, of fundamentele rechten, waaronder het eigendomsrecht en het recht om handel te drijven of een beroep uit te oefenen, in acht zijn genomen. Een beperking van fundamentele rechten kan onder bepaalde voorwaarden gerechtvaardigd zijn, maar met toepassing van het evenredigheidsbeginsel zou de nationale rechter een dwingender rechtvaardiging eisen, wanneer dergelijke rechten worden beperkt.
Conclusie
50 Om voormelde redenen geef ik het Hof in overweging, de vragen van het Hof van Cassatie te beantwoorden als volgt:
"1) De term $normale reservoirs' in artikel 112 van verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1315/88 van de Raad van 3 mei 1988, moet aldus worden uitgelegd, dat hij zich niet uitstrekt tot reservoirs die als optie in of aan motorvoertuigen of containers zijn aangebracht.
2) Het doel van de toevoeging van de bijkomende reservoirs is irrelevant voor de vraag, of het $normale reservoirs' in de zin van die verordening zijn."
(1) - PB L 105, blz. 1.
(2) - Verordening tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2658/87 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief en verordening nr. 918/83 (PB L 123, blz. 2). De douaneverordening is ook bij andere gelegenheden gewijzigd, maar die wijzigingen zijn niet relevant voor de onderhavige zaak.
(3) - Artikelen 1, punt 4, en 2 van het ministerieel besluit van 17 februari 1960 tot regeling van de vrijstellingen inzake accijns bij invoer (Belgisch Staatsblad van 18 februari 1960, blz. 1041).
(4) - Zie hieronder, punt 14.
(5) - Richtlijn van de Raad van 19 juli 1968 betreffende de uniformisatie van de voorschriften ten aanzien van de toelating met vrijdom van recht van de zich in de reservoirs van bedrijfsautomobielen bevindende brandstof (PB L 175, blz. 15).
(6) - Richtlijn van de Raad van 8 juli 1985 (PB L 183, blz. 22).
(7) - Eerste overweging van de considerans van de richtlijn.
(8) - Derde overweging.
(9) - Artikel 1 van de richtlijn.
(10) - Artikel 2 van de richtlijn.
(11) - PB L 76, blz. 1, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/108/EEG van de Raad van 14 december 1992 (PB L 390, blz. 124), bij richtlijn 94/74/EG van de Raad van 22 december 1994 (PB L 365, blz. 46), en bij richtlijn 96/99/EG van de Raad van 30 december 1996 (PB 1997, L 8, blz. 12).
(12) - PB L 316, blz. 12, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/108 en richtlijn 94/74, aangehaald in voetnoot 11. Zie ook de door de Raad overeenkomstig richtlijn 92/81 vastgestelde beschikkingen waarbij wordt toegestaan, op bepaalde minerale oliën verlaagde accijnstarieven of vrijstellingen van accijnzen toe te passen: beschikking 97/425/EG van de Raad van 30 juni 1997 (PB L 182, blz. 22) en beschikking 98/275/EG van de Raad van 21 april 1998 (PB L 126, blz. 31).
(13) - PB L 316, blz. 19, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/74, aangehaald in voetnoot 11.
(14) - Zie arresten van 17 juli 1997, Leur-Bloem (C-28/95, Jurispr. blz. I-4161, punten 27-34), en Giloy (C-130/95, Jurispr. blz. I-4291, punten 23-28), en 8 november 1990, Gmurzynska-Bscher (C-231/89, Jurispr. blz. I-4003).
(15) - In punt 5.
(16) - Arrest van 18 maart 1986 (58/85, Jurispr. blz. 1131).
(17) - Zie hierboven, punt 13.
(18) - Hierboven uiteengezet in punt 5.
(19) - Arrest van 12 december 1996 (C-47/95-C-50/95, C-60/95, C-81/95, C-92/95 en C-148/95, Jurispr. blz. I-6579).
(20) - Aangehaald in voetnoot 16.
(21) - Arresten van 10 november 1983, Gesamthochschule Essen (300/82, Jurispr. blz. 3643); 26 januari 1984, Ludwig-Maximilians-Universität München (45/83, Jurispr. blz. 267); 29 januari 1985, Gesamthochschule Duisburg (234/83, Jurispr. blz. 327), en 21 januari 1987, Control Data/Commissie (13/84, Jurispr. blz. 275).
(22) - Arrest Ethicon, aangehaald in voetnoot 16.
(23) - Zie punt 12 van het arrest.
(24) - Arrest van 9 juli 1981 (169/80, Jurispr. blz. 1931, punten 17 en 18). Zie ook arresten van 22 februari 1989, Commissie/Frankrijk en Verenigd Koninkrijk (92/87 en 93/87, Jurispr. blz. 405, punt 22), en 20 november 1997, Wiener SI (C-338/95, Jurispr. blz. I-6495, punt 19).
(25) - Arrest van 11 februari 1982 (278/80, Jurispr. blz. 439, punt 14).
(26) - Arrest van 19 november 1981 (122/80, Jurispr. blz. 2781, punt 12). Zie ook arrest van 20 januari 1989, Casio Computer (234/87, Jurispr. blz. 63, punt 12).
(27) - Zie, in verband met het stelsel van de BTW, arresten van 25 februari 1988, Drexl (299/86, Jurispr. blz. 1213); 1 juli 1993, Metalsa (C-312/91, Jurispr. blz. I-3751), en 2 augustus 1993, Commissie/Frankrijk (C-276/91, Jurispr. blz. I-4413).
(28) - Met betrekking tot de evenredigheid van door lidstaten opgelegde straffen in verband met douaneovertredingen en in de uitoefening van hun bevoegdheden op het gebied van de BTW, zie, resp., arresten van 16 december 1992, Commissie/Griekenland (C-210/91, Jurispr. blz. I-6735), en 18 december 1997, Molenheide e.a. (C-286/94, C-340/95, C-401/95 en C-47/96, Jurispr. blz. I-7281). Wat de evenredigheid van straffen ter zake van valse verklaringen omtrent de oorsprong van goederen betreft, zie arresten van 15 december 1976, Donckerwolcke (41/76, Jurispr. blz. 1921); 30 november 1977, Cayrol (52/77, Jurispr. blz. 2261), en 28 maart 1979, Rivoira (179/78, Jurispr. blz. 1147). Zie arrest van 4 oktober 1991, Richardt en "Les Accessoires Scientifiques" (C-367/89, Jurispr. blz. I-4621), in verband met straffen wegens overtreding van een overeenkomstig artikel 36 van het Verdrag genomen maatregel die de doorvoer van goederen beperkt.
Full & Egal Universal Law Academy