Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1 Met dit verzoek om een prejudiciële beslissing, gedaan bij beschikking van 4 juli 1997, vraagt het Civilret i Hillerød (Denemarken) om uitlegging van artikel 3, lid 1, tweede alinea, en artikel 4, lid 4, van richtlijn 75/129/EEG van de Raad van 17 februari 1975 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag(1), zoals gewijzigd bij richtlijn 92/56/EEG van de Raad van 24 juni 1992.(2)
2 Deze zaak betreft meer bepaald de uitlegging van het begrip "collectief ontslag verband houdend met de beëindiging van de werkzaamheden van de plaatselijke eenheid voortvloeiende uit een rechterlijke beslissing", dat in genoemde bepalingen voorkomt.
3 Deze prejudiciële vraag is gerezen in een geding voor het Civilret i Hillerød tussen het Dansk Metalarbejderforbund(3), optredend namens J. Lauge e.a. (hierna: "verzoekers"), en het Lønmodtagernes Garantifond (hierna: "verweerder").
II - Toepasselijke bepalingen
A - Gemeenschapsrechtelijke bepalingen
4 Richtlijn 75/129 regelt de harmonisatie van de wetgeving van de lidstaten inzake collectief ontslag. Veel bepalingen daarvan zijn gewijzigd bij richtlijn 92/56.
5 In afdeling I van richtlijn 75/129, getiteld "Definities en toepassingsgebied", en meer bepaald in artikel 1, worden omschrijvingen gegeven van de begrippen "collectief ontslag" en "vertegenwoordigers van de werknemers" (lid 1) en worden de gevallen genoemd waarin de richtlijn niet van toepassing is (lid 2).
6 In de oorspronkelijke versie van richtlijn 75/129 bepaalde artikel 1, lid 2, sub d, dat de richtlijn niet van toepassing was "op werknemers die worden getroffen door het beëindigen van de werkzaamheden van de plaatselijke eenheid dat voortvloeit uit een rechterlijke beslissing". Deze bepaling is ingetrokken bij richtlijn 92/56(4), waarvan de derde overweging van de considerans verklaart, "dat moet worden bepaald dat richtlijn 75/129/EEG in beginsel ook van toepassing is op collectief ontslag dat het gevolg is van beëindiging van de werkzaamheden van een plaatselijke eenheid ten gevolge van een rechterlijke beslissing".
7 Tot de bepalingen die gelden bij collectief ontslag als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van een plaatselijke eenheid voortvloeiende uit een rechterlijke beslissing, behoort artikel 2 (afdeling II) van richtlijn 75/129, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/56(5), dat betrekking heeft op de raadplegingsprocedure. Volgens dat artikel is de werkgever die overweegt tot collectief ontslag over te gaan, verplicht de vertegenwoordigers van de werknemers tijdig te raadplegen teneinde tot een akkoord te komen, hun alle nuttige informatie te verstrekken en schriftelijk een aantal gegevens mede te delen(6), en een afschrift van deze schriftelijke mededeling toe te zenden aan de bevoegde overheidsinstantie.
8 In afdeling III van de richtlijn, betreffende de "procedure voor collectief ontslag", wordt in artikel 3, lid 1, eerste alinea, voorgeschreven: "De werkgever is verplicht, van elk plan voor collectief ontslag schriftelijk kennis te geven aan de bevoegde overheidsinstantie."
9 De tweede alinea van artikel 3, lid 1, ingevoegd bij richtlijn 92/56, luidt als volgt:
"De lidstaten kunnen evenwel bepalen dat, wanneer een voorgenomen collectief ontslag verband houdt met de beëindiging van de werkzaamheden van de plaatselijke eenheid voortvloeiende uit een rechterlijke beslissing, de werkgever de bevoegde overheidsinstantie hiervan slechts op haar verzoek schriftelijk kennis dient te geven."
10 Artikel 4, lid 1, van richtlijn 75/129 bepaalt, dat het collectief ontslag waarvan het plan ter kennis van de bevoegde overheidsinstantie is gebracht, niet eerder ingaat dan 30 dagen na deze kennisgeving.
11 Artikel 4, lid 4, dat is ingevoegd bij richtlijn 92/56, luidt als volgt:
"De lidstaten zijn niet verplicht dit artikel toe te passen op collectieve ontslagen ten gevolge van de beëindiging van de werkzaamheden van een plaatselijke eenheid, wanneer die voortvloeit uit een rechterlijke beslissing."
12 Uit genoemde bepalingen van richtlijn 75/129 - zoals gewijzigd - inzake de raadpleging van de vertegenwoordigers van de werknemers, de gegevens die hun moeten worden medegedeeld en, meer in het algemeen, de te volgen procedure bij collectief ontslag, blijkt dat zij in beginsel van toepassing zijn wanneer de beëindiging van de werkzaamheden van een bedrijf het gevolg is van een rechterlijke beslissing. Verder blijkt uit deze bepalingen, dat de lidstaten kunnen bepalen, dat een aantal voorschriften met betrekking tot collectief ontslag, waaronder die inzake de kennisgeving aan de bevoegde overheidsinstantie en de termijn van ten minste 30 dagen waarbinnen het collectief ontslag niet kan ingaan, niet van toepassing zijn indien de beëindiging van de werkzaamheden het gevolg is van een rechterlijke beslissing.
B - Nationale regelgeving
13 Beide richtlijnen zijn in intern Deens recht omgezet bij wet nr. 414 van 1 juni 1994, de zogenoemde kennisgevingswet ("Varslingsloven").(7)
14 Het Koninkrijk Denemarken heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de lidstaten wordt geboden in artikel 3, lid 1, tweede alinea, en artikel 4, lid 4, van richtlijn 75/129, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/56.
15 In § 1, leden 6 en 7, van wet nr. 414/94 wordt bepaald, dat de procedure voor collectief ontslag, en met name de voorwaarde dat het ontslag niet eerder kan ingaan dan 30 dagen na de kennisgeving aan de bevoegde overheidsinstantie, geen toepassing vindt indien sprake is van "ontslag van werknemers bij beëindiging van de werkzaamheden van een bedrijf als gevolg van een rechterlijke beslissing".
III - De feiten
16 Op 2 november 1994 diende Ideal-Line A/S, vennootschap naar Deens recht, gevestigd te Fåborg, bij het Skifteret i Fåborg de aangifte tot faillietverklaring in.
17 Later op diezelfde dag zegde de directie alle per uur betaalde werknemers van het bedrijf, onder wie verzoekers in het hoofdgeding, mondeling ontslag aan, waarbij hun werd medegedeeld dat het ontslag diezelfde avond zou ingaan. De werkzaamheden van het bedrijf werden op dat tijdstip beëindigd. De mondelinge ontslagaanzeggingen werden op 3 november 1994 schriftelijk bevestigd.
18 Ter terechtzitting heeft de Commissie onweersproken gesteld, dat aan het collectief ontslag geen raadpleging van de vertegenwoordigers van de werknemers is voorafgegaan - vóór noch na de indiening van de aangifte tot faillietverklaring. Voorts verklaarde zij, dat ofschoon het bedrijf blijkens de gegevens van het Skifteret in de betrokken periode niet normaal functioneerde en de per uur betaalde werknemers wel waren ontslagen, een aantal administratieve medewerkers niet was ontslagen, en dat het Skifteret de tijdelijke bewindvoerders toestemming had verleend gebruik te maken van de mogelijkheid de werkzaamheden van het bedrijf voort te zetten om bepaalde verplichtingen na te komen door een aantal orders af te ronden.
19 De ontslagen werden niet gemeld bij de Arbejdsmarkedråd, de Deense bevoegde overheidsinstantie in de zin van richtlijn 75/129, omdat als reden voor de ontslagen gold, dat de werkgever een aangifte tot faillietverklaring had gedaan.
20 Op 8 november 1994 sprak het Skifteret de faillietverklaring uit overeenkomstig de ingediende aangifte. Daarbij werd de datum van ontvangst van de aangifte tot faillietverklaring ("fristdag") bepaald op 2 november 1994.
21 De tien verzoekers - allen per uur betaalde werknemers - waren van oordeel, dat Ideal-Line op grond van richtlijn 75/129 van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/56, en wet nr. 414/94, waarbij deze richtlijnen in Deens intern recht zijn omgezet, de in geding zijnde ontslagen binnen de kennisgevingstermijn had moeten aanmelden, en eisten 30 dagen loon als vergoeding voor het verzuim de ontslagen tijdig aan te melden.
22 Zij spraken verweerder(8) aan voor deze vordering op hun werkgever.
23 Verweerder wees deze vordering af op grond dat Ideal-Line krachtens de vigerende communautaire(9) en nationale(10) wetgeving niet verplicht was de ontslagen aan te melden, omdat verzoekers in feite waren ontslagen in verband met de beëindiging van de werkzaamheden van de werkgever als gevolg van een rechterlijke beslissing, te weten het vonnis van faillietverklaring.
24 Blijkens de verwijzingsbeschikking stelde verweerder, dat volgens de Deense faillissementswet de rechtsgevolgen van de faillietverklaring ten aanzien van een aantal juridische kwesties ingaan op de datum van ontvangst van de aangifte tot faillietverklaring.(11) Dat de faillietverklaring niet op 2 november 1994 is uitgesproken, dat wil zeggen op de datum waarop het Skifteret de aangifte tot faillietverklaring heeft ontvangen, doch eerst zes dagen later, is volgens verweerder uitsluitend te wijten aan de praktische omstandigheid, dat de faillissementsrechters om organisatorische redenen vaak geen tijd hebben om de faillietverklaring af te doen op de dag waarop zij de aangifte ontvangen.(12)
25 Op 11 april 1995 stelden verzoekers beroep in bij het Civilret i Hillerød en vorderden zij te doen vaststellen, dat zij niet als gevolg van een rechterlijke beslissing waren ontslagen.
IV - De prejudiciële vraag
26 Bij beschikking van 4 juli 1997, ingekomen ter griffie van het Hof op 9 juli 1997, verzocht het Civilret i Hillerød het Hof om een prejudiciële beslissing op de volgende vraag:
"Heeft het begrip $collectief ontslag [dat] verband houdt met de beëindiging van de werkzaamheden van de plaatselijke eenheid voortvloeiende uit een rechterlijke beslissing' in artikel 3, lid 1, tweede alinea, en artikel 4, lid 4, van richtlijn 75/129/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/56/EEG, mede betrekking op het geval waarin het collectieve ontslag is gegeven op de dag waarop de werkgever de aangifte tot faillietverklaring heeft gedaan en de werkzaamheden van zijn bedrijf heeft beëindigd, wanneer het Skifteret nadien en zonder verder uitstel dan de door deze instantie bepaalde termijn de verlangde faillietverklaring uitspreekt en daarbij de datum van ingang ($fristdag') bepaalt op de datum van ontvangst van de aangifte?"
V - Ten gronde
27 De nationale rechter wil weten, of collectief ontslag onder de in de verwijzingsbeschikking beschreven omstandigheden onder het begrip $collectief ontslag dat verband houdt met de beëindiging van de werkzaamheden van de plaatselijke eenheid voortvloeiende uit een rechterlijke beslissing' valt. Wordt deze vraag bevestigend beantwoord, dan betekent dit, dat de lidstaten een dergelijke situatie van de werkingssfeer van de bepalingen inzake de procedure voor collectief ontslag van richtlijn 75/129, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/56 (afdeling III, artikelen 3 en 4), kunnen uitsluiten.
28 De nationale rechter vraagt in concreto, in hoeverre de werkingssfeer van artikel 3, lid 1, tweede alinea, en artikel 4, lid 4, van richtlijn 75/129, zoals gewijzigd, mede een situatie omvat waarin het collectieve ontslag is gegeven op de dag waarop de werkgever de aangifte tot faillietverklaring heeft gedaan en het bedrijf zijn werkzaamheden heeft beëindigd, wanneer het Skifteret nadien en zonder verder uitstel dan de voor de afhandeling benodigde tijd de verlangde faillietverklaring uitspreekt en daarbij de datum van ingang bepaalt op de datum van ontvangst van de aangifte.
29 Verweerder stelt voor, deze vraag bevestigend te beantwoorden. Hiertoe voert hij aan, dat verzoekers zijn ontslagen nadat het bedrijf zijn werkzaamheden had gestaakt in verband met het faillissement. De omstandigheid dat het vonnis van faillietverklaring op 8 november 1994 is uitgesproken, dat wil zeggen zes dagen na de indiening van de aangifte tot faillietverklaring, laat dit oorzakelijk verband onverlet. Het faillissement was reeds een feit op 2 november 1994, toen bij het Skifteret aangifte tot faillietverklaring werd gedaan.(13)
30 Verder stelt verweerder, dat uit een teleologische interpretatie van richtlijn 75/129 volgt, dat collectief ontslag door een werkgever die reeds aangifte tot faillietverklaring heeft gedaan en de werkzaamheden van zijn bedrijf heeft gestaakt, in alle opzichten kan worden gelijkgesteld met collectief ontslag dat na het vonnis van faillietverklaring plaatsvindt. Hij concludeert dan ook, dat de betrokken ontslagen binnen de werkingssfeer vallen van artikel 3, lid 1, tweede alinea, en artikel 4, lid 4, van richtlijn 75/129, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/56.
31 Met dit betoog kan ik mij niet verenigen. Ik ben van mening, dat de vraag van de nationale rechter ontkennend moet worden beantwoord. Ik ben tot deze conclusie gekomen op basis van een grammaticale, teleologische en systematische interpretatie van genoemde gemeenschapsrechtelijke bepalingen.
32 In de eerste plaats volgt uit een grammaticale interpretatie van artikel 3, lid 1, tweede alinea, en artikel 4, lid 4, van richtlijn 75/129, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/56, dat beide bepalingen van toepassing zijn op $collectief ontslag dat verband houdt met de beëindiging van de werkzaamheden van de plaatselijke eenheid voortvloeiende uit een rechterlijke beslissing' (cursivering van mij). Beide bepalingen zijn dus uitdrukkelijk van toepassing wanneer de beëindiging van de werkzaamheden na een rechterlijke beslissing plaatsvindt.
33 Gelet op de redactie van de bepalingen, impliceren zij dus een chronologische volgorde en een oorzakelijk verband en wel in die zin, dat de beëindiging van de werkzaamheden na een rechterlijke beslissing plaatsvindt, ongeacht of de beëindiging bij die beslissing wordt gelast of althans een noodzakelijk gevolg daarvan is, zoals de Commissie terecht onderstreept. Ter terechtzitting heeft het Dansk Metalarbejderforbund zich bij dit standpunt aangesloten.
34 Voor zover het meer specifiek de faillietverklaring betreft, staat buiten kijf, dat de betrokken bepalingen van toepassing zijn wanneer de beëindiging van de werkzaamheden na het vonnis van faillietverklaring plaatsvindt dan wel een gevolg van dat vonnis is.
35 Daarnaast ben ik van mening, dat de bewoordingen van de uit te leggen bepalingen geen aanknopingspunt bieden voor de conclusie, dat de afwijkingsmogelijkheden ook gelden voor een situatie als in het onderhavige geding. In een dergelijk geval vindt de beëindiging van de werkzaamheden niet plaats als gevolg van een rechterlijke beslissing, maar op initiatief van de werkgever zelf, en wel op de dag waarop hij de aangifte tot faillietverklaring doet, dat wil zeggen voor het vonnis tot faillietverklaring, waarbij niet van belang is, dat dit in feite pas enkele dagen later wordt uitgesproken, zoals in het onderhavige geschil.
36 Volgens de bewoordingen van deze bepalingen is een verzoek om faillietverklaring - ongeacht of dit van de werkgever of van een ander, bijvoorbeeld een schuldeiser, afkomstig is - dus niet voldoende om deze bepalingen, die het mogelijk maken te derogeren aan de verplichting de voorgenomen ontslagen te melden bij de bevoegde overheidsinstantie, toepassing te doen vinden. Ook de omstandigheid dat volgens het Skifteret bepaalde rechtsgevolgen van de faillietverklaring eerder, dat wil zeggen vóór het vonnis, intreden en in concreto terugwerkende kracht hebben tot de dag waarop het desbetreffende verzoek wordt gedaan, kan niet beslissend zijn met betrekking tot de toepassing van deze afwijkingsbepalingen, waarvan de inhoud duidelijk is.
37 Deze conclusie, waartoe ik ben gekomen op basis van een grammaticale interpretatie van artikel 3, lid 1, tweede alinea, en artikel 4, lid 4, van richtlijn 75/129, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/56, wordt bevestigd door een teleologische interpretatie, dat wil zeggen door het doel dat met de richtlijn wordt nagestreefd.
38 Blijkens de considerans beoogt richtlijn 75/129 werknemers bij collectief ontslag beter te beschermen tegen eenzijdige handelingen van de werkgever.(14) Aan deze doelstelling is duidelijk kracht bijgezet sinds de wijzigingen die bij richtlijn 92/56 zijn aangebracht. In de derde overweging daarvan wordt gesteld, dat richtlijn 75/129 van toepassing is op collectief ontslag dat het gevolg is van beëindiging van de werkzaamheden van een plaatselijke eenheid ten gevolge van een rechterlijke beslissing.
39 Dit betekent mijns inziens, dat sinds de vaststelling van richtlijn 92/56 de bepalingen van richtlijn 75/129 die de werknemers moeten beschermen, in beginsel, behoudens de uitdrukkelijk geregelde afwijkingsmogelijkheden, ook van toepassing zijn op collectief ontslag in verband met de beëindiging van de werkzaamheden van een bedrijf na de uitspraak van het vonnis tot faillietverklaring.
40 De bepalingen inzake de vereiste raadpleging en voorlichting van de vertegenwoordigers van de werknemers(15) zijn dus zonder afwijkingsmogelijkheid van toepassing zodra de werkgever voornemens is tot collectief ontslag over te gaan, en deze raadpleging dient tijdig plaats te vinden.
41 Daarnaast zijn de bepalingen inzake de procedure voor collectief ontslag(16), en meer bepaald de voorschriften betreffende de kennisgeving aan de bevoegde overheidsinstantie en de termijn waarna het collectief ontslag ingaat, dat wil zeggen de dag waarop het van kracht wordt, ook van toepassing wanneer de beëindiging van de werkzaamheden van het bedrijf voortvloeit uit een rechterlijke beslissing, tenzij de betrokken lidstaat, zoals het Koninkrijk Denemarken in casu, gebruik heeft gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 3, lid 1, tweede alinea, en artikel 4, lid 4, van richtlijn 75/129, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/56. Juist omdat het een afwijking van een hoofdregel betreft, dienen de geboden uitzonderingen eng te worden geïnterpreteerd, teneinde de verwezenlijking van de basisdoelstelling van de richtlijn - zorg dragen voor een minimum aan bescherming voor de werknemers bij collectief ontslag door de werkgever - niet in gevaar te brengen.(17)
42 Uit de doelstelling van de richtlijn volgt derhalve, dat de bepalingen van artikel 3, lid 1, tweede alinea, en artikel 4, lid 4, van richtlijn 75/129, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/56, die afwijkingen toestaan ten nadele van de werknemers, eng moeten worden geïnterpreteerd, in die zin, dat zij alleen toepassing mogen vinden indien de beëindiging van de werkzaamheden voortvloeit uit een rechterlijke beslissing.
43 Naar mijn mening kunnen ook aan een systematische interpretatie van de betrokken bepalingen argumenten worden ontleend die de conclusies bevestigen waartoe ik hierboven bij de grammaticale en de teleologische interpretatie ben gekomen. Men kan artikel 3, lid 1, tweede alinea, en artikel 4, lid 4, van richtlijn 75/129, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/56, namelijk ook uitleggen door die bepalingen te bezien in samenhang met het samenstel van regels dat de richtlijnen geven met betrekking tot de verschillende fasen van de procedure die de werkgever bij een voorgenomen collectief ontslag moet doorlopen.
44 Opgemerkt zij, dat richtlijn 75/129 geen beperking inhoudt van de vrijheid van de werkgever om al dan niet tot collectief ontslag over te gaan.(18) Wenst hij evenwel tot collectief ontslag over te gaan, dan dient hij de bepalingen van de richtlijn in acht te nemen. De richtlijn schrijft overigens niet voor, wanneer de werkgever de raadplegingsprocedure moet beginnen. De enige beperking die artikel 2 in de versie van richtlijn 92/56 de werkgever oplegt, is dat hij de vertegenwoordigers van de werknemers tijdig moet raadplegen om tot een akkoord te komen. Voorts zij opgemerkt, dat ingevolge lid 2 van dit artikel "de raadpleging (...) ten minste betrekking [moet] hebben op de mogelijkheden om de collectieve ontslagen te voorkomen of in aantal te verminderen alsook op de mogelijkheid de gevolgen ervan te verzachten door het nemen van sociale begeleidingsmaatregelen, meer bepaald om bij te dragen tot de herplaatsing of de omscholing van de ontslagen werknemers".
45 De eventuele volgende fase, die intreedt wanneer de werkgever besluit tot collectief ontslag over te gaan, behelst overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn (artikelen 3 en 4) de kennisgeving van het voorgenomen collectief ontslag aan de bevoegde overheidsinstantie, die vervolgens over ten minste 30 dagen beschikt om een oplossing te zoeken voor de problemen die ontstaan als gevolg van het voorgenomen collectieve ontslag. Collectief ontslag dat reeds vóór het verstrijken van deze 30 dagen is gegeven, gaat eerst na afloop van deze termijn in.
46 Om de doelstelling van de richtlijn - bescherming van de werknemers - te kunnen verwezenlijken, mag niet worden getornd aan het nuttig effect van de regels die de richtlijn geeft met betrekking tot de achtereenvolgende fasen van de procedure voor collectief ontslag (raadpleging van de vertegenwoordigers van de werknemers indien de werkgever overweegt tot collectief ontslag over te gaan; verstrekking van alle nuttige gegevens en toezending van een afschrift van de schriftelijk medegedeelde gegevens aan de bevoegde overheidsinstantie; melding van het voorgenomen collectief ontslag bij deze instantie).(19)
47 Het nuttig effect van de bepalingen van de richtlijn zou evenwel niet zijn gewaarborgd, indien men zich op het standpunt zou stellen, dat de afwijkingsbepalingen van artikel 3, lid 1, tweede alinea, en artikel 4, lid 4, van richtlijn 75/129, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/56, betekenen dat de verplichting van de werkgever om elk voorgenomen collectief ontslag bij de bevoegde overheidsinstantie te melden, niet meer geldt zodra een verzoek om een rechterlijke beslissing inzake de beëindiging van de werkzaamheden van het bedrijf is ingediend, zoals de Commissie overigens terecht heeft gesteld. Deze uitlegging contra legem zou namelijk het effect van een paard van Troje kunnen hebben, en wel in die zin, dat men gaat veronderstellen, dat de door de richtlijn voorgeschreven procedure voor collectief ontslag niet meer behoeft te worden gevolgd zodra een verzoek om een rechterlijke beslissing is ingediend, in plaats van zodra de rechterlijke beslissing inzake de beëindiging van de werkzaamheden van het bedrijf is uitgesproken.(20)
48 De omstandigheid dat de tijd tussen de indiening van het verzoek en de uitspraak van het vonnis van faillietverklaring in het Deense recht veel korter is, doet naar mijn mening niets af aan deze conclusie. Dit zou ook gelden, indien deze tijdsspanne om specifieke nationaalrechtelijke redenen langer was. De bescherming die de richtlijn de werknemers beoogt te bieden, mag in geen geval afhangen van de specifieke kenmerken van het nationale recht, omdat daarmee aan de bepalingen van de richtlijn het nuttig effect zou worden ontnomen(21) en zulks meer in het algemeen in strijd zou zijn met het beginsel van voorrang van het gemeenschapsrecht boven het nationale recht.
49 Bovendien is het juist in het stadium waarin een beslissing inzake de voortzetting, herstructurering of definitieve beëindiging van de werkzaamheden van een bedrijf(22) wordt verwacht, des te noodzakelijker de werknemers de door de richtlijn beoogde bescherming te garanderen.(23) Het is dan ook volstrekt in overeenstemming met het doel van de richtlijn, dat de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen met betrekking tot de te volgen procedure bij collectief ontslag, op de werkgever blijven rusten totdat de rechterlijke beslissing is uitgesproken. Worden die verplichtingen niet nagekomen, dan is het collectieve ontslag onwettig, met alle rechtsgevolgen van dien.(24)
50 Resumerend ben ik van mening, dat artikel 3, lid 1, tweede alinea, en artikel 4, lid 4, van richtlijn 75/129, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/56, uitsluitend van toepassing zijn op collectief ontslag wegens de beëindiging van de werkzaamheden van het bedrijf die plaatsvindt na het tijdstip waarop de rechterlijke beslissing wordt uitgesproken, en die een noodzakelijk gevolg van deze beslissing is.
VI - Conclusie
51 Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging de vraag van het Civilret i Hillerød te beantwoorden als volgt:
"Het begrip $collectief ontslag [dat] verband houdt met de beëindiging van de werkzaamheden van de plaatselijke eenheid voortvloeiende uit een rechterlijke beslissing' in artikel 3, lid 1, tweede alinea, en artikel 4, lid 4, van richtlijn 75/129/EEG van de Raad van 17 februari 1975 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/56/EEG van de Raad van 24 juni 1992, heeft geen betrekking op het geval waarin het collectieve ontslag is gegeven op de dag waarop de werkgever de aangifte tot faillietverklaring heeft gedaan en de werkzaamheden van zijn bedrijf heeft beëindigd, wanneer het Skifteret nadien en zonder verder uitstel dan de door deze instantie bepaalde termijn de verlangde faillietverklaring uitspreekt en daarbij de datum van ingang ($fristdag') bepaalt op de datum van ontvangst van de aangifte."
(1) - PB L 48, blz. 29.
(2) - PB L 245, blz. 3.
(3) - De Deense bond van arbeiders in de metaalindustrie (Danish Metalworkers Federation).
(4) - Artikel 1, punt 1, sub b.
(5) - Artikel 1, punt 2.
(6) - Volgens artikel 2, lid 2, moet de werkgever de vertegenwoordigers van de werknemers onder meer mededelen: de reden van het ontslag, het aantal en de categorieën van de voor ontslag in aanmerking komende werknemers, de periode waarin het ontslag zal plaatsvinden.
(7) - Lovtidende 1994, blz. 1963.
(8) - Verweerder, Lønmodtagernes Garantifond, is het garantiefonds dat in Denemarken overeenkomstig richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 283, blz. 23), instaat voor de in de richtlijn bedoelde vorderingen van werknemers op hun insolvente werkgever. Richtlijn 80/987 is in Deens recht omgezet bij de Lov om Lønmodtagernes Garantifond [bekendgemaakt op 12 februari 1988 onder nr. 77 (Lovtidende 1988, blz. 256), zoals gewijzigd bij wet nr. 380 van 6 juni 1991 (Lovtidende 1991, blz. 1499)].
(9) - Meer bepaald artikel 3, lid 1, tweede alinea, en artikel 4, lid 4, van richtlijn 75/129, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/56.
(10) - § 1, leden 6 en 7, van wet nr. 414/94.
(11) - Zoals uit de verwijzingsbeschikking blijkt, is deze datum onder meer beslissend bij de vraag, welke regels van toepassing zijn bij de voldoening van de schuldeisers uit de failliete boedel, welke handelingen vatbaar zijn voor nietigverklaring en welke loonaanspraken als preferente vorderingen zijn te beschouwen. Verder vermeldt de verwijzingsbeschikking, dat ingevolge § 17 van de Deense faillissementswet de schuldenaar in staat van faillissement moet worden verklaard wanneer hij aangifte tot faillietverklaring doet en hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Volgens de wet verkeert de schuldenaar in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, wanneer hij op de vervaldag zijn verplichtingen niet kan nakomen, tenzij dit onvermogen als louter van voorbijgaande aard is te beschouwen.
(12) - Dat is volgens verweerder onder meer de reden waarom in de Deense faillissementswet de zogenoemde "fristdag" is ingevoerd, zodat de failliete boedel als zodanig behouden blijft in de periode tussen de ontvangst van de aangifte tot faillietverklaring en het vonnis waarbij de faillietverklaring wordt uitgesproken.
(13) - Verweerder beroept zich op het advies dat ten tijde van de implementatie van richtlijn 92/56 in het Deense recht door het Sø- og Handelsret i København is uitgebracht in antwoord op een vraag van de afdeling wetgeving van het Deense Ministerie van Justitie, en stelt, dat het ontslag van de werknemers, dat onmiddellijk vóór het uitspreken van het vonnis van faillietverklaring plaatsvond, een onderdeel van de faillietverklaring is. Het ontslag was zijns inziens noodzakelijk om de verliezen van het failliete bedrijf, en daarmee de schade voor de schuldeisers te beperken, omdat anders ook nog de kosten van zes extra dagen loon ten laste van de failliete boedel zouden komen.
(14) - Zie conclusie van advocaat-generaal Lenz bij arrest van 12 februari 1985, Nielsen & Søn (284/83, Jurispr. blz. 553, 556).
(15) - Afdeling II (artikel 2) van richtlijn 75/129, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/56.
(16) - Afdeling III (artikelen 3 en 4) van richtlijn 75/129.
(17) - Volgens artikel 5 van richtlijn 75/129, zoals aangevuld bij richtlijn 92/56, doet de richtlijn geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaat wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen of in te voeren die gunstiger zijn voor de werknemers, dan wel de toepassing van voor de werknemers gunstiger contractuele bepalingen te bevorderen of toe te staan.
(18) - Zie arrest Nielsen & Søn (aangehaald in voetnoot 14, punt 10).
(19) - Ter terechtzitting heeft de Commissie beklemtoond, dat de directie van het later failliet verklaarde bedrijf nimmer (dat wil zeggen vóór noch na de indiening van de aangifte tot faillietverklaring) de vertegenwoordigers van de werknemers heeft geraadpleegd.
(20) - Ter terechtzitting heeft de Commissie opgemerkt, dat ofschoon het bedrijf blijkens de gegevens van het Skifteret in de betrokken periode niet normaal functioneerde en de per uur betaalde werknemers wel waren ontslagen, een aantal administratieve medewerkers niet was ontslagen, en dat het Skifteret de tijdelijke bewindvoerders toestemming had verleend gebruik te maken van de mogelijkheid de werkzaamheden van het bedrijf voort te zetten om bepaalde verplichtingen na te komen door een aantal orders af te ronden.
(21) - In het arrest van 12 september 1996, Gallotti e.a. (C-58/95, C-75/95, C-112/95, C-119/95, C-123/95, C-135/95, C-140/95, C-141/95, C-154/95 en C-157/95, Jurispr. blz. I-4345, punt 14), heeft het Hof verklaard, dat de lidstaten in het kader van de hun door artikel 189, derde alinea, EG-Verdrag gelaten vrijheid verplicht zijn, de meest passende vormen en middelen te kiezen om het nuttig effect van richtlijnen te verzekeren (zie ook arrest van 8 april 1976, Royer, 48/75, Jurispr. blz. 497, punt 75), terwijl de lidstaten ingevolge artikel 5 EG-Verdrag gehouden zijn, alle passende maatregelen te nemen om de doeltreffende toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren (zie arresten van 8 juni 1994, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C-382/92, Jurispr. blz. I-2435, punt 55, en Commissie/Verenigd Koninkrijk, C-383/92, Jurispr. blz. I-2479, punt 40).
(22) - De Commissie beklemtoont, dat het bij een rechterlijke beslissing als bedoeld in de richtlijn, niet alleen om een faillissementsprocedure behoeft te gaan, maar dat het ook kan gaan om een nationaalrechtelijke procedure gericht op totale schuldvereffening (paiement global) met de schuldeisers van de werkgever. Het zou volgens haar ook kunnen gaan om een rechterlijke beslissing in verband met, bijvoorbeeld, de eisen inzake veiligheid op de werkplek, bescherming van het milieu of specifieke productievoorschriften ter bescherming van de volksgezondheid.
(23) - Zoals de Commissie overigens ter terechtzitting heeft opgemerkt, kan niet worden uitgesloten, dat de schuldenaar en de schuldeisers na de indiening van het verzoek tot een regeling komen, hetgeen ertoe kan leiden, dat de rechterlijke beslissing wordt uitgesteld. Verder mag niet uit het oog worden verloren, dat het verzoek om faillietverklaring vaak van een schuldeiser afkomstig is, hetgeen betekent, dat de rechter moet onderzoeken of het gegrond is, wat stellig van invloed is op de duur van de procedure.
(24) - Zoals de Commissie (zowel in punt 40 van haar schriftelijke opmerkingen, als ter terechtzitting) onweersproken heeft gesteld, is de enkele omstandigheid dat de directie van het bedrijf de vertegenwoordigers van de werknemers niet lijkt te hebben geraadpleegd, ofschoon zij voornemens was tot collectief ontslag over te gaan, reeds voldoende voor het van toepassing zijn van de §§ 11 en 12 van wet nr. 414/94: betaling van schadevergoeding aan de werknemers en oplegging van een geldboete als sanctie.
Full & Egal Universal Law Academy