Conclusie van de advocaat generaal
1 Deze zaak betreft een verzoek van de Commissie krachtens artikel 169 EG-Verdrag om vast te stellen, dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de maatregelen vast te stellen die nodig zijn voor het nakomen van de verplichtingen die voortvloeien uit richtlijn 86/609/EEG van de Raad van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (hierna: "richtlijn")(1), de krachtens die richtlijn en het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Artikel 1 omschrijft het doel van de richtlijn als volgt:
"Doel van deze richtlijn is, te waarborgen dat de door de lidstaten vastgestelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen ter bescherming van dieren die worden gebruikt voor experimentele of andere wetenschappelijke doeleinden, nader tot elkaar worden gebracht teneinde te voorkomen dat de totstandkoming en de werking van de gemeenschappelijke markt worden geschaad, met name door concurrentievervalsing of handelsbelemmeringen."
3 In deze zaak zijn de bepalingen tot omzetting van de artikelen 14 en 22 van de richtlijn aan de orde.
4 Artikel 14 luidt als volgt:
"Degenen die dierproeven verrichten of daaraan deelnemen, alsmede degenen die proefdieren verzorgen of met het toezicht belast zijn, moeten een adequate opleiding en scholing hebben gekregen.
In het bijzonder moeten degenen die de proeven verrichten of over het verloop daarvan de supervisie hebben, geschoold zijn in een wetenschappelijke richting die voor het verrichten van de proeven relevant is en voorts in het behandelen en verzorgen van proefdieren; bovendien moeten zij ten genoegen van het verantwoordelijke gezag hebben aangetoond dat zij een voldoende hoog scholingsniveau hebben bereikt om hun taken te kunnen verrichten."
5 Artikel 22 bepaalt:
"1. Om bij proeven die op grond van de nationale of communautaire wetgeving op het gebied van de gezondheid en veiligheid worden verricht onnodige doublures te voorkomen, erkent iedere lidstaat zo veel mogelijk de geldigheid van de gegevens die het resultaat zijn van proeven die op het grondgebied van een andere lidstaat zijn verricht, tenzij ter vrijwaring van de volksgezondheid en de veiligheid verder onderzoek vereist is.
2. Hiertoe stellen de lidstaten, indien mogelijk en onverminderd het bepaalde in de geldende richtlijnen van de Gemeenschap, de Commissie in kennis van hun wetgeving en administratieve regels voor dierproeven, met inbegrip van de voorschriften waaraan moet worden voldaan alvorens een product op de markt mag worden gebracht, alsmede van feitelijke gegevens over alle proeven die op hun grondgebied zijn uitgevoerd en over vergunningen of andere administratieve bijzonderheden met betrekking tot deze proeven.
3. De Commissie richt een permanent raadgevend comité op waarin de lidstaten vertegenwoordigd zijn en dat de Commissie bijstaat bij de organisatie van de uitwisseling van adequate gegevens met inachtneming van de eisen van vertrouwelijkheid; het staat de Commissie ook bij in de andere kwesties die samenhangen met de uitvoering van deze richtlijn."
6 Artikel 25 van de richtlijn luidt als volgt:
"1. De lidstaten treffen de maatregelen die nodig zijn om uiterlijk op 24 november 1989 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan in kennis.
2. De lidstaten delen de Commissie onverwijld alle bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen."
7 Met betrekking tot artikel 14 van de richtlijn stelt de Commissie, dat haar niet is meegedeeld, dat in België de nodige wettelijke regelingen zijn vastgesteld. In zijn verweerschrift verwijst België naar een ontwerp van koninklijk besluit. Volgens de repliek van de Commissie is dat ontwerp nog niet goedgekeurd en levert het hoe dan ook geen volledige omzetting van artikel 14 op. In dupliek stelt België, dat het rekening zal houden met de opmerkingen van de Commissie en het ontwerp dienovereenkomstig zal wijzigen.
8 Derhalve heeft België niet tijdig de maatregelen vastgesteld die nodig zijn ter omzetting van artikel 14 van de richtlijn.
9 Met betrekking tot artikel 22 van de richtlijn stelde de Commissie in de administratieve procedure, dat België die bepaling niet had omgezet. Eerst in zijn antwoord op het met redenen omkleed advies van de Commissie betoogde België, dat artikel 22 van de richtlijn was omgezet, en verwees daarvoor naar twee koninklijke besluiten van 22 en 25 september 1992.(2)
10 In haar verzoekschrift stelt de Commissie, dat die koninklijke besluiten uitvoering geven aan andere richtlijnen dan richtlijn 86/609. In zijn verweerschrift, dat slechts één zin over de grond van de zaak bevat, verwijst België naar een andere richtlijn en voert het enkel een ontwerp van koninklijk besluit aan. In de nagenoeg even beknopte dupliek stelt België met betrekking tot artikel 22, dat de koninklijke besluiten van 22 en 25 september 1992 uitdrukkelijk bepalen, dat dierproeven overeenkomstig richtlijn 86/609 moeten worden uitgevoerd. Voorts regelt artikel 6 bis van het koninklijk besluit van 3 juli 1969, dat is ingevoegd bij koninklijk besluit van 1 februari 1996(3), de wederzijdse erkenning in het kader van de registratie van in een andere lidstaat behandelde dossiers.
11 Over het betoog van de Belgische regering, als ik dat zo mag noemen, wil ik het volgende zeggen. In de eerste plaats worden in de considerans van de door België aangevoerde koninklijke besluiten verschillende richtlijnen genoemd, maar niet richtlijn 86/609. Wat in de tweede plaats de inhoud van de koninklijke besluiten van 22 en 25 september 1992 betreft, heeft de Belgische regering zich niet verwaardigd aan te geven, welke bepalingen van die zeer uitvoerige wettelijke regeling uitvoering geven aan richtlijn 86/609. In de derde plaats lijkt de Belgische regering hoe dan ook in de war te zijn, wanneer zij met betrekking tot artikel 22 van de richtlijn stelt, dat die koninklijke besluiten uitdrukkelijk bepalen, dat dierproeven overeenkomstig richtlijn 86/609 moeten worden uitgevoerd, aangezien artikel 22 van de richtlijn geen betrekking heeft op de wijze waarop dierproeven worden verricht. Ten slotte betreft het koninklijk besluit van 1 februari 1996 de registratie van geneesmiddelen en is het kennelijk bedoeld om uitvoering te geven aan de desbetreffende richtlijnen.
12 Het betoog van de Belgische regering is dus in zijn geheel ongegrond.
Conclusie
13 Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen, dat het Koninkrijk België de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen door niet binnen de gestelde termijn de maatregelen vast te stellen die nodig zijn voor het nakomen van de verplichtingen die voortvloeien uit richtlijn 86/609/EEG van de Raad van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt;
2) het Koninkrijk België te verwijzen in de kosten.
(1) - PB L 358, blz. 1.
(2) - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 september 1985 betreffende de normen en voorschriften van toepassing op proeven inzake geneesmiddelen voor menselijk gebruik; koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 maart 1985 betreffende de normen en voorschriften van toepassing op proeven inzake geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik.
(3) - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1969 betreffende de registratie van geneesmiddelen.
Full & Egal Universal Law Academy