Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1 Met het onderhavige, krachtens artikel 169 EG-Verdrag ingestelde beroep verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen te treffen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 90/605/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot wijziging van de richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG betreffende respectievelijk de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening, ten aanzien van het toepassingsgebied van deze richtlijnen(1), de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
II - De feiten en het procesverloop
2 Artikel 3, lid 1, van richtlijn 90/605 bepaalt, dat de lidstaten vóór 1 januari 1993 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om aan die richtlijn te voldoen, en de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
3 Na het verstrijken van genoemde termijn deed de Commissie, die geen mededeling of enige andere inlichting had ontvangen over maatregelen die de Duitse autoriteiten hadden getroffen om richtlijn 90/605 in nationaal recht om te zetten, de Duitse regering op 12 maart 1993 een aanmaningsbrief toekomen. In haar antwoord van 2 juni 1993 deelde de Duitse regering de Commissie mee, dat de procedure tot uitvoering van richtlijn 90/605 aan de gang was. Bij ontbreken van nadere inlichtingen over de uitvoering van de richtlijn, deed de Commissie de Duitse regering een met redenen omkleed advies toekomen, waarin zij haar verzocht, binnen een termijn van twee maanden de nodige maatregelen vast te stellen om de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen na te komen. Daar de Duitse regering niet binnen die termijn op het met redenen omkleed advies antwoordde, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld. Zij verzoekt het Hof vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet binnen de gestelde termijn alle nodige maatregelen te treffen om aan richtlijn 90/605 van de Raad te voldoen, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, en de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten te verwijzen. De Duitse regering verzoekt daarentegen, het beroep niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren en de Commissie in de kosten te verwijzen.
III - De ontvankelijkheid van het beroep
4 De Duitse regering betoogt, dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het met redenen omkleed advies van 13 juni 1994 is opgesteld met schending van het in artikel 163 EG-Verdrag en artikel 16 van het reglement van orde van de Commissie(2) neergelegde collegialiteitsbeginsel. De Duitse regering sluit niet uit, dat het met redenen omkleed advies op grond van een machtiging is uitgebracht. In dat geval zou het genomen besluit echter twee gebreken vertonen: in de eerste plaats zouden de voor de machtiging geldende bijzondere procedure en publiciteitsvereisten niet in acht zijn genomen; in de tweede plaats zou het met redenen omkleed advies, als principebesluit, in ieder geval niet op grond van een machtiging, maar enkel door de Commissie handelend als college kunnen worden uitgebracht. Volgens de Duitse regering vereist het collegialiteitsbeginsel, dat de besluiten in gemeen overleg worden genomen, hetgeen veronderstelt, dat de leden van het college - in dit geval de Commissie - tijdens de vergadering zowel van het dispositief van het besluit als van de motivering op de hoogte worden gebracht. Uit de in de zaken C-191/95 en C-186/97 aan het licht gekomen feitelijke gegevens concludeert de Duitse regering, dat de tekst die aan de leden van de Commissie als ontwerp van besluit tot het uitbrengen van een met redenen omkleed advies is voorgelegd, in wezen een administratief document was, met enkel het nummer van de betrokken richtlijn, de naam van de niet-nakomende staat, en het (uit een enkel woord bestaande) voorstel van de bevoegde diensten om tot het uitbrengen van een met redenen omkleed advies te besluiten. Bijgevolg zouden de leden van de Commissie op de betrokken vergadering de volledige inhoud en de motivering van het met redenen omkleed advies niet hebben gekend, en geen collegiaal besluit hebben kunnen nemen. De gedetailleerde tekst van die handeling zou eerst na de vergadering van de Commissie zijn opgesteld. Volgens de Duitse regering is de aldus gevolgde procedure rechtstreeks in strijd met artikel 16 van het reglement van orde van de Commissie. Het kan zijn, dat de betrokken bepaling enkel naar de in artikel 189 EG-Verdrag opgesomde handelingen verwijst, maar het lijkt juister aan te nemen, dat het met redenen omkleed advies, wegens zijn bijzonder belang, ook binnen het toepassingsgebied van de betrokken bepaling valt. Bijgevolg zouden de wezenlijke vormgebreken van het met redenen omkleed advies slechts tot niet-ontvankelijkheid van het beroep kunnen leiden.
5 De Commissie, van haar kant, verzekert, dat het betrokken met redenen omkleed advies door haar als college is uitgebracht. De leden van de Commissie zouden hun besluit hebben genomen zonder over de volledige tekst van het laatste ontwerp van het met redenen omkleed advies te beschikken, op grond van de "fiche d'infraction", een overzicht dat alle nodige gegevens en de motivering van het voorgestelde besluit bevat. De leden van de Commissie zouden dus collegiaal een "principebesluit" hebben genomen, dat door de bevoegde diensten is uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid en het toezicht van het bevoegde lid van de Commissie. De administratieve uitvoering van het betrokken principebesluit zou geen machtiging van een lid van de Commissie krachtens artikel 11, eerste alinea, van het reglement van orde zijn, en ook geen krachtens artikel 11, tweede alinea, van het reglement van orde aan een lid van de Commissie gegeven opdracht om de definitieve tekst van een besluit goed te keuren. De gevolgde procedure zou worden gerechtvaardigd door de werklast en de discretionaire bevoegdheid van de Commissie.
6 De Commissie merkt voorts op, dat met redenen omklede adviezen enkel voorbereidende handelingen zonder bindende rechtsgevolgen zijn. Bijgevolg zou de rechtspraak van het Hof inzake het vaststellen van rechtshandelingen met bindende rechtsgevolgen niet op de procedure voor het uitbrengen van een met redenen omkleed advies zijn te transponeren. Ook artikel 16, lid 1, van het reglement van orde zou niet op met redenen omklede adviezen van toepassing zijn. De Commissie is voorts van mening, dat, ook al wordt een procedurefout in het stadium van het opstellen van het met redenen omkleed advies vastgesteld, die fout niet noodzakelijk leidt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. Voor het geval dat het Hof het onderhavige beroep om de door de Duitse regering aangevoerde redenen niet-ontvankelijk verklaart, verzoekt de Commissie het Hof evenwel, de gevolgen van zijn arrest in de tijd te beperken, door de herhaling van de procedure uit te sluiten, in de eerste plaats wanneer reeds een rechterlijke beslissing tot vaststelling van de niet-nakoming door een lidstaat is gegeven, en in de tweede plaats in de aanhangige zaken waarin geen exceptie van niet-ontvankelijkheid is opgeworpen, die overeenkomt met die welke de Bondsrepubliek Duitsland in de onderhavige zaak heeft voorgedragen.
IV - Mijn mening over de ontvankelijkheid van het beroep
7 De door de Duitse regering en de Commissie ontwikkelde stellingen zijn reeds onderzocht in zaak C-191/95, waarin het Hof onlangs uitspraak heeft gedaan.(3) Van mijn twee conclusies(4) in die zaak, zal ik de voornaamste punten hierna beknopt weergeven.
8 Uitgangspunt voor een juiste benadering van het gestelde probleem is, volgens mij, een goed begrip van de plaats die het beginsel van collegiaal handelen van de Commissie in de communautaire rechtsorde inneemt, en het belang van het met redenen omkleed advies in het mechanisme van artikel 169 van het Verdrag. Wat het beginsel van collegiaal handelen betreft, moet worden beklemtoond, dat de inachtneming ervan niet alleen van belang is voor de adressaten van het besluit, die rechtstreekse gevolgen in hun rechtspositie ondervinden, maar ook voor het goed functioneren van de Commissie als gemeenschapsinstelling; het geldt dus niet alleen voor de uitwerking van uitvoerbare administratieve handelingen, maar voor het geheel van besluiten waarmee een bepaald beleid en een juridische wil van die instelling wordt uitgedrukt.(5) Als een dergelijk besluit moet ook het met redenen omkleed advies worden beschouwd, waarvan het juridisch belang niet voortvloeit uit de rechtstreekse gevolgen die het vanaf de betekening voor de ontvanger meebrengt, maar uit de rechtsgevolgen die het in het kader van de procedure van artikel 169 bewerkstelligt, namelijk dat de Commissie is gebonden ten aanzien van de inhoud en de omvang van hetgeen zij voor de rechter kan vorderen, en dat de omvang van de rechterlijke toetsing dienovereenkomstig is beperkt. Met andere woorden, de formulering van het met redenen omkleed advies is, door haar politieke betekenis en rechtsgevolgen, de belangrijkste bijdrage van de Commissie in de procedure van artikel 169; dat het geen uitvoerbare administratieve handeling is, betekent dus niet, dat het automatisch een besluit van tweede categorie is, waarvoor kan worden afgeweken van het strenge formalisme dat het optreden van de Commissie moet kenmerken.(6)
9 Wat dat optreden betreft, heb ik bijzonder de nadruk gelegd op de verplichting het collegialiteitsbeginsel in acht te nemen: de Commissie is als collegiaal orgaan gebonden aan specifieke procedurele regels, die uit het betrokken beginsel voortvloeien en moeten verzekeren dat het in acht is genomen. Die inachtneming moet gemakkelijk en afdoende te bewijzen zijn. De enige zekere manier om dat bewijs te leveren, is, dat de inhoud van het genomen besluit zijn neerslag vindt in een tekst die het resultaat vormt van de collegiale behandeling van de zaak door het college van commissarissen, en die bepalend is voor de omvang van de collegiale verantwoordelijkheid van de leden van de Commissie die daaraan hebben deelgenomen. Met andere woorden, het beginsel van collegiaal handelen is een van de fundamenten van het communautaire administratieve stelsel, dat onlosmakelijk is verbonden met het beginsel, dat de werkelijke wil van het college van commissarissen in een tekst moet zijn vastgelegd; die tekst moet de wezenlijke punten, de motivering en het dispositief van het genomen besluit bevatten.(7)
10 Gelet op het voorgaande had ik betoogd en blijf ik geloven, dat de praktijk van de Commissie die erin bestaat, in vergadering slechts een uit een enkel woord bestaand "principebesluit" over het uitbrengen van een met redenen omkleed advies te nemen, en het uitwerken van de tekst zelf aan de administratieve diensten over te laten, in strijd is met de verplichting, de inhoud van het genomen besluit in een geschreven tekst op te nemen; zij is ook in strijd met de regel, dat het orgaan dat beslissingsbevoegdheid heeft (in het onderhavige geval het college van commissarissen) gelijktijdig het dispositief en de motivering van een gemeenschapshandeling moet vaststellen.
11 Het Hof heeft deze redenering echter niet gevolgd, en geoordeeld, dat de bovenbeschreven praktijk van de Commissie voor het uitwerken van met redenen omklede adviezen, volledig in overeenstemming is met het collegialiteitsbeginsel en met het gemeenschapsrecht in het algemeen. Het Hof kan dus opnieuw de oplossing kiezen waartoe het in zaak C-191/95(8) was gekomen, en het onderhavige beroep ontvankelijk verklaren. Ik, van mijn kant, blijf bij de stellingen die ik in zaak C-191/95 heb ontwikkeld.
V - De gegrondheid van het beroep
A - Het relevante gemeenschapsrecht
12 Richtlijn 90/605(9) verruimt het toepassingsgebied van de Vierde richtlijn (78/660/EEG)(10) en de Zevende richtlijn (83/349/EEG)(11). Vóór deze laatste wetswijziging hadden de richtlijnen 78/660 en 83/349 in Duitsland enkel betrekking op de volgende vennootschapsvormen: Aktiengesellschaft (naamloze vennootschap), Kommanditgesellschaft auf Aktien (commanditaire vennootschap op aandelen) en Gesellschaft mit beschränkter Haftung (vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Richtlijn 90/605 heeft tot doel, de werkingssfeer van de Vierde en de Zevende richtlijn uit te breiden tot bepaalde categorieën personenvennootschappen, waarvan de onbeperkt aansprakelijke vennoten ook kapitaalvennootschappen zijn. Volgens de artikelen 1 en 2 van richtlijn 90/605 gelden de door de richtlijnen 78/660 en 83/349 voorgeschreven coördinatiemaatregelen ook voor de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de volgende Duitse vennootschapsvormen: Offene Handelsgesellschaft (vennootschap onder firma) en Kommanditgesellschaft (gewone commanditaire vennootschap). Voorwaarde voor de toepassing van richtlijn 90/605 is, dat alle onbeperkt aansprakelijke vennoten van de bovengenoemde personenvennootschappen de vorm van één van de in de richtlijnen 78/660 en 83/349 opgesomde kapitaalvennootschappen(12) hebben, of vennootschappen zijn die niet onder het recht van een lidstaat vallen, maar die een rechtsvorm hebben die vergelijkbaar is met die welke zijn genoemd in richtlijn 68/151/EEG.(13)
13 Bovendien breidt richtlijn 90/605 het toepassingsgebied van de richtlijnen 78/660 en 83/349 uit tot vennootschappen onder firma of gewone commanditaire vennootschappen, indien al hun onbeperkt aansprakelijke vennoten vennootschappen zijn met een rechtsvorm die wordt genoemd in artikel 1, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 78/660, zoals gewijzigd bij richtlijn 90/605. Met andere woorden, een vennootschap onder firma of een gewone commanditaire vennootschap, waarvan alle onbeperkt aansprakelijke vennoten andere vennootschappen onder firma of gewone commanditaire vennootschappen zijn, die zelf als onbeperkt aansprakelijke vennoten enkel naamloze vennootschappen, vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid of commanditaire vennootschappen op aandelen hebben, valt binnen het toepassingsgebied van de richtlijnen 78/660 en 83/349 van de Raad.
VI - Mijn mening over de gegrondheid van het beroep
14 Ik ben van mening, dat de Bondsrepubliek Duitsland de uit richtlijn 90/605 voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen.
15 Zoals de Commissie terecht opmerkt, wordt de niet-nakoming - althans gedeeltelijk - door de Duitse regering niet betwist. De erkenning van de niet-uitvoering van de bepalingen van de richtlijn blijkt uit drie punten: in de eerste plaats betoogt de Duitse regering, ofschoon zij erkent dat geen specifieke maatregelen tot uitvoering van richtlijn 90/605 zijn getroffen, toch dat het Duitse recht met grote delen van de betrokken richtlijn in overeenstemming is; a contrario volgt daaruit, dat het geldende Duitse recht niet met de gehele richtlijn in overeenstemming is. In de tweede plaats geeft de Bondsrepubliek Duitsland te verstaan, dat met de omzetting van de betrokken richtlijn in nationaal recht zal worden begonnen, zodra het arrest van het Hof in zaak C-191/95 is gewezen. Zij beroept zich voorts op de moeilijkheden die voor de uitvoering van de richtlijn zouden voortvloeien uit het feit, dat de bevoegde autoriteiten en de betrokken kringen in Duitsland het nog niet eens zijn geworden over de nationale omzettingsmaatregelen die nodig en passend zijn om het nationale recht met de inhoud van richtlijn 90/605 in overeenstemming te brengen.
16 Dat betoog komt neer op een onrechtstreekse erkenning van de verweten niet-nakoming. Volgens vaste rechtspraak van het Hof zijn de lidstaten waartoe een richtlijn is gericht, krachtens de artikelen 189, derde alinea, en 5, eerste alinea, EG-Verdrag verplicht alle doelstellingen van de richtlijn binnen de gestelde termijn zo te verwezenlijken, dat de bepalingen van de richtlijn bij het verstrijken van de uitvoeringstermijn hun volledige werking hebben. Het argument, dat het geldende nationale recht in ieder geval voor een groot deel aan de communautaire doelstellingen van de uit te voeren richtlijn tegemoetkomt, moet als niet-steekhoudend worden verworpen.(14) Ook te verwerpen is het betoog van een lidstaat, dat met de uitvoering van een richtlijn mag worden gewacht, tot het Hof, in het kader van een tegen dezelfde lidstaat ingesteld beroep wegens niet-nakoming, een andere bepaling van die richtlijn heeft uitgelegd. Het is ook onbegrijpelijk, dat een staat zijn vermoede verzuimen, ter zake waarvan hij voor het Hof is gebracht, aanvoert ter rechtvaardiging van het feit, dat de uitvoering van andere gemeenschapsbepalingen met verwante inhoud vertraging heeft opgelopen. Ten slotte is het irrelevant, dat op het vlak van het interne recht, de uitvoering van de richtlijn vertraging heeft opgelopen wegens onenigheid over de noodzaak en de geschiktheid van de nationale uitvoeringsmaatregelen. Zoals bekend(15), kan een lidstaat zich niet op nationale situaties beroepen om zich aan de krachtens een richtlijn op hem rustende verplichtingen te onttrekken.
Maar ook indien men, los van het voorgaande, zou willen aannemen, dat de Duitse regering de haar door de Commissie verweten niet-nakoming in haar geheel betwist, blijken de door haar ontwikkelde stellingen, wat de volledigheid van het geldende nationale recht met het oog op de uitvoering van de betrokken richtlijn betreft, onjuist. De Duitse regering verwijst naar § 6, lid 1, van het Handelsgesetzbuch (hierna: "HGB"), dat de vennootschap onder firma en de gewone commanditaire vennootschap als handelaren aanmerkt, en ze automatisch aan het eerste deel van het derde boek van het HGB (§§ 238-261) onderwerpt. De betrokken bepalingen zouden de uitvoering verzekeren van al wat richtlijn 78/660 voorschrijft. De Duitse regering voegt bij haar opmerkingen een gedetailleerde tabel met de bepalingen van de richtlijn die, volgens haar, in de overeenkomstige bepalingen van het eerste deel van het derde boek van het HGB zijn opgenomen.
17 De inhoud van voornoemde nationale bepalingen van het eerste deel van het derde boek van het HGB, die het opmaken van commerciële rekeningen en documenten betreffen, lijkt inderdaad met de bepalingen van richtlijn 78/660 overeen te stemmen; dat betekent echter niet, dat zij ook de omzetting van de richtlijn in nationaal recht verzekeren. Zoals de Commissie terecht betoogt, heeft de betrokken richtlijn bepaalde strenge voorwaarden met betrekking tot de structuur en de inhoud van de jaarrekeningen, de jaarverslagen, de waarderingsmethoden en de openbaarmaking van die documenten vastgesteld, in het bijzonder voor de kapitaalvennootschappen. Richtlijn 83/349, die het bijzondere probleem van de geconsolideerde jaarrekeningen aansneed, had betrekking op dezelfde vennootschappen. Voornoemde teksten van het communautaire handelsrecht beperken zich niet tot het vaststellen van fragmentarische bepalingen in verband met commerciële rekeningen, maar vormen een coherent en gedetailleerd geheel van vereisten en voorwaarden voor de werking van kapitaalvennootschappen. Zij stellen dus een zelfstandige regeling vast. Die bijzondere regeling werd ad hoc in het Duitse recht opgenomen in een afzonderlijk deel van de nationale wetgeving, namelijk het tweede deel van het derde boek van het HGB, dat uitdrukkelijk de kapitaalvennootschappen betreft. Dat deel van het HGB bestaat uit zes onderafdelingen, waarvan het eerste betrekking heeft op de jaarrekeningen en de jaarverslagen van de kapitaalvennootschap, het tweede op de geconsolideerde jaarrekeningen, het vierde op de openbaarmaking, en het zesde op de sancties bij niet-inachtneming van de voorgaande bepalingen. Ik zal niet ingaan op de vraag, in hoeverre het tweede deel van het derde boek van het HGB de correcte uitvoering van de richtlijnen 78/660 en 83/349 verzekert; die vraag is in het onderhavige geding niet aan de orde. Het staat echter vast, dat de omzetting van de betrokken richtlijnen in Duits recht in het tweede en niet in het eerste deel van het derde boek van het HGB moet worden gezocht. Dat het eerste deel van het derde boek van het HGB bepalingen lijkt te bevatten, die inhoudelijk met de door voornoemde richtlijnen gestelde vereisten overeenkomen, betekent geenszins, dat dat deel van het Duitse recht de uitvoering van die richtlijnen verzekert, in de eerste plaats omdat de richtlijnen niet gewoon een aantal fragmentarische bepalingen bevatten, maar een coherente regeling vaststellen, en in de tweede plaats omdat een ander deel van het Duitse recht ratione materiae met het voorwerp van de betrokken richtlijnen overeenkomt.
Ik kom thans tot het onderzoek van het specifieke rechtskader van het onderhavige beroep. Richtlijn 90/605 heeft tot doel, het toepassingsgebied van de richtlijnen 78/660 en 83/349 uit te breiden tot vennootschappen die, ook al komen zij schijnbaar als personenvennootschappen voor, in werkelijkheid niet uit natuurlijke personen, maar uit andere kapitaalvennootschappen bestaan; het gaat dus, tenminste wat richtlijn 90/605 betreft, om "kapitaalvennootschappen krachtens juridische fictie". De enige aanvaardbare manier om richtlijn 90/605 correct in Duits recht om te zetten, bestaat erin, het toepassingsgebied van het tweede deel van het derde boek van het HGB, van de kapitaalvennootschappen waarop het thans betrekking heeft, tot de "kapitaalvennootschappen krachtens juridische fictie" in de zin van richtlijn 90/605 uit te breiden.(16)
Wat ten slotte het bijzondere probleem van de door de Vierde en de Zevende richtlijn gestelde publiciteitsvereisten betreft, moet het argument van de Duitse regering worden verworpen, dat het Publizitätsgesetz 1969(17) volstaat om aan te nemen, dat de betrokken bepalingen in nationaal recht zijn omgezet. Zoals de Commissie opmerkt, is de kring van de onder het Publizitätsgesetz vallende vennootschappen veel minder ruim dan die waarop de publiciteitsvereisten van het gemeenschapsrecht van toepassing zijn; het gaat om slechts 1 % van het totale aantal vennootschappen. Bijgevolg verzekert de betrokken nationale regeling niet de correcte en volledige uitvoering van de betrokken gemeenschapsbepalingen.
VII - Conclusie
Gelet op het voorgaande, en onder het voorbehoud in verband met de ontvankelijkheid van het beroep, geef ik het Hof in overweging:
1) het beroep ontvankelijk te verklaren en te erkennen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen te treffen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 90/605/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot wijziging van de richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG betreffende respectievelijk de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening, ten aanzien van het toepassingsgebied van deze richtlijnen, de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2) de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten te verwijzen.
(1) - PB L 317, blz. 60.
(2) - Het gaat om het reglement van orde van 17 februari 1993 (PB L 230, blz. 15), dat van kracht was toen het met redenen omkleed advies werd uitgebracht.
(3) - Arrest van 29 september 1998, Commissie/Duitsland (Jurispr. blz. I-5449).
(4) - Conclusies van 5 juni 1997 en 17 februari 1998.
(5) - Punt 18 van mijn conclusie van 17 februari 1998 bij arrest Commissie/Duitsland.
(6) - Punten 28 en 32 van genoemde conclusie.
(7) - Punten 17 en 21 van genoemde conclusie.
(8) - Voornoemd arrest Commissie/Duitsland.
(9) - Zie boven, voetnoot 1.
(10) - Richtlijn van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g, van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PB L 222, blz. 11).
(11) - Richtlijn van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g, van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (PB L 193, blz. 1).
(12) - Het gaat dus om de vennootschappen, opgesomd in de oorspronkelijke tekst van artikel 1 van richtlijn 78/660 en artikel 4 van richtlijn 83/349.
(13) - Eerste richtlijn van de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB L 65, blz. 8).
(14) - Zie arrest van 28 mei 1998, Commissie/Spanje (C-298/97, Jurispr. blz. I-3301).
(15) - Zie bijvoorbeeld arresten van 2 oktober 1997, Commissie/België (C-208/96, Jurispr. blz. I-5375, punt 9), en 19 februari 1998, Commissie/Griekenland (C-8/97, Jurispr. blz. I-823, punt 8).
(16) - Los van de vraag, of het betrokken deel van het Duitse recht de correcte uitvoering van de Vierde en de Zesde richtlijn verzekert.
(17) - Gesetz über die Rechnungslegung von bestimmten Unternehmen und Konzernen, BGBl. I, 1969, blz. 1189, en BGBl. I, 1970, blz. 1113.
Full & Egal Universal Law Academy