Conclusie van de advocaat generaal
1 Aan de oorsprong van de vraag van het Arbeitsgericht München liggen opnieuw de in de Bondsrepubliek Duitsland bestaande rechtsfiguur van het "beperkte dienstverband", en het probleem, of de nationale regeling voor dat soort dienstverbanden, die worden gekenmerkt door een gering aantal arbeidsuren per week voor een loon dat een bepaalde drempel niet mag overschrijden, verenigbaar is met de gemeenschapsbepalingen betreffende het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
2 In de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de arresten van 14 december 1995, Nolte(1) en Megner en Scheffel(2) heeft het Hof de uitsluiting van beperkte dienstverbanden van de socialezekerheidsstelsels getoetst aan het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ter zake van de sociale zekerheid. In de onderhavige prejudiciële verwijzing wordt het Hof verzocht, de beloning en de arbeidsvoorwaarden aan dit beginsel te toetsen.
Feiten en procesverloop
3 Vóór de geboorte van haar kind in de lente van 1995 was Krüger, verzoekster in het hoofdgeding, gedurende bijna vijf jaar fulltime als verpleegster in dienst bij een ziekenhuis dat deel uitmaakt van het Kreiskrankenhaus Ebersberg, verweerder in het hoofdgeding. Ze viel uit dien hoofde onder het Bundesangestelltentarifvertrag van 1961 (collectieve arbeidsovereenkomst voor arbeidscontractanten in de overheidssector; hierna: "BAT").
4 Vervolgens kreeg zij krachtens het Bundeserziehungsgesetz (federale wet betreffende de toekenning van de opvoedingsuitkering en het ouderschapsverlof; hierna: "BErzGG") ouderschapsverlof voor een periode van bijna drie jaar en een opvoedingsuitkering, die volgens § 1 BErzGG enkel wordt toegekend aan personen die geen voltijdbaan in de zin van die wet hebben (d.w.z., die niet meer dan 19 uur per week werken).
5 Kort na haar bevalling, op 20 september 1995, begon zij evenwel opnieuw in het ziekenhuis te werken in het kader van een beperkt dienstverband. Een dergelijk dienstverband brengt niet de verplichting mee zich aan te sluiten bij de sociale zekerheid en wordt volgens § 8 van het Sozialgesetzbuch IV (Sociaal Wetboek; hierna: "SGB IV") gekenmerkt door de omstandigheid dat in totaal minder dan vijftien uur per week wordt gewerkt voor een normale bezoldiging die in de regel een fractie van het referentiemaandloon niet overschrijdt.(3)
6 Na enkele maanden onder dit stelsel te hebben gewerkt, stelde verzoekster in het hoofdgeding op 14 juni 1996 bij het Arbeitsgericht München een beroep in om de bijzondere jaarlijkse uitkering te krijgen. Het gaat om een kerstgratificatie gelijk aan één maand loon, waarop volgens de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, het Tarifvertrag über eine Zuwendung für Angestellte van 12 oktober 1973 (hierna: "ZTV"), die personen recht hebben waarvan de dienstbetrekking onder het toepassingsgebied van het BAT valt.
7 Ter motivering van zijn weigering om die uitkering toe te kennen voerde verweerder in het hoofdgeding aan, dat volgens § 3 n BAT personen met een beperkt dienstverband in de zin van § 8 SGB IV van het toepassingsgebied van deze collectieve arbeidsovereenkomst zijn uitgesloten. Hij leidt hieruit af, dat aangezien verzoekster in het hoofdgeding in een beperkt dienstverband werkte, zij buiten het toepassingsgebied van het BAT viel en dus geen aanspraak kon maken op betaling van de bijzondere jaarlijkse uitkering.
8 Het Arbeitsgericht München is van oordeel, dat aangezien het overgrote deel - meer dan 90 %, zoals in de verwijzingsbeschikking wordt gepreciseerd - van de werknemers die recht hebben op de prestaties bedoeld in het BErzGG, vrouwen zijn, "§ 3 n BAT indirect discriminerend [is] voor vrouwen".(4) In weerwil van die thans reeds gevormde opvatting is de rechter van mening, dat hij opheldering behoeft, en stelt hij het Hof derhalve de volgende vraag:
"Is met richtlijn 76/207/EEG betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, en met artikel 119 EG-Verdrag, verenigbaar een bepaling van nationaal recht - in casu § 3 n BAT juncto het Zuwendungs-Tarifvertrag van 12 oktober 1993(5) - volgens welke werknemers die gedurende hun ouderschapsverlof arbeid verrichten waarvoor de socialeverzekeringsplicht niet geldt, geen jaarlijkse gratificatie ingevolge de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst ontvangen, in tegenstelling tot werknemers die wel verplicht verzekerd zijn? Is deze bepaling met bovengenoemde normen verenigbaar wanneer werknemers die ouderschapsverlof genieten, maar niet werken, in het eerste jaar wel ZTV-gratificatie ontvangen?"
Het aangevoerde gemeenschapsrecht
9 Bij gebreke van aanvullende aanwijzingen in de verwijzingsbeschikking kan uit de formulering van de vraag worden afgeleid, dat volgens het Arbeitsgericht München vrouwen die zich in de situatie van verzoekster in het hoofdgeding bevinden, twee door de communautaire bepalingen verboden soorten discriminatie aan de kaak kunnen stellen: een discriminatie wat hun arbeidsvoorwaarden betreft, en een andere wat hun beloning betreft.
10 De eerste discriminatie wordt verboden door richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden.(6) Volgens artikel 1, lid 1, beoogt deze richtlijn
"1. de tenuitvoerlegging in de lidstaten van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen, en tot de beroepsopleiding, alsmede ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (...)".
11 Artikel 119 van het Verdrag verplicht de lidstaten, zoals bekend, de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid, waarvan het Hof systematisch opmerkt dat het "een der grondslagen van de Gemeenschap is"(7), te waarborgen en te handhaven.
Analyse
12 Gelet op de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens ben ik van mening, dat een vrouw die zich in de situatie van verzoekster in het hoofdgeding bevindt, wat de arbeidsvoorwaarden noch wat de beloning betreft, kan aanvoeren dat de nationale bepalingen in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
13 Vooraleer ik de redenering die mij tot deze conclusie heeft gebracht, nauwgezet uiteenzet, is mijns inziens een rechtzetting vereist.
14 De Duitse rechter verwijst, ten minste impliciet in de formulering van zijn vraag en expliciet in de motivering van zijn beschikking(8), naar twee soorten nationale bepalingen, waarvan de gezamenlijke toepassing zijns inziens in strijd kan zijn met bovengenoemde communautaire bepalingen. Het gaat enerzijds om § 3 n BAT - waarvan de toepassing in samenhang met de bepalingen van het ZTV in wezen tot gevolg heeft, dat personen met een beperkt dienstverband van het voordeel van de kerstgratificatie worden uitgesloten - en anderzijds om het BErzGG, dat een regeling bevat van de opvoedingsuitkering en het ouderschapsverlof, waarop personen die geen voltijdbaan in de zin van het BErzGG hebben, aanspraak kunnen maken.
15 Zoals de verweerder in het hoofdgeding en de Commissie opmerken(9), is hier evenwel kennelijk een verwarring in het spel.
16 Los van enige beoordeling van de nationale wettelijke regeling, iets waartoe uitsluitend de verwijzende rechter bevoegd is, kan immers worden vastgesteld, dat de loutere toepassing van § 3 n BAT juncto het ZTV kennelijk voldoende is om personen met een beperkt dienstverband van de omstreden jaarlijkse uitkering uit te sluiten. De bepalingen betreffende het ouderschapsverlof en de opvoedingsuitkering, die verzoekster in het hoofdgeding overigens heeft gekregen, spelen dienaangaande absoluut geen enkele rol. Bovendien bestaat er volgens de gegevens waarover ik beschik, geen enkele band tussen de kerstgratificatie en de opvoedingsuitkering.
17 Met andere woorden, aan verzoekster in het hoofdgeding is de omstreden uitkering geweigerd, omdat zij werkt in een beperkt dienstverband dat niet aan de verplichte verzekering is onderworpen, en niet wegens het ouderschapsverlof waarop zij recht heeft.
18 Volledigheidshalve kan terloops worden opgemerkt, dat de verwijzing door de nationale rechter naar de nationale wettelijke regeling betreffende het ouderschapsverlof en de opvoedingsuitkering, inderdaad kan worden begrepen als een verwijzing naar een verschil in behandeling dat een discriminatie zou kunnen opleveren.
19 Volgens deze wettelijke regeling verschilt de toestand van personen met ouderschapsverlof (volgens de verstrekte aanwijzingen grotendeels vrouwen) naargelang zij al dan niet in beperkt dienstverband werken. Zo behouden degenen die vroeger fulltime werkten en ervoor opteren tijdens dit verlof niet te werken, krachtens de bepalingen van het ZTV juncto het BAT tijdens het eerste jaar van hun verlof de omstreden bijzondere uitkering. Omgekeerd verliest de rechthebbende die in beperkt dienstverband werkt, krachtens § 3 n BAT juncto het ZTV die uitkering tijdens dit verlof.
20 Het komt mij evenwel voor, dat binnen deze grotendeels vrouwelijke groep van personen met ouderschapsverlof, geen onderscheid op grond van geslacht kan worden gemaakt tussen degenen die in beperkt dienstverband werken, en de anderen. De aldus beschreven hypotheses betreffen dus a priori verschillen in behandeling tussen vrouwen en niet tussen mannen en vrouwen, de enige verschillen die onder het toepassingsgebied van de communautaire bepalingen vallen. Al kan dus worden aangenomen, zoals de nationale rechter opmerkt, dat "vrouwen de toegang tot een arbeidsplaats bemoeilijkt dan wel hun arbeidsvoorwaarden verzwaard worden, wanneer zij werk en opvoeding van kinderen willen combineren"(10), dit neemt niet weg, dat een dergelijke "discriminatie" door het gemeenschapsrecht niet wordt verboden. Dit aspect van de zaak dient dus, in voorkomend geval, door de verwijzende rechter uitsluitend op basis van het nationale recht te worden beslecht.
21 De vraag van de verwijzende rechter dient bijgevolg aldus te worden begrepen, dat zij ertoe strekt te vernemen, of artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 76/207 aldus moeten worden uitgelegd, dat een nationale regeling volgens welke personen die werkzaam zijn in een als beperkt aangemerkt dienstverband, dat wordt gekenmerkt door een beperkt aantal arbeidsuren, een geringe bezoldiging en een vrijstelling van de socialeverzekeringsplicht, anders dan degenen die arbeid in dienstverband verrichten waarvoor socialezekerheidsbijdragen moeten worden betaald, van de in de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst bedoelde bijzondere jaarlijkse uitkering worden uitgesloten, een discriminatie op grond van geslacht vormt wanneer die bepalingen aanzienlijk meer vrouwen dan mannen treffen.
22 Derhalve geef ik het Hof in overweging, uitspraak te doen los van het door de verwijzende rechter gemaakte onderscheid tussen personen die tijdens hun ouderschapsverlof in beperkt dienstverband werken, en personen die tijdens hun ouderschapsverlof geen activiteit uitoefenen.
23 Om de verwijzende rechter een zinvol antwoord te geven, dient vervolgens te worden nagegaan, of wij ons wel degelijk binnen het materiële toepassingsgebied van die communautaire bepalingen bevinden, daar sedert genoemde arresten Nolte en Megner en Scheffel(11) van het Hof nauwelijks nog kan worden betwist, dat personen met een beperkt dienstverband onder het personele toepassingsgebied van deze bepalingen vallen.
24 Dienaangaande ben ik met de Commissie(12) van oordeel, dat de verwijzing naar richtlijn 76/207 niet ter zake dienend is.
25 In de eerste plaats beoogt deze richtlijn, volgens artikel 1 ervan, "de tenuitvoerlegging in de lidstaten van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen, en tot de beroepsopleiding, alsmede ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (...)". Allereerst valt niet in te zien, welk verband de omstreden bepaling met één van deze elementen heeft.(13)
26 Voorts kan een vermeend geval van discriminatie, wanneer het onder de bepalingen betreffende de beloning valt, hoe dan ook niet meer tegelijkertijd aan richtlijn 76/207 worden getoetst. "Met name uit de tweede overweging van de considerans van die richtlijn volgt immers, dat zij niet ziet op de beloning in de zin van bovengenoemde bepalingen."(14)
27 Het lijdt evenwel nauwelijks twijfel, dat de omstreden kerstgratificatie, waarop verzoekster in het hoofdgeding aanspraak maakt, een "beloning" is in de zin van artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 75/117/EEG van de Raad(15), waarin het aldus in het Verdrag geformuleerde beginsel wordt "gepreciseerd".(16)
28 In het kader van deze bepalingen en volgens artikel 119, tweede alinea, wordt onder dit begrip verstaan "het gewone basis- of minimumloon of -salaris, en alle overige voordelen in geld of in natura die de werkgever direct of indirect aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaalt".
29 Deze aanvankelijke omschrijving werd vervolledigd door de rechtspraak van het Hof, dat een ruime opvatting huldigt. De oorsprong van bovengenoemde "voordelen" is dus van geen belang: zij vormen een beloning, ongeacht of zij "ingevolge een arbeidsovereenkomst, ingevolge wettelijke bepalingen dan wel vrijwillig" worden toegekend.(17) Evenmin komt het voor de toepassing van artikel 119 op de aard van die voordelen aan, "zolang die voordelen uit hoofde van de dienstbetrekking worden toegekend".(18)
30 Aangezien de bijzondere jaarlijkse uitkering, die door de werkgever wordt betaald op grond van de collectieve arbeidsovereenkomst voor werknemers waarvan het dienstverband onder het BAT valt, op de dienstbetrekking is gebaseerd, is zij een beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 75/117.
31 Hieruit concludeer ik, dat de inachtneming van het beginsel van gelijke behandeling in casu alleen ten aanzien van de beloning dient te worden onderzocht.
32 In dit stadium van de gedachtegang kan allereerst worden opgemerkt, dat de toepassing van de omstreden bepalingen, te weten § 3 n BAT juncto het ZTV, geen verboden rechtstreekse discriminatie vormt: het geslacht is niet het criterium aan de hand waarvan de toepassing wordt geweigerd van de collectieve arbeidsovereenkomst die recht geeft op de kerstgratificatie.
33 Derhalve dient vervolgens te worden nagegaan, of er geen sprake is van indirecte discriminatie. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is er sprake van een dergelijke discriminatie bij een "nationale maatregel die, al is hij op neutrale wijze geformuleerd, in feite een veel groter percentage vrouwen dan mannen benadeelt, tenzij die maatregel zijn rechtvaardiging vindt in objectieve factoren, die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht".(19)
34 Zoals bekend, speelt het geen rol, of een dergelijke discriminatie haar oorsprong vindt in een wettelijke bepaling of, zoals in casu, in een collectieve arbeidsovereenkomst.(20)
35 De nationale rechter acht het een vaststaand feit, dat de omstreden bepalingen overeenkomstig de vereisten van de rechtspraak van het Hof een aanzienlijk groter aandeel personen van het ene geslacht dan van het andere geslacht en, preciezer, "een veel groter aantal vrouwen dan mannen" treft(21), aangezien 90 % van de personen waarop § 3 n BAT juncto het ZTV betrekking heeft, vrouwen zijn.
36 Het komt mij noch het Hof toe dit feitelijk gegeven na te trekken. Bijgevolg zal ik het als vaststaand beschouwen.(22)
37 Worden deze werknemers met een beperkt dienstverband, waarvan de meeste van het vrouwelijke geslacht zijn, benadeeld door hun uitsluiting van het toepassingsgebied van de collectieve arbeidsovereenkomst die recht geeft op de kerstgratificatie?
38 Op grond van de beschikbare gegevens lijkt dit a priori nauwelijks twijfel te lijden. Naargelang zij al dan niet meer dan een bepaald aantal arbeidsuren werken, ontvangen werknemers die dezelfde activiteit uitoefenen en aan dezelfde regeling onderworpen zijn, al dan niet een bijzondere kerstgratificatie, gelijk aan één maand loon. Tenzij er een ander systeem met soortgelijke voordelen voor werknemers met een beperkt dienstverband bestaat - hetgeen uit het onderzoek van het dossier niet blijkt - benadelen de nationale bepalingen, voor zover zij alleen voor bepaalde werknemers in de toekenning van deze uitkering voorzien, de andere werknemers.
39 In deze omstandigheden heeft de omstreden nationale regeling, voor zover zij een aanzienlijk groter aandeel vrouwelijke dan mannelijke werknemers treft, door artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 75/117 verboden, op het geslacht gebaseerde, discriminerende gevolgen.
40 Dit zou slechts anders liggen, indien deze vermeende discriminatie haar rechtvaardiging vindt in objectieve factoren.
41 Dienaangaande ontleent verzoekster in het hoofdgeding een argument aan genoemd arrest Megner en Scheffel, volgens hetwelk "een nationale regeling die werkzaamheden die in de regel minder dan vijftien uur per week worden uitgeoefend en waarvoor in de regel een arbeidsloon van maximaal eenzevende van het referentiemaandloon wordt ontvangen, uitsluit van de verplichte verzekering uit hoofde van de wettelijke (...) verzekeringsstelsels (...), geen discriminatie op grond van geslacht oplevert, ook al worden aanmerkelijk meer vrouwen dan mannen door deze regeling getroffen, wanneer de wetgever er in redelijkheid van kon uitgaan, dat de betrokken wettelijke regeling noodzakelijk was ter verwezenlijking van een doelstelling van sociaal beleid, die niets van doen heeft met discriminatie op grond van geslacht".(23)
42 Er zij aan herinnerd, dat met name naar aanleiding van deze zaak werd gewezen op de noodzaak, in een op bijdragebetaling gebaseerd stelsel, waarvan de structuur anders niet zou kunnen worden gehandhaafd, een evenwicht te bewaren tussen de door de verzekerden en de werkgevers betaalde premies en de betaling van uitkeringen wanneer een van de gedekte risico's zich voordoet.(24) Een doelstelling van werkgelegenheidsbeleid zou de omstreden bepaling eveneens kunnen rechtvaardigen.(25) Ik kom hier verder op terug.
43 De uitsluiting van personen met een beperkt dienstverband van het nationale socialezekerheidsstelsel, die aldus wordt geacht geen discriminatie in te houden, is volgens verweerder in het hoofdgeding de grondslag waarop diezelfde personen krachtens § 3 n BAT van de omstreden uitkering worden uitgesloten: het ontbreken van een verplichting tot betaling van bijdragen aan de sociale zekerheid zou een legitiem criterium zijn om werknemers met een beperkt dienstverband van het toepassingsgebied van de collectieve arbeidsovereenkomst uit te sluiten.
44 Omgekeerd, wanneer personen met een beperkt dienstverband in het toepassingsgebied van het BAT zouden worden opgenomen en bijgevolg dezelfde voordelen zouden genieten als personen die van het brutobedrag van hun loon de aan het bijdragestelsel inherente bijdragen moeten aftrekken, zou dit er volgens verweerder in het hoofdgeding op neerkomen, dat zij zonder rechtvaardiging een netto-uurloon ontvangen dat veel hoger ligt dan dat van bijdrageplichtige personen.
45 Dit lijkt mij evenwel een ietwat kromme redenering.
46 Allereerst zie ik niet in, hoe het ontbreken van de verplichting tot betaling van bijdragen aan de sociale zekerheid de uitsluiting van een door een bijzondere collectieve arbeidsovereenkomst vastgestelde beloning kan rechtvaardigen of hiermee zelfs maar enig verband houdt. Het gaat om twee domeinen - dat van de sociale zekerheid en dat van de beloning - zonder systematische, of alleszins zonder duidelijke, vervlechting.
47 Omgekeerd wordt onder meer in genoemd arrest Megner en Scheffel de nadruk gelegd op de onderlinge samenhang die in een bijdragestelsel kan bestaan tussen de betaling van socialezekerheidsbijdragen en de toekenning van sociale prestaties. Het verzekeren van de levensvatbaarheid van het stelsel door het handhaven van een strikt evenwicht tussen bijdragen en prestaties, rechtvaardigde volgens sommige regeringen de uitsluiting van personen met een beperkt dienstverband van de wettelijke socialezekerheidsstelsels, zonder dat het Hof hen op dat punt heeft weersproken.(26)
48 Verder lijkt de vrees van verweerder in het hoofdgeding, dat personen met een beperkt dienstverband de facto een hoger salaris zouden ontvangen dan de andere werknemers die onder dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst vallen, mij niet gegrond.
49 Personen met een beperkt dienstverband zouden weliswaar in zekere zin worden bevoordeeld wanneer zij, zoals de anderen, de kerstgratificatie ontvingen, aangezien zij wegens de vrijstelling van de verplichting tot betaling van bijdragen aan het wettelijke socialezekerheidsstelsel in absolute cijfers inderdaad een hoger salaris zouden ontvangen dan de werknemers die onder het BAT vallen.
50 Evenwel mag niet worden vergeten, zoals de Commissie stelt(27), dat dit voordeel op het vlak van de vergoeding de aan dit soort betrekking inherente nadelen op het gebied van de sociale zekerheid niet kan compenseren. Zo vormt de vrijstelling van de verplichte sociale verzekering in de meeste gevallen geen bijzonder voorrecht.(28) Dit kan overigens worden afgeleid uit genoemde arresten Nolte en Megner en Scheffel, aangezien het Hof daarin, na de aangevoerde rechtvaardigingsgronden rechtstreeks te hebben onderzocht, impliciet maar noodzakelijk heeft geoordeeld, dat een dergelijke vrijstelling een nadeel vormt.
51 Ofschoon dit argument dus geen objectieve rechtvaardigingsgrond kan vormen, ben ik, anders dan de Commissie(29), van oordeel, dat het afschrikkende effect dat de verplichting tot betaling van de bijzondere jaarlijkse uitkering op de aanwerving van personen met een beperkt dienstverband kan hebben, bijzondere aandacht verdient.
52 In mijn conclusie bij genoemde arresten Nolte en Megner en Scheffel(30) gaf ik reeds als mijn mening te kennen, dat de instelling van het beperkte dienstverband ondanks haar onvolkomenheden het voordeel heeft, werk te geven aan een deel van de bevolking dat er anders verstoken van zou blijven. In het kader van de bestrijding van werkloosheid en zwartwerk lijkt het niet incoherent, dat een inspanning wordt geleverd om de aanwerving van deze categorie van werknemers voor de werkgevers aantrekkelijk te maken, door bijvoorbeeld vrijstelling van sociale bijdragen of van betaling van een bijzondere uitkering te verlenen. Ik herinnerde tevens aan het feit, dat het Hof in die geest heeft geoordeeld, dat een politiek van lastenverlichting voor kleine ondernemingen, "die een essentiële rol spelen bij de economische ontwikkeling en voor de werkgelegenheid binnen de Gemeenschap"(31), een objectieve rechtvaardiging vormt, die met discriminatie op grond van geslacht niets van doen heeft.
53 Dit is een argument waarvoor het Hof ook bijzonder gevoelig was in de arresten Nolte en Megner en Scheffel. Zelfs al wordt met betrekking tot deze arresten vaak aangenomen, dat het Hof voor een argument van sociaal beleid is gezwicht(32), heeft het Hof in deze arresten toch ook geoordeeld, dat een doelstelling van werkgelegenheidsbeleid objectief gezien niets met discriminatie op grond van geslacht van doen heeft en als dusdanig een verboden verschil in behandeling kan rechtvaardigen.
54 Dit standpunt dient mijns inziens in casu gevolgd te worden.
55 Het lijkt mij immers volkomen begrijpelijk, dat de sociale partners die de collectieve arbeidsovereenkomst hebben ondertekend, in het kader van een op aanwerving of, ruimer, op werkgelegenheidsbevordering gericht beleid, zijn overeengekomen, personen met een beperkt dienstverband op bijzondere wijze te behandelen. Het Hof heeft dit in genoemde arresten toegestaan met betrekking tot hun sociale verzekering. Er bestaat geen enkel bezwaar tegen, dezelfde redenering te volgen ter zake van de beloning.
56 Daarom ben ik van oordeel, dat een doelstelling van werkgelegenheidsbeleid, los van elk op het geslacht gebaseerd criterium, de uitsluiting van personen met een beperkt dienstverband van het toepassingsgebied van het BAT en bijgevolg van de omstreden jaarlijkse uitkering, objectief kan rechtvaardigen.
57 Daarbij komt dat, zoals tijdens de mondelinge behandeling voor het Hof is erkend, de opname van personen met een beperkt dienstverband in het toepassingsgebied van de bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten die de kerstgratificatie toekennen, de opzet zelf van dit soort dienstverband ingrijpend zou veranderen. Een persoon met een beperkt dienstverband die op het einde van het jaar de tegenwaarde van een extra maandloon ontvangt, zou een beloning ontvangen die de drempel overschrijdt tot waar hij van de verplichting tot het betalen van bijdragen aan de Duitse sociale zekerheid is vrijgesteld. Daardoor zou de instelling van het beperkte dienstverband - waarvan de vrijstelling van aansluiting bij de sociale zekerheid precies een van de bestanddelen is - worden aangetast. Het staat evenwel uitsluitend aan de Duitse regering, om in het kader van haar werkgelegenheidsbeleid te oordelen, of het opportuun is deze instelling aldus op losse schroeven te zetten.
Conclusie
58 Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vraag van het Arbeitsgericht München te beantwoorden als volgt:
"Artikel 119 EG-Verdrag en richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, dienen aldus te worden uitgelegd, dat bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten waarbij personen met een van de verplichte sociale verzekering vrijgesteld, als beperkt aangemerkt dienstverband, die in de regel minder dan vijftien uur per week werken en daarvoor een normale bezoldiging van maximaal een fractie van het referentiemaandloon ontvangen, worden uitgesloten van een bijzondere jaarlijkse uitkering, waarop de andere onder die collectieve arbeidsovereenkomsten vallende werknemers recht hebben, geen discriminatie op grond van geslacht vormen. Dit is zelfs het geval wanneer die bepalingen aanzienlijk meer vrouwen dan mannen treffen, doch de sociale partners er in redelijkheid van konden uitgaan, dat de betrokken collectieve arbeidsovereenkomsten noodzakelijk waren ter verwezenlijking van een doelstelling van werkgelegenheidsbeleid, die niets van doen heeft met discriminatie op grond van geslacht."
(1) - C-317/93, Jurispr. blz. I-4625.
(2) - C-444/93, Jurispr. blz. I-4741.
(3) - Ter terechtzitting voor het Hof is verklaard dat die fractie overeenstemt met eenzevende van het basismaandloon, hetzij 620 DM.
(4) - Eerste alinea van de motivering van de verwijzingsbeschikking.
(5) - Het gaat in feite om een verschrijving, aangezien de juiste datum 1973 is.
(6) - PB L 39, blz. 40.
(7) - Vaste rechtspraak sinds het arrest van 8 april 1976, Defrenne II (43/75, Jurispr. blz. 455, punt 12). Zie bijvoorbeeld arrest van 17 juni 1998, Hill en Stapleton (C-243/95, Jurispr. blz. I-3739, punt 18).
(8) - Zie de in punt 8 van deze conclusie weergegeven formulering van een passage van de verwijzingsbeschikking.
(9) - Punt 2 van de opmerkingen van verweerder en punt 22 van de opmerkingen van de Commissie.
(10) - Laatste alinea van de verwijzingsbeschikking.
(11) - Met name punten 19 en 21, respectievelijk 18 en 20.
(12) - Punt 35 van de opmerkingen van de Commissie.
(13) - Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat de verwijzing naar richtlijn 76/207 in feite ziet op het onderzoek van het BErzGG, dat ik eerder van de hand heb gewezen.
(14) - Arrest van 13 februari 1996, Gillespie e.a. (C-342/93, Jurispr. blz. I-475, punt 24).
(15) - Richtlijn van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB L 45, blz. 19).
(16) - Zie bijvoorbeeld arresten Gillespie e.a., punt 11, en Hill en Stapleton, punt 19, beide reeds aangehaald.
(17) - Arrest van 17 mei 1990, Barber (C-262/88, Jurispr. blz. I-1889, punt 20).
(18) - Arrest Gillespie e.a., reeds aangehaald, punt 12.
(19) - Arrest Hill en Stapleton, reeds aangehaald, punt 24. Zie eveneens in die zin, onder de recente arresten: arrest Megner en Scheffel, reeds aangehaald, punt 24; arresten van 2 oktober 1997, Gerster (C-1/95, Jurispr. blz. I-5253, punt 30), en Kording (C-100/95, Jurispr. blz. I-5289, punt 16).
(20) - Zie bijvoorbeeld arresten van 27 juni 1990, Kowalska (C-33/89, Jurispr. blz. I-2591, punt 16), en 7 februari 1991, Nimz (C-184/89, Jurispr. blz. I-297, punt 15).
(21) - Arresten Gerster, punt 30, en Kording, punt 16, beide reeds aangehaald.
(22) - Voor alle duidelijkheid zij evenwel opgemerkt, dat het aldus door het Arbeitsgericht München geopperde percentage volgens de verwijzingsbeschikking betrekking heeft op personen die krachtens het BErzGG prestaties ontvangen (zie punt 8 van deze conclusie). Het staat in elk geval aan de nationale rechter, zich te vergewissen van de juistheid van het aldus geopperde percentage, voor zover dit betrekking heeft op personen aan wie wegens hun beperkt dienstverband de uitkering wordt geweigerd.
(23) - Punt 32, cursivering van mij.
(24) - Ibidem, punt 26.
(25) - Ibidem, met name punten 27, 28 en 30.
(26) - Ibidem, punt 26.
(27) - Punt 55 e.v. van haar opmerkingen.
(28) - Tot deze conclusie kwam ik in mijn conclusie bij de arresten Nolte en Megner en Scheffel, reeds aangehaald, punten 44-51, in het bijzonder punt 47.
(29) - Punt 51 van haar opmerkingen.
(30) - Met name punt 74.
(31) - Arrest van 30 november 1993, Kirsammer-Hack (C-189/91, Jurispr. blz. I-6185, punt 33).
(32) - Dit berust ongetwijfeld op het feit dat in het dictum van deze arresten, in tegenstelling tot de punten ervan, ter rechtvaardiging van de vermeende discriminatie enkel naar deze doelstelling van sociaal beleid wordt verwezen, en niet naar de doelstelling van werkgelegenheidsbeleid, die nochtans met name in punt 30 van arrest Megner en Scheffel, en in punt 34 van arrest Nolte, beide reeds aangehaald, wordt vermeld.
Full & Egal Universal Law Academy