Conclusie van de advocaat generaal
A - Inleiding
1 Bij arrest van 3 juni 1997(1) heeft het Gerecht van eerste aanleg uitspraak gedaan op het beroep dat mevrouw H(2), een voormalig ambtenaar van de Commissie, tegen die instelling had ingesteld. Zij had nietigverklaring gevorderd van de besluiten van de Commissie van 27 september 1994 (tot pensionering ambtshalve) en 27 juni 1995 (tot afwijzing van de klacht tegen dat besluit) en nietigverklaring van het advies van de invaliditeitscommissie van 13 september 1994, waarin was vastgesteld dat H niet in staat was haar taken te vervullen.
2 Het Gerecht verklaarde het beroep niet-ontvankelijk voor zover het strekte tot nietigverklaring van het advies van de invaliditeitscommissie en het besluit van 27 juni 1995, en wees het voor het overige af.
3 Bij verzoekschrift van 5 augustus 1997 heeft H tegen dit arrest hogere voorziening ingesteld.
B - Feiten en middelen en argumenten van partijen
4 Aan het arrest van het Gerecht liggen de volgende feiten ten grondslag. Daarbij moet worden bedacht, dat er een tijdlang twee verschillende procedures naast elkaar liepen (betreffende het besluit om H te pensioneren, respectievelijk het besluit om haar met ziekteverlof te sturen).
5 Aanvankelijk werd H op 17 maart 1993 krachtens artikel 59, lid 2, van het Ambtenarenstatuut ambtshalve met ziekteverlof gestuurd.
6 Hiertegen diende zij bij brief van 3 juni 1993 een klacht in. Volgens H is deze brief echter bij de Commissie zoekgeraakt. Daarop diende zij bij brief van 13 juni 1993 opnieuw een klacht in tegen het besluit van de Commissie.
7 Inmiddels was H bij besluit van 20 april 1993 naar de rang B 3 bevorderd.
8 Onder verwijzing naar de beweerdelijk verloren gegane klacht van 3 juni 1993 deelde de Commissie H vervolgens in een brief van 17 juni 1993 - die per gewone post naar H's adres in Brussel werd gestuurd - mee, dat zij, overeenkomstig artikel 59, lid 3, van het Statuut het advies van de invaliditeitscommissie zou inwinnen. Verder werd H verzocht een arts van haar keuze aan te wijzen om haar in die commissie te vertegenwoordigen. Daar H niet antwoordde, werd dit verzoek herhaald bij schrijven van 15 juli 1993 - dat eveneens per gewone post werd verstuurd. Hieraan was de mededeling toegevoegd, dat de Commissie, indien zij verder niets van H zou horen, de president van het Hof om benoeming van deze arts zou verzoeken.
9 Volgens H heeft de Commissie haar bij brief van 3 december 1993, die zij op 18 januari 1994 zegt te hebben ontvangen, haar beslissing op de klacht van 13 juni 1993 meegedeeld. In deze uitvoerig gemotiveerde beslissing werd echter niet op de brieven van 17 juni en 15 juli 1993 ingegaan.
10 Op 14 januari 1994 stelde H bij het Gerecht een beroep(3) in tegen de Commissie, waarmee zij nietigverklaring vorderde van het besluit van 17 maart 1993 om haar ambtshalve met ziekteverlof te sturen. Dit beroep trok zij vervolgens op 18 april 1995 in.
11 Omdat H geen arts van haar keuze had aangewezen, verzocht de Commissie de president van het Hof bij schrijven van 17 december 1993 om overeenkomstig artikel 7, tweede alinea, van bijlage II bij het Statuut ambtshalve een arts aan te wijzen.
12 In antwoord op het schrijven van de Commissie van 3 december 1993 stelde H de Commissie op 18 april 1994 in kennis van haar voornemen naar Italië te vertrekken om daar uit te zien naar een arts die haar in de invaliditeitscommissie kon vertegenwoordigen. Hierop heeft zij echter geen antwoord van de Commissie ontvangen.
13 Bij schrijven van 20 juni 1994 werd de Commissie de beschikking van de president van het Hof meegedeeld betreffende de keuze van een arts voor H. De door de Commissie aangewezen arts stelde, volgens de Commissie, nog diezelfde dag H schriftelijk in kennis van de instelling en de samenstelling van de invaliditeitscommissie. H stelt echter deze brief niet te hebben ontvangen.
14 Zonder H te hebben gehoord - omdat deze had geweigerd gehoor te geven aan oproepen te verschijnen - kwam de invaliditeitscommissie op 13 september 1994 tot de conclusie, dat zij aan een als volledig te beschouwen blijvende invaliditeit leed, waardoor zij de met een ambt van haar loopbaan overeenkomende werkzaamheden niet meer kon verrichten, en dat zij om die reden haar dienst bij de Commissie moest beëindigen.
15 H heeft zowel in de procedure voor het Gerecht als in deze procedure in hogere voorziening gesteld, dat de medische conclusies die ten grondslag liggen aan het besluit haar met ziekteverlof te sturen, en aan de beoordeling van haar invaliditeit, tot stand zijn gekomen zonder dat zij daarvoor is onderzocht en zonder gebruikmaking van andere onderzoeksresultaten, waarover zij beschikte. Als zij naar behoren op de hoogte was gesteld, had zij kunnen wijzen op bestaande en voor haar gunstige beoordelingen van andere artsen.
16 Bij brief van 27 september 1994 deelde het tot aanstelling bevoegd gezag H zijn besluit mee, haar overeenkomstig het advies van de invaliditeitscommissie met ingang van 1 oktober 1994 op grond van artikel 53 van het Statuut te pensioneren. De Commissie heeft in dit verband meegedeeld, dat deze brief, waarbij het aangevochten besluit was gevoegd en dat een administratief ontvangstbewijs bevatte, nog diezelfde dag door ambtenaren van de beveiligingsdienst aan het privéadres van H moest worden bezorgd. Daar H niet aanwezig was, kon het ontvangstbewijs echter niet door haar worden ondertekend.
17 Op 10 januari 1995 bevestigde H de ontvangst van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag. In de procedure voor het Gerecht verklaarde zij de brief ook pas op dat moment te hebben ontvangen.
18 Tegen dat besluit van 27 september 1994 diende zij op 6 april 1995 een klacht in.
19 Bij besluit van 27 juni 1995, dat H naar haar zeggen pas op 18 juli 1995 heeft ontvangen, wees de Commissie H's klacht af.
20 Voor het Gerecht vorderde H nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 27 september 1994 inzake haar pensionering ambtshalve, het besluit van de Commissie van 27 juni 1995 houdende afwijzing van haar klacht tegen dat besluit, en het advies van de invaliditeitscommissie van 13 september 1994.
21 Het Gerecht verklaarde het beroep deels niet-ontvankelijk en verwierp het voor het overige op gronden die hierna, bij de behandeling van de door H in hogere voorziening voorgedragen middelen, kort zullen worden weergegeven.
22 H concludeert, dat het den Hove behage:
1) de hogere voorziening ontvankelijk en gegrond te verklaren; 2) het arrest van het Gerecht te vernietigen;
3) vast te stellen dat het beroep in eerste aanleg ontvankelijk en gegrond was.
C - Discussie
1. De ontvankelijkheid van de hogere voorziening
23 Daar enkel de Commissie de ontvankelijkheid van de hogere voorziening ter sprake brengt, ga ik allereerst op haar betoog in.
24 De Commissie stelt in wezen, dat H's hogere voorziening zich beperkt tot de klacht, dat het Gerecht de feiten onjuist heeft beoordeeld. Hogere voorziening is echter enkel ontvankelijk wanneer zij berust op middelen betreffende schending van rechtsregels, die elke feitelijke beoordeling uitsluiten. Daar H echter enkel stelt, dat het Gerecht de door partijen aangevoerde feiten en de bewijskracht daarvan onjuist heeft beoordeeld, moet dit leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van de hogere voorziening.
25 Om overeenkomstig de procedure van artikel 168 A EG-Verdrag ontvankelijk te zijn en te voldoen aan het vereiste van artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG en artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering, moet volgens vaste rechtspraak van het Hof een verzoekschrift in hogere voorziening duidelijk aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan vernietiging wordt gevorderd, het is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven, en mag het zich niet beperken tot een herhaling of een letterlijke overneming van de middelen en argumenten die reeds voor het Gerecht zijn aangevoerd, met inbegrip van middelen en argumenten die zijn gebaseerd op een lezing van de feiten die uitdrukkelijk door het Gerecht is verworpen.(4) Een dergelijke hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingestelde beroep, iets wat op grond van de artikelen 49 en 51 van 's Hofs Statuut-EG niet mogelijk is.(5)
26 In haar eerste middel klaagt H over schending van haar rechten ex artikel 26, tweede en derde alinea, juncto artikel 7 van bijlage II van het Statuut.
27 Artikel 25, tweede alinea, van het Statuut bepaalt:
"Elk besluit dat overeenkomstig dit Statuut ten aanzien van een ambtenaar wordt genomen, dient onverwijld schriftelijk te zijner kennis te worden gebracht. Iedere voor hem nadelige beslissing dient met redenen te zijn omkleed."
28 Artikel 26 van het Statuut betreft de inhoud van het persoonsdossier. Het bepaalt in de eerste alinea, onder a, dat het persoonsdossier van de ambtenaar alle bescheiden dient in te houden welke betrekking hebben op zijn positie als ambtenaar, alsmede alle beoordelingen van zijn kundigheden, zijn prestaties en zijn gedrag.
29 De tweede en de derde alinea luiden als volgt:
"Elk dezer stukken dient te zijn ingeschreven, genummerd en opgeborgen in ononderbroken volgorde; stukken, bedoeld onder a, kan de instelling niet tegen de ambtenaar aanvoeren, noch te zijnen nadele gebruiken, indien zij hem niet zijn medegedeeld voordat ze aan zijn dossier worden toegevoegd.
De mededeling van elk stuk blijkt uit de handtekening die de ambtenaar hieronder heeft gesteld; bij gebreke daarvan geschiedt zij per aangetekende brief."
30 Met betrekking tot de invaliditeitscommissie bepaalt artikel 7, tweede alinea, van bijlage II bij het Statuut:
"Indien de betrokken ambtenaar in gebreke blijft, wordt door de president van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen ambtshalve een arts benoemd."
31 H stelt, dat in samenhang met de bijeenroeping en samenstelling van de invaliditeitscommissie vorm- en procedurefouten zijn gemaakt. Volgens het Statuut dient de invaliditeitscommissie een contradictoire procedure te volgen. Zelfs al zou het besluit van de president van het Hof om voor H een arts te benoemen om haar in de invaliditeitscommissie te vertegenwoordigen, niet meer zijn dan een administratieve handeling, dan nog is de procedure die eraan voorafgaat en daarop volgt, contradictoir van opzet. Daarom was de Commissie verplicht H overeenkomstig de vormvoorschriften van artikel 26, derde alinea, in kennis te stellen van zowel het verzoek aan de president als van diens besluit. Ook de mededeling van de brief van 20 juni 1994, waarmee zij in kennis zou zijn gesteld van de instelling en samenstelling van de invaliditeitscommissie, had uit de handtekening van H moeten blijken of, bij gebreke daarvan, per aangetekende brief moeten plaatsvinden. Door niet vast te stellen dat de Commissie met dit optreden - volgens H bestaande - vormvoorschriften heeft geschonden, zou het Gerecht het recht hebben geschonden.
32 In haar tweede middel klaagt H over schending van haar rechten ex artikel 9 van bijlage II bij het Statuut. Volgens de tweede alinea van dat artikel worden de conclusies van de invaliditeitscommissie aan het tot aanstelling bevoegd gezag en de betrokkene medegedeeld.
33 Zij betwist, dat de conclusies van de invaliditeitscommissie haar overeenkomstig de toepasselijke voorschriften zijn meegedeeld. Volgens haar heeft het Gerecht ten onrechte bewijskracht toegekend aan de door de Commissie gestelde feiten, zonder in te gaan op de voorwaarden die voor de kennisgeving gelden.
34 Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd te beoordelen, welk gewicht aan het hem voorgelegde bewijs moet worden toegekend.(6) Een hogere voorziening is echter ontvankelijk wanneer het Gerecht wordt verweten, te hebben beslist met schending van rechtsvoorschriften die het in acht had moeten nemen.(7) Evenzo kunnen ter ondersteuning van een hogere voorziening middelen worden voorgedragen betreffende de juridische beoordeling van feitelijke omstandigheden, waarmee wordt beoogd aan te tonen, dat het Gerecht ten aanzien van het recht heeft gedwaald.(8)
35 Volgens artikel 26 van het Statuut moet de mededeling van alle bescheiden die betrekking hebben op de ambtelijke positie van een ambtenaar, blijken uit de handtekening die de ambtenaar eronder heeft gesteld, en geschiedt zij, bij gebreke daarvan, per aangetekende brief. Daar H klaagt over miskenning van dit voorschrift door het Gerecht en voorts stelt, dat het Gerecht aan de voordracht van de feiten door de Commissie gegevens heeft ontleend die daarin niet te vinden zijn, verwijt zij het Gerecht dus, dat het enerzijds heeft beslist met schending van wettelijke voorschriften die in acht hadden moeten worden genomen, en anderzijds, dat het bewijzen onjuist heeft beoordeeld. Beide middelen zijn dan ook ontvankelijk.
36 In de punten 39 en 40 van zijn arrest merkt het Gerecht terecht op, dat het beroep niet ontvankelijk is voor zover het is gericht tegen het besluit van de Commissie van 27 juni 1995. Ieder uitdrukkelijk of stilzwijgend genomen besluit om een klacht zonder meer af te wijzen, vormt slechts een bevestiging van de handeling of het stilzitten waarover de betrokkene zich beklaagt, en vormt op zich geen voor bestrijding vatbare handeling. Eerst wanneer dat besluit geheel of ten dele gevolg geeft aan de klacht van de betrokkene, zal het in voorkomend geval op zich een voor beroep vatbare handeling vormen.(9) Een beroep tegen een simpele afwijzing moet dus worden geacht te zijn ingesteld tegen het bezwarend besluit, in casu het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag.
37 Ook het advies van de invaliditeitscommissie is niet meer dan een voorbereidende handeling in het kader van de procedure van pensionering ambtshalve krachtens artikel 53 van het Statuut, en is niet voor beroep vatbaar. Slechts tegen het besluit waarmee die procedure wordt afgesloten, kan beroep worden ingesteld, waarmee de betrokkene kan opkomen tegen de onregelmatigheid van nauw daarmee verbonden eerdere handelingen.(10)
2. Ten gronde
a) Het eerste middel
38 In haar eerste middel klaagt H over vormfouten bij de mededeling van schriftelijke stukken verband houdend met de bijeenroeping en samenstelling van de invaliditeitscommissie. Volgens haar waren de volgende besluiten haar niet volgens de regels meegedeeld: noch het besluit van de Commissie om de president van het Hof een arts voor H te laten benoemen, noch diens definitieve beschikking betreffende die arts hadden per gewone post mogen worden verstuurd. Evenmin was H volgens de regels op de hoogte gesteld van de definitieve samenstelling en de bijeenkomst van de invaliditeitscommissie. Uit het beginsel, dat de procedure voor de invaliditeitscommissie contradictoir is, en uit het belang van de conclusies van die commissie volgt, dat de mededeling van die stukken had moeten blijken uit de handtekening van H of per aangetekende brief had moeten plaatsvinden.
39 In punt 77 van zijn arrest verklaart het Gerecht, dat uit het dossier onmiskenbaar blijkt, dat het H bekend was, dat en in welke samenstelling de invaliditeitscommissie bijeen zou komen. Het Gerecht steunt hiervoor echter overwegend op de uiteenzettingen van de Commissie. Zo wordt in punt 81 van het arrest verklaard, dat H onder meer van de definitieve samenstelling van de invaliditeitscommissie op de hoogte is gesteld door de brief van de door de Commissie aangewezen arts van 20 juni 1994, die H echter zegt niet te hebben ontvangen.
40 Met betrekking tot de instelling van de invaliditeitscommissie oordeelt het Gerecht, dat de procedure waarbij de president van het Hof overeenkomstig artikel 7, tweede alinea, van bijlage II bij het Statuut een arts benoemt om een ambtenaar in een invaliditeitscommissie te vertegenwoordigen, teneinde het stilzitten van de betrokken ambtenaar te doorbreken, geen gerechtelijke procedure is, maar een administratieve handeling en dat deze procedure daarom ook niet op tegenspraak behoeft te worden gevoerd.(11)
41 Volgens vaste rechtspraak van het Hof hebben de bepalingen over de invaliditeitscommissie tot doel, de definitieve beslissing over alle vragen van medische aard bij medische deskundigen te leggen. Hieruit volgt, dat de rechterlijke toetsing zich niet kan uitstrekken tot de eigenlijke medische beoordelingen, die als definitief moeten worden beschouwd wanneer zij op regelmatige wijze tot stand zijn gekomen. De rechterlijke toetsing kan daarentegen wel betrekking hebben op de regelmatigheid van de instelling en de werking van die commissie en van het door haar uitgebrachte advies.(12) In zoverre kan het Gerecht het advies toetsen. Zijn er op dit punt gebreken (betreffende de vorm en de kennisgeving), dan kan dit het advies in zijn geheel aantasten, ook indien het medische deel juist is, met het gevolg dat het niet kan worden gebruikt.
42 Voor een regelmatige instelling van een invaliditeitscommissie is ook vereist, dat de hiervoor geldende vorm- en procedurevoorschriften in acht zijn genomen. Gezien de (nadelige) consequenties die de conclusies van de invaliditeitscommissie voor de betrokken ambtenaar kunnen hebben, en het feit dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet bevoegd is deze conclusies naar eigen inzicht te wijzigen of te vervangen, hadden zowel de instelling als de samenstelling van de invaliditeitscommissie, gelet op de strekking van artikel 26, derde alinea, van het Statuut, overeenkomstig dat artikel aan H moeten worden meegedeeld, daar die handelingen gevolgen kunnen hebben met een voor de ambtenaar ongunstig effect.
43 Uit de artikelen 25, tweede alinea, en 26, derde alinea, van het Statuut valt weliswaar niet precies op te maken, voor welke stukken nu in concreto een bijzondere kennisgeving vereist is, maar het besluit om een invaliditeitscommissie bijeen te roepen, het advies van die commissie en ten slotte het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag om de ambtenaar ambtshalve te pensioneren, hebben zulke verstrekkende gevolgen, dat de toepassing van de strengere vorm- en procedurevoorschriften - ook met het oog op de zorgplicht van de werkgever - geboden lijkt. Uit de tekst van de artikelen 25 en 26 van het Statuut valt niet ondubbelzinnig af te leiden, voor welke besluiten en schriftelijke stukken het mededelingsvereiste van artikel 26, derde alinea, geldt. In het bijzonder kan uit artikel 26, eerste alinea, niet worden opgemaakt, welke stukken in het persoonsdossier moeten worden opgenomen. Het ware wenselijk, dat het Statuut hieromtrent nauwkeuriger regelingen bevatte om een regelmatig verloop van de procedure te garanderen. Ook indien de besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag wellicht formeel niet meer zijn dan administratieve handelingen, mag niet over het hoofd worden gezien, welke bezwarende gevolgen daaraan verbonden kunnen zijn. De besluiten die leiden tot pensionering ambtshalve van een ambtenaar, betreffen diens positie als ambtenaar en moeten, alleen al op grond van de ernstige gevolgen ervan, overeenkomstig artikel 26, derde alinea, worden meegedeeld. Dat geldt wel in het bijzonder voor het onderhavige geval, waarin tussen H en de Commissie aanvankelijk twee verschillende procedures naast elkaar liepen. Het is niet uitgesloten, dat H brieven die verzonden waren in het kader van de procedure betreffende de bijeenroeping en samenstelling van de invaliditeitscommissie, heeft toegeschreven aan de procedure betreffende haar ziekteverlof. Dit had voorkomen kunnen worden door een regelmatige kennisgeving overeenkomstig artikel 26, derde alinea, van het Statuut in de tweede procedure.
44 Voorbijgaand aan de vorm van de kennisgeving heeft het Gerecht geconcludeerd, dat alle benodigde inlichtingen ter beschikking van H waren gesteld en dat zij daardoor in staat was geweest aan de betrokken procedure deel te nemen. Het Gerecht is echter niet ingegaan op de vraag, of de benodigde kennisgevingen volgens de vormvoorschriften hebben plaatsgevonden. Uit het enkele feit, dat de Commissie de brieven per gewone post heeft verstuurd, respectievelijk door een ambtenaar van de beveiligingsdienst aan het adres van H heeft laten bezorgen, kan niet worden geconcludeerd, dat er over het geheel genomen een regelmatige kennisgeving heeft plaatsgevonden.
45 In zoverre heeft het Gerecht onvoldoende rekening gehouden met H's rechten ex artikel 26, derde alinea, van het Statuut en heeft het uit de hem ter beschikking gestelde inlichtingen onjuiste conclusies getrokken, respectievelijk daaraan een bewijskracht toegeschreven die niet strookt met het bepaalde in artikel 26, derde alinea, van het Statuut.
46 In zoverre is de hogere voorziening dan ook gegrond.
b) Het tweede middel
47 In haar tweede middel klaagt H over schending van haar rechten ex artikel 9, eerste alinea, van bijlage II bij het Statuut.
48 Dit middel berust in grote lijnen op een zelfde betoog als het eerste middel. Het Gerecht zou ten onrechte hebben aangenomen, dat de Commissie het besluit betreffende de instelling en samenstelling van de invaliditeitscommissie naar behoren had meegedeeld.
49 Artikel 9, eerste alinea, van bijlage II bij het Statuut bepaalt, dat de ambtenaar aan de invaliditeitscommissie rapporten of attesten van zijn behandelend geneesheer of van andere door hem geraadpleegde artsen kan voorleggen. Om te kunnen garanderen dat de betrokken ambtenaar ook gebruik kan maken van dat recht, en omdat de conclusies van de invaliditeitscommissie voor de ambtenaar ernstige consequenties kunnen hebben, is het volgens haar ook hier noodzakelijk, dat de betrokken stukken hetzij per aangetekende brief aan de ambtenaar worden meegedeeld, hetzij dat de mededeling uit diens handtekening blijkt.
50 Met betrekking tot dit punt overweegt het Gerecht, dat het bewezen acht, dat H omtrent de instelling en de samenstelling van de invaliditeitscommissie voldoende was geïnformeerd. Dit blijkt volgens het Gerecht uit de opmerkingen van de artsen van de invaliditeitscommissie en uit de brief van 20 juni 1994, waarmee de door de Commissie aangewezen arts H op de hoogte had gesteld van de instelling en de samenstelling van de invaliditeitscommissie, wat zij echter betwist.
51 Ook hier toetst het Gerecht echter niet, of het optreden van de Commissie rechtmatig was. Het stelt met name niet de vraag, of de mededeling op een andere manier had moeten plaatsvinden dan per gewone post.
52 Wanneer artikel 9, eerste alinea, van bijlage II bij het Statuut bepaalt, dat de ambtenaar aan de invaliditeitscommissie rapporten of attesten van zijn behandelend geneesheer kan voorleggen, dan betekent dat, dat de betrokken ambtenaar ook in staat moet worden gesteld zijn rechten uit te oefenen. Dit moet a fortiori gelden waar het advies van de invaliditeitscommissie, wat zijn medische aspecten betreft, voor het tot aanstelling bevoegd gezag bindend is en dit gezag op zijn beurt zijn besluit op dat advies baseert. Ook hier moet worden bedacht, dat - zoals ik in punt 43 heb uiteengezet - er twee procedures naast elkaar liepen. Het Gerecht had dus ook hier moeten nagaan, of bij de mededeling de toepasselijke vorm- en procedurevoorschriften in acht waren genomen. Daar het Gerecht een dergelijke toetsing in casu echter niet heeft verricht, is het ervan uitgegaan, dat de opmerkingen van de Commissie bewijskracht hadden. Ook al moge in de praktijk veel pleiten voor de opvatting van de Commissie en de uitlegging van het Gerecht, dat H van de brieven op de hoogte was, toch neemt dat niet weg, dat haar rechten door de vormfouten bij de mededeling zijn geschonden.
53 Ook in zoverre is de hogere voorziening gegrond.
54 Daar de middelen gegrond zijn, dient het beroepen arrest te worden vernietigd en het besluit van de Commissie van 27 september 1994 (tot pensionering ambtshalve) nietig te worden verklaard.
Kosten
55 Volgens artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten indien de hogere voorziening gegrond is en het Hof de zaak zelf afdoet. Volgens artikel 69, lid 2, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij, behalve in haar eigen kosten, ook te worden verwezen in de kosten die H in de procedures voor het Gerecht en voor het Hof heeft gemaakt.
D - Conclusie
56 Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1) het bestreden arrest van 3 juni 1997 in zaak T-196/95 te vernietigen;
2) het besluit van de Commissie van 27 september 1994 om H ambtshalve te pensioneren, nietig te verklaren;
3) de Commissie te verwijzen in de kosten van beide instanties.
(1) - Arrest H/Commissie (T-196/95, JurAmbt. blz. II-403).
(2) - Omwille van de anonimiteit is de naam gewijzigd.
(3) - Zaak H/Commissie (T-8/94, doorgehaald bij beschikking van 10 mei 1995, PB C 159, blz. 29).
(4) - Arresten Hof van 29 mei 1997, De Rijk/Commissie (C-153/96 P, Jurispr. blz. I-2901), en 19 juni 1992, V./Parlement (C-18/91 P, Jurispr. blz. I-3997); beschikkingen Hof van 7 maart 1994, De Hoe/Commissie (C-338/93 P, Jurispr. blz. I-819), en 26 september 1994, X/Commissie (C-26/94 P, Jurispr. blz. I-4379).
(5) - Beschikking Hof van 26 april 1993, Kupka-Floridi/ESC (C-244/92 P, Jurispr. blz. I-2041).
(6) - Arresten Hof van 16 september 1997, Blackspur DIY e.a./Raad en Commissie (C-362/95 P, Jurispr. blz. I-4775), en 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a. (C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981).
(7) - Beschikkingen Hof van 28 november 1996, Odigitria/Raad en Commissie (C-293/95 P, Jurispr. blz. I-6129), en 11 juli 1996, An Taisce en WWF UK/Commissie (C-325/94 P, Jurispr. blz. I-3727).
(8) - Beschikking Hof van 30 april 1997, Moccia Irme/Commissie [C-89/97 P(R), Jurispr. blz. I-2327], en arrest Hof van 9 januari 1997, Commissie/Socurte e.a. (C-143/95 P, Jurispr. blz I-1).
(9) - Arrest Hof van 28 mei 1980, Kuhner/Commissie (33/79 en 75/79, Jurispr. blz. 1677), en beschikking Hof van 16 juni 1988, Progoulis/Commissie (371/87, Jurispr. blz. 3081).
(10) - Beschikking Hof van 24 mei 1988, Santarelli/Commissie (78/87 en 220/87, Jurispr. blz. 2699), en arrest Gerecht van 22 maart 1995, Kotzonis/ESC (T-586/93, Jurispr. blz. II-665).
(11) - Arrest H/Commissie, aangehaald in voetnoot 1, punt 80.
(12) - Arresten Hof van 4 oktober 1991, Commissie/Gill (C-185/90 P, Jurispr. blz. I-4779), en 19 januari 1988, Biedermann/Rekenkamer (2/87, Jurispr. blz. 143), en arrest Gerecht van 27 februari 1992, Plug/Commissie (T-165/89, Jurispr. blz. II-367, punt 75).
Full & Egal Universal Law Academy