Conclusie van de advocaat generaal
1 Deze zaak betreft een vermeend verwarringsgevaar bij de etikettering van Duitse wijnen. Is het aanhoudend gebruik van het sektmerk "Kessler Hochgewächs" verboden wegens een abstract gevaar voor verwarring met de aanduiding "Riesling-Hochgewächs", die zowel krachtens het gemeenschapsrecht als het nationale recht is voorbehouden aan wijnen die uitsluitend uit Riesling-druiven zijn vervaardigd?
I - De feiten en de toepasselijke bepalingen
A - De feiten
2 Sektkellerei G. C. Kessler GmbH & Co. (hierna: "Kessler") vervaardigt en verhandelt mousserende wijnen. Zij brengt al omstreeks 60 jaar haar sekt van topkwaliteit op de markt onder de benaming "Kessler Hochgewächs", die in Duitsland sinds 7 juni 1950 als warenmerk (nr. 615 242) is beschermd.
3 Verzoekster, de Verbraucherschutzverein e.V., een vereniging tot bescherming van de consument, maakt bezwaar tegen het gebruik van de aanduiding "Hochgewächs" op het etiket op de flessen Kessler sekt, omdat bij de consument ten onrechte de indruk kan worden gewekt, dat de basiswijn die voor de vervaardiging van de cuvée van de sekt werd gebruikt, een "Riesling-Hochgewächs" was als bedoeld in § 8a van de Duitse Weinverordnung(1), volgens welke bepaling witte kwaliteitswijn enkel als "Riesling-Hochgewächs" mag worden aangeduid, indien hij uitsluitend uit druiven van de druivensoort Riesling is vervaardigd. Aangezien Kessler voor de cuvée van haar sekt geen Riesling, doch hoofdzakelijk Franse wijnen van de druivensoort Chardonnay gebruikte, zou zij met het gebruik van de betwiste aanduiding zowel inbreuk maken op verordening (EEG) nr. 2333/92 van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de algemene voorschriften voor de omschrijving en de aanbiedingsvorm van mousserende wijn en mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd (hierna: "verordening nr. 2333/92")(2), als op § 3 van het Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb (Duitse wet tegen oneerlijke concurrentie). Verzoekster vorderde ten slotte, Kessler te verbieden haar sekt met de aanduiding "Hochgewächs" op de markt te brengen.
4 Kessler betwist deze vordering. Zij stelt, dat er geen sprake is van misleiding van de consument, omdat zij niet de combinatie "Riesling-Hochgewächs" gebruikt en de doelgroep uit de omschrijving van een sekt bovendien geen conclusies trekt ten aanzien van de gebruikte basiswijn. Subsidiair concludeert zij tot afwijzing van de vordering, omdat zij met betrekking tot de benaming "Kessler Hochgewächs" verworven rechten bezit, en de uitlegging van verordening nr. 2333/92 niet mag leiden tot aantasting van deze rechten.
B - Toepasselijke communautaire regelgeving
5 Op deze zaak is een groot aantal gemeenschapsrechtelijke bepalingen van toepassing. Ik zal eerst ingaan op de bepalingen die betrekking hebben op stille wijn. Artikel 11, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2392/89 van de Raad van 24 juli 1989 houdende vaststelling van de algemene voorschriften voor de omschrijving en de aanbiedingsvorm van wijn en druivenmost (hierna: "verordening nr. 2392/89") noemt de vermeldingen die op de etikettering van in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijn (hierna: "vqprd") moeten voorkomen.(3) In artikel 11, lid 2, sub c, wordt bepaald, dat de ingevolge artikel 11, lid 1, vereiste omschrijving mag worden aangevuld met "een merk, zulks overeenkomstig de voorwaarden van artikel 40". Artikel 40, lid 2, schrijft in bewoordingen die sterk overeenkomen met die van artikel 13, lid 2, van verordening nr. 2333/92 (aangehaald in punt 8 van deze conclusie) voor, dat deze merknamen geen aanleiding mogen geven tot verwarring of misleiding. Ingevolge artikel 11, lid 2, sub k, mogen tevens bijzonderheden betreffende, onder meer, "de bereidingswijzen" van de wijn worden vermeld. Aan verordening nr. 2392/89 is nadere invulling gegeven bij verordening (EEG) nr. 3201/90 van de Commissie van 16 oktober 1990 houdende uitvoeringsbepalingen voor de omschrijving en de aanbiedingsvorm van wijn en druivenmost.(4) Artikel 14, lid 3, sub a, van verordening nr. 3201/90 houdt een gemeenschapsrechtelijke erkenning van de aanduiding "Riesling-Hochgewächs" in, nu deze voorkomt in de uitputtende opsomming van "bijzonderheden" die mogen worden vermeld bij een Duitse vqprd die aan de Duitse wettelijke vereisten voldoet.
6 De omschrijving en aanbiedingsvorm van mousserende wijnen is geregeld in specifieke bepalingen van verordening nr. 2333/92. Artikel 3 noemt de verplichte aanduidingen, dat wil zeggen de aanduidingen die op de etikettering van flessen mousserende wijn moeten voorkomen. Artikel 4, lid 1, bepaalt, dat deze informatie "mag worden aangevuld met andere aanduidingen", op voorwaarde dat "deze aanduidingen geen verwarring kunnen doen ontstaan bij degenen voor wie deze informatie is bestemd, met name wat de in artikel 3 genoemde verplichte aanduidingen en de in artikel 6 genoemde facultatieve aanduidingen betreft [en] in voorkomend geval, dat artikel 6 in acht wordt genomen". Artikel 6 staat verschillende facultatieve vermeldingen op de etikettering toe. In dit geval zijn lid 8 en lid 11 van belang. Ingevolge artikel 6, lid 8, is "een aanduiding betreffende een hogere kwaliteit" enkel toegestaan voor, onder meer, "vmqprd" of "mousserende kwaliteitswijn", terwijl ingevolge lid 11 de vermeldingen "Premium" of "Réserve" alleen mogen worden gebruikt ter aanvulling van de vermelding "mousserende kwaliteitswijn".
7 De bepaling die in dit geval evenwel het meest relevant is, is artikel 13. Artikel 13, lid 1, stelt als algemene eis, dat "de omschrijving en aanbiedingsvorm van [mousserende wijnen], alsmede alle vormen van reclame voor deze producten (...) niet onjuist en van dien aard [mogen] zijn dat zij aanleiding kunnen geven tot verwarring of tot misleiding van de personen voor wie zij zijn bestemd (...)".
8 Artikel 13, lid 2, bevat specifieke voorschriften met betrekking tot merken. Het bepaalt, dat "wanneer de omschrijving, de aanbiedingsvorm en de reclame met betrekking tot [mousserende wijnen] met merken zijn aangevuld, (...) deze merken geen woorden, woorddelen, tekens of afbeeldingen [mogen] bevatten, die:
a) aanleiding kunnen geven tot verwarring of tot misleiding van de personen voor wie zij zijn bestemd, in de zin van lid 1, of
b) kunnen worden verward met de gehele of een gedeelte van de omschrijving van een tafelwijn, een in een bepaald gebied voortgebrachte kwaliteitswijn, met inbegrip van vmqprd, of een ingevoerde wijn waarvan de omschrijving bij communautaire bepalingen is geregeld, dan wel met de omschrijving van een van de andere in artikel 1, lid 1, genoemde producten; evenmin mogen zij gelijk zijn aan de omschrijving van een dergelijk product zonder dat de voor de samenstelling van de cuvée van de betrokken mousserende wijn gebruikte producten aanspraak kunnen maken op een dergelijke omschrijving of aanbiedingsvorm".
Ten slotte wordt in de eerste alinea van artikel 3, lid 3, bepaald:
"In afwijking van lid 2, onder b), mag de houder van een bekend merk dat voor een in artikel 1, lid 1, bedoeld product is geregistreerd en dat termen bevat die gelijk zijn aan de naam van een bepaald gebied of aan de naam van een kleinere geografische eenheid dan een bepaald gebied, zelfs indien hij krachtens lid 2 geen aanspraak op deze naam kan maken, dit merk blijven gebruiken wanneer het correspondeert met de identiteit van de oorspronkelijke houder of de oorspronkelijke naamgever, op voorwaarde dat de registratie van het merk minstens 25 jaar eerder heeft plaatsgehad dan de officiële erkenning van de betrokken geografische benaming door de producerende lidstaat overeenkomstig artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 823/87(5) voor wat betreft de vqprd en mits dat merk daadwerkelijk zonder onderbreking is gebruikt."
9 In de opmerkingen die in deze zaak zijn ingediend, wordt ten behoeve van de uitlegging van artikel 13 van verordening nr. 2333/92 tevens verwezen naar de tweede, de achtste en de achttiende overweging van de considerans van de verordening. De derde overweging is mijns inziens ook van belang. Deze vier overwegingen luiden respectievelijk als volgt:
"Overwegende dat het doel van elke omschrijving en aanbiedingsvorm moet zijn de eindverbruiker en de openbare instanties die zijn belast met het beheer en de controle van de handel in de betrokken producten, zo juist en zo nauwkeurig voor te lichten als nodig is om die producten te kunnen beoordelen; dat het derhalve dienstig is voorschriften vast te stellen aan de hand waarvan dat doel kan worden bereikt;
Overwegende dat ten aanzien van de omschrijving onderscheid moet worden gemaakt tussen de verplichte aanduidingen die nodig zijn om een mousserende wijn of een mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd, te identificeren, en de facultatieve aanduidingen die veeleer zijn bedoeld om de intrinsieke kenmerken van het product nader te omschrijven of het product duidelijk te onderscheiden van concurrerende producten van dezelfde categorie;
(...)
Overwegende dat om de handel in genoemde producten te vergemakkelijken, de keuze van de facultatieve aanduidingen aan de belanghebbenden dient te worden overgelaten en dat daarvan geen limitatieve lijst behoeft te worden opgesteld; dat deze keuze evenwel dient te worden beperkt tot aanduidingen die niet onjuist zijn en geen verwarring kunnen doen ontstaan bij de eindverbruiker of bij de personen voor wie deze informatie bestemd is;
(...)
Overwegende dat om eerlijke concurrentie tussen de verschillende soorten mousserende wijn en mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd, mogelijk te maken, dient te worden verboden dat de omschrijving of de aanbiedingsvorm van deze wijnen elementen bevat die aanleiding kunnen geven tot verwarring of onjuiste opvattingen bij personen voor wie zij zijn bestemd; dat met name soortelijke verbodsbepalingen dienen te worden vastgesteld voor merknamen die worden gebruikt voor de omschrijving van mousserende wijn of mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd."
C - De nationale procedure
10 Verzoeksters vordering werd zowel in eerste aanleg als in hoger beroep afgewezen. Het Oberlandesgericht Köln (hierna: "appèlrechter") oordeelde, dat verzoekster weliswaar had aangetoond, dat er sprake was van een gevaar van misleiding, doch niet het bewijs had geleverd, dat er daadwerkelijk iemand was misleid. In de context van artikel 13, lid 2, van verordening nr. 2333/92 diende naar het oordeel van de appèlrechter in concreto te worden vastgesteld, dat de term "Hochgewächs" de doelgroep kon misleiden; zonder instructie kon niet worden vastgesteld, dat het gebruik van de term aanleiding kon geven tot misleiding in de zin van artikel 13, lid 2, sub b, eerste alternatief; voorts kon de vordering niet op het tweede alternatief worden gebaseerd, omdat de aanduiding "Kessler Hochgewächs" slechts ten dele gelijk was aan de beschermde omschrijving "Riesling-Hochgewächs".
11 Verzoekster stelde "Revision" in bij het Bundesgerichtshof. Dit was van oordeel, dat voor zover de verwarring niet in concreto wordt vastgesteld, het merk "Kessler Hochgewächs" alleen met de beschermde omschrijving "Riesling-Hochgewächs" kon worden verward in de zin van het eerste alternatief van artikel 13, lid 2, sub b, van verordening nr. 2333/92, indien een abstract verwarringsgevaar voldoende zou zijn. Het stelt vast, dat de uitlegging van artikel 13, lid 2, sub b, van de appèlrechter - volgens welke daadwerkelijk moet worden vastgesteld dat er sprake is van verwarring - weliswaar in overeenstemming is met de eisen van artikel 2, lid 2, van richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake misleidende reclame (hierna: "richtlijn 84/450")(6), doch wellicht verder gaat dan de bewoordingen van artikel 13, lid 2, sub b, van verordening nr. 2333/92. Daarbij merkt het Bundesgerichtshof op, dat het feit dat in artikel 13, lid 1 en lid 2, sub a, de begrippen "aanleiding kunnen geven tot verwarring" en "of tot misleiding" naast elkaar worden gebruikt, erop zou kunnen duiden, dat indien er geen sprake is van een gevaar van verwarring "het verbod daarnaast een gevaar van misleiding verlangt" en dat artikel 13, lid 2, sub b, gelezen in samenhang met de tweede overweging van de considerans, bijgevolg zou kunnen betekenen, dat "de enkele omstandigheid dat beide omschrijvingen kunnen worden verward, voldoende is". Bijgevolg heeft het Bundesgerichtshof het Hof de volgende twee prejudiciële vragen gesteld:
"a) Volstaat het voor de toepassing van het verbod van artikel 13, lid 2, sub b, van genoemde verordening, dat wordt vastgesteld, dat een woord van een ter omschrijving van mousserende wijn gebruikt merk (in casu: Hochgewächs) kan worden verward met een gedeelte van de omschrijving van een niet voor de samenstelling van de cuvée van die mousserende wijn gebruikte wijn (in casu: Riesling-Hochgewächs), ook wanneer niet is vastgesteld, dat bij een niet onaanzienlijk deel van de consumenten een verkeerde, het koopgedrag beïnvloedende indruk omtrent de samenstelling van de cuvée is gewekt, noch dat de merkhouder het oogmerk had bedrog te plegen?
b) Zo ja, kan de intellectuele eigendom die de merkhouder op grond van traditioneel, ongestoord gebruik van zijn merk op nationaal grondgebied heeft verworven, als te beschermen hoger belang aan de toepassing van het verbod van artikel 13, lid 2, sub b, van die verordening in de weg staan?"
II - Opmerkingen
12 Verzoekster, Kessler, de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend en, met uitzondering van Duitsland, tevens mondelinge opmerkingen gemaakt.
III - Standpuntbepaling
13 Nu duidelijk uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat de appèlrechter geen concrete verwarring heeft vastgesteld, kan verzoeksters beroep in het hoofdgeding enkel slagen, indien haar standpunt inzake de strekking van het verbod van artikel 13, lid 2, sub b, van verordening nr. 2333/92 kan worden aanvaard. Eerst dan rijst de tweede vraag.
A - Vraag 1 en het begrip "verwarring"
i) Inleidende opmerkingen
14 Ofschoon deze zaak onmiskenbaar het specifieke verbod van artikel 13, lid 2, sub b, betreft, dat enkel betrekking heeft op merken "die kunnen worden verward", deel ik het standpunt van het Bundesgerichtshof, dat deze bepaling niet los kan worden gezien van artikel 13, lid 1, of artikel 13, lid 2, sub a. Dit laatste herhaalt het algemene verbod van het eerste voor merken. Ingevolge artikel 13, lid 2, sub a, is het onder meer verboden in merken "woorden" te gebruiken die "aanleiding kunnen geven tot verwarring of tot misleiding van de personen voor wie zij zijn bestemd". Artikel 13, lid 2, sub b, betreft meer specifiek de elementen van merken die "kunnen worden verward" met de gehele of een gedeelte van de omschrijving van wijnen. De eerste vraag gaat over de uitlegging van deze bepaling.
15 De vraag is, of door het gebruik van het merk "Kessler Hochgewächs" voor sekt bij de consument de indruk kan worden gewekt, dat "de voor de samenstelling van de cuvée van [die] mousserende wijn gebruikte producten" aanspraak kunnen maken op de omschrijving "Riesling-Hochgewächs". Ik ben het met de appèlrechter eens, dat Kesslers merk niet "gelijk" aan de beschermde omschrijving kan worden geacht, omdat beide hooguit slechts ten dele overeenkomen. Het tweede alternatief van artikel 13, lid 2, sub b, is in casu derhalve niet relevant. Een gevaar voor verwarring wordt - terecht - aanwezig geacht wanneer een benaming wordt gebruikt die gelijk is aan een beschermde omschrijving.
ii) De strekking van het eerste alternatief van artikel 13, lid 2, sub b
16 Derhalve dient te worden onderzocht, wat de strekking is van het eerste alternatief van artikel 13, lid 2, sub b, van verordening nr. 2333/92. Verzoekster plaatst "aanleiding kunnen geven tot verwarring of tot misleiding" in artikel 13, lid 2, sub a, tegenover "kunnen worden verward" in artikel 13, lid 2, sub b, en leidt daaruit af, dat in deze laatste situatie een louter verwarringsgevaar reeds voldoende is. Dit in wezen op de formulering gebaseerde argument omvat twee elementen. In de eerste plaats wordt onderscheid gemaakt tussen "misleiding" en "verwarring" en op basis daarvan gesteld, dat artikel 13, lid 2, sub b, enkel verwarring betreft. In de tweede plaats wordt ervan uitgegaan, dat voorzover deze bepaling enkel "verwarring" betreft, een gevaar voor verwarring alleen al voldoende is.
17 Deze grammaticale interpretatie van verzoekster overtuigt mij niet; ik geef in grote lijnen de voorkeur aan het standpunt van de Commissie. Het doel van het onderscheid tussen de combinatie van misleiding en verwarring enerzijds en alleen verwarring anderzijds, is te vinden in de derde overweging van de considerans van verordening nr. 2333/92. Daarin wordt een fundamenteel onderscheid gemaakt tussen "de verplichte aanduidingen die nodig zijn om een mousserende wijn of een mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd, te identificeren, en de facultatieve aanduidingen die veeleer zijn bedoeld om de intrinsieke kenmerken van het product nader te omschrijven of het product duidelijk te onderscheiden van concurrerende producten van dezelfde categorie". Dit onderscheid komt voor het eerst tot uitdrukking in artikel 13, lid 1, dat betrekking heeft op de "omschrijving en aanbiedingsvorm" van wijnproducten, in het bijzonder op concrete informatie over het type wijn en gegevens als samenstelling, alcoholgehalte, oogstjaar, herkomst en naam van de producenten. In de voorschriften inzake deze punten is het verbod ruim genoeg om daaronder misleidende voorlichting te doen vallen, in welk geval de consument al dan niet opzettelijk onjuiste informatie krijgt, maar ook verwarring, in welk geval het begrip minder concreet is dan bedrog, doch nog altijd betrekking heeft op de essentiële gegevens die op het product worden vermeld.
18 Artikel 13, lid 2, heeft evenwel betrekking op het gebruik van merken en de mogelijkheid van misleiding of verwarring met, onder meer, doch niet uitsluitend, producten van concurrenten. Artikel 13, lid 2, sub a, noemt beide begrippen, maar verwijst naar artikel 13, lid 1. Daaruit blijkt mijns inziens, dat het ook hier om onjuiste of misleidende informatie gaat. Het beoogde slachtoffer van de verwarring is hier, evenals in artikel 13, lid 2, sub b, primair de consument.(7) Aanleiding is telkens het gebruik van een merknaam. Artikel 13, lid 2, sub b, betreft verwarring - als gevolg van het gebruik van een merknaam - met een bepaald aantal voorbehouden benamingen, in casu "Riesling-Hochgewächs". Nergens wordt evenwel bepaald, wanneer er sprake is van verwarring, wat moet worden bewezen, dan wel of een louter abstract risico, in tegenstelling tot waarschijnlijkheid, reeds voldoende is. Ofschoon "misleiding" en "verwarring" elkaar overlappende begrippen zijn, hebben zij een verschillende betekenis. Verwarring is de toepasselijke term, wanneer in de context van artikel 13, lid 2, het effect van een vermeend soortgelijk merk op de consument aan de orde is. Zoals altijd gaat het erom, voldoende bewijzen te leveren, dat een merk met een ander merk kan worden verward.
iii) De omvang van de vereiste verwarring
19 Verzoekster stelt met ondersteuning van Frankrijk, zakelijk weergegeven, dat het Hof het begrip "verwarring" in artikel 13 van verordening nr. 2333/92 autonoom moet uitleggen. Het moet zich niet laten beïnvloeden door artikel 2, lid 2, van de richtlijn inzake misleidende reclame dat, nu dit door het Hof aldus is uitgelegd, dat op het punt van de verwarring van een redelijkerwijs goed geïnformeerde consument moet worden uitgegaan, een te laag peil van consumentenbescherming biedt.(8) Volgens verzoekster zou een dergelijke eis bovendien de door verordening nr. 2333/92 nagestreefde harmonisering op losse schroeven zetten, aangezien de toepassing van de richtlijn dan zou afhangen van de opvattingen van bepaalde geledingen van de bevolking in de verschillende lidstaten.
20 Frankrijk stelt, dat verordening nr. 2333/92 beoogt te garanderen, dat de consument volledige informatie wordt verstrekt over de wijn die hij koopt. Alleen de in de verordening geregelde verplichte of facultatieve vermeldingen zijn toegestaan. Hieruit volgt, dat potentieel misleidende aanduidingen in merken, ook indien deze niet opzettelijk worden gebruikt, ontoelaatbaar zijn.
21 Deze argumenten snijden volgens mij geen hout. Het antwoord op deze argumenten volgt mijns inziens in de eerste plaats uit het impliciete en expliciete standpunt van de gemeenschapswetgever inzake de functie van merken bij de etikettering van wijn en in de tweede plaats uit de rechtspraak van het Hof waarin specifiek de vastgestelde wijnverordeningen worden uitgelegd.
22 In de eerste plaats lijkt het mij duidelijk, dat verordening nr. 2333/92 het gebruik van merknamen niet verbiedt, zoals de Commissie en Duitsland betogen. Evenals verordening nr. 2392/89 voorziet zij duidelijk in voortzetting van het gebruik van merken bij de etikettering van wijn. Ik ben het met de Commissie eens, dat de gemeenschapswetgever bij de vaststelling van artikel 13 van verordening nr. 2333/92 de doelstellingen van consumentenbescherming en eerlijke concurrentie heeft afgewogen tegen de noodzaak van eerbiediging van merkrechten. Tot staving van dit standpunt verwijst de Commissie, ondersteund door Duitsland, naar de achtste en de achttiende overweging van de considerans van verordening nr. 2333/89 (aangehaald in punt 9). Deze overwegingen geven blijk van het streven de verplichtingen terzake van het verstrekken van informatie over de wezenlijke eigenschappen van producten, datgene wat deze onderscheidt van concurrerende producten, effectieve marketing en concurrentie, en het vermijden van verwarring met elkaar in overeenstemming te brengen. Zoals de Commissie terecht betoogt, zou ernstig afbreuk worden gedaan aan de door artikel 13 beoogde afweging, indien het gebruik van een als merk beschermde benaming reeds bij het bestaan van een abstract verwarringsgevaar zou kunnen worden verboden.
23 Uit artikel 13, lid 3, van verordening nr. 2333/92 (aangehaald in punt 8), dat in casu weliswaar niet van toepassing is, zoals Frankrijk opmerkt, blijkt duidelijk welk betekenis merknamen toekomt. Het thans in geding zijnde merk is niet gelijk aan de beschermde omschrijving "Riesling-Hochgewächs". Er is evenwel geen logische of principiële reden waarom de gemeenschapswetgever in de in artikel 13, lid 3, bedoelde omstandigheden het voortgezette gebruik van dergelijke merken die identiek zijn aan een beschermde omschrijving wel zou toestaan, en het gebruik van merken die slechts ten dele overeenkomen met beschermde omschrijvingen zou willen verbieden zodra er sprake is van een abstract verwarringsgevaar.
24 Een volgende reden om een louter abstract verwarringsgevaar niet voldoende te achten vloeit voort uit de opmerking van Duitsland, ondersteund door Kessler, dat anders een anomalie zou ontstaan tussen het gebruik van merken op etiketten en "aanduidingen betreffende een hogere kwaliteit". Aangezien het gebruik van kwaliteitsaanduidingen krachtens artikel 6, lid 8, van verordening nr. 2333/89 uitdrukkelijk is toegestaan, mag een producent van mousserende wijn in plaats van de in artikel 6, lid 11, erkende vermeldingen "Premium" of "Réserve" op het etiket "Hochgewächs" vermelden ter aanvulling van een aanduiding betreffende de hogere kwaliteit van zijn product. Ofschoon een dergelijke aanduiding in abstracto bij een aantal consumenten de indruk kan wekken, dat de betrokken mousserende wijn is vervaardigd op basis van een cuvée die voldoet aan de eisen van de omschrijving "Riesling-Hochgewächs", zou het gebruik van die aanduiding niet onder artikel 13, lid 2, vallen, maar onder de algemene bepalingen van de artikelen 4, lid 1, en 13, lid 1, omdat het niet een deel van een merk betreft. Ik deel het standpunt van Duitsland, dat de aparte vermelding van kwaliteitsaanduidingen op het etiket van mousserende wijn niet onder een andere regeling behoort te vallen dan het gebruik van dergelijke aanduidingen als deel van een merk. Zoals Duitsland opmerkt, kan men immers stellen, dat het verwarringsgevaar kleiner is wanneer deze aanduidingen duidelijk in een merknaam voorkomen, in plaats van afzonderlijk op het etiket, aangezien de consument dan kan zien dat zij een onderdeel zijn van het merk en derhalve niet noodzakelijkerwijs als informatie over het product hoeven te worden beschouwd. Mijns inziens biedt de verordening geen aanknopingspunten om aan te nemen, dat de auteurs het gebruik van kwaliteitsaanduidingen bij mousserende wijn, dat zij in artikel 6, leden 8 en 11, uitdrukkelijk hebben toegestaan, zouden willen verbieden, wanneer deze louter theoretisch verwarring zouden kunnen doen ontstaan met betrekking tot de eigenschappen van de in de basiswijn gebruikte cuvée. Aan het gebruik van dergelijke aanduidingen in merken dienen geen strengere eisen te worden gesteld, met name gelet op de betrokken eigendomsrechten. Op grond van de bewoordingen van deze bepalingen en in het bijzonder gelet op de belangrijke functie van merken ben ik van mening, dat een louter abstract verwarringsgevaar niet voldoende is voor de toepassing van artikel 13, lid 2, sub b, van verordening nr. 2333/92.
25 In de tweede plaats zal ik een aantal arresten van het Hof bespreken die betrekking hebben op vergelijkbare verboden in andere communautaire regelingen, met name in de grotendeels gelijkluidende verordening nr. 2392/89. In de zaak Langguth(9) boog het Hof zich over het gebruik van de aanduidingen "Kabinett", "Spätlese", "Auslese" en "Weißherbst" als onderdeel van het merk van bepaalde stille kwaliteitswijnen. Deze aanduidingen (met uitzondering van het facultatieve "Weißherbst") zijn verplicht bij de omschrijving van Duitse kwaliteitswijnen (Qualitätswein mit Prädikat), maar in de litigieuze merken kwamen zij op in het oog springende wijze voor in een lettertype dat ongeveer drie maal zo groot was als het lettertype van de gebiedsaanduiding. Het Hof was van oordeel, dat de zaak onder artikel 40 van verordening nr. 2392/89 viel, omdat de gewraakte aanduidingen in een merknaam voorkwamen. De bewoordingen van artikel 40, lid 2, zijn vrijwel gelijk aan die van artikel 13, lid 2.(10) Het Hof verwierp het betoog van de Commissie en verzoekster, dat de toevoeging van de omstreden aanduidingen op een dusdanig opvallende wijze aanleiding kon geven tot verwarring of misleiding, met name bij consumenten buiten Duitsland. Na de vaststelling, dat in verordening nr. 2392/89 niet de toelaatbare grootte van het lettertype van een merk wordt geregeld, oordeelde het Hof:
"Bijgevolg kan een merk niet worden geacht aanleiding te geven tot verwarring of misleiding van de personen voor wie het is bestemd, omdat het op een opvallende wijze is aangebracht, ook al bevat het een woord dat volgens de regeling een gegeven is dat kan worden gebruikt voor de omschrijving van een vqprd."(11)
Vervolgens stelde het Hof vast, dat uit de tekst van artikel 40 van verordening nr. 2392/89 blijkt, "dat deze bepaling vooral tot doel heeft het misleidend gebruik van merken te verhinderen (...)".(12) Verzoekster tracht een onderscheid te maken tussen de zaak Langguth en de onderhavige zaak door erop te wijzen, dat de destijds in geding zijnde wijnen gerechtigd waren de aanduidingen te voeren waarnaar in de litigieuze merken werd verwezen. Ik acht dit onderscheid niet overtuigend. Het gaat ervan uit, dat Kessler in casu niet bevoegd is de aanduiding "Hochgewächs" in haar merk te voeren, terwijl het Hof in het arrest Langguth heeft beklemtoond, dat artikel 40 van verordening nr. 2392/89 geen beperking oplegt ter zake van het lettertype of de afmetingen van een merk.
26 Onomstreden is, dat Kessler het in geding zijnde merk al circa 60 jaar gebruikt. Gelet op artikel 222 van het Verdrag en de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, krachtens welke "zowel het recht van eigendom als het recht van vrije beroepsuitoefening"(13) worden gewaarborgd, luidt de hamvraag volgens mij, of Kessler in het belang van het vermijden van het verwarringsgevaar waartoe het litigieuze merk leidt, in de uitoefening van haar eigendomsrechten is beperkt. Vanuit deze gezichtshoek meen ik, dat ten behoeve van de uitlegging van artikel 13, lid 2, van verordening nr. 2333/92 uit het arrest Langguth kan worden afgeleid, dat alvorens te kunnen vaststellen, dat te goeder trouw gebruikte merken "aanleiding kunnen geven tot verwarring of tot misleiding van de personen voor wie zij zijn bestemd" (cursivering van mij), de nationale rechter die bevoegd is tot vaststelling van de feiten, ervan overtuigd moet zijn dat er daadwerkelijk een gevaar voor verwarring bestaat.(14)
27 Daarnaast heeft advocaat-generaal Léger in zijn conclusie in de zaak Langguth opgemerkt, dat verordening nr. 2392/89 geen volledige harmonisering van de omschrijving en aanbiedingsvorm van wijn en druivenmost heeft bewerkstelligd. Verder stelde hij, dat de voorschriften inzake het gebruik van herkomstaanduidingen niet het gebruik daarvan als merknaam regelen, waarna hij mijns inziens terecht beklemtoonde, dat de nationale rechter dient uit te maken of een aanduiding aanleiding kan geven tot misleiding of verwarring van de consument.
28 De zaak Voisine(15) betrof eveneens verordening nr. 2392/89 en in het bijzonder de vraag, of versieringen op flessen wijn (en mousserende wijn) die geen verband houden met de wijn zelf, onder de in artikel 38 van die verordening gegeven definitie van etikettering vallen. In een strafzaak krachtens een Franse wet inzake fraude en vervalsing van producten werd gesteld, dat het misleidend was in bepaalde steden flessen in de handel te brengen "waarop foto's waren aangebracht van de steden waar de flessen werden verkocht, alsmede een korte tekst over de geschiedenis van de betrokken stad".(16) Dergelijke etiketten zouden de kopers kunnen misleiden ten aanzien van de herkomst van de wijn. Het Hof stelde vast, dat een dergelijke versiering onder de definitie van etikettering viel, omdat zij de consument kon misleiden, ook al hield zij geen verband met de wijn zelf. Na tevens de in artikel 40, lid 2, van verordening nr. 2392/89 genoemde voorwaarden inzake het gebruik van merken ter aanvulling van de omschrijving op de etikettering van wijn in zijn oordeel te hebben betrokken, verklaarde het Hof, dat versieringen zoals de door Voisine gebruikte, onder deze voorwaarden vielen. Het Hof heeft in wezen enkel beslist, dat etiketten van de in geding zijnde soort onder de definitie van etikettering vielen, onder meer omdat zij de consument konden misleiden met betrekking tot de herkomst van de wijn. Het werd aan de nationale rechter overgelaten om deze vaststelling op het concrete geval toe te passen en het Hof hoefde in die zaak niet in te gaan op de vraag, of er sprake kon zijn van verwarring als gevolg van het gebruik van merken.(17)
29 Dit standpunt strookt met de rechtspraak van het Hof op andere gebieden, zoals op het punt van de richtlijn inzake misleidende reclame.(18) In de zaak X diende het Hof zich in hoofdzaak te buigen over de vraag, of een voertuig dat eerder in België was geregistreerd, doch aldaar niet aan het verkeer had deelgenomen en vervolgens in Frankrijk was ingevoerd, nog altijd als "nieuw" kon worden aangemerkt.(19) Het Hof was met de Commissie van oordeel, dat een auto pas het karakter van nieuw voertuig verliest wanneer ermee op de openbare weg wordt gereden, doch liet het aan de nationale rechter over om "gelet op de omstandigheden van het geval, na te gaan of deze reclame, rekening houdend met de consumenten tot wie zij zich richt, een misleidend karakter kan hebben, in zoverre zij zou beogen te verhelen dat de als nieuw aangeboden voertuigen vóór de invoer zijn geregistreerd, en deze omstandigheid een aanzienlijk aantal consumenten van aankoop zou hebben doen afzien".(20)
30 In gevallen waarin een beroep werd gedaan op redenen verband houdende met de consumentenbescherming ter rechtvaardiging van beperkingen van de verkoop of het in de handel brengen van ingevoerde producten die anders in strijd zouden zijn met artikel 30 van het Verdrag, hanteerde het Hof het begrip "consument met een redelijk onderscheidingsvermogen".(21) Het is het Hof weliswaar bekend, dat de door Kessler in haar cuvée gebruikte wijnen merendeels uit Frankrijk zijn ingevoerd, doch in deze zaak, die betrekking heeft op de verkoop van in Duitsland geproduceerde mousserende wijn in Duitsland, is de eventuele toepasselijkheid van artikel 30 niet aan de orde gesteld. Toch denk ik, dat het belang van de verwijzing naar "consument met een redelijk onderscheidingsvermogen" daarin is gelegen, dat zij erop duidt, dat het Hof in het algemeen niet snel geneigd is het begrip verwarring uitermate ruim uit te leggen, gelet op het mogelijke handelsbeperkende effect. Zo kwam het Hof met betrekking tot merken in de zaak IHT Internationale Heiztechnik en Danziger(22), onder verwijzing naar zijn eerdere vaststelling in het arrest Deutsche Renault(23) dat "het gemeenschapsrecht geen enge uitlegging van het begrip verwarringsgevaar voorschrijft", tot het oordeel, dat er van een willekeurige beperking van de handel tussen de lidstaten sprake zou zijn "indien [een] nationale rechter bij de beoordeling of de producten gelijksoortig zijn, willekeurig te werk zou gaan".(24)
31 Verzoekster acht de eis van een concreet bewijs voor de verwarring evenwel buitengewoon zwaar en vindt, dat deze niet zou moeten gelden bij de uitlegging van artikel 13, lid 2, sub b, van verordening nr. 2333/92. In zijn geheel bezien en in samenhang met de achttiende overweging van de considerans van de verordening, beoogt artikel 13, lid 2, mijns inziens alles in de omschrijving of aanbiedingsvorm van mousserende wijnen te verbieden wat aanleiding zou kunnen geven tot misleiding of verwarring van degenen voor wie het etiket is bestemd. Of er een gevaar van verwarring bestaat, kan worden afgeleid uit een vergelijking van de etiketten, verricht door de nationale rechter op basis van zijn eigen beoordeling van de mate waarin zij overeenstemmen. Dit kan al dan niet worden aangevuld met bewijs in de vorm van markt- of consumentenonderzoeken en dergelijke. Ik vind niet dat een dergelijke pragmatische handelwijze - die in wezen overeenkomt met de handelwijze van de Duitse rechters in deze zaak - een ongemeen zware last oplegt.
32 Voor dit standpunt is ook steun te vinden in 's Hofs uitlegging van de merkenrichtlijn.(25) Van belang is dat het Hof in het arrest Sabel(26), waarin het weliswaar ging om verwarring ter zake van verschillende merken, heeft verklaard, dat het "verwarringsgevaar (...) globaal [dient] te worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval".(27) Ten aanzien van artikel 4, lid 1, sub b, waarin sprake is van de mogelijkheid dat bij het publiek verwarring ontstaat, stelde het vast, dat blijkens dat artikel "de indruk die bij de gemiddelde consument van de betrokken soort waren of diensten achterblijft, een beslissende rol [speelt] in de globale beoordeling van het verwarringsgevaar".(28) De gemiddelde consument, aldus het Hof verder, "neemt een merk gewoonlijk als een geheel waar en let niet op de verschillende details ervan".(29)
33 Het onlangs gewezen arrest in de zaak Gut Springenheide - inzake beweerdelijk misleidende informatie in zowel het handelsmerk als op een inlegvel in de verpakking van eieren - bevestigt de neiging van het Hof om zich consistent op te stellen ten aanzien van misleidende informatie betreffende landbouw- of industrieproducten, hetzij krachtens het Verdrag, hetzij krachtens het afgeleide recht.(30)
34 De informatie die in de zaak Gut Springenheide en Tusky misleidend werd geacht, betrof het voeder dat aan legkippen werd gegeven en moest de afzet van hun eieren bevorderen. Door de bevoegde Duitse controledienst werd een boete opgelegd. Het beroep tegen deze boete werd zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verworpen. De appèlrechter was van oordeel, dat een niet onaanzienlijk deel van de consumenten door de vermelding kon worden misleid. In "Revision" stelde de verwijzende rechter zich op het standpunt, dat de bepaling(31) waarin het betrokken verbod is neergelegd, te weten het verbod op verpakkingen misleidende verkoopbevorderende aanduidingen aan te brengen, op twee manieren kon worden uitgelegd:(32)
"Ofwel moeten de feitelijke verwachtingen van de consument als maatstaf voor het misleidend karakter van de betrokken vermeldingen worden genomen, en dan moeten die verwachtingen in voorkomend geval door middel van een representatieve enquête onder de consumenten of op basis van een deskundigenonderzoek worden vastgesteld, ofwel de betrokken bepaling berust op een objectief, enkel juridisch uit te leggen begrip $koper', dat losstaat van de concrete verwachtingen van de consumenten."
Na te hebben vastgesteld, dat het betrokken verbod overeenkwam met het in verordening nr. 2392/89 neergelegde verbod, verklaarde het Hof dat het, wanneer het over de nodige gegevens beschikte en de oplossing voldoende duidelijk leek om het geschil zelf te beslechten, "bij de beoordeling, of de benaming, het merk of de reclame-uiting de koper al dan niet kon misleiden, [uitging] van de vermoedelijke verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument, en dat het geen deskundigen- of opinieonderzoek [gelastte]".(33) Wanneer de stukken daarentegen niet tot een duidelijke oplossing leiden, laat het Hof het aan de nationale rechter over om uit te maken, of de omschrijving of het merk misleidend is.
35 Ik zie geen reden om deze zaak niet op dezelfde wijze af te doen. De bevoegde nationale rechter dient vast te stellen of, ongeacht het abstracte verwarringsgevaar als gevolg van het langdurig gebruik van het betwiste merk, gemiddeld oplettende leden van de doelgroep er daadwerkelijk toe kunnen worden gebracht het betwiste handelsmerk "Kessler Hochgewächs" te verwarren met de beschermde omschrijving "Riesling-Hochgewächs". De nationale rechter zal in staat zijn met name het effect op de Duitse consument te beoordelen. In dit verband zij eraan herinnerd, dat het Hof in het arrest Graffione(34) in navolging van punt 10 van de conclusie van advocaat-generaal Jacobs heeft verklaard, dat "het wegens de taalkundige, culturele en sociale verschillen tussen de lidstaten mogelijk [is] dat een merk dat in de ene lidstaat niet misleidend is voor de consument, dit in een andere lidstaat wel is".(35)
36 Vermeldenswaard is, zoals Kesslers raadsman ter terechtzitting heeft opgemerkt, dat krachtens het Duitse recht de rechter kan beslissen, dat verwarring niet behoeft te worden bewezen, indien hij zelf in staat is vast te stellen, dat er een reëel gevaar van verwarring of vergissing bestaat. Dit is met name het geval, wanneer de rechters zelf tot de potentiële consumenten behoren voor wie de beweerdelijk tot misleiding of verwarring aanleiding gevende vermelding is bestemd. De gegevens waarover het Hof in deze zaak beschikt, lijken er evenwel op te duiden, dat buiten de handelskringen de kennis van de betekenis van de omschrijving "Riesling-Hochgewächs" beperkt is. Onder deze omstandigheden is het nauwelijks verrassend, dat in casu de Duitse rechters in eerste aanleg en in hoger beroep op basis van alleen de stukken niet meer dan een abstract verwarringsgevaar bewezen achtten. Om de reeds genoemde redenen kan dat niet leiden tot beperking van het duurzaam gebruik te goeder trouw van een erkende benaming, met name niet wanneer deze als merk is beschermd. Wil een consumentenorganisatie als verzoekster een verbod van een dergelijk zuiver gebruik van een handelsmerk verkrijgen, dan zal zij bijgevolg bereid moeten zijn het bewijs te leveren, hetzij via getuigen-deskundigen, hetzij door passende marktonderzoeken te verrichten dan wel anderszins, dat bij de doelgroep daadwerkelijk verwarring kan worden gewekt.
37 Hieruit volgt naar mijn mening, dat een abstract verwarringsgevaar als gevolg van het gebruik van een merk op flessen mousserende wijn op zichzelf niet voldoende is om het verbod van artikel 13, lid 2, sub b, van verordening nr. 2333/92 van toepassing te doen zijn.
B - Vraag 2
38 Gelet op het door mij voorgestelde antwoord op de eerste vraag, acht ik beantwoording van de tweede vraag niet meer nodig.
IV - Conclusie
39 Derhalve geef ik het Hof in overweging, de eerste vraag van het Bundesgerichtshof te beantwoorden als volgt:
"Voor de toepassing van het verbod van artikel 13, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 2333/92 van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de algemene voorschriften voor de omschrijving en de aanbiedingsvorm van mousserende wijn en mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd, volstaat het niet dat wordt vastgesteld, dat een woord van een ter omschrijving van mousserende wijn gebruikt merk (in casu: Hochgewächs) in abstracto kan worden verward met een gedeelte van de omschrijving van een niet voor de samenstelling van de cuvée van die mousserende wijn gebruikte wijn (in casu: Riesling-Hochgewächs)."
(1) - Deze bepaling werd aanvankelijk op 29 juli 1986 in de Weinverordnung ingevoegd en is thans § 34 van de nieuwe Weinverordnung van 9 mei 1995 (BGBl. I, blz. 630).
(2) - PB L 231, blz. 9.
(3) - PB L 232, blz. 13.
(4) - PB L 309, blz. 1.
(5) - Verordening (EEG) nr. 823/87 van de Raad van 16 maart 1987 houdende vaststelling van bijzondere bepalingen betreffende in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen (PB L 84, blz. 59).
(6) - PB L 250, blz. 17.
(7) - Uit de verwijzing naar "de personen voor wie [de omschrijving en de aanbiedingsvorm] zijn bestemd" blijkt, dat artikel 13 niet alleen op consumenten ziet. In bepaalde omstandigheden zou de verwarring dus bijvoorbeeld ook de bij de handel betrokken personen kunnen betreffen, doch ik acht het onwaarschijnlijk, dat het gebruik van een merknaam bij hen, anders dan bij de eindverbruiker, tot verwarring zou kunnen leiden.
(8) - In artikel 2, lid 2, van die richtlijn wordt onder misleidende reclame verstaan: "elke vorm van reclame die op enigerlei wijze, daaronder begrepen haar opmaak, de personen tot wie zij zich richt of die zij bereikt, misleidt of kan misleiden en die door haar misleidende karakter hun economische gedrag kan beïnvloeden, of die om die redenen een concurrent schade toebrengt of kan toebrengen".
(9) - Arrest van 29 juni 1995 (C-456/93, Jurispr. blz. I-1737).
(10) - In het arrest van 5 juli 1995, Voisine (C-46/94, Jurispr. blz. I-1859) verklaarde het Hof (punt 28) dat de "voorwaarden [van artikel 40, lid 2,] nagenoeg gelijk zijn aan die welke in de artikelen 4, lid 1, en 13 van verordening nr. 3309/85 zijn neergelegd voor vmqprd" [verordening (EEG) nr. 3309/85 van de Raad van 18 november 1985 houdende vaststelling van de algemene voorschriften voor de omschrijving en de aanbiedingsvorm van mousserende wijn en mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd (PB L 320, blz. 9)], waarvan de thans aan de orde zijnde verordening nr. 2333/92 een codificatie is.
(11) - Arrest Langguth, reeds aangehaald, punt 28.
(12) - Punt 29.
(13) - Zie, onder meer, arrest van 5 oktober 1994, Duitsland/Raad (C-280/93, Jurispr. blz. I-4973, punt 78).
(14) - Ik denk niet, dat in het arrest van 25 februari 1981, Weigand (56/80, Jurispr. blz. 583) steun kan worden gevonden voor verzoeksters standpunt. In die zaak moest het Hof uitmaken, of er "verwarring" kon ontstaan in de zin van verordening nr. 355/79 van de Raad van 5 februari 1979 houdende vaststelling van de algemene voorschriften voor de omschrijving en de aanbiedingsvorm van wijn en druivenmost (PB L 54, blz. 99) doordat een wijnhandelaar op het etiket van twee wijnen en in de daarvoor gemaakte reclame aanduidingen gebruikte die de indruk wekten dat zij afkomstig waren uit Duitse wijngebieden/locaties die in werkelijkheid niet bestonden. Weigand stelde, dat de benamingen geen aanleiding gaven tot verwarring. Het Hof was evenwel van oordeel, dat het begrip verwarring "niet enkel verwarring in eigenlijke zin [omvatte], maar ook het gebruik van allerlei bedrieglijke aanduidingen" (punt 19). In de onderhavige zaak gaat het daarentegen niet om de betekenis van het begrip verwarring, maar om de vraag in hoeverre verwarring moet worden aangetoond.
(15) - Zaak C-46/94, aangehaald in voetnoot 10.
(16) - Punt 2 van de conclusie van advocaat-generaal Elmer.
(17) - Advocaat-generaal Elmer was ook van mening, dat de betrokken versiering onder artikel 38, lid 1, van verordening nr. 2392/89 viel; zie punt 12 van zijn conclusie. Vervolgens ging hij na, of een dergelijke etikettering aanleiding kon geven tot verwarring in de zin van artikel 40, lid 2, van die verordening. Hoewel hij ervan overtuigd was, dat de informatie op de etiketten aanleiding kon geven tot verwarring, achtte hij het "enorm moeilijk (...) algemeen uit te stippelen welke vermeldingen misleidend kunnen zijn of aanleiding kunnen geven tot verwarring, en welke niet" en was hij dan ook van oordeel, dat een en ander "ten slotte [moet] afhangen van een concrete beoordeling van de betrokken omstandigheden"; zie punt 14 van de conclusie.
(18) - De definitie van misleidende reclame van artikel 2, lid 2, van de richtlijn is weergegeven in voetnoot 8.
(19) - Arrest van 16 januari 1992 (C-373/90, Jurispr. blz. I-131).
(20) - Ibidem, punt 15.
(21) - Zie arrest van 6 juli 1995, Mars (C-470/93, Jurispr. blz. I-1923, punt 24). Het Hof onderzocht daarin de verenigbaarheid met artikel 30 van het Verdrag van een verbod ingevoerde ijsrepen in de handel te brengen, onder meer wegens de mogelijkerwijs misleidende vermelding op de verpakking "+ 10 %"; het gekleurde gedeelte met de vermelding "+ 10 %" besloeg echter meer dan 10 % van het totale oppervlak van de wikkel. Het Hof verwierp zonder al te veel moeite het argument dat "een niet onaanzienlijk aantal consumenten" door een dergelijke verpakking in de waan kon worden gebracht, "dat er meer dan de vermelde extra hoeveelheid wordt aangeboden" (punt 22) en oordeelde dan ook: "Een consument met een redelijk onderscheidingsvermogen kan immers worden geacht te weten, dat er niet noodzakelijkerwijs een verband bestaat tussen het formaat van de reclameopschriften waarmee een extra hoeveelheid van het product wordt beloofd, en de grootte van die extra hoeveelheid."
(22) - Arrest van 22 juni 1994 (C-9/93, Jurispr. blz. I-2789).
(23) - Arrest van 30 november 1993 (C-317/91, Jurispr. blz. I-6227, punt 32).
(24) - IHT Internationale Heiztechnik en Danziger, punt 19.
(25) - Eerste richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 1989, L 40, blz. 1).
(26) - Arrest van 11 november 1997 (C-251/95, Jurispr. blz. I-6191).
(27) - Ibidem, punt 22.
(28) - Punt 23.
(29) - Ibidem.
(30) - Arrest van 16 juli 1998, Gut Springenheide en Tusky (C-210/96, Jurispr. blz. I-4657).
(31) - Zie artikel 10, lid 2, sub e, van verordening (EEG) nr. 1907/90 van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren (PB L 173, blz. 5).
(32) - Arrest Gut Springenheide en Tusky, punt 14.
(33) - Ibidem, punt 33.
(34) - Arrest van 26 november 1996 (C-313/94, Jurispr. blz. I-6039).
(35) - Ibidem, punt 22.
Full & Egal Universal Law Academy