Conclusie van de advocaat generaal
Inleiding
1 Deze hogere voorziening betreft de betwisting van het besluit waarbij het Europees Parlement het afdelingshoofd van zijn Voorlichtingsbureau te Madrid heeft aangesteld. De moeilijkste vraag is, of een instelling voor een intern vergelijkend onderzoek toelatingsvoorwaarden mag vaststellen die afwijken van de in de oorspronkelijke kennisgeving van vacature gestelde voorwaarden.
Rechtskader en feiten
2 Rekwirant, ambtenaar in de rang A 5, salaristrap 2, bij het Voorlichtingsbureau van het Europees Parlement te Madrid, werd verzocht om gedurende twee periodes van elk elf maanden, in 1993 en in 1994/1995, ad interim het ambt van afdelingshoofd van dat bureau te vervullen.
3 Op 10 januari 1994 publiceerde het Europees Parlement kennisgeving van vacature nr. 7424 om bij wege van bevordering of overplaatsing binnen de instelling te voorzien in het ambt van afdelingshoofd bij het Voorlichtingsbureau te Madrid (post III/A/2743). De vereiste kwalificaties waren:
"- met een diploma afgesloten universitaire studie dan wel beroepservaring die een gelijkwaardig niveau garandeert;
- aantoonbare ervaring op het gebied van public relations en journalistiek;
- grondige kennis van het functioneren van de media en van het Spaanse regeringssysteem;
- zeer goede kennis van de Europese problemen;
- grondige kennis van één van de officiële talen van de Europese Gemeenschappen; zeer goede kennis van een andere officiële taal. Om met de functie verband houdende redenen is een grondige kennis van het Spaans vereist. Kennis van andere officiële talen van de Europese Gemeenschappen zal in aanmerking worden genomen."
4 Geen van de personen die op de post solliciteerden, werd geacht over de relevante ervaring te beschikken. Op 9 maart 1994 publiceerde het Europees Parlement aankondiging van intern vergelijkend onderzoek nr. A/88 (hierna: "aankondiging nr. A/88"). De toelatingsvoorwaarden voor het vergelijkend onderzoek waren:
"A. Vereiste getuigschriften of diploma's en beroepservaring
De sollicitant moet een universitaire opleiding hebben voltooid en met een diploma hebben afgesloten, alsmede gedurende minimaal vijf jaar ononderbroken bij de gemeenschapsinstellingen werkzaam zijn geweest, hetzij als ambtenaar, hetzij als tijdelijk functionaris of hulpfunctionaris.
B. Talenkennis
De sollicitant moet de Spaanse taal perfect beheersen en een zeer goede kennis hebben van een andere taal van de Europese Unie."
5 Rekwirant nam aan het vergelijkend onderzoek deel en werd door de jury als tweede op de lijst van geschikte kandidaten geplaatst. De directeur-generaal van het directoraat-generaal Voorlichting had een onderhoud met degenen die op de lijst de eerste drie plaatsen innamen. Rekening houdend met, in het bijzonder, de resultaten van het vergelijkend onderzoek en de ervaring van de betrokkenen op het gebied van voorlichtingswerkzaamheden en management, stelde hij voor, rekwirant op post III/A/2743 aan te stellen. Bij nota van 30 januari 1995 gaf de secretaris-generaal het tot aanstelling bevoegd gezag, de voorzitter van het Europees Parlement, in overweging, een andere kandidaat (hierna: "X"), die als eerste op de lijst van geschikte kandidaten was geplaatst, aan te stellen. Bij besluit van 21 februari 1995 stelde de voorzitter X in het ambt aan.
6 De klacht die rekwirant op 29 mei 1995 tegen dat besluit indiende, werd bij brief van 6 oktober 1995 afgewezen, en zijn beroep tot nietigverklaring van, enerzijds, het besluit om X aan te stellen, en anderzijds, het besluit om hem niet in het ambt aan te stellen, werd op 12 juni 1997 door het Gerecht van eerste aanleg verworpen.(1)
Onderzoek van de in hogere voorziening aangevoerde middelen
7 Tot staving van zijn hogere voorziening voert rekwirant zes middelen aan, die ik zal onderzoeken in de volgorde waarin het Gerecht de vergelijkbare middelen heeft behandeld.
8 Allereerst wil ik algemeen opmerken, dat het Europees Parlement met betrekking tot alle in hogere voorziening aangevoerde middelen een wat al te liberaal gebruik maakt van het argument, dat deze middelen niet-ontvankelijk zijn omdat zij een loutere herhaling vormen van argumenten die reeds voor het Gerecht zijn aangevoerd. Het is duidelijk, dat dit argument in geen enkel geval opgaat. De hogere voorziening geeft met betrekking tot elk middel aan, welke onderdelen van het bestreden arrest door rekwirant worden aangevochten en waarom. Zijn argumenten zijn uiteraard gebaseerd op argumenten die voor het eerst voor het Gerecht naar voren zijn gebracht. Indien dit niet het geval was, zouden zij overeenkomstig artikel 113, lid 2, van 's Hofs Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk zijn.
Eerste middel
9 Met dit middel, dat op een nogal onsamenhangende wijze wordt voorgedragen onder de kop "misbruik van bevoegdheid", stelt rekwirant in wezen, dat het Europees Parlement zich bij de vaststelling van aankondiging nr. A/88 niet heeft gehouden aan de bewoordingen van kennisgeving van vacature nr. 7424, met als gevolg dat X, die op de uiterste datum voor de indiening van de sollicitaties niet kon bogen op "aantoonbare ervaring op het gebied van public relations en journalistiek", aan het vergelijkend onderzoek kon deelnemen.
10 Het Gerecht heeft dit argument in de punten 45 tot en met 60 van zijn arrest behandeld.(2) De belangrijkste overwegingen kunnen worden samengevat als volgt:
- bij de omschrijving van de voorwaarden in aankondiging nr. A/88 had op wettige wijze kunnen worden volstaan met het vermelden van de in artikel 5, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") gespecificeerde voorwaarden, te weten kennis op universitair niveau of een gelijkwaardige beroepservaring. Het lijdt dus geen twijfel, dat de voorwaarden voor de vervulling van het ambt in de aankondiging voldoende nauwkeurig waren omschreven; de jury kon beoordelen, of aan deze voorwaarden was voldaan (punten 48 en 49)(3);
- wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag besluit zijn keuzemogelijkheden te verruimen en daarvoor volgens de in artikel 29, lid 1, van het Statuut bepaalde volgorde van de ene fase van de aanwervingsprocedure over te gaan naar een andere, dient het ervoor te zorgen dat de voorwaarden welke voorkomen in de kennisgevingen betreffende de latere fasen, overeenkomen met de in de kennisgeving van vacature gestelde voorwaarden (punt 50)(4);
- in casu "is datgene waarop de kandidaten werden getoetst, niet wezenlijk gewijzigd", voor zover de jury hun kennis en beroepskwalificaties heeft getoetst in de tweede fase van het vergelijkend onderzoek, dus in het kader van het examen, en niet in de eerste fase ervan, dat wil zeggen bij het onderzoek of aan de toelatingsvoorwaarden was voldaan (punt 51);
- in elk geval was de wijziging van aankondiging nr. A/88 ten opzichte van de kennisgeving van vacature niet van dien aard, dat daardoor afbreuk werd gedaan aan het recht van het personeel van de instelling om aan het vergelijkend onderzoek deel te nemen, en daarmee externe sollicitaties werden begunstigd (punt 52). Het Europees Parlement had betoogd, dat de in het arrest Van der Stijl gevolgde redenering niet van toepassing was, aangezien in casu de belangen van interne sollicitanten niet waren geschaad ten opzichte van die van externe sollicitanten;
- de bewering van het Europees Parlement, dat overeenkomstig het besluit van het Bureau van het Parlement van 15 mei 1989 voor een intern vergelijkend onderzoek uitsluitend een bepaalde anciënniteit en een universitair diploma, alsmede, in voorkomend geval, kennis van een bepaalde officiële taal als toelatingsvoorwaarden konden worden gesteld, was door rekwirant niet weersproken (punt 53);
- rekwirant had geen objectieve, ter zake dienende en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen verstrekt, dat er sprake was van misbruik van bevoegdheid doordat de voorwaarden in aankondiging nr. A/88 zo waren geformuleerd, dat X in staat werd gesteld aan het vergelijkend onderzoek deel te nemen (punten 54 en 55);
- de organisatie van een intern vergelijkend onderzoek was in het voordeel van rekwirant, aangezien hij niet in aanmerking kwam om bij wege van bevordering in het ambt te worden aangesteld (punt 56).
11 Rekwirant betoogt, dat de door het Gerecht aangehaalde rechtspraak in casu irrelevant is, daar zijn kritiek slechts betrekking heeft op de aanstelling in één ambt, en niet op de aanstelling in verscheidene ambten, zoals in het arrest Marcato/Commissie(5), of op de vaststelling van een reservelijst, zoals in het arrest Belardinelli e.a./Hof van Justitie(6) Het Gerecht heeft derhalve ten onrechte geoordeeld, dat de aankondiging van vergelijkend onderzoek enkel de in artikel 5, lid 1, tweede alinea, van het Statuut geformuleerde minimumvoorwaarden had hoeven te bevatten. Bovendien was aankondiging nr. A/88 wezenlijk gewijzigd ten opzichte van de kennisgeving van vacature, voor zover de voorwaarden die in deze kennisgeving voor de vervulling van het ambt werden gesteld, in de latere aankondiging niet meer voorkwamen. Hierdoor konden andere ambtenaren van de instelling, waaronder X, aan het vergelijkend onderzoek deelnemen, terwijl dit anders voor hen onmogelijk zou zijn geweest. Het feit dat de kennis en de beroepskwalificaties in een later stadium, als onderdeel van het vergelijkend onderzoek zelf, zijn getoetst, doet niet ter zake, aangezien hierdoor de uit twee fasen bestaande procedure, waarin artikel 5 van bijlage III bij het Statuut voorziet, is miskend. Ook de omstandigheid dat de wijziging niet in het voordeel is geweest van externe kandidaten, is irrelevant, daar het vereiste van overeenstemming tussen de in de verschillende fasen geformuleerde voorwaarden ook geldt indien de aanwervingsprocedure zuiver intern blijft. Indien het tot aanstelling bevoegd gezag tot de conclusie was gekomen, dat de in de kennisgeving van vacature gestelde voorwaarden niet meer in overeenstemming waren met de behoeften van de dienst, had het de kennisgeving van vacature moeten intrekken en een nieuwe aanwervingsprocedure moeten beginnen volgens andere criteria.(7)
12 Volgens het Europees Parlement is dit middel ongegrond, daar niets in het Statuut erop wijst, dat het maken van een onderscheid tussen aanwervingsprocedures gerechtvaardigd is of dat de aankondiging van vergelijkend onderzoek meer of minder nauwkeurig moet worden opgesteld, al naar gelang het aantal posten dat beschikbaar is.
13 De oplossing van dit vraagstuk hangt af van de uitlegging van artikel 29, lid 1, van het Statuut, waarin is bepaald:
"Teneinde te voorzien in vacatures bij een instelling, onderzoekt het tot aanstelling bevoegde gezag:
a) de mogelijkheden tot bevordering en tot overplaatsing binnen de instelling(8),
b) de mogelijkheden tot het organiseren van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling,
c) de verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen der drie Europese Gemeenschappen,
en gaat vervolgens over tot een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, van een examen of op de grondslag van beide. De procedure voor het vergelijkend onderzoek is vastgesteld in bijlage III.
Tot vergelijkend onderzoek kan eveneens worden overgegaan voor het vormen van een reserve ter vervulling van vacatures."
14 In het arrest Van Belle/Raad verklaarde het Hof, dat artikel 29 "deel uitmaakt van het hoofdstuk van het Statuut, dat aan de aanwerving is gewijd" en "de verschillende wijzen van voorziening in een vacature regelt", en overwoog het, dat de instelling de drie mogelijkheden die in lid 1 zijn beschreven, "achtereenvolgens" moet onderzoeken.(9)
15 Uit de algemene opzet van het Statuut blijkt, dat wanneer een instelling ervoor kiest om overeenkomstig artikel 29, lid 1, sub a, bij wege van bevordering in een ambt te voorzien, artikel 45, lid 1, gelijktijdig van toepassing is.(10) In het arrest Grassi/Raad besliste het Hof, dat wanneer een instelling besluit bij wege van bevordering in een ambt te voorzien, zij weliswaar over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, in het bijzonder waar het de vergelijking van de verdiensten van de kandidaten betreft, maar dat "de uitoefening dier bevoegdheid juist daarom een nauwgezet onderzoek van de stukken en een zorgvuldige inachtneming van de in de aankondiging van vacature vervatte voorwaarden doet veronderstellen".(11) Deze bevoegdheid moet echter worden uitgeoefend "in het kader dat [de instelling] zichzelf bij de aankondiging van vacature heeft opgelegd". Waar de kennisgeving van vacature, waarin melding wordt gemaakt van de "kwalificaties die voor de vervulling van het ambt in het bijzonder zijn vereist", als belangrijkste functie heeft, "de belanghebbenden zo juist mogelijk te informeren over de aard der vereiste kwalificaties voor de vervulling van het desbetreffende ambt teneinde hen in staat te stellen te beoordelen of er voor hen aanleiding is te solliciteren", mag de instelling deze kwalificaties niet achteraf wijzigen. Wanneer zij tot de ontdekking komt, dat de oorspronkelijk gestelde eisen strenger waren dan nodig, mag zij de oorspronkelijke kennisgeving van vacature intrekken en door een andere vervangen.(12)
16 In het arrest Van der Stijl(13) had de Commissie besloten een algemeen vergelijkend onderzoek te organiseren op basis van een aankondiging van vergelijkend onderzoek waarin de voor de vervulling van het ambt gestelde eisen beduidend minder streng geformuleerd waren dan in de oorspronkelijke kennisgeving van vacature. Het Hof overwoog, dat ofschoon de in het arrest Grassi/Raad tot uitdrukking gebrachte beginselen "naar aanleiding van een interne bevorderingsprocedure" waren geformuleerd, zij "met des te meer gestrengheid [moesten] worden toegepast wanneer het gaat om de overeenstemming tussen de kennisgeving van vacature en de aankondiging van een vergelijkend onderzoek. Iedere andere uitlegging zou leiden tot uitholling van artikel 29 van het Statuut, dat de instellingen verplicht de mogelijkheid van interne aanwerving te onderzoeken alvorens een algemeen vergelijkend onderzoek te organiseren."(14)
17 In casu mocht het Europees Parlement, daar het er niet in was geslaagd bij wege van bevordering of overplaatsing binnen de instelling in de vacature te voorzien, overgaan tot de organisatie van een intern vergelijkend onderzoek. De vraag is, of het bij dit vergelijkend onderzoek voorwaarden mocht stellen die afweken van en minder streng waren dan de in de kennisgeving van vacature geformuleerde voorwaarden.
18 Gezien zowel de opzet en de tekst van artikel 29, lid 1, als de rechtspraak van het Hof lijkt het mij duidelijk, dat het de instelling niet is toegestaan, in een aankondiging van een intern vergelijkend onderzoek de reeds in de kennisgeving van vacature geformuleerde voorwaarden te wijzigen. Dit artikel, dat in een reeks opeenvolgende fasen voorziet, beoogt voorrang te verlenen aan degenen die reeds bij de betrokken instelling (eerste twee fasen) of bij de instellingen in het algemeen (derde fase) werkzaam zijn. De in deze bepaling geregelde procedure moet worden gevolgd wanneer de instelling in een vacature wenst te voorzien; zoals reeds gezegd, moeten met betrekking tot die vacature de verschillende in de bepaling genoemde mogelijkheden achtereenvolgens worden onderzocht. De kennisgeving van vacature legt het kader van de procedure vast, in het bijzonder door de aard van het "vacante ambt" te omschrijven; elke latere wijziging van de voorwaarden wijzigt de aard van het te vervullen ambt en brengt daarmee de gehele procedure uit balans. Een zodanige handelwijze zou neerkomen op een wijziging van de spelregels.
19 Indien een instelling de oorspronkelijk gestelde voorwaarden bij de overgang van de eerste fase naar die van de organisatie van een intern vergelijkend onderzoek versoepelde, zou zij die ambtenaren van de betrokken instelling van bevordering of overplaatsing uitsluiten, welke hadden kunnen voldoen aan de minder strenge voorwaarden in de aankondiging van vergelijkend onderzoek. Die ambtenaren zouden uiteraard in de fase van het intern vergelijkend onderzoek kunnen solliciteren, maar dat doet niet ter zake. Ingevolge artikel 29, lid 1, hebben zij er recht op, dat hun sollicitatie in aanmerking wordt genomen alvorens de instelling tot de organisatie van een intern vergelijkend onderzoek kan besluiten. Wanneer de voorwaarden in de aankondiging van vergelijkend onderzoek worden versoepeld, is het bovendien mogelijk, dat ambtenaren die niet beschikken over de voor de vervulling van het ambt vereiste kwalificaties die de instelling zelf heeft vastgesteld als zijnde noodzakelijk in het belang van de dienst, tot het vergelijkend onderzoek worden toegelaten.
20 En dit zijn niet de enige problemen die bij een dergelijke uitlegging van artikel 29, lid 1, ontstaan. Wanneer de instelling bijvoorbeeld mocht besluiten, dat noch bevordering of overplaatsing, noch een intern vergelijkend onderzoek "kan leiden tot de benoeming van een persoon die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet" - het belangrijkste doel van de bepaling(15) -, zou zij overeenkomstig het bepaalde sub c de verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen in aanmerking mogen nemen. Dan zou echter de vraag rijzen, of daarbij moet worden uitgegaan van de vacature zoals deze is omschreven in de oorspronkelijke kennisgeving van vacature, dan wel van de omschrijving in de aankondiging van vergelijkend onderzoek, die minder strikt is. Zo een wijziging van de voorwaarden van de ene op de andere fase was toegestaan, zou het tot aanstelling bevoegd gezag ofwel de criteria nog verder kunnen versoepelen, ofwel voorwaarden kunnen vaststellen die nog strenger zijn dan die in de oorspronkelijke kennisgeving van vacature. Geen van deze twee alternatieven lijkt te stroken met de opzet van artikel 29, lid 1, van het Statuut.
21 Mijns inziens heeft het Gerecht in casu met zijn uitlegging van artikel 29, lid 1, blijk gegeven van een verkeerde rechtsopvatting. Ik zie geen enkele reden waarom de uitlegging die het Hof in het arrest Grassi/Raad aan deze bepaling heeft gegeven, namelijk dat
"wanneer in een ambt moet worden voorzien, het tot aanstelling bevoegd gezag zich reeds bij de opstelling van de aankondiging van vacature rekenschap dient te geven van de kwalificaties die voor de vervulling van het ambt in het bijzonder zijn vereist, en dat aan de statutaire voorschriften niet is voldaan wanneer het zich eerst na de bekendmaking van de aankondiging (...) over deze voorwaarden beraadt"(16),
niet algemeen van toepassing zou zijn.
Ik kan hieraan nog toevoegen, dat in de zaak Grassi/Raad een eventuele bevoordeling van externe kandidaten niet aan de orde was, daar de aanstellingsprocedure volledig intern was en gebaseerd was op de artikelen 29, lid 1, sub a, en 45, lid 1, van het Statuut. Dit standpunt vindt bevestiging in de in het arrest Van der Stijl gebezigde bewoordingen; dat het Hof daar oordeelde, dat de in het arrest Grassi/Raad geformuleerde beginselen "met des te meer gestrengheid" moesten worden toegepast nu de instelling had besloten een algemeen vergelijkend onderzoek te organiseren, betekent geenszins dat zij, zoals het Europees Parlement heeft betoogd, niet van toepassing zijn wanneer de instelling een intern vergelijkend onderzoek organiseert.(17)
22 In de punten 48 en 49 van zijn arrest overweegt het Gerecht onder verwijzing naar de arresten Marcato/Commissie en Belardinelli e.a./Hof van Justitie, dat het voldoende was geweest, wanneer in de aankondiging van vergelijkend onderzoek als toelatingsvoorwaarden de in artikel 5, lid 1, tweede alinea, van het Statuut vermelde minimumvoorwaarden waren genoemd. Ik zie niet in, wat de betekenis van genoemde arresten voor dit aspect van de onderhavige procedure is. In de zaak Marcato/Commissie waren de vier litigieuze vacatures aangekondigd in de aankondiging van vergelijkend onderzoek, die tegelijk met de kennisgeving van vacature was gepubliceerd.(18) Er kon dus geen sprake zijn van enige tegenstrijdigheid tussen beide aankondigingen, en dat probleem was daar dan ook niet aan de orde. In de zaak Belardinelli e.a./Hof van Justitie draaide het geschil om de toelatingsvoorwaarden voor een intern vergelijkend onderzoek dat was georganiseerd met het oog op de vorming van een reservelijst van B-ambtenaren, en niet om te voorzien in één vacature. Het was dus niet noodzakelijk, noch mogelijk, bij de formulering van de toelatingsvoorwaarden rekening te houden met enige kennisgeving van vacature. Hoe dan ook was de kritiek van rekwirant in casu niet, dat aankondiging nr. A/88 op zichzelf onvoldoende nauwkeurig was, maar dat deze aankondiging afweek van kennisgeving van vacature nr. 7424.
23 Het Gerecht is kennelijk van mening, dat de instelling eventuele verschillen tussen de kennisgeving van vacature en de aankondiging van vergelijkend onderzoek kan goedmaken door de in het eerste document geformuleerde voorwaarden toe te passen in het kader van het examen dat volgens het laatste document moet worden afgelegd (punten 51 en 52). Artikel 5 van bijlage III bij het Statuut bepaalt evenwel, dat de jury van een instelling die een vergelijkend onderzoek organiseert, eerst "de lijst (...) van de sollicitanten die voldoen aan de voorwaarden, omschreven in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek" moet vaststellen, alvorens over te gaan tot het examen zelf. Het stadium waarin een criterium wordt toegepast, en de gestrengheid waarmee het in dat stadium wordt toegepast, kunnen bepalend zijn voor het uiteindelijke resultaat. Men kan niet zeggen, dat het irrelevant is of een bepaald criterium wordt gebruikt als een (strikte) voorwaarde voor deelneming aan een vergelijkend onderzoek, dan wel als een (minder strikt) richtsnoer dat de jury in het kader van het vergelijkend onderzoek hanteert. Zo stelt rekwirant, dat het Europees Parlement voor het Gerecht heeft betoogd, dat wanneer het de in de kennisgeving van vacature gestelde voorwaarden in de aankondiging van vergelijkend onderzoek als toelatingsvoorwaarden had gehandhaafd, X niet aan het vergelijkend onderzoek had kunnen deelnemen, daar hij op de uiterste datum voor de indiening van de sollicitaties niet de vereiste aantoonbare ervaring op het gebied van public relations en journalistiek bezat.
24 Uit dit argument van het Europees Parlement blijkt mijns inziens niet alleen, dat de in de kennisgeving van vacature geformuleerde toelatingsvoorwaarden inderdaad in de aankondiging van vergelijkend onderzoek werden versoepeld, maar ook, dat met deze wijziging uitdrukkelijk werd beoogd, kandidaten die niet aan die voorwaarden voldeden, tot het vergelijkend onderzoek toe te laten.
25 In punt 56 van zijn arrest merkt het Gerecht terecht op, dat de organisatie van een intern vergelijkend onderzoek in het voordeel was van rekwirant, die niet in aanmerking kwam om bij wege van bevordering of overplaatsing in het ambt te worden aangesteld. Het is echter duidelijk, dat hiermee nog geen antwoord wordt gegeven op het door rekwirant aangevoerde argument, dat een kandidaat werd toegelaten die niet zou zijn toegelaten tot een overeenkomstig de kennisgeving van vacature georganiseerd vergelijkend onderzoek. De geldigheid van een dergelijk argument wordt in de rechtspraak volledig erkend.(19)
26 In punt 53 van zijn arrest beroept het Gerecht zich op een besluit van het Bureau van het Parlement van 15 maart 1989, waarin is bepaald welke toelatingsvoorwaarden mogen worden gesteld voor door deze instelling georganiseerde interne vergelijkende onderzoeken. Hoe dit besluit ook moge luiden, het lijkt mij niet dat een intern besluit van een instelling kan prevaleren boven de in het Statuut geformuleerde vereisten.
27 Rekwirant heeft naar mijn mening dan ook gelijk waar hij stelt, dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen, dat het besluit van het Europees Parlement om X aan te stellen, in de omstandigheden van de onderhavige zaak niet in strijd was met de procedure van artikel 29, lid 1, van het Statuut.
28 Rekwirant heeft met zijn beroep op de onregelmatigheden van de aankondiging van vergelijkend onderzoek willen aantonen, dat er sprake was van misbruik van bevoegdheid, in casu het gebruik van de aanwervingsprocedure met het oog op de aanstelling van een vooraf geselecteerde kandidaat die niet over de voor de vervulling van het ambt vereiste capaciteiten beschikt. Het Hof dient in te stemmen met de feitelijke vaststelling door het Gerecht, dat rekwirant geen objectieve, ter zake dienende en overeenstemmende aanwijzingen had verstrekt, dat met de aanstelling of het vergelijkend onderzoek andere doeleinden werden nagestreefd dan die met het oog waarop het tot aanstelling bevoegd gezag met de aanwervingsbevoegdheid was bekleed. Ik zie geen enkele reden om deze vaststelling in geding te brengen.
29 De onregelmatigheid bij de vaststelling van de voorwaarden in de aankondiging van vergelijkend onderzoek lijkt echter rechtstreeks van invloed te zijn geweest op het resultaat van dit vergelijkend onderzoek. Daarom dient het Hof naar mijn mening het door rekwirant gevorderde toe te wijzen. In verband met de eventuele vrees, dat het besluit waarbij X in het ambt is aangesteld, nietig zou kunnen worden verklaard zonder dat X in de onderhavige procedure is gehoord, wijs ik erop, dat hij de mogelijkheid had, zich als derde die belang heeft bij de uitkomst van de zaak, in het geding te voegen.(20) Hij moest van de hogere voorziening op de hoogte zijn door de mededeling daarvan in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen(21), en het feit dat een belanghebbende derde niet in het geding is tussengekomen(22), maar ervan is uitgegaan dat de bescherming van zijn rechten naar behoren zou worden gewaarborgd door de instelling die hem heeft aangesteld(23), kan voor het Hof geen beletsel vormen om in een zaak als de onderhavige de aangewezen uitspraak te doen.
30 Gelet op het voorgaande ben ik van mening, dat het arrest van het Gerecht, voor zover daarbij rekwirants grief inzake de wijziging door het Europees Parlement van de voorwaarden voor de aanstelling in het ambt van afdelingshoofd bij het Voorlichtingsbureau te Madrid (post III/A/2743) in aankondiging van intern vergelijkend onderzoek nr. A/88, is afgewezen, moet worden vernietigd en dat de besluiten waarbij de succesvolle kandidaat in dat ambt is aangesteld, respectievelijk rekwirants sollicitatie is afgewezen, nietig moeten worden verklaard.
Tweede middel
31 Met dit middel wordt het Gerecht verweten, dat het rekwirants grief volgens hetwelk de aankondiging van vergelijkend onderzoek zou zijn geschonden wegens discriminerend gedrag van de jury bij de taalproef, heeft afgewezen. Het Gerecht heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld, dat deze grief voor het eerst ter terechtzitting was aangevoerd. Een kort overzicht van de achtergrond van deze grief is dus noodzakelijk. Er zij aan herinnerd, dat het resultaat van de taalproef een cruciale, mogelijk zelfs beslissende rol heeft gespeeld bij de uiteindelijke keuze voor X in plaats van voor rekwirant. Gelijk rekwirant van meet af aan lijkt te hebben geweten, was er na afloop van het examen tussen deze twee kandidaten maar één punt verschil en hield dit verschil verband met de taalproef, waarbij X vijf punten had behaald en rekwirant vier. De directeur-generaal stelde voor, rekwirant aan te stellen, gezien zijn ruimere ervaring op het gebied van public relations. Ofschoon de secretaris-generaal opmerkte, dat de keuze extreem moeilijk was, kwam hij toch met de aanbeveling om de conclusies van de jury te volgen, met als gevolg dat het tot aanstelling bevoegd gezag uiteindelijk X aanstelde.
32 In zowel zijn verzoekschrift als zijn aanvankelijke klacht betoogde rekwirant, dat waar in de toelatingsvoorwaarden voor het vergelijkend onderzoek enkel was bepaald, dat de sollicitanten "de Spaanse taal perfect [moesten] beheersen en een zeer goede kennis [moesten] hebben van een andere taal van de Europese Unie", de jury deze voorwaarden had miskend door rekening te houden met de kennis van een derde en een vierde taal. In een voor deze kwestie cruciale zin vervolgde hij, dat de jury de kandidaten die, zoals rekwirant, "terecht geen bijzondere aandacht besteedden aan de specifieke vragen die hun eventueel door de jury in een derde of vierde taal werden gesteld", had gediscrimineerd.
33 Ten aanzien van de aldus geformuleerde grief moet in de eerste plaats worden opgemerkt, dat, gelijk het Europees Parlement in zijn memorie van antwoord heeft beklemtoond, en gelijk ook het Gerecht in zijn arrest heeft erkend, de aankondiging van vergelijkend onderzoek onder punt III.B.2.c voorzag in een "vrij onderhoud met de jury, ter beoordeling van de kennis die de kandidaat van andere officiële talen dan zijn hoofdtaal heeft". Het Gerecht oordeelde dan ook, dat de jury niet het kader van de aankondiging van vergelijkend onderzoek te buiten was gegaan, door de kandidaten te toetsen op hun kennis van een derde of vierde taal. Deze vaststelling wordt door rekwirant niet aangevochten. Derhalve moet nog worden ingegaan op de door rekwirant gestelde discriminatie, voor zover X werd bevoordeeld doordat hij in andere talen werd ondervraagd, terwijl dit bij rekwirant niet gebeurde. Het eerste probleem betreft de formulering van de grief inzake discriminatie, zoals deze in het voorgaande punt is samengevat.
34 Gelijk het Europees Parlement heeft opgemerkt, wist rekwirant ten tijde van de instelling van zijn beroep bij het Gerecht uiteraard, hoe zijn eigen gesprekken met de jury waren geweest, en met name, of hij ook in een derde of vierde taal was ondervraagd. Blijkens zijn verzoekschrift wist hij ook, dat het ene punt dat X van hem scheidde, bij de taalproef was behaald. Hij beriep zich echter enkel op zijn legitieme recht om geen bijzondere aandacht te schenken aan de vragen die hem in een derde of vierde taal werden gesteld. Wanneer hij nu in de onderhavige procedure stelt, dat hij nooit in die talen is ondervraagd, is dat iets heel anders. Naar mijn mening stond de bewering in het verzoekschrift niet los van het destijds door rekwirant verdedigde, maar onjuiste, standpunt, dat derde of vierde talen niet in aanmerking konden worden genomen. Gelet op de centrale rol die de taalproef heeft gespeeld, zou ik op dit punt met rekwirant hebben kunnen meegaan, indien hij zijn standpunt duidelijk had geformuleerd. Zijn beweringen in het verzoekschrift zijn echter op zijn minst dubbelzinnig. Zo zij al iets suggereren, is het dat hij in een derde of vierde taal werd ondervraagd, maar dat hij, om redenen die zijn inziens legitiem zijn, daarop niet was voorbereid. Gezien de context valt er geen redelijk excuus aan te voeren voor het feit dat hij heeft nagelaten te vermelden - indien dit inderdaad zo was -, dat hij niet in die talen is ondervraagd.
35 In zijn repliek in de procedure voor het Gerecht bleef rekwirant erbij, dat ondervraging in een derde of vierde taal was uitgesloten en dat punt III.B.2.c van de aankondiging enkel betekende, dat kennis van een andere dan de Spaanse taal in aanmerking zou worden genomen. Vervolgens stelde hij echter "subsidiair", dat hij vermoedelijk bij de taalproef meer punten zou hebben behaald, "indien hij op dezelfde wijze als [X] was getoetst op zijn kennis van een derde of vierde taal - quod non". Hij maakte niet duidelijk, of hij nu beweerde dat hij helemaal niet in een derde of vierde taal was ondervraagd. Ook hier was zijn betoog dubbelzinnig, zonder dat hiervoor enige rechtvaardiging bestond.
36 Vóór de terechtzitting verzocht het Gerecht het Europees Parlement om overlegging van bepaalde documenten, waaronder het rapport van de jury en een in een bijlage (nr. 5) bij dit rapport opgenomen tabel met de door de kandidaten voor de examenonderdelen behaalde punten. Ter terechtzitting beriep rekwirant zich op dit document (zie punt 62 van het arrest) om de door hem gestelde ongelijke behandeling aan te tonen. X behaalde drie punten voor Italiaans en één punt voor Frans en voor Engels, terwijl rekwirant drie punten kreeg voor Frans en één voor Engels. Rekwirant wees erop, dat in de hokjes voor Italiaans en Portugees enkel een streepje stond, waaruit bleek dat hij niet in deze talen was ondervraagd, terwijl hij die volgens de vermeldingen in zijn sollicitatieformulier wel kende.
37 Het Gerecht merkte op, dat het argument volgens hetwelk de jury de talenkennis van de sollicitanten niet had getoetst met betrekking tot alle talen die zij volgens hun sollicitatieformulier kenden, voor het eerst ter terechtzitting was aangevoerd. Het zag hierin echter geen reden om het argument niet-ontvankelijk te achten (punten 70 en 71). Het overwoog evenwel (punt 72), dat rekwirants stelling betreffende een onregelmatigheid bij de taalproef "niet onderbouwd [was] en (...) niet [vermocht] aan te tonen, dat de jury zijn talenkennis niet heeft getoetst met betrekking tot alle talen die hij volgens de vermeldingen in zijn sollicitatieformulier kende".
38 Thans betoogt rekwirant, dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld, dat hij dit argument voor het eerst ter terechtzitting naar voren had gebracht. Hij stelt voor het eerst expliciet, dat hem geen vragen werden gesteld in een derde of vierde taal. Mijns inziens kan dit middel niet slagen. In de eerste plaats kon het Gerecht tijdens de terechtzitting kennis nemen van de argumenten en stellingen van partijen waar het de aan de in bijlage 5 opgenomen tabel te geven uitlegging betreft. Dit is een feitelijke beoordeling, die in hogere voorziening niet kan worden getoetst. Voor zijn conclusie mocht het Gerecht rekening houden met hetgeen rekwirant in eerdere stadia naar voren had gebracht en met name met het feit, dat hij zijn grief niet in het oorspronkelijk verzoekschrift had opgeworpen. In de tweede plaats heeft het Gerecht, door te oordelen dat de kwestie voor het eerst ter terechtzitting ter sprake was gebracht, voorbijgezien aan het door rekwirant in repliek aangevoerde argument, dat hij ten opzichte van X zou zijn gediscrimineerd. Dat argument was echter, zoals ik al zei, voor meer dan één uitleg vatbaar. In elk geval was het alleen al niet-ontvankelijk omdat het niet in het verzoekschrift was aangevoerd. In de derde plaats onderstelden de consequente verwijzingen door rekwirant naar een derde en vierde taal vóór de terechtzitting, dat het Spaans als eerste taal werd geteld. Blijkens bijlage 5 kreeg rekwirant wel degelijk een punt voor Engels en was hij dus vermoedelijk in deze taal ondervraagd. Gelet op de inconsistenties in zijn betoog is het duidelijk, dat het voor het Gerecht moeilijk is geweest om op basis van de feiten tot een conclusie te komen. Bij ontbreken van een kennelijk verkeerde opvatting in het bestreden arrest is het niet aan het Hof om zich uit te spreken. Mijns inziens is er, wat dit punt betreft, van een dergelijke verkeerde opvatting geen sprake.
Derde en vierde middel
39 In zijn in eerste aanleg ingediende verzoekschrift betoogde rekwirant, dat het tot aanstelling bevoegd gezag in het algemeen het voorstel van de directeur-generaal van het directoraat-generaal Voorlichting pleegt op te volgen, en dat het in casu niet van dit voorstel had mogen afwijken zonder daarvoor speciale redenen aan te voeren. Ook al werd het bestaan van een dergelijke praktijk door het Europees Parlement niet betwist, het Gerecht merkte op, dat noch het Statuut noch enige andere regeling voorschrijft, dat het tot aanstelling bevoegd gezag de bevoegde directeur-generaal om advies moet vragen, laat staan dit advies moet opvolgen (punt 76). Artikel 30 van het Statuut gaf het tot aanstelling bevoegd gezag het recht, een keuze te maken uit de door de jury opgestelde lijst van geschikte kandidaten. Indien het tot aanstelling bevoegd gezag kon besluiten van de door de jury vastgestelde volgorde af te wijken, was het a fortiori gerechtigd om niet in te gaan op een niet in het Statuut voorzien voorstel, dat na de vaststelling van de lijst door de jury was gedaan (punt 77).
40 Rekwirant voert als derde middel aan, dat de algemene praktijk om het advies van de bevoegde directeur-generaal op te volgen, het karakter heeft van "een interne richtlijn, die de administratie zichzelf oplegt en waarvan zij niet zonder vermelding van redenen kan afwijken".(24)
41 Het vierde middel betreft het meer algemene argument dat rekwirant voor het Gerecht heeft aangevoerd, betreffende schending van de in artikel 25, tweede alinea, van het Statuut geformuleerde verplichting om elke voor een ambtenaar nadelige beslissing met redenen te omkleden. Het Gerecht merkte op, dat het tot aanstelling bevoegd gezag verplicht is een motivering te geven wanneer het afwijzend beschikt op een klacht van een kandidaat tegen het besluit om hem niet in een ambt aan te stellen.(25) Of de motivering toereikend was, moest worden beoordeeld in het licht van de concrete omstandigheden, zoals de inhoud van het besluit, de aangevoerde gronden en het belang dat de geadresseerde bij het krijgen van een toelichting kon hebben.(26) In het antwoord op de door rekwirant ingediende klacht was het besluit om niet hem, maar X in het litigieuze ambt te stellen, gemotiveerd met de overweging, dat het tot aanstelling bevoegd gezag de volgorde van de door de jury opgemaakte lijst van geschikte kandidaten wilde respecteren (punt 85). Deze motivering werd door het Gerecht toereikend geacht. Volgens het Gerecht lag deze motivering reeds impliciet besloten in de opmerking in de brief waarbij rekwirant van de uitslag van het vergelijkend onderzoek in kennis werd gesteld, volgens welke de kandidaat die als eerste op de lijst van de jury was geplaatst, zou worden aangesteld (punt 86). Het feit dat rekwirant niet vóór het begin van de procedure ervan in kennis was gesteld, dat het verschil tussen de door de jury aan de twee kandidaten toegekende punten verband hield met de taalproef, was irrelevant, daar het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag eenvoudig gebaseerd was op het aantal punten dat zij in totaal hadden behaald (punt 87). Met betrekking tot het voorstel van de directeur-generaal merkte het Gerecht op, dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet verplicht was de directeur-generaal om advies te vragen, dat de kandidaten reeds door de jury naar verdiensten waren gerangschikt en dat er geen aanvullende motiveringsplicht kon bestaan, wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag besloot de door de jury bepaalde volgorde te respecteren (punt 88).
42 Rekwirant betoogt in het kader van zijn vierde middel voorts, dat hij in kennis had moeten worden gesteld van de redenen waarom de jury had besloten hem slechts als tweede, en de aangeworven kandidaat als eerste op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen. Hij stelt in het bijzonder, dat hij op de hoogte had moeten worden gebracht van het beslissende karakter van de taalproef, zodat hij de beweerde discriminerende behandeling met betrekking tot zijn derde en vierde taal(27) had kunnen ontdekken. Ook herhaalt hij zijn argument betreffende de redenen om van het advies van de directeur-generaal af te wijken.
43 Het antwoord van het Europees Parlement op deze tweede middelen luidt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag zijn besluit afdoende had gemotiveerd, ook nu het had besloten het advies van de directeur-generaal in de wind te slaan.
44 De uitspraak in de zaak Pierrat/Hof van Justitie had betrekking op een raadgevend comité dat niet in het Statuut was voorzien, maar dat speciaal was opgericht om het tot aanstelling bevoegd gezag bij aanstellingen te adviseren, bij gebreke van een soortgelijk statutair orgaan.(28) De positie van dergelijke comités kan naar mijn mening niet worden vergeleken met die van een hoge ambtenaar, zoals de bevoegde directeur-generaal, die als vanzelfsprekend om advies was gevraagd door het tot aanstelling bevoegd gezag, maar die advies gaf in het kader van een vergelijkend onderzoek waarvoor op grond van het Statuut zelf een jury was aangesteld. Wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag zich aan de door de jury bepaalde volgorde wenst te houden, behoeft het dus niet bovenop de normale motivering met een extra rechtvaardiging te komen voor het feit, dat het het bij andere, niet in het Statuut voorziene bronnen ingewonnen advies niet heeft opgevolgd.
45 Meer algemeen komt het mij voor, dat de wens van het tot aanstelling bevoegd gezag om de door de jury van een vergelijkend onderzoek bepaalde volgorde te respecteren, een geldige en afdoende reden is om een bepaalde kandidaat in plaats van een andere aan te stellen. Het is niet aan het tot aanstelling bevoegd gezag om duidelijk te maken, hoe of waarom de jury tot een bepaalde rangschikking naar verdiensten is gekomen, gelet op de onafhankelijkheid van de jury. Met betrekking tot het verwijt, dat de jury zich niet aan de aankondiging van vergelijkend onderzoek zou hebben gehouden waar het de taalproef betreft, wijs ik er nog eens op, dat rekwirant zelf kon nagaan, in welke talen hij werd ondervraagd en of dit met die aankondiging in overeenstemming was. Ik ben dan ook van mening, dat beide middelen moeten worden afgewezen.
Vijfde middel
46 Rekwirant betoogde voor het Gerecht, dat het besluit om de uiteindelijk aangeworven kandidaat aan te stellen, een schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en van het belang van de dienst, alsook een kennelijk verkeerde beoordeling opleverde. Hij voerde in het bijzonder aan, dat de jury een kandidaat die niet over de voor de vervulling van het ambt vereiste kwalificaties en ervaring beschikte, niet geldig tot het vergelijkend onderzoek had kunnen toelaten en als eerste op de lijst van geschikte kandidaten had kunnen plaatsen, dat de taalproef niet doorslaggevend had mogen zijn, gelet op het feit dat daarvoor maximaal vijf van de 105 te behalen punten konden worden behaald, en dat kennis van de Italiaanse taal niet absoluut noodzakelijk was voor de vervulling van het betrokken ambt. Volgens rekwirant had het tot aanstelling bevoegd gezag in plaats daarvan het advies van de directeur-generaal van het directoraat-generaal Voorlichting moeten opvolgen.
47 Het Gerecht wees het op het beginsel van behoorlijk bestuur gebaseerde argument van de hand met de overweging, dat niets erop wees dat de jury niet in staat was, de kandidaten die op de litigieuze post hadden gesolliciteerd, te beoordelen.(29) Met betrekking tot het belang van de dienst verklaarde het, dat, gelet op de omvang van de vrijheid waarover het tot aanstelling bevoegd gezag voor het beoordelen van dit belang beschikt, het toezicht van het Gerecht beperkt moest blijven tot de vraag, of het tot aanstelling bevoegd gezag binnen de grenzen van die discretionaire bevoegdheid was gebleven en deze niet kennelijk verkeerd had gebruikt.(30) Bovendien zijn de werkzaamheden van de jury vergelijkend van aard, dient de jury zich bij die werkzaamheden te baseren op de prestaties van de kandidaten bij het examen van een vergelijkend onderzoek, en kan de gegrondheid van de waardeoordelen van de jury door de gemeenschapsrechter slechts worden getoetst in geval van kennelijke schending van de regels die de jury bij haar werkzaamheden in acht moet nemen (punt 101). Op basis van de feiten van de zaak en na onderzoek van het curriculum vitae van de uiteindelijk aangeworven kandidaat en van de door deze ingediende sollicitatie, concludeerde het Gerecht, dat de kandidaat niet kennelijk ongekwalificeerd was om de betrokken post te bezetten. Uit het feit dat de jury hem bij alle examenonderdelen, uitgezonderd de taalproef, dezelfde punten had toegekend als aan rekwirant, bleek volgens het Gerecht, dat hij zijn bekwaamheid om de bij het te vervullen ambt behorende taken uit te oefenen, had aangetoond (punt 103).
48 In hogere voorziening betoogt rekwirant, dat het Gerecht geen acht heeft geslagen op het door de bevoegde directeur-generaal aan het tot aanstelling bevoegd gezag gegeven advies, waarin met name de ervaring en de bewezen bekwaamheid van rekwirant werden beklemtoond en waarin werd aanbevolen, hem in het ambt aan te stellen. Gelijk het Gerecht echter opmerkte, was het niet zijn taak om zijn beoordeling van de kandidaten in de plaats te stellen van die van het tot aanstelling bevoegd gezag (punt 99). Het Gerecht stelde vast, dat niets erop wees dat de uiteindelijk aangeworven kandidaat kennelijk ongekwalificeerd was om in het betrokken ambt te worden aangesteld. Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het bewijs, dat de directeur-generaal een zeer hoge dunk van rekwirant had. Hoe dan ook nam de directeur-generaal niet deel aan de door de jury afgenomen examens, die een essentieel onderdeel vormden van de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek voorziene procedure voor de beoordeling van de kandidaten. Er zijn daarom geen redenen om te concluderen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag het beginsel van het belang van de dienst heeft miskend dan wel een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, door zich aan de volgorde van de door de jury opgestelde lijst van geschikte kandidaten te houden. Dit middel moet mijns inziens dan ook van de hand worden gewezen.
Zesde middel
49 Volgens rekwirant heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door de door hem gestelde partijdigheid van een jurylid niet bewezen te achten. In zijn verzoekschrift had rekwirant betoogd, dat een van de leden van de jury, zijn onmiddellijke hiërarchieke meerdere, hem ten onrechte had beschuldigd van nepotisme door aan de directeur-generaal van het directoraat-generaal Voorlichting te schrijven, dat hij had voorgesteld om communautaire middelen aan te wenden ten gunste van een door zijn broer voorgezeten vereniging. De directeur-generaal had deze brief aan rekwirant getoond en hem om opheldering verzocht. Dit had volgens rekwirant een reden moeten zijn om de schrijver van de brief uit de jury te weren.
50 Het Europees Parlement ontkende, van het bestaan van de brief op de hoogte te zijn. Van oordeel, dat rekwirant onvoldoende bewijzen voor dat bestaan had aangedragen (punt 109), wees het Gerecht het middel af.
51 Ik ben het met rekwirant eens, dat zijn verklaringen betreffende het bestaan van de brief niet van de hand kunnen worden gewezen op grond van zijn onvermogen om een document over te leggen dat hoe dan ook in het bezit van de tegenpartij zou zijn geweest. Desondanks geef ik in overweging, dit middel als ongegrond van de hand te wijzen, daar de gestelde partijdigheid hoe dan ook niet is bewezen. Rekwirant werd kennelijk om opheldering verzocht over het voornemen om middelen aan te wenden ten gunste van een orgaan dat in verband werd gebracht met iemand die zijn achternaam droeg. Rekwirant suggereert niet, dat hij niet in staat was die opheldering te verschaffen of dat de door hem gegeven verklaring niet werd aanvaard, en hij maakt geen melding van eventuele andere gevolgen voor hem, noch van eventuele tekenen van partijdigheid of bevooroordeeldheid, die degene die de beschuldiging had geuit, jegens hem aan de dag zou hebben gelegd. Bij gebreke van beweringen van het tegendeel moet de conclusie zijn, dat zijn verklaring voor een begrijpelijk misverstand werd aanvaard. Ik acht dit middel dan ook ongegrond wegens gebrek aan bewijs.
Kosten
52 Naar mijn mening dient rekwirant met betrekking tot één van zijn middelen in het gelijk worden gesteld. Bovendien kan het Hof zich definitief over het betrokken middel uitspreken en het door rekwirant gevorderde toewijzen, zonder dat het de zaak behoeft terug te verwijzen naar het Gerecht.(31) Derhalve dient het Hof ten aanzien van de proceskosten te beslissen.(32) Aangezien de billijkheid in casu niet vergt, dat de kosten over de partijen worden verdeeld(33), dient het Europees Parlement in alle kosten te worden verwezen.(34)
Conclusie
53 Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging:
1) het onderdeel van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg waarop het eerste middel betrekking heeft, te vernietigen;
2) het besluit van 21 februari 1995 waarbij het afdelingshoofd van het Voorlichtingsbureau van het Europees Parlement te Madrid is aangesteld, en het overeenkomstige besluit om rekwirant niet in dat ambt aan te stellen, nietig te verklaren;
3) het Europees Parlement te verwijzen in alle kosten van beide instanties.
(1) - Arrest van 12 juni 1997, Carbajo Ferrero (T-237/95, JurAmbt. blz. I-A-141, II-429; hierna: "bestreden arrest").
(2) - In de hoofdtekst wordt tussen haakjes verwezen naar de desbetreffende punten van het bestreden arrest.
(3) - Arresten van 14 juni 1972, Marcato/Commissie (44/71, Jurispr. blz. 427, punt 14), en 12 juli 1989, Belardinelli e.a./Hof van Justitie (225/87, Jurispr. blz. 2353, punten 13 en 14).
(4) - Arresten van 22 mei 1996, Gutiérrez/Parlement (T-140/94, JurAmbt. blz. I-A-241, II-689, punt 43), en 28 februari 1989, Van der Stijl en Cullington/Commissie (341/85, 251/86, 258/86, 259/86, 262/86, 266/86, 222/87 en 232/87, Jurispr. blz. 511; hierna: "arrest Van der Stijl").
(5) - Aangehaald in voetnoot 3.
(6) - Aangehaald in voetnoot 3.
(7) - Arrest van 7 februari 1990, Müllers/ESC (C-81/88, Jurispr. blz. I-249).
(8) - Voetnoot die voor deze Nederlandse vertaling van de conclusie irrelevant is.
(9) - Arrest van 5 december 1974, Van Belle/Raad (176/73, Jurispr. blz. 1361, punten 4 en 5). In feite is de organisatie van een algemeen vergelijkend onderzoek, zoals vermeld aan het slot van de eerste zin van lid 1, een vierde mogelijkheid.
(10) - Dit standpunt werd door het Gerecht verkondigd in zijn arrest van 21 februari 1995, Moat/Commissie (T-506/93, JurAmbt. blz. I-A-43, II-147, punt 37).
(11) - Arrest van 30 oktober 1974 (188/73, Jurispr. blz. 1099, punten 26 en 38); zie ook arrest van 18 maart 1997, Picciolo en Caló/Comité van de Regio's (T-178/95 en T-179/95, JurAmbt. blz. I-A-51, II-155, punt 85).
(12) - Arrest Grassi/Raad, aangehaald in voetnoot 11, punten 38-43; zie ook arrest Picciolo en Caló/Comité van de Regio's, aangehaald in voetnoot 11, punt 87.
(13) - Aangehaald in voetnoot 4.
(14) - Ibidem, punt 52 (cursivering van mij).
(15) - Arrest van 22 maart 1995, Kotzonis/ESC (T-586/93, Jurispr. blz. II-665, punt 93).
(16) - Aangehaald in voetnoot 11, punt 39.
(17) - Ibidem, punt 52.
(18) - Zo werd verzoekers eerste vordering omschreven als betrekking hebbend op "de aankondiging van vergelijkend onderzoek COM/484-487/70". Het Hof concludeerde, dat "het beroep, voor zover betrekking hebbend op de kennisgeving van vacature, [moest] worden verworpen" (punt 16).
(19) - Zie bijvoorbeeld de samenvatting van advocaat-generaal Jacobs in zijn conclusie bij het arrest Van der Stijl, aangehaald in voetnoot 4, punt 28.
(20) - Artikel 37 van 's Hofs Statuut-EG, dat ingevolge artikel 46 van dit Statuut ook van toepassing is op de procedure voor het Gerecht.
(21) - Arrest van 20 maart 1991, Pérez-Mínguez Casariego/Commissie (T-1/90, Jurispr. blz. II-143, punt 43).
(22) - Arresten van 10 december 1969, Wonnerth/Commissie (12/69, Jurispr. blz. 577, punt 8); 9 juli 1981, Van Zaanen/Rekenkamer (184/80, Jurispr. blz. 1951, punt 13), en arrest Pérez-Mínguez Casariego/Commissie, aangehaald in voetnoot 21, punt 43; zie ook de conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn bij het arrest Van Zaanen/Rekenkamer, blz. 1971.
(23) - Arrest Pérez-Mínguez Casariego/Commissie, aangehaald in voetnoot 21, punt 42.
(24) - Arrest van 26 oktober 1993, Weißenfels/Parlement (T-22/92, Jurispr. blz. II-1095, punt 40). Rekwirant verwijst ook naar het arrest van 26 januari 1995, Pierrat/Hof van Justitie (T-60/94, JurAmbt. blz. I-A-23, II-77, punt 33). De passage waarop rekwirant zich beroept, staat echter in punt 35.
(25) - Punt 83 van het bestreden arrest; arrest Pierrat/Hof van Justitie, aangehaald in voetnoot 24, punt 30.
(26) - Punt 82 van het bestreden arrest; arrest van 29 februari 1996, Lopes/Hof van Justitie (T-280/94, JurAmbt. blz. I-A-77, II-239, punt 148).
(27) - Zie het hiervoor besproken tweede middel.
(28) - Zie ook arresten van 9 juli 1987, Hochbaum en Rawes/Commissie (44/85, 77/85, 294/85 en 295/85, Jurispr. blz. 3259), en 30 januari 1992, Schönherr/ESC (T-25/90, Jurispr. blz. II-63).
(29) - Punt 98 van het bestreden arrest; arrest van 22 juni 1990, Marcopoulos/Hof van Justitie (T-32/89 en T-39/89, Jurispr. blz. II-281, punten 37 en 40).
(30) - Punt 99 van het bestreden arrest; arrest van 15 februari 1996, Ryan-Sheridan/ESVLA (T-589/93, JurAmbt. blz. I-A-27, II-77, punt 132).
(31) - Artikel 54 van 's Hofs Statuut-EG.
(32) - Artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
(33) - Artikel 122, tweede alinea, tweede streepje, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
(34) - Artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
Full & Egal Universal Law Academy