Conclusie van de advocaat generaal
1 Het Europees Parlement heeft hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 juli 1997(1), houdende nietigverklaring van zijn besluit van 22 mei en zijn bevestigend besluit van 9 augustus 1995, waarbij het de onregelmatigheid vaststelde van de afwezigheid van G. Gaspari, ambtenaar van de instelling, gedurende een dag, en op haar vakantieverlof een dag in mindering bracht.
De aan het geding ten grondslag liggende feiten
2 De feiten die in het arrest in eerste aanleg bewezen zijn verklaard, kunnen worden samengevat als volgt:
- Op 3 mei 1995 deed Gaspari de administratieve diensten van het Parlement een medisch attest toekomen, waarin zij arbeidsongeschikt werd verklaard voor de periode van woensdag 3 mei tot en met vrijdag 5 mei 1995.
- Op donderdag 4 mei 1995 begaf de controlerende arts van het Parlement zich naar de woonplaats van Gaspari om haar te onderzoeken, en deelde hij haar mee, dat zij zijns inziens haar werkzaamheden vanaf de volgende dag, vrijdag 5 mei 1995, kon hervatten.
- Gaspari hervatte haar werkzaamheden pas op maandag 8 mei 1995. Dezelfde dag zond zij het directoraat Personeel een nota om zich te beklagen over de houding die de controlerende arts jegens haar had aangenomen.
- Op 22 mei 1995 deelde de afdeling Personeel Gaspari mee, dat zij haar afwezigheid als onregelmatig beschouwde, en dat overeenkomstig artikel 60 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") de dag afwezigheid in mindering zou worden gebracht op haar vakantieverlof. Op 9 augustus 1995 bevestigde zij dat besluit.
- Op 21 augustus 1995 diende Gaspari tegen het besluit van 22 mei 1995 een klacht (gedateerd 11 augustus) in, waarin zij stelde, dat zij slechts de adviezen van haar behandelende arts had gevolgd, dat de opmerkingen van de controlerende arts ongegrond waren, en dat hij "partijdige" methodes had gebruikt.
- Op 13 december 1995 wees het Parlement die klacht af.
De motivering van het arrest in eerste aanleg
3 Van de drie middelen tot nietigverklaring die Gaspari tegen het administratieve besluit heeft aangevoerd (gebrek aan motivering, schending van artikel 59 van het Statuut en kennelijke beoordelingsfout) heeft het Gerecht alleen het eerste middel onderzocht, omdat het van oordeel was, dat het volstond om het verzoek toe te wijzen.
4 Na te hebben bevestigd, dat de bestreden handeling, strikt genomen, niet het rapport van de controlerende arts is, maar het administratieve besluit waarin de afwezigheid als onregelmatig werd aangemerkt, beklemtoont het Gerecht, dat in werkelijkheid het rapport van de controlerende arts de enige en uitsluitende grondslag van dat besluit vormde.
5 Naar het oordeel van het Gerecht heeft deze premisse als logisch gevolg, dat de betrokken ambtenaar op zijn verzoek "kennis [moet] kunnen nemen van het rapport van de controlerende arts", om de motivering van het besluit te kunnen kennen en de gegrondheid ervan te kunnen beoordelen.
6 Daar het rapport noch aan de ambtenaar, noch aan haar behandelende arts was meegedeeld, bleef de motivering van het besluit in de onderhavige zaak beperkt tot een verwijzing naar het rapport van de controlerende arts, die van mening was, dat de betrokkene haar werkzaamheden op vrijdag 5 mei moest hervatten. Volgens het Gerecht is deze motivering "een loutere formaliteit, die niet volstaat om verzoekster in staat te stellen de gegrondheid ervan te beoordelen".
7 Het Gerecht voegt daaraan toe, dat bovendien het recht van verweer van verzoekster is geschonden: aangezien de conclusies van het medische onderzoek haar niet zijn meegedeeld, heeft Gaspari haar standpunt daarover niet kenbaar kunnen maken, en ze niet met enige kans op succes kunnen betwisten. Het recht van verweer eist evenwel, dat de betrokkene in staat wordt gesteld zijn standpunt over het volledige rapport van de controlerende arts kenbaar te maken.
De middelen van de hogere voorziening
8 In zijn hogere voorziening voert het Parlement de volgende vier(2) middelen aan:
a) Het Gerecht had het door Gaspari krachtens artikel 179 EG-Verdrag ingestelde beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren, omdat de in dat beroep opgeworpen middelen niet waren aangevoerd in de voorafgaande administratieve klacht.
b) Het Gerecht zou een dwaling hebben begaan door te oordelen, dat de bestreden handeling niet of onvoldoende met redenen was omkleed. Het staat aan de betrokken ambtenaar, te bewijzen dat het rapport van de controlerende arts ongegrond was. Anders zou het gehele stelsel van artikel 59, lid 1, van het Statuut geen zin meer hebben.
c) Het Gerecht heeft artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering geschonden, door de gestelde schending van het recht van verweer te onderzoeken, hoewel dit middel door de verzoekende ambtenaar eerst in het stadium van de repliek was aangevoerd.
d) In elk geval was er geen schending van het recht van verweer; bijgevolg heeft het Gerecht gedwaald ten aanzien van het recht, door de bestreden administratieve besluiten nietig te verklaren op die grond.
Het eerste middel
9 Het Parlement voert in de eerste plaats aan, dat het Gerecht het beroep van Gaspari niet-ontvankelijk had moeten verklaren, aangezien de middelen waarop zij zich baseerde, verschilden van die welke in de voorafgaande administratieve klacht waren uiteengezet.
10 Een dergelijk argument komt, in dit stadium van de procedure, als een volkomen verrassing, wanneer men bedenkt, dat het in eerste aanleg niet is aangevoerd in het verweerschrift. Indien het Parlement zou hebben gemeend dat het beroep niet-ontvankelijk was, had het logischerwijze het passende betoog naar voren moeten brengen op het passende moment van de procedure, en wel voor de rechterlijke instantie die zich over het betrokken beroep moest uitspreken. De lezing van het verweerschrift volstaat om integendeel vast te stellen, dat het Parlement er polemiseert over de motivering van de besluiten en de gestelde beoordelingsfout, maar geen enkel argument betreffende de niet-ontvankelijkheid van het verzoek van Gaspari aanvoert. Het verweerschrift strekte tot verwerping van het beroep om redenen ten gronde, en concludeerde geenszins tot niet-ontvankelijkheid ervan.
11 Niets belet trouwens een verzoeker, zich voor het Gerecht op argumenten te beroepen, die niet in de voorafgaande administratieve klacht zijn aangevoerd. De soms door het Hof vermelde(3) overeenstemming tussen de klacht en het beroep vereist, dat de conclusies van de klager in beide dezelfde zijn, en dat de grondslag van de eis reeds in het stadium van de klacht is bepaald, teneinde de aard ervan te vrijwaren. Dat vereiste kan echter niet zo strikt worden uitgelegd, dat het de verzoeker belet, daar voor het Gerecht nieuwe argumenten (of bewijzen) aan toe te voegen, die verschillen van die welke reeds in zijn klacht zijn aangevoerd. Het verplichte optreden van een advocaat in beroepen van ambtenaren voor het Gerecht, om slechts de argumenten te herhalen die deze laatsten, zonder hulp van een advocaat, in hun administratieve klachten hebben uiteengezet, zou weinig zin hebben.
12 In de onderhavige zaak zijn de conclusies (de nietigverklaring van de besluiten), de grondslag van de eis (de beweerdelijk onregelmatige gedraging van de verwerende instelling), en zelfs bepaalde van de aangehaalde juridische argumenten zowel in de klacht als in het beroep geformuleerd. Het feit, dat het beroep aanvullende middelen bevat of de eerder aangehaalde middelen in juridische termen omzet, kan mijns inziens de niet-ontvankelijkheid ervan niet meebrengen.
13 Ten slotte blijkt uit de rechtspraak van het Hof, dat het onderzoek van middelen van openbare orde, gebaseerd op een gebrek dat de bestreden handeling aantast (onder meer ontoereikende motivering en schending van het recht van verweer) in elke stand van het geding kan plaatsvinden, en dat het niet zo is, dat de verzoeker zich hierop niet meer kan beroepen, enkel op grond dat hij ze niet in zijn klacht heeft opgeworpen.(4)
Het tweede middel
14 Het probleem dat in het tweede middel wordt opgeworpen, betreft het vereiste van motivering van de bestreden besluiten. Zoals gezegd, bevatten deze laatste enkel een verwijzing naar het rapport van de controlerende arts, zonder echter de inhoud ervan over te nemen.
15 Voor het onderzoek van dit middel moet worden uitgegaan van een principiële vraag: moet een gemeenschapsinstelling in de motivering van besluiten als die in de onderhavige zaak, de tekst opnemen van het rapport dat de controlerende arts na het onderzoek bij de ambtenaar thuis heeft opgemaakt? Zo dat niet het geval is, kunnen die besluiten dan worden geacht, niet de voor dergelijke administratieve handelingen vereiste motivering te bevatten?
16 Mijns inziens moet het besluit waarin de afwezigheid van een ambtenaar als ongerechtvaardigd wordt aangemerkt, zonder enige twijfel de redenen uiteenzetten die de betrokken instelling ertoe brengen, die handeling vast te stellen: gaat het om afwezigheden na een medisch controleonderzoek, en is bewezen - hetgeen de betrokkene bevestigt - dat de arts, in de loop van het onderzoek, persoonlijk de ambtenaar heeft bevolen zijn werkzaamheden te hervatten, zonder dat hij daaraan gevolg heeft gegeven, is het besluit dat die feiten uiteenzet en de artikelen 59 en 60 van het Statuut als toepasselijk aanhaalt, voldoende met redenen omkleed.
17 Mijns inziens is het niet nodig, dat dergelijke besluiten bovendien de volledige tekst van het door de controlerende arts aan de betrokken instelling toegezonden rapport bevatten, dan wel klinische waardeoordelen die erin voorkomen of die, in voorkomend geval, van die arts zouden kunnen worden verkregen.
18 Het kan zelfs gebeuren, dat het medisch geheim de controlerende arts verbiedt, zijn technische beoordelingen omtrent de zieke aan de betrokken instelling mee te delen.(5) In die gevallen volstaat het, dat zijn rapport een eindbeoordeling van de gegrondheid van een werkhervatting door de ambtenaar bevat. Juist deze slotconclusie (en niet de klinische elementen die eraan ten grondslag liggen) vormt op haar beurt de motivering van de administratieve handeling. Inderdaad - en teneinde de noodzakelijke symmetrie met de omgekeerde situatie te bewaren - is het evenmin verplicht, dat de behandelende arts, op het medische attest dat de ambtenaar een ziekteverlof voorschrijft, zijn gedetailleerde technische beoordelingen betreffende diens gezondheidstoestand formuleert.
19 Gesteld al, dat het medisch geheim geen dergelijke draagwijdte heeft, en dat de controlerende arts het geheel van zijn beoordelingen aan de betrokken instelling kan meedelen, zou deze laatste toch niet verplicht zijn ze op te nemen in het besluit waarin de afwezigheid van de ambtenaar als ongerechtvaardigd wordt aangemerkt, en volstaat dienaangaande een verwijzing naar het rapport van de arts. Met bepaalde nuances, die ik hierna zal uiteenzetten, kan die beknopte motivering geldig zijn, in die zin dat zij volstaat om de administratieve handeling te rechtvaardigen, onverminderd de mogelijkheid om ze later te ontwikkelen in geval van discrepantie.
20 Dit laatste punt is volgens mij de sleutel van het geschil. De instelling waartoe de ambtenaar behoort, behoeft in zijn aanvankelijke besluit de inhoud van het rapport van de controlerende arts niet weer te geven, maar zij kan niet weigeren dat rapport op te vragen en het aan de betrokken ambtenaar mee te delen(6), wanneer deze dat op goede gronden vraagt, hetzij om de bewoordingen ervan te kennen, hetzij om de administratieve handeling te bestrijden, die de instelling op grond van het medische rapport heeft vastgesteld.
21 Dit aspect van het vraagstuk betreft echter niet het vereiste van motivering van de administratieve handeling, maar een latere fase van haar bestaan, namelijk de eventuele administratieve of gerechtelijke betwisting ervan. Gezien het buitengewoon technische karakter van de beoordelingen van de controlerende arts, is zijn rapport een bewijsmiddel dat, in voorkomend geval, met andere, soortgelijke bewijsmiddelen kan worden vergeleken, of kan worden onderworpen aan een deskundigenonderzoek op tegenspraak in de loop van de procedure tot onderzoek en toetsing van de administratieve handeling.
22 Het lijkt mij noodzakelijk, op dit punt nader in te gaan: voor de motivering van de handeling waarin zij de afwezigheid van de betrokken ambtenaar als onregelmatig heeft aangemerkt, volstond het, dat de instelling de bewezen feiten (het bezoek van de arts, het door deze uitdrukkelijk aan de betrokkene gegeven bevel om haar werkzaamheden te hervatten, de latere gedraging van de betrokkene) aangeeft, en de op een dergelijk gedrag toepasselijke bepalingen van het Statuut, waarop het besluit is gebaseerd. Het feit, dat Gaspari dat besluit betwist, omdat zij het oneens is met de conclusies van de arts, brengt mee, dat zij in het kader van de administratieve klacht (en a fortiori in het kader van de rechterlijke toetsing), op haar verzoek kennis moet kunnen nemen van het haar betreffende medische rapport. Het gaat echter om twee verschillende momenten, die niet mogen worden verward.
23 Een afwijzing van dat verzoek door de instelling zou de motiveringsplicht niet schenden, maar, in voorkomend geval, wel het recht van de ambtenaar om, met volledige kennis van zaken en met gelijke wapens, te reageren tegen een voor hem bezwarende administratieve handeling. In dit verband moeten de beoordelingen van het Gerecht in het bestreden arrest worden geanalyseerd, die het recht van verweer betreffen, en waarover het derde en het vierde middel handelen.
24 Dit middel van de hogere voorziening moet dus worden aanvaard, want het Gerecht heeft een rechtsdwaling begaan door te oordelen, dat de bestreden administratieve besluiten onvoldoende met redenen waren omkleed.
Het derde middel
25 Met zijn derde middel(7), verwijt het Parlement het bestreden arrest, artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te hebben geschonden, naar luid waarvan nieuwe middelen in de loop van het geding niet mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
26 De vertegenwoordigers van het Parlement voeren aan, dat het middel ontleend aan schending van het recht van verweer, door Gaspari eerst in het stadium van de repliek is aangevoerd, zonder dat zij ernaar heeft verwezen in de voorafgaande administratieve klacht. Bijgevolg zou het Gerecht het onderzoek ervan hebben moeten afwijzen. A fortiori zou het het ook niet ambtshalve hebben moeten onderzoeken.
27 Wat de eventuele inhoudelijke verschillen tussen de klacht en het beroep voor het Gerecht betreft, verwijs ik naar mijn uiteenzetting omtrent het eerste middel. Ik leg er de nadruk op, dat het mij niet te kritiseren lijkt dat het beroep in rechte, wanneer het de conclusies en de grondslag van de eis niet wijzigt, aanvullende juridische argumenten aanvoert, naast die welke in de loop van de administratieve procedure naar voren zijn gebracht. In ieder geval is het, daar het bovendien om middelen van openbare orde gaat, steeds mogelijk ze in een later stadium aan te voeren.
28 Wat de gestelde distorsie betreft, die zich in het kader van het proces zou hebben voorgedaan, geloof ik ook niet, dat zij artikel 48 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft geschonden, en wel om twee redenen:
a) enerzijds behoeft niet te worden onderzocht, in hoeverre het Gerecht ambtshalve bepaalde gebreken van een communautaire handeling kan onderzoeken, die fundamentele rechten schenden; in de onderhavige zaak is het middel ontleend aan schending van het recht van verweer immers door verzoekster opgeworpen, zoals het Parlement uitdrukkelijk erkent(8);
b) anderzijds verwees het opschrift van het eerste middel van het verzoekschrift weliswaar alleen naar de motivering van de handeling, maar legde de inhoud ervan de nadruk op de onmogelijkheid, voor de ambtenaar, de grond van het bestreden besluit te onderzoeken en te betwisten; dat is echter een argument dat het recht van verweer betreft.
29 Het Gerecht heeft dus geen enkele rechtsregel geschonden, door in het arrest uitspraak te doen over een juridisch argument dat door verzoekster is aangevoerd in de loop van het voor hem gevoerde geding.
Het vierde middel
30 Na te hebben betoogd, dat het argument betreffende de schending van het recht van verweer, door het bestreden arrest niet-ontvankelijk moest worden verklaard, stellen de vertegenwoordigers van het Parlement, dat die schending in ieder geval nooit heeft plaatsgevonden.
31 De analyse van dit middel vereist een voorafgaande opheldering: onderzocht moet worden, of het Parlement daadwerkelijk heeft geweigerd het medische rapport aan verzoekster mee te delen. Het gaat om een feit waarvan het bestreden arrest geen melding maakt onder de titel "Aan het geding ten grondslag liggende feiten", en waarop het evenmin zinspeelt onder de titels "Precontentieuze procedure" of "Procedure voor het Gerecht". Later, in zijn juridische beoordelingen, bevestigt het Gerecht echter tweemaal, dat verzoekster in haar administratieve klacht (punten 30 en 31) om mededeling van haar medisch rapport heeft verzocht.
32 De inhoud van deze klacht was zeer beknopt, en beperkte zich tot twee argumenten: "1) ik heb mij enkel naar de letter gehouden aan hetgeen mijn arts noodzakelijk vond, namelijk een werkonderbreking van drie dagen; 2) de opmerkingen van de controlerende arts (die mijn arts wel zou willen kennen) waren noodzakelijk ongegrond, want het was de eerste maal dat hij mij zag, en het was niet voor het eerst, dat hij die partijdige methoden gebruikte, zoals blijkt uit bijgaande nota van het personeelscomité van 30 mei 1995".
33 Het Parlement, van zijn kant, beklemtoont, dat verzoekster ter terechtzitting voor het Gerecht heeft erkend, dat zij nooit had gevraagd het rapport van de controlerende arts te raadplegen.
34 Daar het aan het Gerecht staat, de feiten vast te stellen, en de hogere voorziening geen passend kader is om ze te controleren, en bovendien gelet op het feit, dat de vertegenwoordigers van het Parlement niet hebben gesteld dat een bewijselement onjuist is weergegeven op een manier die uit dit laatste rechtstreeks en onmiddellijk kan worden opgemaakt, moet worden aangenomen dat Gaspari, in haar klacht, om mededeling van het medische rapport heeft verzocht. Beïnvloedt het stilzwijgen van de verwerende instelling, wat dit verzoek betreft, met terugwerkende kracht de geldigheid van de besluiten die van vóór de klacht dateren?
35 Mijns inziens moet het antwoord ontkennend luiden: ik heb erop gewezen, dat de besluiten waarop de klacht betrekking had, volstonden om de adressaat duidelijk te maken, waarom de administratie haar afwezigheid als onregelmatig beschouwde. Bovendien erkent Gaspari, dat zij van de controlerende arts die haar bezocht, bevel had gekregen om de volgende dag haar werkzaamheden te hervatten, welk bevel zich duidelijk laat verklaren door het feit, dat de controlerende arts haar daartoe geschikt achtte. Indien de ambtenaar het gedetailleerde medische rapport nodig had (bijvoorbeeld om het ter kennis van haar behandelende arts te brengen), had zij daarom kunnen verzoeken op elk moment vóór de klacht, teneinde deze nauwkeuriger te staven.
36 In ieder geval zou de (stilzwijgende) weigering van het Parlement, de ambtenaar het medische rapport mee te delen, waarom zij in de eerder aangehaalde bewoordingen had verzocht, grond opleveren tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht, wegens een vermoedelijke schending van het recht van verweer, begaan in de loop van die procedure, maar geen grond tot nietigverklaring van de oorspronkelijke besluiten.
37 Volgens mij moet dit verschil worden beklemtoond: enerzijds waren de besluiten waarop het geding betrekking heeft oorspronkelijk voldoende gemotiveerd, want zij deelden de betrokkene de redenen mee waarom de administratie meende, dat haar afwezigheid gerechtvaardigd was geweest. Anderzijds betreft dat - zelfs aangenomen dat het Parlement, op verzoek van de ambtenaar, haar een kopie van het medische rapport had moeten overhandigen (uiteindelijk overgelegd in de voor het Gerecht gevolgde procedure) - niet het motiveringsvereiste, maar een bewijselement dat in het kader van de voorafgaande administratieve klacht, en a fortiori in dat van het beroep, kan worden tegengesproken.
38 Zo er dus schending van het recht van verweer is geweest, is zij begaan na de vaststelling van de bestreden besluiten. Het zou dus gaan om een gebrek dat niet deze laatste treft, maar een verdere administratieve handeling, zoals die waarbij de klacht wordt afgewezen. Paradoxaal genoeg is deze laatste handeling niet nietig verklaard door het bestreden arrest, dat enkel de besluiten van 22 mei en 9 augustus 1995 heeft vernietigd.
39 Ook het vierde middel moet dus worden aanvaard, aangezien het Gerecht een rechtsdwaling heeft begaan door de twee bestreden besluiten nietig te verklaren wegens een feit (het ontbreken van antwoord op het latere verzoek om mededeling van het medische rapport) van latere datum, dat de geldigheid ervan niet kan aantasten.
40 Ten slotte moet de zaak, aangezien het Gerecht geen uitspraak heeft gedaan over de andere twee in eerste aanleg door verzoekster aangevoerde middelen tot nietigverklaring, in verband waarmee - wat de beoordeling van de feiten en de bewijzen betreft - nog problemen blijven bestaan, overeenkomstig artikel 54 van 's Hofs Statuut-EG, voor afdoening worden verwezen naar het Gerecht.
41 Mijns inziens verkeren wij niet in het in artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bedoelde geval; bijgevolg moet niet worden beslist ten aanzien van de proceskosten.
Conclusie
42 Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de hogere voorziening van het Europees Parlement gegrond te verklaren en:
1) het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 juli 1997, Gaspari/Parlement (T-36/96) te vernietigen;
2) de zaak naar het Gerecht te verwijzen, voor een uitspraak over de andere middelen tot nietigverklaring die verzoekster heeft aangevoerd;
3) de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
(1) - Gaspari/Parlement (T-36/96, JurAmbt. blz. II-595).
(2) - In werkelijkheid verwijzen de rubrieken van de hogere voorziening slechts naar drie middelen, namelijk de niet-ontvankelijkheid van het beroep, de motiveringsplicht en het ambtshalve voordragen van een nieuw middel door het Gerecht. Bij het ontwikkelen van dit laatste middel gebruikt het Parlement echter een dubbele argumentatie, procedureel en ten gronde, die volgens mij gescheiden moeten worden behandeld. Ofschoon ik naar het eerste en het tweede onderdeel van het derde middel had kunnen verwijzen, heb ik er voor de duidelijkheid de voorkeur aan gegeven, van twee zelfstandige middelen te spreken.
(3) - Zie de vindplaatsen van die rechtspraak in punt 9 van het arrest van het Gerecht van 29 maart 1990, Alexandrakis/Commissie (T-57/89, Jurispr. blz. II-143).
(4) - Arrest van 20 februari 1997, Commissie/Daffix (C-166/95 P, Jurispr. blz. I-983, punten 24 en 25).
(5) - Volgens artikel 86 van de deontologische bepalingen van de Luxemburgse orde van geneesheren, als bijlage III aan de hogere voorziening gehecht, is de met de controle belaste arts gehouden aan het beroepsgeheim tegenover de administratie of de instelling die hem tewerkstelt, en waaraan hij enkel zijn conclusies op administratief vlak mag meedelen, zonder de redenen van medische aard te vermelden, die eraan ten grondslag liggen.
(6) - Waar ik de verplichting van de instelling, op zichzelf beschouwd, ter sprake breng, snijd ik niet de vraag aan, welke van haar interne diensten het rapport aan de ambtenaar moet meedelen. Deze (mijns inziens totaal bijkomstige) vraag is door het Parlement ter terechtzitting voor het Hof aangesneden.
(7) - Zie voetnoot 2, betreffende de systematische uiteenzetting van het Parlement in zijn hogere voorziening.
(8) - Punt 50 van de hogere voorziening: "(...) De aanvaarding door het Gerecht van eerste aanleg van dit nieuwe argument (...) waarop eerst ten tijde van verzoekers repliek een beroep is gedaan (...)".
Full & Egal Universal Law Academy