Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1 In de onderhavige zaak wordt het Hof uitgenodigd, zich uit te spreken over drie prejudiciële vragen van Stockholms tingsrätt (Zweden). Deze vragen stellen drie belangrijke punten aan de orde, te weten de grenzen van de bevoegdheid van het Hof, de verplichtingen die de EER-overeenkomst(1) oplegt aan de staten van de Europese Vrijhandelsassociatie, en de toepasselijkheid van de regels van gemeenschapsrecht in de tijd.
II - Feiten en procesverloop
2 U.-B. Andersson en S. Wåkerås-Andersson (hierna: "verzoeksters") waren als werknemers in dienst van de naamloze vennootschap Kinna Installationsbyrå (hierna: "vennootschap"), die op 17 november 1994, vóór de toetreding van het Koninkrijk Zweden tot de Gemeenschap, failliet ging. De curator van het faillissement verwierp een vordering van verzoeksters tot betaling van het gewaarborgd loon, omdat verzoeksters naaste verwanten (echtgenote respectievelijk moeder) waren van de enige eigenaar van de aandelen van de vennootschap; op grond van de geldende nationale wetgeving was hierdoor het recht op schadevergoeding uitgesloten. Verzoeksters hebben tegen de Zweedse Staat een schadevordering ingediend, stellende dat deze gehouden is hun de schade te vergoeden die zij hebben geleden doordat de staat zijn verplichting heeft geschonden, uitvoering te geven aan richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever(2) (hierna: "richtlijn"), die valt onder de EER-overeenkomst. Zij beroepen zich in het bijzonder op de algemene beginselen van gemeenschapsrecht die het Hof heeft vastgelegd in het arrest in de gevoegde zaken C-6/90 en C-9/90(3) en die ingevolge artikel 6 van de EER-overeenkomst deel uitmaken van deze overeenkomst. Anders gezegd: zij zijn van mening dat deze overeenkomst hun hetzelfde recht op schadevergoeding wegens niet-uitvoering van de richtlijn gewaarborgd loon geeft als zij zouden hebben gehad indien het Koninkrijk Zweden op de datum waarop hun werkgever failliet werd verklaard, lid was geweest van de Europese Unie.
3 Naar Zweeds recht beslist de curator van het faillissement over de betaling van gewaarborgd loon. Volgens § 7 lönegarantilag (Zweedse wet gewaarborgd loon) kunnen schuldvorderingen uit hoofde van loon of iedere andere vorm van beloning worden betaald, wanneer sprake is van een bevoorrechte vordering in de zin van § 12 förmånsrättslag (Zweedse wet rangregeling). Volgens deze bepaling - in de ten tijde van het faillissement geldende versie - had de werknemer die zelf of samen met een naaste verwant minder dan zes maanden vóór de faillissementsaanvraag eigenaar was van ten minste een vijfde van de onderneming, geen bevoorrechte vordering. Hetzelfde gold, wanneer niet hijzelf maar één van zijn naaste verwanten dit deel van het kapitaal bezat.
4 De EER-overeenkomst voorziet in uitzonderingen op een aantal bepalingen van richtlijn 80/987, in het bijzonder voor het Koninkrijk Zweden. Van de werkingssfeer van de richtlijn zijn zowel de werknemer als zijn nabestaanden uitgesloten, indien hij alleen of samen met naaste verwanten eigenaar was van een belangrijk deel van de onderneming of zaak van de werkgever en aanzienlijke invloed op de activiteiten daarvan had.
De verwijzende rechter merkt echter op, dat, indien de Zweedse regels betreffende het gewaarborgd loon in overeenstemming waren geweest met de bepalingen van de overeenkomstige gemeenschapsrichtlijn en met de uitzonderingen op de toepassing van deze richtlijn waarin voor het Koninkrijk Zweden is voorzien, verzoeksters recht zouden hebben gehad op een vergoeding wegens onbetaald loon. Verzoeksters maakten geen deel uit van de werknemers die van de werkingssfeer van de richtlijn zijn uitgesloten, aangezien zij geen eigenaar, alleen of samen met naaste verwanten, waren van een aanzienlijk deel van de onderneming van de werkgever en evenmin aanzienlijke invloed op de activiteiten daarvan hadden. Dat één van hun naaste verwanten eigenaar was van een aanzienlijk deel van de onderneming, sloot hen rechtens niet uit van het recht om op basis van de richtlijn een vergoeding te ontvangen, zelfs wanneer de aan het Koninkrijk Zweden toegestane uitzonderingen in aanmerking worden genomen. Bijgevolg bestaat er geen enkele twijfel over, dat de weigering van de curator van het faillissement om het gewaarborgd loon te betalen, niet overeenstemt met de regels van de richtlijn, zoals deze deel uitmaakt van de EER-overeenkomst. Waartoe leidt deze vaststelling? Kunnen verzoeksters aanspraak maken op schadevergoeding van de zijde van de Zweedse Staat op grond dat deze de regels van de EER-overeenkomst niet nakomt?
5 De Zweedse Staat ontkent dat de vordering gegrond is, stellende dat op hem vóór de toetreding van het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie geen verplichting rustte, het nationale recht in overeenstemming te brengen met de bepalingen van gemeenschapsrecht, waarvan de niet-nakoming een schuldvordering zou doen ontstaan waarop voor de Zweedse rechter een beroep kan worden gedaan.
III - De prejudiciële vragen
6 De verwijzende rechter heeft het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Moet artikel 6 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aldus worden uitgelegd, dat de onder meer in de zaken C-6/90 en C-9/90 door het Hof vastgestelde rechtsbeginselen deel uitmaken van het recht van de Europese Economische Ruimte, zodat op een staat een schadevergoedingsplicht kan rusten tegenover een particulier op grond dat hij aan richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (richtlijn gewaarborgd loon) geen juiste uitvoering had gegeven toen hij alleen partij was bij de EER-overeenkomst, en niet tot de Europese Unie was toegetreden?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 6 EER-overeenkomst dan aldus worden uitgelegd, dat de richtlijn gewaarborgd loon alsook de onder meer in de zaken C-6/90 en C-9/90 door het Hof vastgestelde rechtsbeginselen voorrang hebben boven nationaal recht, indien de staat deze richtlijn onjuist heeft uitgevoerd?
3) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, heeft de toetreding van een staat tot de Europese Unie dan tot gevolg, dat de richtlijn gewaarborgd loon alsook de in de zaken C-6/90 en C-9/90 door het Hof vastgestelde rechtsbeginselen voorrang hebben boven nationaal recht, ook met betrekking tot feiten die zich hebben voorgedaan toen de staat alleen partij bij de EER-overeenkomst was, doch nog niet tot de Europese Unie was toegetreden, indien de staat deze richtlijn onjuist heeft omgezet?"
IV - De toepasselijke bepalingen
7 Artikel 6 van de EER-overeenkomst bepaalt:
"Onverminderd de toekomstige ontwikkelingen van de jurisprudentie, worden de bepalingen van deze overeenkomst, voor zover zij in essentie gelijk zijn aan de overeenkomstige regels van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de ter uitvoering van die Verdragen aangenomen besluiten, wat de tenuitvoerlegging en toepassing betreft, uitgelegd overeenkomstig de desbetreffende uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen daterende van vóór de ondertekening van deze overeenkomst."
8 Artikel 7 van de EER-overeenkomst bepaalt:
"De in de bijlagen bij deze overeenkomst of in beschikkingen van het Gemengd Comité van de EER vermelde of vervatte besluiten zijn verbindend voor de overeenkomstsluitende partijen en maken deel uit van of worden opgenomen in hun interne rechtsorde, zulks op de volgende wijze:
a) (...)
b) een met een EEG-richtlijn overeenstemmend besluit laat aan de instanties van de overeenkomstsluitende partijen de vrijheid om de vorm, middelen en wijze van tenuitvoerlegging te kiezen."
9 Protocol 34 bij de EER-overeenkomst, betreffende de mogelijkheid voor rechterlijke instanties van de EVA-staten om het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te verzoeken een uitspraak te doen over de uitlegging van EER-regels die overeenkomen met EG-regels, bepaalt:
"Artikel 1
Indien in een zaak die bij een rechterlijke instantie van een EVA-staat aanhangig is, een vraag wordt opgeworpen betreffende de uitlegging van bepalingen van de overeenkomst die in essentie gelijk zijn aan de bepalingen van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen, zoals gewijzigd of aangevuld, of van ter uitvoering daarvan aangenomen besluiten, kan die rechterlijke instantie zo nodig het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.
Artikel 2
Een EVA-staat die voornemens is dit protocol toe te passen, stelt de depositaris en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen ervan in kennis in welke mate en volgens welke procedures het protocol op zijn rechterlijke instanties van toepassing zal zijn."
10 Protocol 35 bij de EER-overeenkomst, betreffende de tenuitvoerlegging van EER-voorschriften, luidt als volgt:
"Enig Artikel
Voor gevallen waarin zich conflicten zouden voordoen tussen de tenuitvoerlegging van EER-regels en andere wetgevende bepalingen verbinden de EVA-staten zich ertoe zo nodig in hun wetgeving een bepaling op te nemen volgens welke de EER-regels in die gevallen voorrang hebben."
11 Volgens punt 24 van bijlage XVIII bij de EER-overeenkomst geldt richtlijn 80/987 voor de EVA-staten. In het kader van de EER-overeenkomst zijn de bepalingen van de richtlijn speciaal aangepast aan het Koninkrijk Zweden, in dier voege dat van de werkingssfeer van deze richtlijn wordt uitgesloten: "Een werknemer of de nabestaanden van een werknemer die alleen of samen met zijn naaste verwanten de eigenaar was van een belangrijk deel van de onderneming of zaak van de werkgever en aanzienlijke invloed op de activiteiten daarvan had (...)"
V - De ontvankelijkheid van de eerste en de tweede prejudiciële vraag
12 De gemachtigden van de Zweedse regering, die niet alleen in haar hoedanigheid als verweerster, maar ook als interveniënte in het hoofdgeding opmerkingen heeft ingediend, de Noorse en de IJslandse regering alsook de Commissie zijn van mening, dat het Hof niet bevoegd is zich over de eerste twee prejudiciële vragen uit te spreken. Allereerst moet worden opgemerkt, dat deze vragen niet rechtstreeks betrekking hebben op de uitlegging van de inhoud van richtlijn 80/987 en evenmin op de verduidelijking van de Francovich-rechtspraak, maar op de gevolgen voor een EVA-staat, zoals het Koninkrijk Zweden was, van de niet-nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de EER-overeenkomst. Kan het Hof zich in het kader van artikel 177 EG-Verdrag over een dergelijke vraag uitspreken?
A - De bevoegdheid van het Hof om zich over de prejudiciële vragen uit te spreken
13 Het is in beginsel voorstelbaar, dat een bepaling van een internationale overeenkomst zoals artikel 6 van de EER-overeenkomst via de procedure van artikel 177 van het Verdrag wordt onderzocht, wanneer het uiteindelijke doel van het optreden van de rechter de uitlegging van het gemeenschapsrecht in het kader van de communautaire rechtsorde is; in dat geval wordt de bepaling van internationaal recht deel van de communautaire rechtsorde.(4)
14 De prejudiciële vragen die in het onderhavige geval moeten worden beantwoord, vallen niet in deze categorie. Zij betreffen uitsluitend het bijzondere kader van de rechtsbetrekkingen die buiten de communautaire rechtsorde in het leven zijn geroepen door een internationaal verdrag, namelijk de EER-overeenkomst, die, inzonderheid voor het Koninkrijk Zweden, geen communautaire rechtsregel vormde ten tijde van de feiten van het hoofdgeding. Het verschil is gering maar veelbetekenend. Hier is geen sprake van de toepassing van de door de verwijzende rechter aangehaalde regelgeving en algemene beginselen van gemeenschapsrecht binnen de communautaire rechtsorde; zij worden eventueel binnen een andere, door de EER-overeenkomst in het leven geroepen rechtsorde, en in ieder geval binnen de rechtsorde van een staat die geen deel uitmaakte van de Unie ten tijde van de relevante feiten, ten uitvoer gelegd.(5)
15 In zijn advies 1/91(6), betreffende het ontwerp-EER-akkoord, verklaart het Hof de verschillen tussen de communautaire rechtsorde en het betrokken akkoord door het bijzondere karakter van de communautaire rechtsorde, "waarvan de doelstellingen verder reiken dan die welke met het akkoord worden nagestreefd".(7) Uit dit advies, dat ik hierna analyseer, blijkt dat de lidstaten van de EVA niet automatisch de communautaire rechtsorde overnemen enkel omdat zij lid zijn van de EER.
a) De Dzodzi-rechtspraak
16 Bovenstaande vaststellingen volstaan echter op zich niet ter rechtvaardiging van de weigering van het Hof, uit hoofde van artikel 177 van het Verdrag de eerste twee prejudiciële vragen te beantwoorden. In bepaalde gevallen gaat de communautaire rechter over tot een inhoudelijk onderzoek van vragen die, hoewel zij de uitlegging van het gemeenschapsrecht betreffen, worden geformuleerd in het kader van geschillen die niet onder de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallen. Ik acht een uiteenzetting van de basiselementen van deze rechtspraak onmisbaar. De desbetreffende beslissingen van het Hof hebben gemeen, dat zij verwijzen naar gevallen waarin zuiver nationale bepalingen(8) van toepassing zijn, die verwijzen naar het gemeenschapsrecht of de inhoud daarvan overnemen; deze bepalingen weerspiegelen de wens van de nationale wetgever om de rechtssubjecten die binnen hun werkingssfeer vallen, dezelfde behandeling te geven als die welke hun in de communautaire rechtsorde wordt verzekerd.
17 De zaken Thomasdünger(9) en Gmurzynska-Bscher(10) hadden meer in het bijzonder betrekking op de uitlegging van bepalingen van het gemeenschappelijk douanetarief waarnaar de toepasselijke nationale wetgeving nadrukkelijk verwees of waarvan zij de inhoud overnam.
In de zaak Dzodzi(11) riep de nationale rechter de hulp in van het Hof in een geschil waarin hij was uitgenodigd een regeling van Belgisch recht toe te passen, volgens welke de echtgenote van een Belgisch onderdaan op dezelfde wijze moest worden behandeld als wanneer haar echtgenoot onderdaan van een lidstaat van de Gemeenschap was; er werd dus gevraagd of een onderdaan uit Togo, die weduwe was van een Belgisch onderdaan, het recht zou hebben in België te verblijven indien haar echtgenoot onderdaan was geweest van een andere lidstaat.
In de zaak Kleinwort Benson(12) verzocht een Engelse rechterlijke instantie om uitlegging van een bepaling van het Executieverdrag met het oog op de toepassing van een naar het voorbeeld van dit verdrag vastgestelde nationale wet, die bepaalde dat voor de vaststelling van de betekenis of de strekking van een bepaling van dit verdrag "rekening [moet] worden gehouden met alle door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen met betrekking tot titel II van het verdrag ontwikkelde relevante beginselen, alsmede met alle arresten van bedoeld Hof, die de betekenis of de strekking van een bepaling van de bepalingen van die titel betreffen".
In het arrest Fournier(13) legde het Hof de term "grondgebied waar het voertuig gewoonlijk is gestald" uit, die voorkwam in een communautaire richtlijn waarvan de toepassing in het hoofdgeding niet in geschil was, maar waarvan sommige bepalingen woordelijk werden herhaald in een privaatrechtelijke overeenkomst tussen nationale bureaus van verzekeraars; de nationale rechter was gevraagd deze overeenkomst uit te leggen en toe te passen.
Ten slotte werd het Hof in de zaken Leur-Bloem(14) en Giloy(15) verzocht om bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over de uitlegging van richtlijnen van fiscaal en douanerecht, die niet rechtstreeks in geschil waren in het hoofdgeding, maar waarnaar de toepasselijke nationale wetgeving verwees.
18 In al deze gevallen, behalve in de zaak Kleinwort Benson, heeft het Hof de prejudiciële vragen beantwoord. Het opvallende kenmerk van deze arresten blijft echter, dat het tot beantwoording is overgegaan ondanks de andersluidende conclusies van de advocaten-generaal.
In de zaak Thomasdünger had advocaat-generaal Mancini geconcludeerd, dat het Hof niet bevoegd was de gestelde vragen te beantwoorden, op grond dat het daarmee indirect een oordeel zou uitspreken over interne rechtsregels.
In de zaken Dzodzi en Gmurzynska-Bscher baseerde advocaat-generaal Darmon zijn afwijzend standpunt op het gevaar, dat de taak van het Hof zou worden teruggebracht tot het formuleren van niet-bindende adviezen, in een kader waarin de nationale rechter altijd de vrijheid zou hebben ze te negeren.
Advocaat-generaal Tesauro gaf in de zaak Kleinwort Benson in overweging, de Dzodzi-rechtspraak voorgoed te verlaten, met de stelling dat, ondanks eerdere rechtspraak, een extensieve uitlegging van artikel 177 van het Verdrag in de eerste plaats niet bevorderlijk is voor de noodzakelijke eenvormigheid in de uitlegging van het gemeenschapsrecht - die de eerste bestaansreden is voor het mechanisme van de prejudiciële verwijzing -, in de tweede plaats het bindend karakter van de beslissingen van het Hof in gevaar brengt, en in de derde plaats rechtstreeks moet worden onderzocht op de vraag, in hoeverre zij nuttig is voor de nationale rechter. Hij wijst er met name op, dat de Dzodzi-rechtspraak "vanuit het oogpunt van de algemene rechtstheorie in strijd is met het mechanisme van de prejudiciële verwijzing en - waarom het verzwijgen - regelrecht misbruik van procedure oplevert".(16)
In zijn conclusie bij de arresten Leur-Bloem en Giloy sloot advocaat-generaal Jacobs zich op zijn beurt aan bij de bezwaren van zijn collega's. Hij vroeg zich in de eerste plaats af, hoe het Hof het doel, te verzekeren dat het gemeenschapsrecht in alle lidstaten op eenvormige wijze wordt toegepast, kan dienen, wanneer het uitspraak doet in geschillen waarin een bepaling van gemeenschapsrecht door een lidstaat wordt overgenomen en in een niet-communautaire context wordt getransponeerd(17); in deze gevallen "zou de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht in de betrokken staat hooguit indirect en tijdelijk in gevaar komen".(18) Wanneer het Hof daarentegen wordt gevraagd een bepaling van gemeenschapsrecht buiten haar eigen context uit te leggen, "bestaat niet alleen het gevaar, dat het (...) verzuimt alle ter zake dienende kwesties in aanmerking te nemen, maar ook dat het door irrelevante factoren wordt misleid".(19) Bovendien, gesteld al, dat het Hof een nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht kan verstrekken in een geschil dat in een niet-communautaire context rijst, "het is niet zeker, dat de uitspraak van het Hof voor dat geschil van belang zal zijn".(20) Na ten slotte te hebben gewezen op andere praktische en theoretische problemen rond de hiervoor bedoelde extensieve uitlegging van artikel 177, concludeert de advocaat-generaal, "dat het Hof enkel uitspraak dient te doen in gevallen waarin het bekend is met de feitelijke en juridische context van het geschil en waarin de gemeenschapsbepaling op die context ziet", want "alleen deze zienswijze [is] verenigbaar met het rechtsbeginsel en met de doelstelling van artikel 177".(21)
19 Op het eerste gezicht lijkt het Hof nauwelijks van zijn stuk gebracht door de sceptische houding van de advocaten-generaal. Ik denk echter, dat uit een diepgaander analyse van de hiervoor aangehaalde arresten blijkt, dat het bereik van de Dzodzi-rechtspraak beslist niet is verlaten, maar is verkleind, en in ieder geval geleidelijk aan strengere toepassingsvoorwaarden wordt onderworpen. De tussenkomst van de communautaire rechter, door uitlegging, op een terrein dat niet mag worden geacht van rechtstreeks belang te zijn voor de communautaire rechtsorde, is toegelaten in gevallen waarin de nationale wetgever ter vermijding van ongelukkige onderscheiden en ter versterking van de eenvormige toepassing van de rechtsregels, de bepalingen van het gemeenschapsrecht zelf nadrukkelijk, rechtstreeks en zonder beperkingen heeft uitgebreid tot situaties die puur intern zijn, waarmee hij de nationale rechter in feite dwingt om de uitlegging van het Hof te volgen. De bevoegdheid van het Hof kan daarentegen niet worden toegelaten, wanneer de verwijzing van de nationale wetgever naar de communautaire regel niet zo ver gaat en niet zo duidelijk is en zij voor de nationale rechter geen absolute verplichting inhoudt om de nationale bepaling uit te leggen in de zin die hem indirect door de communautaire rechter wordt voorgeschreven.
20 Om kort te gaan, hoewel de bevoegdheid van het Hof in beginsel wordt bepaald op basis van de twee toetsstenen van het mechanisme van de prejudiciële verwijzing, namelijk het beginsel van samenwerking tussen de nationale en de communautaire rechter en het beginsel van de bevordering van de juiste en eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht, lijkt zij in bepaalde gevallen dit kader te overschrijden en zich uit te strekken tot een terrein dat niet duidelijk wordt begrensd in het primair gemeenschapsrecht, en een andere prioriteit na te streven, te weten de harmonisatie van het recht in het algemeen.
21 Deze laatste opmerking wordt bevestigd door het recente arrest Hermès(22), betreffende de uitlegging van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, die de Gemeenschap heeft ondertekend in het kader van de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie. Hoewel het er geenszins om ging, bepalingen van de overeenkomst toe te passen in een gemeenschapsrechtelijk geschil, achtte het Hof zich bevoegd om daarvan de uitlegging te verzekeren, waarbij het overwoog dat "wanneer een bepaling kan worden toegepast zowel op situaties die onder het nationale recht als op die welke onder het gemeenschapsrecht vallen, (...) de Gemeenschap er stellig belang bij [heeft] dat ter vermijding van uiteenlopende uitleggingen in de toekomst die bepaling op eenvormige wijze wordt uitgelegd, ongeacht de omstandigheden waaronder zij toepassing moet vinden".(23)
b) De Dzodzi-rechtspraak en de onderhavige zaak
22 Het is hier niet mijn taak, bovengenoemde rechtspraak globaal te beoordelen en daarop algemeen - positief of negatief - commentaar te leveren.
Opgemerkt zij echter, dat deze uitbreiding van het terrein van de prejudiciële werkzaamheden van het Hof geen wondermiddel vormt voor de bescherming en de bevordering van het gemeenschapsrecht.
Mijns inziens zou het niet verstandig zijn, stelselmatig op deze rechtspraak terug te vallen en het Hof aldus, zij het in het belang van de harmonisatie van rechtsregels of van de gelijke behandeling, te verheffen tot rechter die de gelijksoortigheid van extracommunautaire bepalingen en het gemeenschapsrecht beoordeelt. Het zou ten nadele van het gemeenschapsrecht kunnen werken om een dergelijke eenvormigheid na te streven, in het bijzonder indien men ten behoeve van harmonisatie geen belang meer zou hechten aan het bijzondere en unieke karakter van de communautaire rechtsorde. De onderhavige zaak toont van dit gevaar een typisch voorbeeld.
23 In ieder geval lijkt het mij geenszins noodzakelijk om, tot staving van mijn standpunt dat het Hof zich niet over de gestelde prejudiciële vragen moet uitspreken, te vragen om herziening van de Dzodzi-rechtspraak. Ik denk namelijk dat deze vragen niet onder de werkingssfeer van deze rechtspraak vallen. Bovendien verwijzen zij niet rechtstreeks naar richtlijn 80/987 of naar de Francovich-rechtspraak, maar stellen zij het probleem van de uitlegging van artikel 6 van de EER-overeenkomst in samenhang met richtlijn 80/987 en met de Francovich-rechtspraak aan de orde, teneinde de wijze van toepassing van deze communautaire regels van rechtspraak en geschreven recht buiten het terrein van de communautaire rechtsorde te bepalen.
24 i) In de eerste plaats acht ik beantwoording van de prejudiciële vragen niet opportuun gezien het nut van het antwoord dat van het Hof wordt gevraagd. Volgens vaste rechtspraak heeft de procedure van artikel 177 van het Verdrag tot doel, de nationale rechter een antwoord te geven dat hem van nut is bij de beslechting van het hoofdgeding. Overigens weigert de communautaire rechter zelfs in de context van de Dzodzi-rechtspraak de aan hem voorgelegde vragen te onderzoeken wanneer duidelijk is, "dat de gemeenschapsbepaling waarvan het Hof om uitlegging wordt gevraagd, niet van toepassing kan zijn".(24) Ik meen dat deze uitzondering in het onderhavige geval van toepassing is, voor zover de gestelde prejudiciële vragen erop zijn gericht, constitutieve elementen van de communautaire rechtsorde om te zetten in het recht van een staat die niet tot die rechtsorde is toegetreden.
Hoewel bovenstaande argumenten juist zijn, zijn zij uit methodologisch oogpunt om twee redenen niet bevredigend: in de eerste plaats is de nationale rechter uiteindelijk bevoegd om het nut van een prejudiciële vraag te beoordelen; in de tweede plaats steunt de gedachte dat het "duidelijk" is, dat de communautaire bepalingen en de in casu door de Zweedse rechterlijke instantie aangehaalde rechtspraak niet van toepassing zijn in het hoofdgeding, op een benadering waarbij inhoudelijke vragen reeds worden onderzocht op het moment waarop de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen wordt bestudeerd. Anders gezegd, om te kunnen aangeven in hoeverre de Francovich-rechtspraak "duidelijk" niet van toepassing is in de context waarnaar de verwijzende rechter verwijst, dient de zaak ten gronde te worden onderzocht. Voor zover dit met zich brengt, dat de gegrondheid reeds is onderzocht, is het, zelfs om praktische redenen, niet gerechtvaardigd om deze vragen reeds te stellen op het moment waarop de ontvankelijkheid wordt beoordeeld.
25 ii) Er bestaat een tweede, mijns inziens ernstiger, bezwaar tegen de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen. De in casu gestelde vragen wijken op een cruciaal punt af van de vragen die het Hof in de Dzodzi-rechtspraak heeft onderzocht. In dit geval is de nationale rechter niet geïnteresseerd in de uitlegging van een communautaire regel die hij zelf zal toepassen op een geschil dat is gerezen buiten de communautaire rechtsorde, waarbij hij zich aansluit bij de aanwijzingen en de grenzen waarin de in dit geschil toepasselijke niet-communautaire regel voorziet; hij vraagt rechtstreeks op welke wijze, in hoeverre en met welke mate van bindendheid hij de communautaire regels buiten de communautaire rechtsorde moet toepassen. Daartoe is het Hof echter niet bevoegd. In het arrest Dzodzi is nadrukkelijk gesteld: "Het Hof is evenwel enkel bevoegd bepalingen van gemeenschapsrecht te onderzoeken. Het kan in zijn antwoord aan de nationale rechter geen rekening houden met de algemene opzet van de nationale bepalingen die naar het gemeenschapsrecht verwijzen, doch tegelijkertijd bepalend zijn voor de strekking van die verwijzing. Welke grenzen de nationale wetgever eventueel heeft gesteld aan de toepassing van het gemeenschapsrecht op de zuiver interne situaties waarop het enkel via de nationale wet van toepassing is, is een vraag van nationaal recht, die derhalve uitsluitend door de rechterlijke instanties van de betrokken lidstaat kan worden beoordeeld."(25)
26 De toepassing van bovenstaande rechtspraak op de onderhavige zaak brengt mij tot de volgende conclusie: de eerste twee prejudiciële vragen betreffen noch de uitlegging van richtlijn 80/987, noch de verduidelijking van de Francovich-rechtspraak; zij hebben betrekking op de vraag, in hoeverre het mogelijk is om de Francovich-rechtspraak toe te passen op het hoofdgeding via uitlegging en toepassing van artikel 6 van de EER-overeenkomst. Evenals overigens de gehele overeenkomst heeft dit artikel twee gezichten, een communautair en tegelijkertijd een extracommunautair gezicht. Wat de prejudiciële vragen in het onderhavige geval betreft, is het betrokken artikel niet van communautaire aard, maar maakt het deel uit van een internationale overeenkomst die overeenkomstig de regels van nationaal recht en van internationaal publiekrecht in de nationale rechtsorde van het Koninkrijk Zweden in zijn hoedanigheid van EVA-staat, en niet als lid van de Unie, is opgenomen. De verwijzende rechter is als enige bevoegd om, rekening houdend met de opzet van de bepalingen van Zweeds recht en van internationaal publiekrecht, te bepalen op welke wijze en in hoeverre het gemeenschapsrecht (in het bijzonder de bepalingen van richtlijn 80/987 alsmede de Francovich-rechtspraak) in artikel 6 van de EER-overeenkomst - nog steeds als niet-communautaire regel - is opgenomen. Het Hof kan zich niet in deze kwestie mengen, ook niet via de Dzodzi-rechtspraak.
27 Sommigen zouden tegen dit betoog kunnen inbrengen, dat daarin de noodzaak van een eenvormige uitlegging van artikel 6 van de EER-overeenkomst wordt onderschat, te meer daar dit artikel nu juist gericht is op de verzekering van de eenvormige uitlegging van de communautaire regels. Inderdaad wordt in de reeds aangehaalde arresten Leur-Bloem en Hermès uitdrukkelijk verklaard, dat "wanneer een bepaling kan worden toegepast zowel op situaties die onder het nationale recht als op die welke onder het gemeenschapsrecht vallen", dat wil zeggen een dubbel karakter heeft, zoals het geval is met artikel 6 van de EER-overeenkomst, "de Gemeenschap er stellig belang bij [heeft], dat ter vermijding van uiteenlopende uitleggingen in de toekomst die bepaling op eenvormige wijze wordt uitgelegd, ongeacht de omstandigheden waaronder zij toepassing moet vinden".(26) Bijgevolg lijkt de gedachtegang van het Hof in de zaken Leur-Bloem en Hermès op het eerste gezicht nauwelijks te verzoenen met bovenstaande benadering, volgens welke de beantwoording van de eerste twee prejudiciële vragen niet onder de bevoegdheid van het Hof valt, voor zover zij vreemd is aan de communautaire rechtsorde en onlosmakelijk verbonden is met de algemene opzet van het recht van de EVA-staten en van het internationaal publiekrecht. In deze zaken volstond de noodzaak van een eenvormige uitlegging om het Hof bevoegd te verklaren om een regel met een dubbel gezicht (communautair en extracommunautair) uit te leggen, ondanks de onvermijdelijke verschillen op het punt van de toepassing van de uitgelegde regel.
28 Naar mijn mening zijn de standpunten van het Hof in de aangehaalde arresten niet onverenigbaar met de oplossing die ik in de onderhavige zaak voorstel. Allereerst zij eraan herinnerd, dat de doelstelling van een eenvormige uitlegging geenszins absoluut is. De communautaire rechter kent heel goed de grenzen van iedere poging om te harmoniseren via uitlegging; daarom weigert hij zich te mengen in het onderzoek van de modaliteiten en de grenzen van de toepassing van de regels welker uitlegging hem wordt verzocht op een terrein dat buiten de communautaire rechtsorde ligt. Bovendien moet zeker worden benadrukt dat de onderhavige zaak bijzonder is: de eerste twee prejudiciële vragen betreffen niet alleen de uitlegging van een bepaling met zowel een communautair als een extracommunautair karakter, namelijk artikel 6 van de EER-overeenkomst; zij stellen rechtstreeks de vraag aan de orde, op welke wijze deze bepaling wordt toegepast en welke gevolgen zij heeft buiten de communautaire rechtsorde. Deze vermenging van uitlegging en toepassing volstaat om het Hof onbevoegd te verklaren.
Anders gezegd, de communautaire rechter heeft weliswaar in grensgevallen bepalingen uitgelegd, waarvan de toepassing buiten de communautaire rechtsorde kan verschillen van de toepassing binnen deze rechtsorde; hij kan echter zijn uitleggingstaak krachtens artikel 177 van het Verdrag niet uitoefenen in gevallen waarin de gestelde vraag in feite neerkomt op de beschrijving van de wijze waarop één of meer communautaire regels moeten worden toegepast op een terrein dat buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht valt. Daarom moet er, vooral in het kader van het onderhavige geschil, voor worden gewaakt dat artikel 6 van de EER-overeenkomst wordt uitgelegd uit het oogpunt van waaruit in de eerste twee prejudiciële vragen om deze uitlegging wordt verzocht.
29 iii) Voor bovenstaande redenering is kenmerkend, dat onderzoek van de eerste twee prejudiciële vragen in de onderhavige zaak wordt uitgesloten, zonder dat daarmee een toekomstige toepassing van de Dzodzi-rechtspraak in het kader van de verduidelijking via de uitlegging van een bepaling van de EER-overeenkomst wordt uitgesloten, zelfs wanneer deze bepaling moet worden toegepast buiten de communautaire rechtsorde; uiteraard is daarvoor vereist, dat de uitlegging en de toepassing van de betrokken bepaling niet onderling verweven zijn zoals in de onderhavige zaak. Subsidiair, ingeval het Hof van oordeel is dat het juridisch correcter is om op een meer radicale wijze uit te sluiten dat prejudiciële vragen worden onderzocht die met het oog op de uitlegging van de EER-overeenkomst zijn gesteld door de rechterlijke instantie van een lidstaat die deze overeenkomst heeft ondertekend en deel heeft uitgemaakt van de EVA, breng ik nog de volgende argumenten naar voren.
30 In de eerste plaats betreft de Dzodzi-rechtspraak aangelegenheden waarbij het probleem van de uitlegging speelt in het interne recht van de lidstaat. Met name in die gevallen blijkt de noodzaak van een eenvormige uitlegging van een bepaling, die zowel in het kader van het gemeenschapsrecht als binnen de rechtsorde van een lidstaat kan worden toegepast. Meer in het bijzonder heeft deze rechtspraak de strekking, te reageren op het onwenselijke verschijnsel binnen een lidstaat, dat rechtssubjecten juridisch anders worden behandeld naargelang hun geval al dan niet onder het gemeenschapsrecht valt, ook al zijn de rechtsregels die in het ene of het andere geval toepasselijk zijn, vergelijkbaar of zelfs identiek. De gedachte van harmonisatie van wetgeving - waaronder natuurlijk ook de uitlegging daarvan wordt begrepen - vormt een belangrijk aandachtspunt van het Verdrag en een fundamenteel middel om de Europese integratie te bevorderen. Deze gedachte wordt echter niet op algemene en onbepaalde wijze toegepast, maar komt juist daar tot uitdrukking waar het nationale recht van de lidstaten en het recht van de Gemeenschap samenkomen. De noodzaak van een eenvormige uitlegging heeft niet dezelfde draagwijdte, wanneer de harmonisatie erop is gericht, de rechtssubjecten niet binnen het "kader" van de Gemeenschap (dit "kader" omvat de rechtssubjecten die tegelijkertijd onder het gemeenschapsrecht en het nationale recht van de lidstaten vallen), maar daarbuiten gelijk te behandelen.
Om op de onderhavige zaak terug te komen, het is bijgevolg minder dringend noodzakelijk dat de communautaire regels waaruit het EER-recht bestaat op eenvormige wijze worden uitgelegd, hoe belangrijk dit gelet op de bepalingen van de EER-overeenkomst en met name artikel 6 daarvan ook is, dan dat de regels die binnen de lidstaten van de Gemeenschap moeten worden toegepast, op eenvormige wijze worden uitgelegd. Daarom ben ik van mening, dat de Dzodzi-rechtspraak in gevallen als de onderhavige zaak niet in aanmerking moet worden genomen en worden toegepast, althans dat zij niet de uitbreiding van de prejudiciële taak van het Hof kan rechtvaardigen zoals zij dat tot nu toe heeft gedaan in zaken waarin een vraag over de toepassing van bepalingen van communautair belang binnen het recht van de lidstaten aan de orde was.
31 In de tweede plaats heb ik erop gewezen, dat het voorstelbaar is dat bij wijze van prejudiciële beslissing bepalingen van gemeenschapsrecht worden uitgelegd die niet rechtstreeks van toepassing zijn voor de beslechting van het hoofdgeding, wanneer een extracommunautaire regel uitdrukkelijk, rechtstreeks en zonder voorbehoud verwijst naar deze bepalingen, teneinde een eenvormige regeling van bepaalde juridische situaties te verzekeren en mits de rechter die de vraag heeft gesteld, gehouden is om de door het Hof gegeven uitlegging te volgen. Deze twee voorwaarden moeten cumulatief worden vervuld. Gesteld al, dat in casu - nadat de prejudiciële vragen inhoudelijk zijn onderzocht - zou worden geconstateerd dat de eerste voorwaarde is vervuld, dan nog is niet zeker of de tweede voorwaarde dat ook is. Meer concreet kan op grond van geen enkele bepaling van Zweeds recht, of zelfs van de EER-overeenkomst(27), worden geconcludeerd, dat een eventueel antwoord van het Hof op de litigieuze vragen buiten het kader van de communautaire rechtsorde(28) verbindend is voor de verwijzende rechter. Evenzo kan het feit dat artikel 6 van de EER-overeenkomst verwijst naar de eerbiediging van de rechtspraak van het Hof - althans die welke tot de inwerkingtreding van de overeenkomst tot stand is gebracht - duidelijk niet worden gelijkgesteld met de invoering van een dergelijke verplichting voor de verwijzende rechter wat het antwoord betreft dat het Hof wordt verzocht te geven op de eerste twee prejudiciële vragen.
32 Mitsdien toont bovenstaande analyse aan, dat de rechtsvragen in de eerste twee prejudiciële vragen niet behoren tot die welke volgens de procedure van artikel 177 van het Verdrag aan het Hof kunnen worden voorgelegd.
B - De EER-overeenkomst als rechtsgrondslag voor de bevoegdheid van het Hof om prejudiciële vragen te onderzoeken
33 Afgezien van het voorgaande kan de bevoegdheid van het Hof evenmin worden gebaseerd op de EER-overeenkomst. Zoals de Commissie terecht opmerkt, blijkt uit de algehele beoordeling van de inhoud en de opbouw van deze overeenkomst, dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen niet bevoegd kan worden geacht in gevallen als de onderhavige zaak. Voor de uitlegging van artikel 6 van de EER-overeenkomst, die van belang is voor het antwoord op de eerste twee prejudiciële vragen, lijkt immers veeleer het EVA-Hof bij uitsluiting bevoegd, althans wanneer deze uitlegging betrekking heeft op de toepassing van de overeenkomst door een staat van deze organisatie. Artikel 34 van de overeenkomst die tussen de EVA-staten is gesloten met het oog op de oprichting van een toezichthoudende autoriteit en een EVA-Hof, bepaalt, dat dit Hof bevoegd is om raadgevende adviezen uit te brengen over de uitlegging van de EER-overeenkomst, dat wil zeggen om te bepalen in hoeverre deze overeenkomst juist is uitgevoerd in de nationale rechtsorden van de EVA-staten.
34 Volgens artikel 107 van de EER-overeenkomst en het bijbehorende Protocol 34 evenwel kunnen de nationale rechterlijke instanties van de EVA-staten het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzoeken, een uitspraak te doen over de uitlegging van bepalingen van de EER-overeenkomst die gelijk zijn aan communautaire bepalingen(29), indien aan twee voorwaarden, een materiële en een formele, wordt voldaan. Enerzijds is de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen beperkt tot bepalingen van de EER-overeenkomst "die in essentie gelijk zijn aan de bepalingen van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen, zoals gewijzigd of aangevuld, of van ter uitvoering daarvan aangenomen besluiten"; anderzijds moet een EVA-staat die voornemens is van deze mogelijkheid gebruik te maken, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen ervan in kennis stellen "in welke mate en volgens welke procedures het protocol op zijn rechterlijke instanties van toepassing zal zijn". Afgezien van de vraag in hoeverre de eerste voorwaarde is vervuld, moet worden vastgesteld dat de formele voorwaarde van de voorafgaande kennisgeving niet is vervuld; het Koninkrijk Zweden heeft nimmer gebruikgemaakt van de mogelijkheid die Protocol 34 hem biedt om de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om de eerste twee prejudiciële vragen te beantwoorden, te erkennen.
35 Sommigen zullen zich afvragen wat er gebeurt met de in de EER-overeenkomst genoemde uitleggingsproblemen, wanneer een EVA-staat, zoals het Koninkrijk Zweden, tot de Europese Unie toetreedt. Dit probleem is geregeld in een afzonderlijke overeenkomst, betreffende overgangsmaatregelen voor een periode na de toetreding van bepaalde EVA-staten tot de Europese Unie, die op 28 september 1994 te Brussel is getekend. Ingevolge deze overeenkomst blijft het EVA-Hof bevoegd om zich uit te spreken over prejudiciële vragen in zaken die aan de rechterlijke instanties van de EVA-staten zijn voorgelegd, wanneer de feiten van het geschil zich vóór de toetreding van deze staat tot de Europese Unie hebben voorgedaan. In deze prorogatie van bevoegdheid van het EVA-Hof werd slechts voorzien voor een beperkte periode, die reeds was verstreken op het moment waarop in casu de prejudiciële vragen aan het Hof werden voorgelegd. Niettemin kan het feit dat het EVA-Hof, althans gelet op de bepalingen van de overeenkomst van 28 september 1994, ratione temporis onbevoegd lijkt te zijn om de voorgelegde vragen te onderzoeken, niet worden uitgelegd als een argument voor de erkenning van een bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Dit blijft in ieder geval ratione materiae onbevoegd.(30) Overigens zou het Koninkrijk Zweden, zelfs wanneer het dat wenste, nu geen gebruik meer kunnen maken van Protocol 34 om het Hof de bevoegdheid te geven de regels van de EER-overeenkomst uit te leggen, eenvoudigweg omdat het geen lid meer is van de EVA.(31)
36 Ik stel dan ook vast, dat het Hof niet bevoegd is om de eerste twee prejudiciële vragen te beantwoorden.
VI - De gegrondheid van de eerste twee prejudiciële vragen
37 Slechts subsidiair ga ik hier in op de gegrondheid van deze vragen. Ik begin met een afbakening van het juridisch probleem. De vraag is, of de in de Francovich-rechtspraak vervatte beginselen betreffende de aansprakelijkheid van de staat bij onjuiste uitvoering van een communautaire richtlijn in nationaal recht, krachtens artikel 6 van de EER-overeenkomst een integrerend bestanddeel vormen van het "EER-recht", en of zij voorrang hebben op het nationale recht van een EVA-staat die deze overeenkomst heeft getekend.
A - Inleidende opmerkingen
38 Allereerst merk ik op, dat een eventueel bevestigend antwoord op deze vragen niet noodzakelijkerwijs een rechtsgrond ontbeert. Artikel 6 van de EER-overeenkomst bepaalt immers uitdrukkelijk, dat, voor zover zij "in essentie gelijk zijn" aan de overeenkomstige communautaire regel van primair of afgeleid recht, de bepalingen van deze overeenkomst wat de tenuitvoerlegging en toepassing betreft, worden uitgelegd "overeenkomstig de desbetreffende uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen daterende van vóór de ondertekening van deze overeenkomst". Overigens staat buiten kijf, dat de bepalingen inzake het gewaarborgd loon van richtlijn 80/987 gelijk zijn aan die van bijlage XVIII bij de EER-overeenkomst; sterker nog, deze bijlage verwijst rechtstreeks naar richtlijn 80/987. Daarbij komt nog, dat de Francovich-rechtspraak, neergelegd in het arrest van het Hof van 19 november 1991 in de gevoegde zaken C-6/90 en C-9/90(32), dateert van vóór de ondertekening van de EER-overeenkomst, zoals artikel 6 daarvan ook eist. Ten slotte had het arrest Francovich e.a. betrekking op een onjuiste uitvoering van richtlijn 80/987 in het interne recht van een lidstaat, dat wil zeggen een rechtsvraag en feitelijke vraag die lijkt op de vraag in het hoofdgeding.(33)
39 Onder deze voorwaarden (en uiteraard voor zover het Hof de kwestie van de onbevoegdheid zou omzeilen) dient artikel 6 van de EER-overeenkomst zo goed mogelijk te worden uitgelegd. Voor een extensieve uitlegging, die ertoe zou leiden dat wordt aanvaard dat de fundamentele elementen van de communautaire rechtsorde, zoals deze zijn uitgekristalliseerd in de beginselen van voorrang en rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht, alsmede het begrip acquis communautaire, en - wat in het bijzonder de onderhavige zaak betreft - de Francovich-rechtspraak, via artikel 6 van de EER-overeenkomst de door deze overeenkomst in het leven geroepen rechtsbetrekkingen gaan beheersen, kunnen de argumenten worden aangehaald waarop ik hierna nader inga.
40 Allereerst zou kunnen worden gesteld(34), dat artikel 6 van de EER-overeenkomst, evenals overigens de bepalingen van richtlijn 80/987, voor zover de bijlagen bij deze overeenkomst daarnaar verwijzen, een integrerend bestanddeel van de communautaire rechtsorde vormen(35), voor zover zij zijn vervat in een tekst van internationaal recht die de Gemeenschap met derde landen heeft ondertekend. De constitutieve elementen van deze rechtsorde, te weten voorrang, rechtstreekse werking en meer in het algemeen de rechtspraak van het Hof die besloten ligt in hetgeen "acquis communautaire" pleegt te worden genoemd, kunnen derhalve een plaats vinden binnen een geheel van regels, zoals de EER-overeenkomst, zodra deze oplossing wordt gedekt door een specifieke bepaling van de betrokken internationale overeenkomst (artikel 6 van de EER-overeenkomst).
41 Deze zienswijze wordt nog kracht bijgezet door de opmerking dat de handhaving van een eenvormige toepassing van de communautaire regels die deel uitmaken van deze overeenkomst de basisdoelstelling van artikel 6 vormt, maar tevens een belangrijk aandachtspunt van de overeenkomstsluitende partijen, zoals overigens blijkt uit een reeks bepalingen van de EER-overeenkomst. Om een bepaalde rechtsregel van communautaire oorsprong - in casu de regel inzake de bescherming van werknemers bij insolventie van hun werkgever - steeds op dezelfde wijze te kunnen uitleggen en toepassen, zou het Hof bijgevolg als instelling die de eenvormige uitlegging van de communautaire regels waarborgt, de oplossing moeten kiezen die de minst grote uitleggingsverschillen met zich brengt, onafhankelijk van de werkingssfeer van deze regel, te meer omdat het ter verzekering van deze eenvormigheid reeds zeer ver heeft willen gaan op het gebied van de ontvankelijkheid van prejudiciële vragen.(36) Het is duidelijk, dat de uit het oogpunt van een eenvormige uitlegging meest aantrekkelijke oplossing die is, waarbij het acquis communautaire, althans voor zover dit voortkomt uit de rechtspraak tot aan de dag waarop de EER-overeenkomst werd ondertekend, een integrerend bestanddeel vormt van deze overeenkomst en dientengevolge in aanmerking moet worden genomen bij de uitlegging en de toepassing van deze bepalingen.
42 Met deze algemene opmerkingen kan echter niet worden volstaan voor de beantwoording van de eerste twee prejudiciële vragen. Afgezien van de schijnbare verwantschap of overeenstemming tussen de relevante bepalingen van de EER-overeenkomst en bepaalde aspecten van de communautaire rechtsorde, dient ook de inhoud daarvan te worden bestudeerd, waarbij steeds de door het Hof aangelegde criteria voor de uitlegging van internationale verdragen worden geëerbiedigd.
B - De in de rechtspraak voor de uitlegging aangelegde criteria
43 Dienaangaande moet worden verwezen naar het standpunt dat het Hof inneemt wanneer het wordt verzocht om bepalingen te onderzoeken van een internationale overeenkomst die de Gemeenschap met derde staten heeft gesloten. Hoewel de communautaire rechter in sommige gevallen meent dat de uitlegging van een communautaire bepaling moet worden uitgebreid tot een gelijksoortige of identieke bepaling van internationaal recht(37), oordeelt hij immers in andere gevallen dat deze uitbreiding niet mogelijk of niet opportuun is.(38) Uit deze rechtspraak volgt, dat de uitbreiding van de uitlegging van een communautaire bepaling tot een in vergelijkbare, gelijksoortige of zelfs identieke bewoordingen geformuleerde bepaling van een door de Gemeenschap met een derde land gesloten overeenkomst, hoofdzakelijk afhangt van de door elk van deze bepalingen binnen zijn eigen kader beoogde doelstelling; daarom moet met name belang worden gehecht aan een vergelijking van de doelstellingen en de meer algemene context van de internationale overeenkomst enerzijds, en het Verdrag anderzijds.
44 Dit standpunt in de rechtspraak is ook gevolgd in advies 1/91, dat juist de EER-overeenkomst betreft en waarop ik nu inga. Dit advies verwijst overigens naar artikel 31 van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969 inzake het verdragenrecht, dat bepaalt dat verdragen moeten worden uitgelegd "overeenkomstig de gewone betekenis van [hun] termen in hun context en in het licht van [hun] voorwerp en doel".(39)
45 Ter bepaling van de inhoud en de rechtsgevolgen van de bepalingen van artikel 6 van de EER-overeenkomst en van richtlijn 80/987 - wanneer deze uitsluitend wordt toegepast in het kader van de EER-overeenkomst - is het van belang, over te gaan tot een globale beoordeling van deze overeenkomst. Door deze globale beoordeling, die wordt gekoppeld aan de vergelijking tussen de EER-overeenkomst en het gemeenschapsrecht alsmede de communautaire rechtsorde in het algemeen, kunnen de criteria worden blootgelegd aan de hand waarvan de strekking van artikel 6 van de EER-overeenkomst wordt bepaald, alsmede de juridische consequenties die voor een EVA-staat zijn verbonden aan het feit dat hij zich niet heeft aangepast aan richtlijn 80/987, die deel uitmaakt van de EER-overeenkomst.
C - EER-overeenkomst en gemeenschapsrecht; een rechtsvergelijkende benadering
46 De Franse regering en verzoeksters in het hoofdgeding stellen in hun schriftelijke en mondelinge opmerkingen, dat de EER-overeenkomst de EVA-staten die haar hebben ondertekend, zo nauw verbindt met de Europese Gemeenschap, dat deze staten nagenoeg geheel vallen onder de communautaire rechtsorde. Derhalve kan de EER-overeenkomst niet worden beschouwd als een willekeurige tekst van internationaal recht, maar neemt zij een autonome plaats in en heeft zij een inhoud die even bijzonder is als de plaats en verhouding van de bij de EVA aangesloten staten tot de Gemeenschap. Artikel 6 van de EER-overeenkomst zou nadrukkelijk en zonder enig voorbehoud het gehele acquis van de rechtspraak van het Hof tot aan de ondertekening van de overeenkomst integreren in het juridisch systeem dat men "EER-recht" zou kunnen noemen. Dit recht lijkt de werkingssfeer van de communautaire regels, met de inhoud die deze regels in de communautaire rechtsorde hebben, uit te breiden tot staten die geen lidstaat van de Gemeenschap zijn. Voorts wijzen zij op artikel 7 van de EER-overeenkomst betreffende de verplichting, bepaalde communautaire richtlijnen om te zetten in het nationale recht van de EVA-staten; zij leiden uit deze bepaling het bestaan af van een voor deze staten geldende verplichting, het acquis communautaire op doelmatige en volledige wijze in hun interne rechtsorde op te nemen. De reikwijdte van deze verplichting is beperkt tot de bijzondere gebieden waarnaar de EER-overeenkomst verwijst; in intensiteit is zij echter onbeperkt, in zoverre dat zij het volledige acquis van de rechtspraak van het Hof voor deze gebieden omvat. De Franse regering en verzoeksters concluderen ten slotte, dat de in de communautaire rechtsorde bevestigde beginselen van voorrang en rechtstreekse werking eveneens gelden voor de EER-overeenkomst vanwege de specifieke doelstelling van deze overeenkomst en de hierdoor ingevoerde karakteristieke kenmerken van het juridisch mechanisme van de samenloop met het gemeenschapsrecht.
47 Het lijkt mij juister, de diametraal tegenovergestelde benadering te volgen, die het Hof overigens kennelijk heeft gevolgd in het reeds aangehaalde advies 1/91.(40) In dit advies heeft het Hof, alvorens de aan hem voorgelegde vragen te beantwoorden, het noodzakelijk geacht de doelstellingen en de inhoud van de EER-overeenkomst enerzijds en van het gemeenschapsrecht anderzijds tegen elkaar af te wegen. Het heeft vastgesteld, dat de EER-overeenkomst "de toepassing beoogt van een stelsel van vrijhandel en mededinging in de economische en handelsbetrekkingen tussen de verdragsluitende partijen", terwijl "[w]at daarentegen de Gemeenschap betreft (...) het stelsel van vrijhandel en mededinging (...) zich [heeft] ontwikkeld en ingevoegd in de communautaire rechtsorde, waarvan de doelstellingen verder reiken dan die welke met het akkoord worden nagestreefd".(41) Er bestaat derhalve uit teleologisch oogpunt ontegenzeglijk een leemte tussen de EER-overeenkomst en het communautaire Verdrag; terwijl het vrij verkeer en een onvervalste mededinging voor de EER-overeenkomst een doel op zich zijn, vormen zij voor de Gemeenschap slechts de middelen om verder liggende doelen te bereiken, zoals de vestiging van een interne markt, de instelling van een economische en monetaire unie en de concrete voortgang van de Europese Unie.
48 Maar de algemene context van de doelstelling van de EER-overeenkomst onderscheidt zich eveneens van de context waarin de verwezenlijking van de communautaire doelstellingen wordt nagestreefd. Zoals het Hof in advies 1/91 opmerkt, "moet [d]e EER (...) worden verwezenlijkt op basis van een internationaal verdrag dat in wezen slechts rechten en verplichtingen tussen de verdragsluitende partijen in het leven roept, doch niet voorziet in enige overdracht van soevereine rechten aan de bij het akkoord ingestelde intergouvernementele organen. Het EEG-Verdrag daarentegen, hoewel gesloten in de vorm van een internationaal akkoord, vormt niettemin het constitutionele handvest van een rechtsgemeenschap. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie is door de gemeenschapsverdragen een nieuwe rechtsorde tot stand gebracht, ten bate waarvan de staten hun soevereine rechten op steeds breder terrein hebben begrensd en waarvan niet slechts de lidstaten, maar ook hun onderdanen de rechtssubjecten zijn (...) De wezenlijke kenmerken van die communautaire rechtsorde bestaan, in het bijzonder, in het primaat ervan ten opzichte van het recht van de lidstaten en in de rechtstreekse werking van een gehele reeks op de lidstaten zelf en op hun rechtssubjecten toepasselijke bepalingen."(42)
49 Aldus blijkt dat de wezenlijke overeenkomst tussen de EER en de communautaire rechtsorde, waarnaar de Franse regering uitdrukkelijk, en verzoeksters in het hoofdgeding impliciet verwijzen, in werkelijkheid niet bestaat, voor zover zij wordt weersproken door de fundamentele verschillen tussen de twee rechtssystemen, de EER-overeenkomst enerzijds en de Gemeenschap anderzijds. Overigens kan op grond van de hiervoor aangehaalde passage uit het advies van het Hof a contrario worden geconcludeerd, dat de fundamentele kenmerken van de communautaire rechtsorde, te weten voorrang en rechtstreekse werking, uitsluitend aan het communautaire fenomeen zijn voorbehouden en zich niet uitstrekken tot het rechtssysteem dat door de EER-overeenkomst in het leven is geroepen. Daardoor kan zelfs de Francovich-rechtspraak, die onlosmakelijk verbonden is met vorenstaande grondbeginselen, niet worden getransponeerd naar het gebied van de EER-overeenkomst, niettegenstaande hetgeen in artikel 6 van deze overeenkomst is bepaald.
50 Mijns inziens vormen de vaststellingen in advies 1/91 die hiervóór zijn weergegeven - en die, let wel, niet zijn ingetrokken in advies 1/92(43) - voldoende grondslag voor het ontkennende antwoord dat moet worden gegeven op de eerste twee prejudiciële vragen.(44) Aanvullend merk ik echter nog het volgende op:
51 De EER-overeenkomst bevat bepalingen die de EVA-staten bepaalde verplichtingen opleggen met het oog op de eerbiediging van de regels van communautaire oorsprong die in deze overeenkomst zijn opgenomen. Deze bepalingen binden de overeenkomstsluitende partijen echter niet even vergaand en volledig als de overeenkomstige bepalingen van primair gemeenschapsrecht de lidstaten van de Gemeenschap binden. Een karakteristiek voorbeeld hiervan is artikel 7 van de EER-overeenkomst, dat in deze overeenkomst de plaats inneemt die artikel 189 in het EG-Verdrag heeft. In tegenstelling tot artikel 189 van het Verdrag bepaalt artikel 7 van de EER-overeenkomst echter niet, dat de verordeningen in de bijlagen bij deze overeenkomst "rechtstreeks toepasselijk" zijn in de EVA-staten. Derhalve lijkt het beginsel van de rechtstreekse toepasselijkheid van bepaalde rechtsregels in de interne rechtsorde, een van de fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht, in het rechtsstelsel van de EER-overeenkomst te ontbreken.
52 Teneinde eventuele conflicten tussen de bepalingen voortvloeiend uit de tenuitvoerlegging van de EER-regels en andere wettelijke bepalingen te regelen, bepaalt Protocol 35 van de EER-overeenkomst overigens, dat de EVA-staten "zich ertoe [verbinden] zo nodig in hun wetgeving een bepaling op te nemen volgens welke de EER-regels in die gevallen voorrang hebben". A contrario vloeit hieruit voort, dat de voorrang van de EER-regels niet automatisch geldt in de interne rechtsorde van de EVA-staten, maar voor deze staten een verplichting uit hoofde van een internationale overeenkomst vormt, waarvan de tenuitvoerlegging kan vereisen dat interne maatregelen ad hoc worden genomen.
53 Anders gezegd, de EER-overeenkomst is een tekst van internationaal recht die tussen de overeenkomstsluitende partijen op dit gebied (dat van het internationaal recht) rechten en verplichtingen in het leven roept, en dit overeenkomstig een "dualistische" juridische opvatting; zij bevat dus niet de onmisbare supranationale dimensie die het communautaire rechtsstelsel kenmerkt. Er is derhalve geen integratie van het "EER-recht" in het interne recht, en zelfs geen interactie tussen beide, vergelijkbaar met die welke plaatsvindt in het communautaire systeem. Deze overeenkomst leidt er niet toe, dat de overeenkomstsluitende staten afstand doen van soevereine rechten of zelfs afzien van een "dualistische" benadering van het recht in deze staten, overeenkomstig de klassieke theorieën van het internationale recht.
54 Samengevat kan de schending van een regel van de EER-overeenkomst door een EVA-staat, zoals in casu het Koninkrijk Zweden, de internationale contractuele aansprakelijkheid van deze staat ingevolge de regels van internationaal publiekrecht met zich brengen, maar kan zij de particulieren die door deze schending worden geraakt niet het recht toekennen, schadevergoeding te eisen van de staat die zij buitencontractueel aansprakelijk stellen ingevolge de rechtspraak die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het bijzonder voor de communautaire rechtsorde heeft uitgewerkt in zijn arrest in de gevoegde zaken C-6/90 en C-9/90.(45)
VII - De derde prejudiciële vraag
55 De derde prejudiciële vraag stelt geen ontvankelijkheidskwestie aan de orde, voor zover zij zeer duidelijk verband houdt met het gemeenschapsrecht. Zij is erop gericht, de werkingssfeer van de communautaire regels in de tijd te bepalen. Meer in het bijzonder strekt zij ertoe, te bezien, in welke mate richtlijn 80/987 en de algemene rechtsbeginselen die in het arrest Francovich e.a. zijn vastgesteld, gevolgen kunnen hebben voor de feitelijke omstandigheden die zich voordoen op een tijdstip waarop de betrokken staat nog niet tot de Europese Unie was toegetreden.
56 Zoals artikel 166 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden aangeeft(46), binden de communautaire richtlijnen deze staten vanaf het tijdstip van toetreding tot de Europese Unie, indien geen ander specifiek tijdstip voor de uitvoering in het interne recht is voorzien. In ieder geval geeft de toetredingsakte geen terugwerkende kracht aan de richtlijnen en de andere communautaire regelgeving.
57 Op dit punt acht ik het echter onmisbaar, dat enkele kanttekeningen van algemene aard worden geplaatst met betrekking tot de werking van een regel in de tijd.(47) In de eerste plaats moet terugwerkende kracht niet worden verward met de onmiddellijke werking van de regel. Bij het maken van het onderscheid moet rekening worden gehouden met de temporele dimensie van de situaties waarvoor de regel geldt.(48) De terugwerkende kracht bestaat in de toepassing van de regel op situaties die definitief waren voordat zij van kracht werd.(49) De onmiddellijke werking, die in beginsel eveneens overeenkomstig het beginsel tempus regit actum wordt uitgeoefend, bestaat uit de toepassing van de regel op bestaande, nog niet beëindigde situaties(50); dit betekent dat de temporele werkingssfeer van een regel zich eveneens uitstrekt tot de toekomstige gevolgen van voortdurende situaties die in het verleden zijn ontstaan, maar die vóór het van kracht worden van de regel niet definitief waren.
58 In de tweede plaats moet telkens het tijdstip worden gezocht waarop een rechtssituatie definitief bepaald is, want dit is immers het criterium voor de keuze van de toepasselijke rechtsregel. Dienaangaande is het niet zonder belang, de temporele dimensie van rechtssituaties na te gaan en in het bijzonder een tijdelijke situatie van een meer duurzame te onderscheiden.(51) In het eerste geval wordt de situatie bepaald op het moment waarop zij zich voordoet, zodat de toepasselijke regel zeer gemakkelijk kan worden bepaald. In het tweede geval verstrijkt er zekere tijd tussen het moment waarop de situatie zich voordoet en het moment waarop zij bepaald is; in de tussenliggende tijd kunnen wijzigingen in het positieve recht zijn aangebracht, waardoor een verkeerde rechtsgrondslag kan worden gekozen. In ieder geval is het, zoals ik al heb aangegeven, van belang, dat de regel wordt gezocht die van kracht is op het moment waarop de juridische situatie een definitief karakter krijgt.
59 Bovengenoemde criteria worden ook gehanteerd in de rechtspraak van het Hof, waaraan ik de volgende vier voorbeelden ontleen.
60 In het arrest Suffritti e.a.(52) waren verzoekers in het hoofdgeding voormalige werknemers die ontslag hadden genomen omdat Italiaanse vennootschappen, die nadien failliet gingen, hun loon niet hadden betaald. Hoewel deze feiten zich voordeden vóór het verstrijken van de termijn die in richtlijn 80/987 was gesteld voor de omzetting in nationaal recht, beriepen verzoekers zich niettemin op deze richtlijn ter verkrijging van een uitkering van een staatsorgaan van sociale voorziening. Na te hebben erkend dat "de termijn voor omzetting van richtlijn 80/987 eerst op 23 oktober 1983 afliep en dat zowel de insolventverklaringen als de beëindigingen van de arbeidsverhouding in de zaken ten principale hebben plaatsgevonden op data vóór de afloop van die termijn", oordeelde het Hof dat "bijgevolg (...) de werknemers zich niet op de bepalingen van de richtlijn [kunnen] beroepen om de toepassing van bepalingen van de nationale wet te ontgaan".(53)
Op dezelfde wijze beriep verzoekster in het hoofdgeding in de zaak Vaneetveld(54), die slachtoffer was van een verkeersongeval op 2 mei 1988, zich op richtlijn 84/5/EEG(55) ter vergoeding van haar schade. Na eraan te hebben herinnerd, dat "particulieren zich voor de nationale rechter eerst dan op een richtlijn kunnen beroepen, wanneer de termijn voor de omzetting ervan in nationaal recht is verstreken"(56), oordeelde het Hof dat de lidstaten de relevante bepalingen van de richtlijn slechts dienden toe te passen "voor de dekking van verzekerde gebeurtenissen die vanaf 31 december 1988 plaatsvonden"(57), op welke datum de termijn voor de omzetting van richtlijn 84/5 verstreek.
De zaak Saldanha en MTS(58) betrof een regel van Oostenrijks burgerlijk procesrecht, die een inwoner van een andere lidstaat zonder gewone verblijfplaats in Oostenrijk verplichtte, een bedrag in consignatie te geven als zekerheid voor de proceskosten, indien hij een rechtsvordering wilde instellen. Onder verwijzing naar de rechtstreekse werking van artikel 6 EG-Verdrag stelde het Hof, dat deze bepaling wordt geacht "de Republiek Oostenrijk te verbinden vanaf de datum van haar toetreding, zodat zij van toepassing is op de toekomstige gevolgen van vóór de toetreding van die nieuwe lidstaat tot de Gemeenschappen ontstane situaties. Een regel van procesrecht die een discriminatie op grond van nationaliteit in het leven roept, kan dus vanaf de datum van toetreding niet meer aan de onderdanen van een andere lidstaat worden tegengeworpen, voor zover die regel binnen de materiële werkingssfeer van het EG-Verdrag valt."(59) Opgemerkt zij, dat het Hof dit heeft verklaard, hoewel volgens de feiten van het hoofdgeding de belanghebbende waarop de Oostenrijkse wet was toegepast, zijn vordering had ingesteld vóór de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Europese Gemeenschappen en reeds was gedwongen de litigieuze zekerheid te stellen.
Onlangs werd in de zaak Kuusijärvi(60) de prejudiciële vraag gesteld, of verordening (EEG) nr. 1408/71(61) van toepassing is op een persoon die, toen deze verordening in Zweden in werking trad, daar als werkloze verbleef na er voorheen gedurende een tijdvak waarin het Koninkrijk Zweden nog geen lid was van de Europese Unie, arbeid te hebben verricht. Het Hof oordeelde: "De omstandigheid dat die persoon reeds werkloos was toen verordening nr. 1408/71 in de betrokken lidstaat in werking trad, en dat hij er een werkloosheidsuitkering ontving uit hoofde van arbeid die hij aldaar vóór die datum had verricht, onttrekt hem niet aan de personele werkingssfeer van de verordening."(62) Het Hof verwees ter zake op artikel 94 van de verordening, dat uitdrukkelijk bepaalt dat krachtens deze verordening zelfs dan een recht ontstaat, wanneer dit recht in verband staat met een gebeurtenis die vóór de datum van haar toepassing op het grondgebied van deze lidstaat heeft plaatsgevonden en dat voor de vaststelling van de aan deze verordening te ontlenen rechten rekening wordt gehouden met elk tijdvak van verzekering, alsmede eventueel met elk tijdvak van arbeid of wonen, dat krachtens de wetgeving van een lidstaat vóór de datum van haar toepassing op het grondgebied van deze lidstaat is vervuld.
61 Sommigen zouden ten onrechte kunnen menen, dat het Hof vrij gemakkelijk toelaat dat het gemeenschapsrecht op nieuwe lidstaten wordt toegepast voor feiten die hebben plaatsgehad vóór hun toetreding tot de Gemeenschap. Een dergelijke benadering zou duidelijk op een vergissing berusten. De vier arresten die hiervóór zijn aangehaald, volgen alle zeer nauwlettend dezelfde argumentatie: de communautaire regel is in beginsel ex nunc van toepassing en in ieder geval moet de vraag worden gesteld of de rechtssituatie waarop het hoofdgeding betrekking heeft, al dan niet vaststond op het tijdstip waarop zij in werking trad.
In de zaak Suffritti e.a. was de situatie waarnaar de communautaire regel verwees, namelijk insolventie van de werkgever, definitief op het tijdstip, liggend vóór het verstrijken van de termijn voor de uitvoering van de richtlijn, waarop deze insolventie zich voordeed.
In de zaak Vaneetveld waren de door de richtlijn beoogde situaties verkeersongevallen; derhalve heeft het Hof terecht geoordeeld, dat het tijdstip dat in acht moest worden genomen voor de keuze van de toepasselijke regel, het tijdstip was waarop het ongeval plaatsvond. In deze twee gevallen betrof het in werkelijkheid juridische situaties van korte duur, die geen enkel probleem opleverden wat betreft de bepaling van het tijdstip waarop zij kwamen vast te staan.
In de zaak Saldanha en MTS daarentegen schiepen het instellen van het beroep en zelfs de beslissing dat een zekerheid moest worden gesteld, uit economisch oogpunt geen vaststaande juridische situatie. De rechtsgang naar nationaal recht schiep een situatie die voortduurde tijdens de gehele procedure en die eerst bij de beëindiging werd afgesloten. Het Hof heeft zich derhalve terecht aangesloten bij de argumenten van de partij die de vereiste zekerheid betwistte, hoewel hij deze reeds vóór de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Gemeenschap had moeten stellen. Het antwoord van het Hof zou ongetwijfeld anders hebben geluid, indien het hoofdgeding was geëindigd en de beslissing van de verwijzende rechterlijke instantie vóór de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Gemeenschap definitief was geworden.
Wat ten slotte het arrest Kuusijärvi betreft, is het standpunt dat de communautaire rechter inneemt, dat overigens is gebaseerd op de uitdrukkelijke wil van de auteur van verordening nr. 1408/71, geheel gerechtvaardigd. De rechtssituatie die ontstaat door de aansluiting bij de sociale verzekering, de arbeid of de woonplaats van een persoon in verband met de daardoor in het leven geroepen socialezekerheidsrechten, wordt definitief op het tijdstip waarop de voorwaarden voor het ontstaan van het betrokken recht zijn vervuld, of eventueel op het tijdstip waarop de belanghebbende zijn verzoek daartoe indient. Bijgevolg bracht de omstandigheid dat de rechten waarop de verzoeker krachtens verordening nr. 1408/71 aanspraak maakte in een procedure die hij had ingeleid nadat deze verordening in Zweden in werking was getreden, betrekking hadden op tijdvakken van arbeid of wonen die dateerden van vóór de toetreding van deze staat tot de Gemeenschap, nog niet mee, dat de verordening op zijn geval niet van toepassing was; het zou evenmin juist zijn, te stellen dat de communautaire rechter door zijn antwoorden in deze zaak aan de bepalingen van verordening nr. 1408/71 terugwerkende kracht heeft toegekend of deze heeft aanvaard.
62 Ik zal thans de elementen rechtens en feitelijk van het hoofdgeding op basis van deze rechtspraak onderzoeken. De te volgen weg is mijns inziens met zekerheid vastgesteld, wanneer in aanmerking wordt genomen dat richtlijn 80/987 tot doel heeft, de loonvorderingen van werknemers, welke bestaan op het tijdstip waarop de werkgever insolvent wordt, te waarborgen. Bepalend voor de toepassing van de richtlijn is, evenals in de zaak Suffritti e.a., het ontstaan van de insolventie. In casu is deze rechtssituatie uiterlijk ontstaan, definitief geworden en daarmee afgesloten op het moment van de faillietverklaring van de vennootschap, op 17 november 1994, dus vóór de toetreding van het Koninkrijk Zweden tot de Gemeenschap. Op die datum was richtlijn 80/987 echter, althans ingevolge het gemeenschapsrecht, niet van toepassing, omdat zij in Zweden (nogmaals, ingevolge het gemeenschapsrecht) eerst van kracht is geworden na 1 januari 1995, de datum waarop het Koninkrijk Zweden tot de Gemeenschap is toegetreden. Daarom ben ik van mening, dat de derde prejudiciële vraag eveneens ontkennend moet worden beantwoord.
VIII - Conclusie
63 Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
"1) Het Hof is niet bevoegd om de eerste twee vragen te beantwoorden.
2) Feitelijke situaties die definitief zijn geworden vóór de toetreding van een staat tot de Europese Unie, vallen in beginsel niet onder de werkingssfeer van de regels van gemeenschapsrecht. Meer in het bijzonder is richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, niet van toepassing op situaties die definitief zijn geworden vóór de toetreding van het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie; derhalve zijn de wettelijke gevolgen van een eventuele onjuiste uitvoering van deze richtlijn in de interne rechtsorde niet van toepassing op feitelijke situaties die reeds definitief waren vóór de toetreding van het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie."
(1) - Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (PB 1994, L 1, blz. 1).
(2) - PB L 283, blz. 23.
(3) - Arrest van 19 november 1991, Francovich e.a. (Jurispr. blz. I-5357).
(4) - Arrest van 30 april 1974, Haegeman (181/73, Jurispr. blz. 449).
(5) - Deze opmerking zou van zeer groot belang kunnen zijn. Tot op heden betroffen de internationale overeenkomsten van de Gemeenschap met derde landen die het Hof in het kader van de beantwoording van prejudiciële vragen heeft onderzocht, omdat zij werden geacht deel uit te maken van de communautaire rechtsorde, gevallen met betrekking tot de toepassing door de lidstaten van deze overeenkomsten binnen de Gemeenschap. Met andere woorden: het hoofdgeding bevatte de onmiskenbare "communautaire" elementen die vereist zijn om een prejudiciële vraag te beschouwen als een vraag betreffende een regel van gemeenschapsrecht. Zie arresten van 29 april 1982, Pabst & Richarz (17/81, Jurispr. blz. 1331), verenigbaarheid van het recht op invoer van alcohol in Duitsland met de associatieovereenkomst tussen de EEG en de Griekse Republiek; 9 februari 1982, Harlequin en Simons (270/80, Jurispr. blz. 329), verenigbaarheid van een beperking van de invoer van grammofoonplaten in het Verenigd Koninkrijk met de associatieovereenkomst EEG-Portugal; 26 oktober 1982, Kupferberg (104/81, Jurispr. blz. 3641), verenigbaarheid van de douanebehandeling van een in Duitsland ingevoerd product met de associatieovereenkomst EEG-Portugal, en 16 juli 1992, Legros e.a. (C-163/90, Jurispr. blz. I-4625), verenigbaarheid van de douanebehandeling van in Frankrijk ingevoerde auto's met de associatieovereenkomst EEG-Zweden.
(6) - Advies van 14 december 1991 (Jurispr. blz. I-6084).
(7) - Punt 16 van het in voetnoot 6 aangehaalde advies.
(8) - Zie echter ook het arrest Hermès, dat in het hierna volgende punt wordt aangehaald.
(9) - Arrest van 26 september 1985 (166/84, Jurispr. blz. 3001).
(10) - Arrest van 8 november 1990 (C-231/89, Jurispr. blz. I-4003).
(11) - Arrest van 18 oktober 1990 (C-297/88 en C-197/89, Jurispr. blz. I-3763).
(12) - Arrest van 28 maart 1995 (C-346/93, Jurispr. blz. I-615).
(13) - Arrest van 12 november 1992 (C-73/89, Jurispr. blz. I-5621).
(14) - Arrest van 17 juli 1997 (C-28/95, Jurispr. blz. I-4161).
(15) - Arrest van 17 juli 1997 (C-130/95, Jurispr. blz. I-4291).
(16) - Punt 27 van de conclusie.
(17) - Punt 47 van de conclusie.
(18) - Punt 49 van de conclusie.
(19) - Punt 52 van de conclusie.
(20) - Punt 56 van de conclusie.
(21) - Punt 75 van de conclusie.
(22) - Arrest van 16 juni 1998 (C-53/96, Jurispr. blz. I-3603).
(23) - Punt 32.
(24) - Punt 40 van het arrest Dzodzi, aangehaald in voetnoot 11.
(25) - Punt 42 van het arrest Dzodzi, aangehaald in voetnoot 11.
(26) - Punt 32 van het arrest Hermès, aangehaald in voetnoot 22, en punt 34 van het arrest Leur-Bloem, aangehaald in voetnoot 14.
(27) - Zie hieromtrent de punten 33 e.v. hierna.
(28) - Bij zijn toetreding tot de Europese Unie heeft het Koninkrijk Zweden zich ertoe verplicht, de beslissingen van het Hof in het kader van de communautaire rechtsorde te eerbiedigen, en niet die welke daarbuiten worden genomen.
(29) - De instelling van een specifieke rechtsgrondslag die de nationale rechterlijke instanties van de EVA-staten in staat stelt om een beroep te doen op het Hof, betekent a contrario dat een dergelijke mogelijkheid niet rechtstreeks voortvloeit uit artikel 177 van het Verdrag. Overigens verwijst artikel 177 slechts naar een "rechterlijke instantie van een der lidstaten", derhalve een categorie waartoe de rechterlijke instanties van de EVA-staten niet behoren.
(30) - Men kan overigens niet volhouden dat deze dubbele onbevoegdheid een vorm van rechtsweigering inhoudt. Er bestaat immers in ieder geval een bevoegde rechter, en dat is de nationale rechter. Indien het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en het EVA-Hof onbevoegd zijn, moet deze laatste beslissen over de in de eerste twee prejudiciële vragen opgeworpen rechtsvragen.
(31) - Het is niet zonder belang, op te merken dat de Toetredingsakte het Koninkrijk Zweden ertoe verplichtte, de EVA te verlaten op het moment dat het deel ging uitmaken van de Europese Unie.
(32) - Zie voetnoot 3.
(33) - Hoe dan ook doet dit laatste aspect niet ter zake; de vraag of de Francovich-rechtspraak moet worden gevolgd in gevallen van onjuiste toepassing van een bepaling van "EER-recht" die identiek is aan een communautaire richtlijn had ook kunnen worden gesteld bij iedere andere richtlijn die in de bijlagen bij de EER-overeenkomst is vermeld.
(34) - Uiteraard steeds in het geval dat het Hof niet van de stelling zou uitgaan die ik hiervoor uiteen heb gezet,namelijk dat, gelet op de feitelijke en juridische omstandigheden van het hoofdgeding, de EER-overeenkomst die aan de verwijzende rechterlijke instantie is voorgelegd, geen communautaire regel en ook geen element van de communautaire rechtsorde vormt.
(35) - Zie arrest Haegeman, aangehaald in voetnoot 4.
(36) - Zie mijn analyse hierna, punten 16 e.v.
(37) - Zie arresten Pabst & Richarz evenals Legros e.a., aangehaald in voetnoot 5.
(38) - Zie arresten Harlequin en Simons, en Kupferberg, aangehaald in voetnoot 5.
(39) - Zie arrest van 1 juli 1993, Metalsa (C-312/91, Jurispr. blz. I-3751).
(40) - Aangehaald in voetnoot 6.
(41) - Punten 15 en 16 van advies 1/91, aangehaald in voetnoot 6.
(42) - Punten 20 en 21 van advies 1/91, aangehaald in voetnoot 6.
(43) - Advies van 10 april 1992 (Jurispr. blz. I-2825) betreffende de EER-overeenkomst, zoals gewijzigd ten gevolge van het eerste advies van het Hof.
(44) - In dit stadium acht ik het opportuun, het door het Gerecht van eerste aanleg in zijn arrest van 22 januari 1997, Opel Austria/Raad (T-115/94, Jurispr. blz. II-39), ingenomen standpunt te vermelden, dat, toen het Hof in het kader van advies 1/91 "[h]et standpunt [formuleerde], dat de doelstelling van eenheid in de uitlegging en toepassing van het recht in de EER botste met de bestaande verschillen tussen de doelstellingen en de context van de overeenkomst enerzijds en die van het gemeenschapsrecht anderzijds, [het dit deed] (...) bij het onderzoek van het door de EER-overeenkomst beoogde stelsel van rechtspraak, namelijk of het afbreuk kon doen aan de autonomie van de communautaire rechtsorde (...)"(punt 109). Indien deze volzin betekent, dat de conclusies van advies 1/91 zich uitsluitend beperken tot het bijzondere kader van het rechterlijk systeem waarin de ontwerp-EER-overeenkomst voorzag, moet ik het bij het verkeerde eind hebben. Ik meen dat de argumentatie van het Hof in advies 1/91 ten aanzien van de inhoudelijke verschillen tussen het EER-rechtsstelsel en het communautaire stelsel algemeen kan worden toegepast.
Bovendien verklaart het Gerecht in dezelfde zaak, dat "[d]e EER-overeenkomst (...) een vergaande integratie in[houdt], waarvan de doelstellingen verder reiken dan die van een eenvoudige vrijhandelsovereenkomst" en dat "[d]oel van de EER-overeenkomst (...) eveneens [is], dat het toekomstige gemeenschapsrecht op de door de overeenkomst bestreken gebieden, naargelang dit recht wordt geschapen, zich ontwikkelt en wijzigt (...)"(punt 107).
Ik meen dat deze uitlegging geheel juist is; zij impliceert echter niet automatisch de integrale en identieke toepassing van de communautaire regels op het gebied van het "EER-recht"; de door de EER-overeenkomst beoogde eenheid in de regelgeving en uitlegging wordt beperkt door de verschillen die de communautaire rechtsorde van deze overeenkomst onderscheiden. In ieder geval moet het aangehaalde arrest van het Gerecht van eerste aanleg worden gezien in het licht van het specifieke rechtskader van deze zaak. Het Gerecht van eerste aanleg was verzocht, aan te geven of artikel 10 van de EER-overeenkomst in wezen gelijk is aan de artikelen 12, 13, 16 en 17 van het EG-Verdrag, die de douanerechten bij in- en uitvoer en alle heffingen van gelijke werking verbieden. In deze context meende het Gerecht terecht, dat de gewenste eenvormigheid van regelgeving en uitlegging ten volle kon worden bereikt en dat artikel 10 van de EER-overeenkomst krachtens artikel 6 van deze overeenkomst moest worden uitgelegd overeenkomstig de rechtspraak van het Hof inzake de artikelen 12, 13, 16 en 17 van het Verdrag, daterende van vóór de ondertekening van de EER-overeenkomst.
(45) - Zie arrest Francovich e.a., aangehaald in voetnoot 3.
(46) - PB 1994, C 241, blz. 21.
(47) - Zie hierover C. Yannakopoulos, La notion de droits acquis en droit administratif français, Parijs, LGDJ [Collection Bibliothèque de droit public, deel nr. 188], 1997, in de hierna aangegeven passages.
(48) - Ibidem, paragrafen 348 e.v.
(49) - Ibidem, paragrafen 354 e.v. alsmede paragrafen 765 e.v.
(50) - Ibidem, paragrafen 356 en 865 e.v.
(51) - Ibidem, paragrafen 635 e.v.
(52) - Arrest van 3 december 1992 (C-140/91, C-141/91, C-278/91 en C-279/91, Jurispr. blz. I-6337).
(53) - Punten 11 en 12 van het arrest Suffritti e.a., aangehaald in voetnoot 52.
(54) - Arrest van 3 maart 1994 (C-316/93, Jurispr. blz. I-763).
(55) - Tweede richtlijn van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB 1984, L 18, blz. 17).
(56) - Punt 16.
(57) - Punt 18.
(58) - Arrest van 2 oktober 1997 (C-122/96, Jurispr. blz. I-5325).
(59) - Punt 14.
(60) - Arrest van 11 juni 1998 (C-275/96, Jurispr. blz. I-3419).
(61) - Verordening van de Raad van 14 juli 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2).
(62) - Punt 23.
Full & Egal Universal Law Academy