Conclusie van de advocaat generaal
Inleiding
1 In deze zaak gaat het om de vraag, of twee soorten tabletten die hoge concentraties vitamine C (ascorbinezuur), alsmede calcium bevatten, voor de tariefindeling moeten worden aangemerkt als geneesmiddelen (post 3004), als producten voor menselijke consumptie (post 2106) of als provitaminen en vitaminen (post 2936).
Juridische en feitelijke context
2 Deze zaak heeft betrekking op de gecombineerde nomenclatuur van de Gemeenschap (hierna: "GN"), zoals vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 2505/92 van de Commissie van 14 juli 1992 tot wijziging van de bijlagen I en II van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief.(1) De GN is gebaseerd op het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (hierna: "GS") van de Internationale Douaneraad.(2)
3 Post 3004 van hoofdstuk 30 GN, "Farmaceutische producten", omvat "geneesmiddelen (andere dan producten bedoeld bij de posten 3002, 3005 en 3006), bestaande uit al dan niet vermengde producten voor therapeutisch of profylactisch gebruik, in afgemeten hoeveelheden, dan wel opgemaakt voor de verkoop in het klein". Postonderverdeling 3004 50 heeft betrekking op "andere geneesmiddelen, bevattende vitaminen of andere producten bedoeld bij post 2936"; onderverdeling 3004 50 10 heeft betrekking op die producten wanneer zij zijn "opgemaakt voor de verkoop in het klein". Volgens aantekening 1, sub a, bij hoofdstuk 30 GN omvat dit hoofdstuk niet "dieetvoeding, veredelde voedingsmiddelen, voedingsmiddelen voor diabetici, voedingssupplementen, opwekkende dranken (tonica) en mineraalwater", die onder afdeling IV GN moeten worden ingedeeld.(3)
4 Postonderverdeling 3004 50 GS is identiek aan de overeenkomstige postonderverdeling van de GN. De toelichtingen van de Internationale Douaneraad op het GS (hierna: "GS-toelichtingen") met betrekking tot post 3004 GS luiden als volgt:
"Als zodanig kunnen worden aangemerkt de producten (...) die in verband met hun opmaak, en bijvoorbeeld de aanwezigheid, onder welke vorm dan ook, van ter zake dienende aanwijzingen (aard van de aandoening waartegen zij worden gebruikt, de wijze van gebruik, dosering, enz.), kennelijk bestemd zijn om als zodanig en zonder verwisseling van verpakking aan de gebruiker (particulieren, ziekenhuizen, enz.) te worden geleverd en voor bovengenoemde doeleinden te worden gebruikt. Deze aanwijzingen (ongeacht in welke taal) kunnen voorkomen op het verpakkingsmiddel, op bijgevoegde gebruiksaanwijzingen voor het product, of op ongeacht welke andere wijze (...) Onvermengde producten worden eveneens aangemerkt als zijnde opgemaakt voor de verkoop in het klein met het oog op therapeutisch of profylactisch gebruik, indien zij voorkomen in een vorm waaruit kennelijk blijkt dat zij voor evengenoemde doeleinden bestemd zijn, ook al zijn ter zake geen verdere aanwijzingen voorhanden."(4)
De GS-toelichtingen bevatten bovendien een passage die grote gelijkenis vertoont met bovengenoemde aantekening 1, sub a, bij de GN, en volgens welke de uitsluiting van voedingsmiddelen en dranken "in het bijzonder" geldt voor "voedingspreparaten die enkel voedzame zelfstandigheden bevatten. De belangrijkste voedingsstoffen in deze preparaten zijn eiwitstoffen of proteïnen, koolhydraten en vetstoffen. Vitaminen en minerale zouten spelen eveneens een rol bij de voeding." Verder zijn volgens de GS-toelichtingen van post 3004 "uitgezonderd voedingssupplementen die vitaminen en minerale zouten bevatten en die bestemd zijn om het organisme gezond te houden, maar die geen aanwijzing bevatten betreffende het voorkomen of het behandelen van een ziekte", en worden die producten in de regel ingedeeld onder post 2106 of hoofdstuk 22 GS.
5 In de toelichtingen van de Commissie op de GN (hierna: "GN-toelichtingen")(5) heet het in hoofdstuk 30, onder "Algemene opmerkingen":
"De beschrijving van een product als geneesmiddel in wetgeving van de Gemeenschap (andere dan wetgeving met betrekking tot de indeling in de gecombineerde nomenclatuur), in nationale wetgeving van een lidstaat of in een farmacopee, is niet doorslaggevend voor de indeling in dit hoofdstuk."
6 Hoofdstuk 21 in afdeling IV van de GN draagt het opschrift "Diverse producten voor menselijke consumptie". Post 2106 omvat "producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen". Volgens aantekening 1, sub f, bij hoofdstuk 21 GN omvat dit hoofdstuk niet "gist opgemaakt als geneesmiddel en de andere producten, bedoeld bij de posten 3003 en 3004". Volgens de GS-toelichtingen omvat de gelijkluidende GS-post onder meer:
"preparaten, vaak voedingssupplementen genoemd, op basis van plantenextracten, vruchtenconcentraten, honing, fructose, enz., waaraan vitaminen en soms zeer kleine hoeveelheden ijzerverbindingen zijn toegevoegd. Deze preparaten zijn dikwijls opgemaakt in verpakkingen met de aanduiding dat zij bestemd zijn om het organisme gezond te houden. Soortgelijke preparaten die bestemd zijn om ziekten of kwalen te voorkomen of te behandelen, zijn echter uitgezonderd (post 3003 of 3004)."
7 Hoofdstuk 29 GN heeft betrekking op "organische chemische producten". Onder post 2936 vallen: "Provitaminen en vitaminen, natuurlijke of door synthese gereproduceerd (natuurlijke concentraten daaronder begrepen), alsmede derivaten daarvan, die hoofdzakelijk als vitaminen worden gebruikt, ook indien deze stoffen onderling zijn vermengd of in oplossing zijn gebracht."
8 Voor de indeling van producten voor de toepassing van het gemeenschapsrecht zijn de bewoordingen van de posten en de aantekeningen bij de afdelingen of bij de hoofdstukken bepalend.(6) Als zodanig zijn de aantekeningen bij de hoofdstukken een waardevol hulpmiddel bij de uitlegging van de GN.(7) De GN-toelichtingen en de GS-toelichtingen vormen belangrijke middelen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten, doch zijn rechtens niet bindend.(8)
9 De Commissie heeft eveneens twee gedetailleerde verordeningen vastgesteld, waarnaar in deze zaak is verwezen. In verordening (EEG) nr. 2061/89 van de Commissie van 7 juli 1989 houdende indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur(9), wordt het volgende product genoemd:
"Bereiding[en] in de vorm van tabletten, opgemaakt voor de verkoop in het klein, voorzien van gegevens omtrent gebruiksdoel en dosering, bestemd voor de bestrijding van een gebrek aan vitamine C, met per tablet (750 mg) de volgende samenstelling:
- Ascorbinezuur: 500 mg
- Rozebottelpoeder, cellulose, plantaardige stearine, vaste deeltjes uit plantaardige oliën, magnesiumstearaat, siliciumdioxide en een omhulling van proteïne: 250 mg."
Die tabletten worden ingedeeld onder post 2106 90 91.
10 In verordening (EEG) nr. 2723/90 van de Commissie van 24 september 1990 waarbij in een aantal verordeningen betreffende de indeling van goederen de codes die zijn vastgesteld op basis van de op 31 december 1987 geldende nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief, worden vervangen door de codes die zijn vastgesteld op basis van de gecombineerde nomenclatuur(10), worden multivitaminetabletten en multivitaminebruistabletten die onder meer 60 mg respectievelijk 75 mg vitamine C bevatten, voor de toepassing van verordening (EEG) nr. 210/85 van de Commissie van 25 januari 1985 betreffende de indeling van goederen onder post 21.07 G I d) 1 van het gemeenschappelijk douanetarief(11), ingedeeld onder GN-code 2106 90 99.
11 Eveneens moet worden genoemd richtlijn 65/65/EEG van de Raad van 26 januari 1965 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake farmaceutische specialiteiten(12), volgens welke een farmaceutische specialiteit in een lidstaat slechts in de handel mag worden gebracht als daartoe van tevoren door de bevoegde overheidsinstantie van deze lidstaat een vergunning is afgegeven.(13) De richtlijn beoogt de belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer van farmaceutische specialiteiten, die voortvloeien uit de verschillen tussen sommige nationale voorschriften, op te heffen met inachtneming van het hoofddoel van de bescherming van de volksgezondheid.(14) Artikel 1, sub 2, van richtlijn 65/65/EEG definieert geneesmiddel als volgt:
"Elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij mens of dier.
Elke enkelvoudige of samengestelde substantie, die aan mens of dier toegediend kan worden teneinde een medische diagnose te stellen of om organische functies bij mens of dier te herstellen, te verbeteren of te wijzigen, wordt eveneens als geneesmiddel beschouwd."
12 Voor de volledigheid van dit overzicht van het toepasselijke recht diene de volgende samenvatting van enkele recente arresten van het Hof met betrekking tot de tariefindeling van producten als geneesmiddelen. Zoals het Hof onder meer in het arrest Bioforce(15) (hierna: "Bioforce I") verklaarde, moet "om dwingende redenen van rechtszekerheid het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen als regel (...) worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals omschreven in de tekst van de posten van het gemeenschappelijk douanetarief".(16) Het voegde hieraan toe, dat zulks moest worden beoordeeld "in het licht van de ontwikkeling van de geneeskunde". In die zaak ging het om druppels die een meidoornextract bevatten waaraan alcohol is toegevoegd, en dat als versterkend middel voor het hart wordt ingenomen. Tussen partijen stond vast, dat het product zich als geneesmiddel aandiende.(17) Het Hof erkende, dat wetenschappelijk was aangetoond, dat de betrokken druppels "nauwkeurig omschreven therapeutische en vooral profylactische kenmerken [hadden], waarvan de werking zich op welbepaalde functies van het menselijk organisme richt, namelijk de hartfunctie, de bloedsomloop en het vegetatieve zenuwstelsel".(18)
13 In een tweede zaak Bioforce(19) (hierna: "Bioforce II") ging het om de tariefindeling van producten die bestonden uit een tinctuur van verse planten van Echinacea purpurea, die werden verkocht in verpakkingen die de samenstelling, het toepassingsgebied en de aanbevolen dosering vermeldden, teneinde het weerstandsvermogen van het lichaam en het herstelvermogen ervan na infecties te verhogen. De bevoegde douaneautoriteit stelde zich op het standpunt, dat de werkzame bestanddelen van Echinacea nog niet algemeen werden erkend, en weigerde de producten als geneesmiddelen in te delen. Op de grondslag van de stukken en de gemaakte opmerkingen stelde het Hof vast, dat het gebruik van de betrokken producten met een passende dosering werd aanbevolen "om, onder meer, het weerstandsvermogen van het lichaam tegen met koorts gepaard gaande verkoudheden te verhogen, en wat meer bepaald $Echinaforce' betreft, tegen chronische infecties en ontstekingen, bij verhoogd besmettingsgevaar en zwakte, na besmettelijke ziekten en tegen huidziekten".(20) Het verklaarde verder, in een passage die verkeerd is begrepen:
"Wat er ook zij van het werkelijke therapeutische of profylactische belang van de betrokken producten, vastgesteld moet worden, dat de beschrijving van de curatieve of preventieve eigenschappen van die producten, alsook hun wijze van verpakking, toediening en verkoop, op zich volstaan om ze te beschouwen als producten die de kenmerkende eigenschappen van een geneesmiddel vertonen en, daarmee samenhangend, de mogelijkheid uit te sluiten, dat zij voor andere dan therapeutische of profylactische doeleinden kunnen worden gebruikt."(21)
Het Hof voegde hieraan toe, dat de omstandigheid dat in de lidstaten waar de betrokken producten in de handel werden gebracht, een vergunning om ze als geneesmiddelen te verkopen, was verkregen of was aangevraagd, "een aanwijzing te meer [is] dat die producten de in post 3004 van het GDT omschreven objectieve kenmerken en eigenschappen vertonen".(22)
14 In het arrest LTM(23) werd het Hof een vraag gesteld over de tariefindeling van twee producten, waarvan het ene bepaalde vitaminen bevatte in hoeveelheden die verschillende keren groter waren dan de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid voor de mens, en dat volgens de bijsluiter werd aanbevolen voor het voorkomen of verhelpen van een vitaminedeficiëntie veroorzaakt door ontoereikende of onevenwichtige voeding, en het andere een samenvoeging was van aminozuren, minerale zouten en oligo-elementen, en volgens de bijsluiter werd aanbevolen in geval van asthenie, herstel, overwerktheid, gebrek aan eetlust, vermagering en veroudering. Het Hof stelde vast, dat geen van beide producten nauwkeurig omschreven therapeutische en vooral profylactische kenmerken had, waarvan de werking zich op welbepaalde functies van het menselijk organisme richt, noch dat het gebruikt kon worden ter voorkoming of behandeling van ziekten of kwalen, zoals door het arrest Bioforce I wordt verlangd.(24) De omstandigheid dat voor de betrokken producten in Frankrijk een vergunning was afgegeven om als geneesmiddelen in de handel te worden gebracht(25), dat zij als geneesmiddelen werden aangeboden en dat zij uitsluitend in de apotheek werden verkocht, was weliswaar een sterke aanwijzing, doch deed niet af aan de afwezigheid van deze essentiële kenmerken.(26) Het Hof stelde inzonderheid vast, dat de doelstellingen van richtlijn 65/65/EEG - het opheffen van de belemmeringen van het handelsverkeer onder gelijktijdige bescherming van de volksgezondheid - verschilden van die van de GN en dat de indeling van een product als geneesmiddel in de zin van die richtlijn op grote schaal geschiedde en van lidstaat tot lidstaat kon verschillen.(27) De GN moest daarentegen door alle lidstaten uniform worden toegepast.(28)
15 Op 26 januari 1993 verzocht Glob-Sped AG (hierna: "verzoekster") het Hauptzollamt Lörrach (hierna: "verweerder") de twee producten waarom het in casu gaat, in te klaren als geneesmiddelen. Die producten zijn Taxofit Vitamin C + Ca Brausetabletten, bruistabletten die 1 000 mg vitamine C per tablet bevatten, en Taxofit Vitamin C Kautabletten, kauwtabletten die 500 mg vitamine C per tablet bevatten. Die gehaltes zijn duidelijk hoger dan voor de gewone menselijke consumptie aanbevolen is (gemiddeld 75 mg per dag).(29) Op de verpakking van beide producten staat vermeld, dat zij moeten worden ingenomen om het immuunsysteem resistenter te maken bij verhoogd gevaar voor besmettelijke ziekten, zoals verkoudheden of griep, of bij overwerk, vermoeidheid of (in geval van de bruistabletten) allergische processen. Volgens de aanwijzingen op de verpakking worden zij traditioneel gebruikt als versterkend middel ("zur Stärkung und Kräftigung") en, in het geval van de kauwtabletten, ter preventie. De dosering bedraagt naargelang de omstandigheden een aantal tabletten per dag, voor zover niet anders is voorgeschreven. In beide gevallen is op de verpakking eveneens de waarschuwing aangebracht, dat het om een geneesmiddel gaat dat zorgvuldig en buiten bereik van kinderen moet worden bewaard, en dat de gebruikers de bijsluiter moeten lezen. Voor beide producten is in Duitsland een vergunning voor het in de handel brengen als geneesmiddel afgegeven overeenkomstig richtlijn 65/65.
16 Op basis van een deskundigenonderzoek was verweerder van mening, dat de producten als "andere producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen", moesten worden ingedeeld onder post 2106 90 99 GN. Het Finanzgericht verwierp het door verzoekster ingestelde beroep op grond dat op de verpakking preciseringen ontbraken met betrekking tot de specifieke werkzaamheid van de tabletten tegen bepaalde ziekten(30), zodat de betrokken producten derhalve als vitaminen moesten worden ingedeeld. Verzoekster stelde tegen de uitspraak van het Finanzgericht beroep tot "Revision" in bij het Bundesfinanzhof (hierna: "nationale rechter"). Met een beroep op het arrest Bioforce II(31) stelde zij, dat de betrokken tabletten op grond van hun objectieve eigenschappen en werking bij bepaalde ziekten en/of hun externe presentatie en de vergunning voor het in de handel brengen, als geneesmiddelen moesten worden ingedeeld. Zij haalde een publicatie van het Bundesgesundheitsamt aan, volgens welke naargelang de omstandigheden een dagelijkse dosis van 50-225 mg vitamine C als profylaxis wordt aanbevolen en 225-1000 mg als therapie voor bepaalde ziekten zoals scheurbuik, de ziekte van Barlow, verkeerde of gebrekkige voeding, zware trauma's en besmettelijke ziekten.(32) Verweerder gaf toe, dat hoge concentraties vitamine C geschikt waren om bepaalde ziekten te bestrijden, doch was van mening dat de op de verpakking aangebrachte aanwijzingen het niet mogelijk maakten het product op de juiste wijze als geneesmiddel te gebruiken en als zodanig te herkennen; volgens hem ontbraken die specifieke aanwijzingen in casu.
17 Volgens de nationale rechter is een product geen geneesmiddel wanneer het enkel een tekort aanvult, ook wanneer daardoor indirect deficiëntieziekten worden tegengegaan. Het product moet zowel dienen als substitutie in geval van een tekort als tot behandeling of voorkoming van niet-deficiëntieziekten. In het arrest Bioforce II wordt een groter gewicht toegekend aan de presentatie van de producten dan in eerdere arresten, zodat de betrokken tabletten op grond van de aanwijzingen op de verpakkingen waarschijnlijk als geneesmiddelen kunnen worden aangemerkt; verzoekster is evenwel nog verder gegaan door te stellen, dat de producten alleen al op grond van de verpakking als geneesmiddelen moeten worden ingedeeld. Teneinde dit geschil te beslechten, heeft de nationale rechter het Hof krachtens artikel 177 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap de volgende vragen ter prejudiciële beslissing voorgelegd:
"1) Moet punt 15 van het arrest van het Hof van 15 mei 1997 in zaak C-405/95 (Bioforce II: Echinacea) aldus worden uitgelegd, dat een preparaat, om te worden beschouwd als een product dat de kenmerkende eigenschappen van een geneesmiddel vertoont in de zin van GN-post 3004, geen objectieve geschiktheid voor therapeutische of profylactische doeleinden moet vertonen, doch dat de algemene presentatie van het preparaat (gebruiksaanwijzingen, verpakking, toediening en verkoop), dus de subjectieve bestemming ervan, op zich voor een dergelijke indeling volstaat?
2) Indien de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord:
Moet de gecombineerde nomenclatuur 1993 aldus worden uitgelegd, dat vitaminetabletten als $Taxofit Vitamin C + Ca Brausetabletten' en $Taxofit Vitamin C Kautabletten', met 1 000 mg respectievelijk 500 mg vitamine C (ascorbinezuur) per tablet, die opgemaakt voor de verkoop in het klein worden ingevoerd, en overeenkomstig de op de respectieve bijsluiters gegeven gebruiksaanwijzingen onder vermelding van een bepaalde dosering onder meer bestemd zijn $ter verhoging van het weerstandsvermogen: bij verkoudheden en griepinfecties, (...) bij allergische processen' respectievelijk $voor preventief gebruik (...) in perioden van verhoogd gevaar voor besmettelijke ziekten', en in de Bondsrepubliek Duitsland als geneesmiddelen zijn toegelaten, moeten worden ingedeeld onder post 3004, geneesmiddelen, bestaande uit al dan niet vermengde producten voor therapeutisch of profylactisch gebruik, (...) opgemaakt voor de verkoop in het klein?"
De ingediende opmerkingen
18 Schriftelijke en mondelinge opmerkingen zijn ingediend door verzoekster, de Franse Republiek en de Commissie.
19 Volgens verzoekster heeft het Finanzgericht erkend, dat de betrokken producten profylactische en therapeutische werking hebben, zodat de eerste vraag niet behoeft te worden beantwoord. Mits specifieke aanwijzingen worden gegeven voor het gebruik van de producten voor medische doeleinden, kan het feit dat het product daarnaast ook andere, zuivere versterkende eigenschappen zou hebben, niet afdoen aan de indeling in de GN ervan als geneesmiddel. De subjectieve bedoeling waarmee een product in de handel wordt gebracht, kan door de keuze van de verpakking en de daarop aangebrachte formuleringen de objectieve kenmerken ervan aantasten. Mocht het Hof dus besluiten de eerste vraag te beantwoorden, dan moet het antwoord op basis van het arrest Bioforce II bevestigend luiden, wat leidt tot parallellisme tussen de GN-indeling en de werkingssfeer van richtlijn 65/65, die hoofdzakelijk is gebaseerd op de presentatie van de producten.
20 De Commissie geeft in overweging, de eerste vraag ontkennend te beantwoorden. Volgens haar week het arrest Bioforce II met betrekking tot het gebruik van objectieve factoren voor de tariefindeling niet af van de reeds bestaande rechtspraak. In die zaak onderstreepte de op de verpakking aangebrachte beschrijving slechts de objectieve eigenschappen van het betrokken product. Zoals duidelijk blijkt uit het arrest LTM, kunnen de wijze van presentatie en van het in de handel brengen van een product bovendien weliswaar een indicatieve waarde voor de GN-indeling hebben, doch is een parallellisme tussen de GN en richtlijn 65/65 wegens de verschillende doelstellingen ervan misplaatst. De Commissie erkent, dat de betrokken producten een specifieke medische werking hebben, hetgeen niet wordt tegengesproken door andere, meer algemene aanwijzingen met betrekking tot het gebruik ervan als versterkend middel. Wegens de verschillende samenstelling van de producten waarom het in casu gaat, vindt hierop noch verordening nr. 2061/89 noch verordening nr. 2723/90 rechtstreeks toepassing. In navolging van het arrest Bioforce II verdient het geen aanbeveling om voor de indeling van producten die niet binnen de rechtstreekse werkingssfeer van verordening nr. 2061/89 vallen, van die verordening uit te gaan.(33)
21 Volgens de Franse Republiek zijn de wijze van presentatie van een product en het feit dat een vergunning voor het in de handel brengen is verleend, slechts aanvullende aanwijzingen voor de tariefindeling. De objectieve kenmerken van het product blijven het voornaamste criterium. Gezien de feiten van de zaak, duiden zowel de objectieve kenmerken van het product als de presentatie ervan op een indeling als geneesmiddel.
Onderzoek
22 Op de eerste vraag van de nationale rechter hoeft alleen te worden ingegaan ingeval de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, dat wil zeggen wanneer de producten waarom het in casu gaat, geen objectieve kenmerken of eigenschappen vertonen waardoor zij voor therapeutische of profylactische doeleinden geschikt zijn. Derhalve zal ik beginnen met de tweede vraag.
23 Het beslissende criterium van de "objectieve kenmerken" ligt in alle arresten aan de redenering ten grondslag.(34) In het geval van geneesmiddelen leidt dit tot een uitlegging in het licht van de "ontwikkeling van de geneeskunde", of, zoals wordt verklaard in het arrest Bioforce I, tot een uitlegging in die zin dat het product "nauwkeurig omschreven therapeutische [of] profylactische kenmerken heeft, waarvan de werking zich op welbepaalde functies van het menselijk organisme richt".(35) Deze voorwaarde mag niet te strikt worden uitgelegd. Zo was het Hof in het arrest Bioforce I van oordeel, dat aan die voorwaarde was voldaan in het geval van druppels die verlichting verschaften bij lichte hartkwalen als gevolg van veroudering, in tegenstelling tot hetgeen advocaat-generaal Gulmann in overweging had gegeven, die van mening was dat de druppels niet tegen een bepaalde ziekte waren aangewezen en dat de werking ervan niet voldoende specifiek was.(36) In het arrest Bioforce II kwalificeerde het Hof als geneesmiddelen producten die waren bestemd om het weerstandsvermogen van het lichaam tegen verkoudheden en andere infecties te verhogen, om herstel na besmettelijke ziekten te bevorderen en voor de behandeling van bepaalde huidziekten. Dat het Hof in het arrest Bioforce I spreekt van "welbepaalde functies van het menselijk organisme"(37), moet mijns inziens aldus worden opgevat, dat daarmee als zodanig bepaalbare functies van het lichaam worden bedoeld; dit vormt de toepassing op de feiten van die zaak van 's Hofs opvatting, dat de tariefpost moest worden uitgelegd in het licht van de "ontwikkeling van de geneeskunde". Dit is ook in overeenstemming met het door advocaat-generaal La Pergola in zijn conclusie bij het arrest Bioforce II ingenomen standpunt ter zake. In antwoord op het argument van de Commissie, dat de betrokken producten slechts een algemene profylactische functie vervulden en niet als geneesmiddelen moesten worden ingedeeld, stelde hij dat een dergelijk vereiste "een reeks zeker geneeskrachtige stoffen, waarvan de onbetwistbare profylactische en/of preventieve functie een breed spectrum bestrijkt, zoals antibiotica of immuniserende stoffen, of die verschillende functies vervullen, zoals aspirine" van post 3004 van de GN zou uitsluiten.(38)
24 Anderzijds dienen producten die stoffen met potentieel profylactische of therapeutische functies bevatten, voor de tariefindeling niet als geneesmiddelen te worden beschouwd, indien die stoffen in onvoldoende mate aanwezig zijn om die werking te kunnen hebben. Dat was het geval in de zaak Colin en Dupré, waar de betrokken stoffen, die in keelpastilles aanwezig waren, slechts als aromatiserende middelen dienden(39); en in de zaak LTM konden de betrokken multivitaminetabletten niet worden gebruikt om specifieke tekorten aan een bepaalde vitamine aan te vullen zonder het gevaar van overdosering van andere vitaminen, zodat zij enkel konden dienen als dagelijks voedingssupplement, bedoeld om het organisme gezond te houden. Het andere product waarom het in die zaak ging en dat een combinatie was van aminozuren, minerale zouten en oligo-elementen, had een uiterst algemene werking in geval van asthenie, herstel, overwerktheid, gebrek aan eetlust, vermagering en veroudering.
25 Mijns inziens hebben de tabletten met de hoge dosering vitamine C, waarom het in de onderhavige zaak gaat, duidelijk omschreven therapeutische en profylactische kenmerken. In de eerste plaats is de dosis vitamine C veel hoger dan nodig of aanbevolen is voor het normale dagelijkse gebruik als voedingssupplement. Wat belangrijker is, is dat dergelijke hoge concentraties vitamine C niet alleen het immuunsysteem van het lichaam resistenter maken tegen infecties in het geval van asthenie, overwerktheid enzovoort, doch ook worden aanbevolen bij allergische processen en zware trauma's, zoals die kunnen voortvloeien uit een verwonding of een chirurgische ingreep, en als middel tegen op zijn minst twee bepaalde (zij het zeldzame) ziekten, te weten scheurbuik en de ziekte van Barlow.
26 Op die beoordeling van de objectieve kenmerken van de betrokken producten is niet van invloed, dat bepaalde tabletten die 500 mg vitamine C bevatten, door verordening nr. 2061/89 als voedingssupplementen worden ingedeeld. In die verordening wordt enkel bepaald, dat een bepaald product met een bepaalde samenstelling onder post 2106 van de GN moet worden ingedeeld, en wordt geen standpunt ingenomen over de tariefindeling van producten met een andere samenstelling.(40) De betrokken producten vallen niet binnen de werkingssfeer van die verordening, aangezien zij de andere aldaar genoemde bestanddelen niet of niet in dezelfde hoeveelheid bevatten.
27 Opgemerkt zij, dat de verpakking van de betrokken producten niet naar de twee hierboven genoemde ziekten verwijst. Zij besteedt daarentegen aandacht aan de meer algemene effecten van de producten op het immuunsysteem van het lichaam. Zij bevat ook een verwijzing naar het traditionele gebruik ervan als versterkend middel, welk gebruik mijns inziens, gelet op het arrest LTM, op zich niet volstaat voor de indeling van de producten als geneesmiddel. Tegelijkertijd wordt op de verpakking duidelijk vermeld, dat de producten geneesmiddelen zijn, waarmee zorgvuldig moet worden omgegaan in overeenstemming met de dosering en de bijsluiter. Hieruit kan worden afgeleid, dat de producent zowel de potentiële markt voor die producten wilde uitbreiden onder personen die in het algemeen in hun eigen gezondheid zijn geïnteresseerd, als die producten wilde aanbieden als geneesmiddelen die geschikt zijn voor de behandeling van bepaalde klachten of ziekten, hetgeen gerechtvaardigd is door de objectieve kenmerken ervan. De presentatie van de producten kan dus als onduidelijk worden gekwalificeerd.
28 Mijns inziens volstaat onduidelijkheid bij de presentatie van de producten evenwel niet om ze de hoedanigheid van geneesmiddelen te ontnemen, gelet op hun objectieve profylactische of therapeutische eigenschappen.
29 Dit brengt mij ertoe, enkele afsluitende opmerkingen met betrekking tot de eerste vraag te formuleren. De nationale rechter verwijst inzonderheid naar de vaststelling in punt 15 van het arrest Bioforce II, dat de beschrijving, verpakking en wijze van verkoop van de druppels waarom het in die zaak ging, konden volstaan om ze te beschouwen als geneesmiddelen, "[w]at er ook zij van het werkelijke therapeutische of profylactische belang van de betrokken producten".(41) Hij leidt uit die vaststelling af, dat het mogelijk is, dat de presentatie van producten op zich, zonder op de objectieve kenmerken ervan te letten, zou volstaan om ze als geneesmiddelen in te delen. Dit werd ook in overweging gegeven door advocaat-generaal La Pergola, die er onder verwijzing naar de in richtlijn 65/65 neergelegde criteria voor pleitte, een geneesmiddel voor de tariefindeling en voor de toepassing van die richtlijn op dezelfde wijze te definiëren.(42)
30 Mijns inziens is die conclusie evenwel niet gerechtvaardigd. 's Hofs vaststelling in punt 15 van zijn arrest Bioforce II moet worden begrepen in het licht van zijn eerdere verklaringen inzake de objectieve kenmerken en eigenschappen van het product als het beslissende criterium voor de tariefindeling.(43) Er is niets in het arrest Bioforce II waardoor afbreuk zou worden gedaan aan hetgeen het Hof steeds heeft verklaard, te weten dat de wijze van presentatie en van het in de handel brengen van producten, ongeacht wat het effect daarvan op de perceptie van een product door de consumenten is, slechts een aanvulling op dit beslissende criterium vormt. Zo beschouwde het Hof de vergunning om een product als geneesmiddel te verkopen, als een aanwijzing voor de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan(44), waarmee het de centrale betekenis van dat criterium bevestigde. Evenzo kunnen aanwijzingen op de verpakking of in de bijsluiter van een product ook een indicatie méér vormen, dat het de gestelde objectieve profylactische of therapeutische eigenschappen bezit, voor zover die aanwijzingen juist zijn.
31 Die conclusie is mijns inziens niet in strijd met de GS-toelichtingen met betrekking tot post 3004 GS.(45) Die toelichtingen dienen er enkel toe, geneesmiddelen, in afgemeten hoeveelheden dan wel opgemaakt voor de verkoop in het klein, af te bakenen van niet aldus opgemaakte geneesmiddelen, die onder post 3003 vallen, en zijn niet van invloed op het onderscheid tussen geneesmiddelen en andere producten, zoals voedingspreparaten. Dit blijkt overduidelijk uit de verwijzing naar de levering als zodanig en zonder verwisseling van verpakking aan de gebruiker en uit de laatste volzin van de hierboven aangehaalde GS-toelichtingen.
32 Ik kan er niet mee instemmen, dat in deze context gebruik wordt gemaakt van de definitie van richtlijn 65/65. Ik ben het volledig eens met de door het Hof in zijn arrest LTM voor deze conclusie aangevoerde gronden(46), waarvoor ook de GN-toelichtingen op hoofdstuk 30 pleiten.(47)
33 Gelet op het door mij in overweging gegeven antwoord op de tweede vraag, is het mijns inziens niet nodig rechtstreeks op de eerste vraag van de nationale rechter te antwoorden. Het zij evenwel duidelijk dat, indien ik een antwoord in overweging zou moeten geven, dit ontkennend zou luiden.
Conclusie
34 Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging, de door de nationale rechter voorgelegde vragen te beantwoorden als volgt:
"Producten zoals die welke zijn beschreven in de verwijzingsbeschikking, moeten worden ingedeeld onder post 3004 50 10 van de gecombineerde nomenclatuur, in de versie van verordening (EEG) nr. 2505/92 van de Commissie van 14 juli 1992 tot wijziging van de bijlagen I en II van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief."
(1) - PB L 267, blz. 1.
(2) - Sinds 1994 staat de Internationale Douaneraad officieus bekend onder de naam "Werelddouaneorganisatie".
(3) - Die aantekeningen bij de hoofdstukken maken deel uit van de gecombineerde nomenclatuur; zie artikel 1, lid 2, sub c, van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1).
(4) - Zie, laatstelijk, World Customs Organisation, Harmonised Commodity Description and Coding System: Explanatory Notes, 2e uitgave, Brussel, 1996.
(5) - De GN-toelichtingen worden door de Commissie vastgesteld op de grondslag van artikel 9, lid 1, sub a, van verordening nr. 2658/87. Zij moeten worden beschouwd als aanvullingen op de GS-toelichtingen, waarnaar zij vaak verwijzen. Voor een geconsolideerde versie van de GN-toelichtingen zie PB 1994, C 342, blz. 1. De meest recente versie is gepubliceerd na de terechtzitting in de onderhavige zaak: zie PB 1998, C 287, blz. 1.
(6) - Zie algemene regel 1 in het eerste deel van de GN, titel I, A, Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur.
(7) - Arrest van 10 oktober 1985, Daiber (200/84, Jurispr. blz. 3363, punt 14).
(8) - Ibidem; arresten van 16 juni 1994, Develop Dr. Eisbein (C-35/93, Jurispr. blz. I-2655, punt 21); 14 december 1995, Colin en Dupré (C-106/94 en C-139/94, Jurispr. blz. I-4759, punt 21), en 6 november 1997, LTM (C-201/96, Jurispr. blz. I-6147, punt 17).
(9) - PB L 196, blz. 5.
(10) - PB L 261, blz 24.
(11) - PB L 24, blz. 11.
(12) - PB 1965, 22, blz. 369.
(13) - Artikel 3.
(14) - Eerste en derde overweging van de considerans van de richtlijn; arrest van 30 november 1983, Van Bennekom (227/82, Jurispr. blz. 3883).
(15) - Arrest van 14 januari 1993 (C-177/91, Jurispr. blz. I-45).
(16) - Ibidem, punten 8 en 9. Het Hof verwees naar arrest van 31 maart 1992, Hamlin Electronics (C-338/90, Jurispr. blz. I-2333, punt 8).
(17) - Conclusie van advocaat-generaal Gulmann, punt 5.
(18) - Reeds aangehaald, punt 12.
(19) - Arrest van 15 mei 1997 (C-405/95, Jurispr. blz. I-2581).
(20) - Ibidem, punt 14.
(21) - Ibidem, punt 15.
(22) - Ibidem, punt 16.
(23) - Aangehaald in voetnoot 8.
(24) - Arrest LTM, reeds aangehaald, punten 37 en 45. Zie arrest Bioforce I, reeds aangehaald, punt 12.
(25) - Zie punt 26.
(26) - Arrest LTM, reeds aangehaald, punten 38 en 46.
(27) - Ibidem, punt 24. Zie ook conclusie van advocaat-generaal Elmer, punt 16, en diens conclusie bij het arrest Colin en Dupré, reeds aangehaald, punten 15 en 16; conclusie van advocaat-generaal Gulmann bij het arrest Bioforce I, reeds aangehaald, punt 7; arrest Van Bennekom, reeds aangehaald, en de GN-toelichtingen bij hoofdstuk 30 GN. Vgl. conclusie van advocaat-generaal La Pergola bij arrest Bioforce II, reeds aangehaald, punten 12 en 13.
(28) - Ibidem, punt 25; zie achtste overweging van de considerans van verordening nr. 2658/87.
(29) - Zie punt 16 hieronder.
(30) - Het Finanzgericht baseerde zich daarbij op de reeds aangehaalde arresten Bioforce I en Colin en Dupré.
(31) - Reeds aangehaald.
(32) - Bundesanzeiger nr. 97 van 29 mei 1991.
(33) - Zie punten 9 en 10 supra.
(34) - Arresten Bioforce I, punt 8; Colin en Dupré, punt 22; Bioforce II, punt 12, en LTM, punt 17, alle reeds aangehaald.
(35) - Arrest Bioforce I, reeds aangehaald, punten 9 en 12.
(36) - Ibidem, punt 9 van de conclusie.
(37) - Cursivering van mij.
(38) - Reeds aangehaald, punt 14 van de conclusie
(39) - Arrest reeds aangehaald, punt 26.
(40) - Zie de conclusie van advocaat-generaal Elmer bij arrest Colin en Dupré, reeds aangehaald, punt 17.
(41) - Arrest reeds aangehaald.
(42) - Ibidem, punten 12 en 13 van de conclusie.
(43) - Arrest reeds aangehaald, punt 12.
(44) - Arrest reeds aangehaald, punt 16.
(45) - Aangehaald in punt 4 hierboven.
(46) - Arrest reeds aangehaald, punten 24-27. Zie mijn samenvatting in punt 14 hierboven.
(47) - Aangehaald in punt 5 hierboven.
Full & Egal Universal Law Academy