Conclusie van de advocaat generaal
1 In de onderhavige zaak is het Hof bevoegd ingevolge een arbitragebeding krachtens artikel 181 EG-Verdrag. De Commissie verzoekt het Hof een Italiaanse gemeente te veroordelen tot terugbetaling van bepaalde bedragen die waren voorgeschoten krachtens twee contracten, die volgens de Commissie waren ontbonden; voorts vordert de Commissie vergoeding van de schade die zij ingevolge verweersters handelwijze zou hebben geleden.
I - Feiten en juridische context
2 Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1972/83 van de Raad van 11 juli 1983(1) bepaalt, dat "de Gemeenschap (...) financiële steun kan verlenen voor de uitvoering van demonstratieprojecten op de (...) gebieden van de exploitatie van alternatieve energiebronnen, de energiebesparing en de vervanging van koolwaterstoffen". Op 8 november 1995 heeft de Commissie besloten financiële steun te verlenen voor de demonstratieprojecten als bedoeld in twee contracten die zij heeft gesloten met de Comune di Montorio al Vomano (hierna: "Montorio" of "verweerster"). Deze contracten zijn door de waarnemend burgemeester van Montorio ondertekend op 25 juli 1986 en door de Commissie op 28 juli 1986.
a) Contract 147
3 Contract nr. WE 147-85 (hierna: "contract 147") betrof de bouw van een windkracht- en dieselinstallatie voor de elektriciteitsproductie, met een vermogen van 225 kW. De werken, waarvan de eerste fase was aangevat op 8 april 1986, dienden te zijn voltooid op 30 november 1988. Ingevolge artikel 3 van het contract verbond de Commissie zich ertoe 40 % van de daadwerkelijke kosten van het project bij te dragen, tot een maximumbedrag van 820 000 000 LIT. Artikel 4.1 van het contract bepaalde, dat Montorio de technische en financiële verantwoordelijkheid droeg voor de in bijlage I bij het contract bedoelde werkzaamheden, en het nodige zou doen voor de verzekering. Volgens artikel 4.2 mocht Montorio een deel van de werkzaamheden uitbesteden aan derden.
4 Artikel 4.3 legde Montorio een aantal verplichtingen op inzake de mededeling van rapporten. Een van die verplichtingen was ingevolge artikel 4.3.2:
"Binnen negen maanden vanaf de ondertekening van het contract, en vóór het verstrijken van elke daaropvolgende periode van zes maanden, laat de contractant de Commissie de volgende afzonderlijke documenten toekomen:
- een gedetailleerd tussenrapport(2) over de voortgang van de werkzaamheden, de bereikte resultaten en de eventuele indiening van een octrooiaanvraag;
- een overzicht van de uitgaven tijdens de voorafgaande periode, tezamen met de desbetreffende bewijsstukken;
- een kort, voor publicatie geschikt verslag betreffende de vooruitgang van de werkzaamheden en de bereikte resultaten."
5 Artikel 8, dat beslissend is voor de onderhavige procedure, luidt als volgt:
"Het onderhavige contract kan door de Commissie van rechtswege worden ontbonden in geval van niet-uitvoering door de contractant van een van de verplichtingen die ingevolge het onderhavige contract op hem rusten, met name bij niet-naleving van de termijnen voor het indienen van de in artikel 4.3 bedoelde rapporten, na aanmaning bij aangetekende brief met ontvangstbewijs, voor zover de uitvoering niet binnen een maand na die aanmaning plaats heeft gevonden.
Het contract kan eveneens worden ontbonden in geval van aan de contractant toe te rekenen valse verklaringen die bedoeld zijn om de financiële bijdrage te verkrijgen.
In die gevallen moet de verleende financiële steun door de contractant onmiddellijk aan de Commissie worden terugbetaald, vermeerderd met rente vanaf de datum van ontvangst van die bedragen. De rentevoet is die welke door de Europese Investeringsbank wordt toegepast op de datum van het besluit van de Commissie inzake de toekenning van financiële steun voor het project."
6 Ingevolge artikel 13 is het Hof van Justitie bevoegd om uitspraak te doen over alle gedingen betreffende de geldigheid, de uitlegging en de uitvoering van het contract. Artikel 14 bepaalt, dat het Italiaanse recht op het contract van toepassing is.
7 Op 20 augustus 1986 heeft de Commissie aan Montorio 246 000 000 LIT betaald. Tweemaal, in januari en in september 1987, heeft zij Montorio schriftelijk herinnerd aan haar verplichting om haar de in artikel 4.3 van het contract bedoelde rapporten op te sturen. Bij brief van 3 november 1987 heeft de Commissie gevolg gegeven aan het verzoek van Montorio om de termijn voor de voltooiing van de werkzaamheden met zes maanden te verlengen, en in 1987 en 1988 heeft zij opnieuw driemaal betalingen verricht voor in totaal 209 200 000 LIT. Tweemaal, in november 1988 en in maart 1989, heeft zij zich nogmaals verplicht gezien Montorio te herinneren aan haar verplichtingen ingevolge artikel 4.3. Tot dat tijdstip had de Commissie geen beroep gedaan op de bepalingen van artikel 8 van het contract.
8 Bij aangetekende brief van 5 maart 1990 heeft de Commissie er evenwel mee gedreigd het ontbindend beding toe te passen indien Montorio niet de technische en financiële eindrapporten zou overleggen. Uit deze brief blijkt, dat de Commissie toen dacht, dat de werkzaamheden op 31 mei 1989 waren voltooid, conform de overeenkomst; uit latere briefwisseling is gebleken dat zulks niet het geval was. Bij brief van 18 september 1991 heeft Montorio de Commissie op de hoogte gebracht van haar voornemen om het oorspronkelijke project te wijzigen, en heeft zij een nieuwe verlenging van de termijn voor de voltooiing van de werkzaamheden tot 31 december 1992 gevraagd. In een tweede aangetekende brief van 20 december 1991 heeft de Commissie om een kopie verzocht van het formeel besluit van de bevoegde autoriteit van de gemeente Montorio betreffende de toewijzing van de financiering van het gewijzigde project, en van de vergunning om de geplande turbine op het stroomnet aan te sluiten. In deze brief was gepreciseerd, dat indien de documenten niet op 31 januari 1992 waren overgemaakt, het contract overeenkomstig artikel 8 zou worden beëindigd. Montorio heeft geantwoord op 8 januari 1992.
9 Na een inspectie ter plaatse in maart 1992 heeft de Commissie Montorio bij aangetekende brief van 25 augustus 1992 gevraagd de volgende documenten toe te sturen:
- het schriftelijk accoord van de Regione Abruzzo met vermelding van het bedrag van haar bijdrage aan het nieuwe project en de datum van betaling van deze bijdrage;
- het schriftelijk besluit van Montorio betreffende de terugbetaling van de krachtens contract 149 betaalde bedragen (zie hierna);
- een analyse van de financiering van de totale kosten van het project, en
- een nieuw programma van de werkzaamheden, met vermelding van de modaliteiten van de verwezenlijking van het project.
Al deze documenten moesten op 30 september 1992 zijn ingediend, en de Commissie preciseerde dat zij anders artikel 8 van het contract zou toepassen.
10 Bij brief van 13 oktober 1992 deelde Montorio de Commissie mee, dat de werkzaamheden zouden aanvangen op 3 november. Bij twee brieven van 29 oktober 1992 liet zij de Commissie een nieuw programma van de werkzaamheden toekomen, en deelde zij haar mee dat de betaling van de rest van de bijdrage van de Regione Abruzzo ernstige vertraging opliep. In haar antwoord van 30 november 1992 verklaarde de Commissie, dat de brief van Montorio van 13 oktober was verzonden na de uiterste datum, en geen van de gevraagde inlichtingen bevatte; de Commissie liet Montorio weten, dat zij dus besloten had artikel 8 van het contract toe te passen. De bevoegde dienst van DG XIX van de Commissie heeft bij brieven van 19 december 1995 en 24 januari 1996 vruchteloos de terugbetaling gevraagd van 455 200 000 LIT.
b) Contract 149
11 Contract nr. HY 149-85 (hierna: "contract 149") betrof de bouw van een installatie omschreven als een "300 kW hydroelectric plant integrated with a wind-diesel system for generating and water pumping (by back to back)" (hydro-elektrische installatie van 300 kW gekoppeld aan een windkracht- en dieselinstallatie voor de elektriciteitsproductie en voor het wegpompen van water). De contractuele bepalingen betreffende het indienen van rapporten en de ontbinding van het contract kwamen in grote lijnen overeen met die van contract 147; de werkzaamheden moesten einde mei 1988 zijn voltooid. Montorio kreeg ingevolge artikel 4.2.1 de toelating om een deel van de werken uit te besteden, en sloot in april 1986 een onderaannemingscontract met de vennootschap Tecno Srl. De Commissie betaalde op 8 augustus 1986 aan Montorio een bedrag van 158 400 000 LIT.
12 De Commissie heeft in 1987 Montorio tweemaal gevraagd het eerste krachtens artikel 4.3.1 van het contract vereiste rapport in te dienen. Op 27 oktober 1987 heeft Tecno de werkzaamheden aan de installatie opgeschort. Op 8 januari 1988 heeft de Commissie Montorio in gebreke gesteld overeenkomstig artikel 8, en ermee gedreigd het contract te ontbinden indien de krachtens artikel 4.3.1 vereiste financiële en technische rapporten niet binnen een maand na de ontvangst van de schriftelijke aanmaning werden ingediend. Bij brief van 16 maart 1988 heeft de Commissie bevestigd, dat zij het contract ontbond. Volgens de Commissie waren de werkzaamheden waarop contract 149 betrekking had, niet eens aangevat.
13 Op 20 september 1996 werd een laatste brief gezonden waarbij de terugbetaling werd gevraagd van de krachtens de contracten 147 en 149 betaalde bedragen; deze brief is door Montorio niet beantwoord.
c) De procedure voor het Hof
14 Op 24 september 1997 heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld. Wat contract 147 betreft, voert de Commissie de niet-naleving door Montorio aan van de volgende bedingen:
- artikel 2 (timing voor de voltooiing van de werkzaamheden)
- artikel 4.3 (mededeling van periodieke rapporten) - artikel 4.4 (mededeling van informatie betreffende vertragingen)
- artikel 4.5 (mededeling van informatie betreffende het verloop van de werkzaamheden).
De Commissie voert aan, dat het contract krachtens artikel 8 ervan is ontbonden, en verwijst naar de brief van 25 augustus 1992 die geldt als de ingevolge "artikel 4.3" vereiste ingebrekestelling. Zij stelt, dat de ontbinding van het contract bij aangetekende brief van 30 november 1992 aan Montorio is betekend.
15 Wat contract 149 betreft, heeft Montorio volgens de Commissie de artikelen 4.3, 4.4 en 4.5 van het contract geschonden, betreffende het overmaken aan de Commissie van periodieke rapporten en inlichtingen over elke gebeurtenis die de uitvoering van het contract in gevaar zou kunnen brengen, en van informatie over de voortgang van de werkzaamheden. De Commissie stelt dus, dat het contract overeenkomstig artikel 8 ingevolge de schriftelijke aanmaning van 8 januari 1988 is ontbonden, en dat deze ontbinding bij aangetekende brief van 16 maart 1988 aan Montorio is betekend.
16 Onder verwijzing naar artikel 1453 van het Italiaans burgerlijk wetboek vordert de Commissie voorts een vergoeding voor de schade die is ontstaan ten gevolge van de niet-naleving door Montorio van de uit de contracten voortvloeiende verplichtingen. Haars inziens hebben haar ambtenaren in totaal 95 uur besteed aan het controleren van de activiteiten van Montorio; tegen 125 000 LIT per uur, vordert zij op dit punt dus een vergoeding van 11 875 000 LIT. Daarbij komt volgens haar nog de schade aan haar geloofwaardigheid ten opzichte van de andere instellingen en de lidstaten, alsmede ten opzichte van derden die met de Gemeenschap contracten zouden wensen te sluiten. De Commissie raamt de totale schade op 50 000 000 LIT, onder voorbehoud van enig ander bedrag dat het Hof haar naar billijkheid zou toekennen.
17 In haar verweerschrift stelt Montorio, dat 30 november 1988 als datum van voltooiing van de werkzaamheden, een louter indicatieve datum is, wat hieruit blijkt, dat de Commissie(3) bijna tien jaar lang geen enkele maatregel heeft genomen tegen de miskenning daarvan; de Commissie heeft het gemeentebestuur niet aangemaand zijn verplichtingen na te leven, en evenmin daarvoor een uiterste datum vastgesteld, zodat het op artikel 1453 van het Italiaans burgerlijk wetboek gebaseerde verzoek om ontbinding wegens niet-uitvoering, niet-ontvankelijk is. De handelwijze van de Commissie heeft bij Montorio de overtuiging doen postvatten, dat de Commissie bereid was de uitspraak af te wachten in de tegen de vennootschap Tecno wegens niet-uitvoering ingeleide rechtszaak, alsmede de beslissing van de Regione Abruzzo om de werken opnieuw te financieren.
18 Ten gronde stelt Montorio, dat de Commissie "na rijp beraad" bij brief van 25 augustus 1992 had laten weten dat de documenten uiterlijk op 30 september 1992 moesten zijn overgemaakt. Haars inziens is de Commissie voorbijgegaan aan het feit dat de gemeente bij brief van 29 oktober 1992 aan de Commissie het op 25 augustus 1992 gevraagde programma van de werkzaamheden had doen toekomen; nu de brief van 30 november 1992 gebaseerd was op een onjuiste voorstelling van de feiten, is artikel 8 van het contract niet van toepassing.
19 Montorio stelt eveneens, dat de bepaling betreffende de contractuele rentevoet nietig is, omdat de burgemeester bij de aanvaarding van artikel 8 enkel heeft ingestemd met de voorwaarden voor een eventuele ontbinding van het contract, en niet met de rentevoet. Verweerster stelt ten slotte, dat volgens artikel 8 slechts rente is verschuldigd vanaf de ontbinding van het contract en niet vanaf de datum van ontvangst van de litigieuze bedragen.
20 In dupliek stelt Montorio, dat een partij kan afzien van een uitdrukkelijk ontbindend beding, dan wel de toepassing daarvan opschorten, wanneer die partij de voor de uitvoering van het contract vastgestelde datum verschuift. De schriftelijke aanmaning van de Commissie van 25 augustus 1992 betrof alleen de technische en financiële rapporten; deze rapporten werden evenwel op 29 oktober 1992 overgemaakt. Montorio stelt eveneens, dat zij nooit de brief van de Commissie van 16 maart 1988 heeft ontvangen, waarbij deze haar liet weten dat contract 149 ontbonden was. Wat de kwestie van de rentevoet betreft, stelt Montorio, dat ingevolge de beginselen van het contractenrecht de dominante partij de andere partij bij het contract alle nodige informatie moet bezorgen, daaronder begrepen die betreffende de contractuele rentevoet.
II - Bespreking
21 In de onderhavige zaak is het onderzoek van het verweer van Montorio bemoeilijkt door een onsamenhangende voorstelling van verweersters argumenten, met name doordat verweerster systematisch nalaat te preciseren op welk contract haar argumenten betrekking hebben. In de geest van de algemene beginselen die de opdracht van het Hof beheersen, hebben wij evenwel gepoogd zoveel mogelijk deze argumenten aldus te verstaan dat zij overeenkomen met verweersters conclusies, namelijk dat de vordering van de Commissie moet worden verworpen omdat Montorio haar contractuele verplichtingen is nagekomen, en subsidiair, dat de rente moet worden berekend tegen de wettelijke rentevoet vanaf de datum waarop het onderhavige beroep is ingesteld, of althans de datum van de brief betreffende de ontbinding van het contract.
a) Gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van het verweer van Montorio
22 In dupliek voert Montorio aan, dat het contractueel beding waarbij een hogere dan de wettelijke rentevoet wordt opgelegd, onwettig is, op grond dat de werkelijke rentevoet niet was aangegeven, en dat de dominante contractant verplicht is de andere partij bij het contract kennis te geven van alle nuttige elementen. Zij stelt eveneens, dat zij de aangetekende brief van de Commissie van 16 maart 1988 nooit heeft ontvangen, zodat contract 149 nooit is ontbonden. Deze middelen zijn kennelijk niet-ontvankelijk, nu ingevolge artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, nieuwe middelen in de loop van het geding niet mogen worden voorgedragen, "tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken". Montorio heeft niet gepoogd aan te voeren dat zulks het geval is, en dergelijke argumenten zouden overigens onhoudbaar zijn geweest.
b) De ontbinding van contract 147
23 Het eerste argument van Montorio, dat alleen aldus kan worden uitgelegd, dat het contract 147 betreft, bestaat hierin, dat volgens haar de voor de voltooiing van de werkzaamheden vastgestelde termijn louter indicatief is, wat hieruit zou blijken, dat de Commissie tot bijna tien jaar na het verstrijken van de termijn heeft gewacht om het onderhavige beroep in te stellen. Onder deze voorwaarden is de op artikel 1453 van het Italiaans burgerlijk wetboek gebaseerde vordering van de Commissie tot ontbinding van het contract wegens niet-uitvoering ervan, niet-ontvankelijk.
24 Hoewel de Commissie inderdaad de schending aanvoert van een aantal andere uit contract 147 voortvloeiende verplichtingen van Montorio dan die van artikel 4.3, is duidelijk dat zij zich beroept op de ontbinding van dit contract in 1992, op basis van artikel 8 daarvan, en niet de ontbinding daarvan wegens niet-uitvoering vraagt overeenkomstig artikel 1453 van het Italiaans burgerlijk wetboek. De door Montorio opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid is derhalve ongegrond. Hetzelfde geldt voor het argument van Montorio dat de schending niet ernstig is, welk aspect niet aan de orde is wanneer een partij zich beroept op een uitdrukkelijk ontbindend beding; de Corte suprema di cassazione besliste in zijn arrest van 28 januari 1993, dat partijen die een dergelijk beding in een contract opnemen, overeenkomen dat het verzuim om de betrokken verplichting na te komen, ipso facto de ontbinding van het volledige contract meebrengt.(4)
25 Het tweede argument van Montorio komt hierop neer, dat artikel 8 van het contract (blijkens de vermelde data, en in weerwil van enige incoherentie, gaat het eveneens om contract 147) niet van toepassing is op grond dat:
- de schriftelijke aanmaning niet aangetekend is verzonden;
- de Commissie om toezending van rapporten bleef vragen na het verstrijken van de termijn, wat is te beschouwen als afstand van het ontbindend beding;
- de houding van de Commissie tegenstrijdig is, nu zij in haar brief van 20 september 1996 heeft verklaard dat het contract in 1988 is ontbonden, terwijl uit haar brief van 30 november 1992 blijkt, dat het niet was ontbonden. De Commissie heeft dus eerst verklaard dat zij de ontbinding van het contract verlangde, en daarna een houding aangenomen waaruit blijkt dat zij afstand had gedaan van het ontbindend beding; zij heeft zelfs ingestemd met een nieuwe termijn voor de voltooiing van de werkzaamheden. In antwoord op de brief van de Commissie van 25 augustus 1992 waarbij 30 september 1992 als uiterste datum werd vastgesteld, heeft Montorio de documenten overgemaakt op 29 oktober 1992; aan de wettelijke voorwaarden voor ontbinding van rechtswege was dus niet voldaan.
26 Het eerste onderdeel van dit betoog is mijns inziens zonder meer onjuist. De Commissie heeft kopieën overgelegd van het ontvangstbewijs van elk van de aangetekende aanmaningen die zij in verband met contract 147 aan Montorio heeft gezonden, op 5 maart 1990, 20 december 1991 en 25 augustus 1992. Bovendien heeft Montorio op elk van die aanmaningen geantwoord, bij brieven van 19 april 1990, 8 januari 1992 en 13 oktober 1992, zodat zij niet kan beweren dat zij ze niet heeft ontvangen.
27 Het tweede en het derde onderdeel van het betoog van Montorio doet volgens mij dezelfde rechtsvragen rijzen, namelijk of de handelwijze van de Commissie na het verstrijken van de termijn, is te beschouwen als afstand van de mogelijkheid om het contract te beëindigen, overeenkomstig de desbetreffende rechtspraak van de Corte suprema di cassazione.(5) Het argument van Montorio betreffende de beweerde tegenstrijdigheden in de houding van de Commissie, die in 1992 de ontbinding vroeg van een contract dat in 1988 reeds was ontbonden, vloeit voort uit de omstandigheid dat de contracten 147 en 149 door elkaar worden gehaald, en moet worden verworpen.
28 Om deze kwestie naar behoren te kunnen behandelen, moet eerst worden uitgezocht of en wanneer contract 147 geldig is ontbonden. De toepassing van een uitdrukkelijk ontbindend beding is geregeld in artikel 1456 van het Italiaans burgerlijk wetboek dat luidt:
"De contractanten kunnen uitdrukkelijk overeenkomen dat het contract wordt ontbonden wanneer aan een bepaalde verplichting niet wordt voldaan onder de afgesproken voorwaarden.
In dat geval vindt de ontbinding van rechtswege plaats, wanneer de betrokken partij de andere partij meedeelt dat zij zich op het ontbindend beding wenst te beroepen."
29 In de onderhavige zaak heeft de Commissie op 5 maart 1990 Montorio eerst schriftelijk aangemaand om zich naar artikel 4.3 van het contract te schikken. Hoewel Montorio om voor de hand liggende redenen de vereiste rapporten niet heeft overgelegd, en de Commissie hieraan het recht ontleende om het contract te beëindigen, zeker vanaf de in die brief vermelde datum (31 mei 1990), heeft zij van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt, ook niet toen Montorio zich niet hield aan de in de aangetekende brief van 20 december 1991 vastgestelde uiterste datum. In geen van deze twee gevallen kon de ontbinding van rechtswege plaatsvinden, nu de Commissie Montorio niet op de hoogte had gebracht van haar voornemen om gebruik te maken van haar recht om het contract te beëindigen, zoals vereist is ingevolge artikel 1456 van het Italiaans burgerlijk wetboek en artikel 8 van het contract. Daarentegen is het in de brief van 30 november 1992 geformuleerde voornemen van de Commissie om contract 147 te beëindigen omdat Montorio zich niet heeft geschikt naar haar brief van 25 augustus 1992, duidelijk en ondubbelzinnig.
30 Montorio heeft erkend, dat de Commissie zich in beginsel kan beroepen op artikel 8, in samenhang met artikel 4.3 van het contract, hoewel zij aanvoert dat artikel 8 in casu niet van toepassing was wegens de twee brieven die zij de Commissie op 29 oktober 1992 heeft gezonden. Meer in het bijzonder heeft Montorio geen bezwaar gemaakt tegen de zienswijze van de Commissie, dat de aangetekende brief van 25 augustus 1992 een correcte aanmaning is in de zin van artikel 8.
31 Wil de Commissie contract 147 geldig beëindigen, dan dient zij zich natuurlijk strikt te houden aan de procedurele voorschriften van de Italiaanse wet en van artikel 8. Waar zij in haar verzoekschrift "artikel 4.3" vermeldt, doelt zij kennelijk op artikel 8, eerste alinea, bepalende dat een formele aanmaning moet worden verzonden indien de ingevolge artikel 4.3 vereiste rapporten niet binnen de termijn worden overgemaakt. Artikel 4.3 daarentegen bepaalt niet, dat een dergelijke brief moet worden verzonden. Om duidelijkheid te verkrijgen over verweersters argumentatie in de onderhavige zaak, was enige moeite nodig, zodat het niet meer dan billijk is, dat niet meer belang dan nodig wordt gehecht aan wat kennelijk een tikfout is in het betoog van de Commissie.
32 Ingevolge artikel 8 van contract 147 was de Commissie verplicht verweerster overeenkomstig artikel 4.3 van het contract aan te manen; in de onderhavige zaak was Montorio evenwel zeer nadrukkelijk in gebreke gebleven om de meeste van haar contractuele verplichtingen na te komen, en ten tijde van de brief van de Commissie van 25 augustus 1992 waren de werkzaamheden ternauwernood aangevat, zodat moeilijk van de Commissie kon worden verwacht dat zij om rapporten vroeg "over de voortgang van de werkzaamheden" of om de desbetreffende financiële documenten. In die omstandigheden ware het mijns inziens overdreven formalistisch van de Commissie te verlangen dat zij in haar formele aanmaning Montorio opriep om de termijnen na te leven voor het indienen van de krachtens artikel 4.3 van het contract vereiste rapporten, aangezien beide partijen wisten dat de naleving van deze verplichting niet langer mogelijk was. Was er geen evolutie geweest in de contractuele relatie tussen partijen, dan zou de Commissie geen andere keus hebben gehad dan het contract veel vroeger te beëindigen, wat precies is wat Montorio heeft willen voorkomen. Bovendien heeft Montorio niet betwist, dat zij verplicht was de in de brief van 25 augustus 1992 vermelde documenten over te leggen, wat bij niet-nakoming voor de Commissie grond kon opleveren om krachtens deze bepaling het contract te ontbinden, en bovendien heeft Montorio verklaard, dat zij het programma van de werkzaamheden heeft overgemaakt en aldus heeft voldaan aan artikel 8. Bovendien komt de door de Commissie in deze brief gevraagde informatie grotendeels overeen met de informatie over de voortgang van de werkzaamheden en het financieel beheer daarvan, die via de rapporten moest worden meegedeeld. Deze uitlegging van artikel 4.3 van het contract komt bovendien mijns inziens best overeen met de gemeenschappelijke bedoelingen van partijen, die volgens artikel 1362 van het Italiaans burgerlijk wetboek het belangrijkste criterium is voor de uitlegging van contracten.
33 Ingevolge artikel 1218 van het Italiaans burgerlijk wetboek mag een partij zich slechts op een uitdrukkelijk ontbindend beding beroepen, wanneer de verantwoordelijkheid voor de niet-uitvoering van de betrokken verplichting toe te rekenen is aan de in gebreke blijvende partij.(6) Uit de feiten van de onderhavige zaak, en inzonderheid uit de omstandigheid dat Montorio de volledige technische en financiële verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op zich heeft genomen, overeenkomstig artikel 4.1 van contract 147, blijkt duidelijk, dat de verantwoordelijkheid voor de niet-nakoming van het contract niet bij enige andere partij of oorzaak mag worden gelegd. Montorio heeft overigens niet gepoogd haar verantwoordelijkheid op dit punt te ontkennen.
34 Het enige punt dat dus thans nog aan de orde is, is een feitenkwestie: de vraag is namelijk, of Montorio vóór de daadwerkelijke beëindiging van het contract (ingevolge de betekening door de Commissie bij brief van 30 november 1992) de Commissie de in haar brief van 25 augustus 1992 opgesomde documenten had doen toekomen. Het eerste van de gevraagde documenten was het geschreven accoord van de Regione Abruzzo, met de vermelding van het bedrag van haar bijdrage aan het nieuwe project en het tijdstip van betaling. Anders dan Montorio stelt, is de brief van 29 oktober 1992 waarop zich beroept, geen geldig antwoord op dit verzoek. Die brief vermeldt integendeel, dat bij de financiering door de Regione aanzienlijke vertraging is ontstaan, en dat het bedrag beschikbaar zou zijn uiterlijk einde januari 1993. Niets in het dossier wijst er evenwel op, dat deze financiering vóór die datum, of zelfs vóór het instellen van het onderhavige beroep, daadwerkelijk werd toegekend.
35 De Commissie had de Comune di Montorio eveneens om een schriftelijk besluit verzocht over de terugbetaling van de in het kader van contract 149 betaalde bedragen. Niets wijst erop, dat daar toen of nu iets van terecht is gekomen. Montorio heeft integendeel geen enkel argument ten gronde over deze kwestie geformuleerd, en bovendien in het kader van de onderhavige procedure ontkend dat op haar enige verplichting tot terugbetaling van die bedragen rust.
36 In de derde plaats heeft de Commissie om een analyse verzocht van de financiering van de kosten van het gehele project. In geen van de brieven van Montorio van 29 oktober 1992 is gewag gemaakt van een dergelijke analyse, en Montorio heeft ook niet het bewijs geleverd dat de Commissie de gevraagde informatie heeft ontvangen. In ieder geval is geen enkele informatie meegedeeld binnen de door de Commissie in haar brief van 25 augustus 1992 gestelde termijn, dat wil zeggen vóór 30 september 1992.
37 Onder deze omstandigheden, en ervan uitgaand dat de brief van de Commissie van 25 augustus 1992 een aanmaning tot uitvoering van het contract was in de zin van artikel 8 van contract 147, heeft mijns inziens de Commissie bij brief van 30 november 1992 dit contract op geldige wijze beëindigd.
38 Ook al heeft de Commissie lang gewacht alvorens de terugbetaling te vragen van de in het kader van de twee contracten voorgeschoten bedragen, toch heeft Montorio niet het bewijs geleverd van handelingen van de Commissie waaruit zou blijken dat deze laatste zich na die datum niet langer wenste te beroepen op de ontbinding van het contract ingevolge artikel 8. De enige mededelingen die Montorio na de brief van 25 augustus 1992 nog ontving met betrekking tot contract 147, waren de brief van 30 november 1992, waarin het heette dat bedoeld contract (alsmede contract 149) was beëindigd, en de verzoeken om terugbetaling die de diensten van de Commissie haar bij brieven van 12 december 1995, 24 januari 1996 en 20 september 1996 hebben doen toekomen. Meer in het bijzonder is geen enkel bewijs geleverd voor de bewering van Montorio, dat de Commissie haar heeft laten geloven dat zij bereid was de uitspraak af te wachten in de rechtszaak tegen Tecno. Voorts is het mijns inziens volstrekt onmogelijk het verzoek van de Commissie in haar brief van 25 augustus 1992 om een kopie van het schriftelijk accoord van de Regione Abruzzo inzake de financiering van het project, aldus uit te leggen dat daaruit de bedoeling valt af te leiden om die financiering af te wachten alvorens het contract te beëindigen, zeker niet nu Montorio niet in staat was aan dit verzoek gevolg te geven. In ieder geval is dit argument onverenigbaar met artikel 4.1 van het contract, zoals hierboven uiteengezet, dat uitdrukkelijk bepaalde dat Montorio de volledige technische en financiële verantwoordelijkheid voor het project op zich nam.
39 Mijns inziens is contract 147 dus door de Commissie bij brief van 30 november 1992 geldig ontbonden, en moet Montorio worden veroordeeld om haar de in het kader van dit contract voorgeschoten bedragen, die door de Commissie in haar verzoekschrift zijn gespecificeerd, terug te betalen.
c) De ontbinding van contract 149
40 Gelet op de formulering van het verweerschrift van Montorio, inzonderheid op de aangevoerde data en feiten, lijkt het mij niet mogelijk daaruit enig argument rechtens af te leiden betreffende de vordering van de Commissie tot terugbetaling van de krachtens contract 149 verschuldigde bedragen. Uit het dossier blijkt duidelijk, dat de vordering van de Commissie met betrekking tot contract 149 ontvankelijk en gegrond is. Ik geef het Hof derhalve in overweging, de vordering van de Commissie op dit punt toe te wijzen.
d) Het bedrag van de verschuldigde interessen
41 Waar Montorio zich beroept op de nietigheid van het beding dat de toepasselijke rentevoet die is welke door de Europese Investeringsbank wordt toegepast op de datum van het besluit van de Commissie tot toewijzing van het contract (hierna: "EIB-rentevoet"), baseert zij zich op artikel 1341 van het Italiaans burgerlijk wetboek. Dit bepaalt onder meer, dat de algemene voorwaarden van een contract, die ten gunste van de partij die ze heeft vastgesteld, voorzien in een afwijking inzake de bevoegdheid van de rechterlijke instanties, in casu wat de bevoegdheid betreft om de toepasselijke rentevoet vast te stellen, buiten toepassing blijven behoudens wanneer zij uitdrukkelijk en schriftelijk zijn aanvaard. In de onderhavige zaak aanvaardde de waarnemend burgemeester van Montorio op 25 juli 1986 schriftelijk en uitdrukkelijk "in de zin van de artikelen 1341 en 1342" van het Italiaans burgerlijk wetboek, een aantal bepalingen van het contract, waaronder artikel 8 op bladzijde 11 daarvan. De derde alinea daarvan stelt de toepasselijke rentevoet vast, bovendien in de context van de toepassing van het uitdrukkelijk ontbindend beding. Verweersters betoog op dit punt is derhalve ongegrond, en Montorio heeft de Commissie niet tegengesproken wat het feit betreft dat de EIB-rentevoet 14,2 % bedraagt. Ik geef het Hof derhalve in overweging, vast te stellen dat over de voorgeschoten bedragen 14,2 % rente is verschuldigd.
42 Ook het argument van Montorio, betreffende de datum vanaf welke deze rente verschuldigd is, kan niet worden aanvaard. Volgens Montorio "volgt uit de termen van artikel 8" ("[pur] considerando le prescrizioni dettate dall'art. 8"), dat rente verschuldigd is vanaf de datum van ontbinding van het contract. De termen van de derde alinea zijn evenwel glashelder, en bepalen dat rente verschuldigd is vanaf de datum van ontvangst van deze bedragen. Montorio heeft de door de Commissie in haar verzoekschrift gemaakte berekening van de over elk van deze bedragen verschuldigde rente niet betwist, zodat ik het Hof in overweging geef de vordering van de Commissie op dit punt toe te wijzen.
e) De schadevordering van de Commissie
43 Ingevolge artikel 1218 van het Italiaans burgerlijk wetboek kan in bepaalde gevallen een schadevergoeding worden toegekend bij niet-uitvoering van een contractuele verplichting. Uit de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione volgt, dat de partij die een dergelijke schadevergoeding vordert, het bewijs van de schade dient te leveren, nu ingevolge artikel 1223 van het Italiaans burgerlijk wetboek de schadevergoeding niet hoger mag zijn dan het verlies of de inkomstenderving van de klager als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg van de niet-uitvoering. In casu heeft de Commissie niet het bewijs geleverd, dat verweersters handelwijze extra kosten teweeg kan brengen die de kosten overschrijden die zij zou hebben moeten dragen in het kader van de afhandeling van dergelijke contracten die tot haar opdracht in het kader van het EG-Verdrag behoren; het oorzakelijk verband tussen verweersters flagrante tekortkomingen en eventuele door de Commissie geleden verliezen is niet aangetoond.
44 Bovendien kan de omstandigheid dat een van de contractanten zijn contractuele verplichtingen niet is nagekomen, moeilijk worden beschouwd als de oorzaak van een verlies aan geloofwaardigheid van de Commissie in het kader van haar betrekkingen met de andere potentiële contractanten, de gemeenschapsinstellingen en de lidstaten; elk verlies aan geloofwaardigheid dat zou kunnen worden vastgesteld, is het gevolg van de traagheid van de Commissie die Montorio voor de rechter heeft gedaagd drie jaar nadat met volstrekte zekerheid was komen vast te staan dat contract 147 niet zou worden uitgevoerd, en in het geval van contract 149, acht jaar na die vaststelling, en voorts van het besluit van de Commissie om in haar brieven van december 1995 en januari 1996 van Montorio niet de betaling van rente over de voorgeschoten bedragen te verlangen.
f) Kosten
45 Indien het Hof zich aansluit bij mijn zienswijze over de zaak ten gronde, zal de Commissie op alle punten in het gelijk worden gesteld. In die omstandigheden geef ik het Hof in overweging, conform de vordering van de Commissie, Montorio te verwijzen in de kosten van het geding.
III - Conclusie
46 Gelet op een en ander, geef ik het Hof ik overweging:
"1) de Comune di Montorio al Vomano te veroordelen om met betrekking tot contract nr. WE 147-85 aan de Commissie terug te betalen:
- het bedrag van 246 000 000 LIT, vermeerderd met 14,2 % rente vanaf 1 december 1986 tot de dag van betaling aan de Commissie;
- het bedrag van 49 200 000 LIT, vermeerderd met 14,2 % rente vanaf 1 maart 1988 tot de dag van betaling aan de Commissie;
- het bedrag van 110 800 000 LIT, vermeerderd met 14,2 % rente vanaf 1 juni 1988 tot de dag van betaling aan de Commissie;
- het bedrag van 49 200 000 LIT, vermeerderd met 14,2 % rente vanaf 1 augustus 1988 tot de dag van betaling aan de Commissie;
2) de Comune di Montorio al Vomano in verband met contract nr. HY 149-85 te veroordelen om aan de Commissie terug te betalen het bedrag van 158 400 000 LIT, vermeerderd met 14,2 % rente vanaf 1 november 1986 tot de dag van betaling aan de Commissie;
3) de Comune di Montorio al Vomano te verwijzen in de kosten."
(1) - Verordening betreffende het verlenen van financiële steun aan demonstratieprojecten op het gebied van de exploitatie van alternatieve energiebronnen en op het gebied van de energiebesparing en de vervanging van koolwaterstoffen (PB L 195, blz. 6).
(2) - Indien de periode tussen de datum van mededeling vastgesteld in het laatste tussenrapport en het einde van het programma van de werkzaamheden minder dan zes maanden bedraagt, deelt de contractant de resultaten en de conclusies betreffende deze periode mede in het eindrapport.
(3) - Montorio heeft het nu eens over "de Europese Gemeenschap" en dan weer over "de Commissie"; duidelijkheidshalve hebben wij het steeds over de Commissie.
(4) - Corte suprema di cassazione, arrest van 28 januari 1993, nr. 1029, Soc. Pierre Balmain/Soc. Intermoda, 1993, Il Foro Italiano, 1470, 1475-1476.
(5) - Zie bijvoorbeeld arrest van 16 februari 1988, nr. 1661, Giur. it., 1989, I 1, blz. 141.
(6) - Conclusie van advocaat-generaal La Pergola van 15 oktober 1998 in de zaak Commissie/SNUA, C-69/97, zaak nog hangende bij het Hof.
Full & Egal Universal Law Academy