Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1 In de onderhavige zaak verzoekt het College van Beroep Studiefinanciering (hierna: "College") het Hof van Justitie, het belang van de woonplaats van de werknemer en zijn gezin te verduidelijken met het oog op de afbakening van de werkingssfeer van het in artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2), neergelegde beginsel inzake gelijke behandeling bij de toekenning van de sociale voordelen. Om te beginnen vraagt de verwijzende rechter, of de in dienst van een familiebedrijf verrichte arbeid is aan te merken als arbeid in loondienst in de zin van artikel 48 van het Verdrag en van verordening nr. 1612/68. Verder wenst hij te vernemen, of op basis van artikel 52 van het Verdrag het recht op gelijke behandeling op het gebied van sociale voordelen ook aan zelfstandigen kan worden toegekend.
II - Feiten en vragen
2 Met de voor de verwijzende rechter aanhangige zaak wordt opgekomen tegen de beslissing van het Nederlandse organisme dat de studiefinanciering beheert, de Hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: "IBG"), om C. Meeusen (hierna: "verzoekster"), een in België wonend Belgisch onderdaan, geen recht op studiefinanciering krachtens de Wet op de studiefinanciering toe te kennen, ook al zijn haar ouders, eveneens Belgische onderdanen en woonachtig in België, altijd in Nederland werkzaam geweest.
3 Hoewel de heer en mevrouw Meeusen, ouders van verzoekster, sinds 1976 hun beroepswerkzaamheid in Nederland verrichten, hebben zij vanaf 1980 hun woonplaats gevestigd in Essen (België), niet ver van de Nederlandse grens. Haar vader, P. Meeusen, is algemeen directeur van Inpechem Inspectors BV, die door hem is opgericht en waarvan hij enig aandeelhouder is. De te Rotterdam gevestigde vennootschap is een bureau van experts op het gebied van vervoer van vloeistoffen en heeft twintig man personeel. Haar moeder is bij Inpechem Inspectors in dienst. Haar ouders hebben altijd hun inkomen in Nederland verdiend en belasting aan de Nederlandse fiscus betaald. Zij betalen bijdragen aan het Nederlandse socialezekerheidsstelsel volgens de wetgeving van die staat, waarin wordt verwezen naar de plaats waar de betrokkene werkt.
4 Op 14 oktober 1993 vroeg verzoekster bij de IBG studiefinanciering aan voor haar studie scheikunde aan het Provinciaal Hoger Technisch Instituut voor Scheikunde te Antwerpen. Zij kreeg van november 1993 tot maart 1994 een basisbeurs, die ingevolge de Wet op de studiefinanciering (hierna: "WSF") rechtstreeks aan meerderjarige studerenden wordt toegekend onafhankelijk van hun inkomen. Bij besluit van 2 oktober 1994 herzag de IBG haar eerdere besluit en gelastte zij verzoekster tevens de reeds ontvangen bedragen terug te betalen. De studiefinanciering werd afgewezen op grond dat verzoekster, omdat zij niet de Nederlandse nationaliteit bezit en niet in Nederland woont, niet tot een van de in de WSF bedoelde gevallen behoorde. Die wettelijke regeling is van toepassing op Nederlandse onderdanen en bepaalde categorieën van buitenlanders, waaronder onderdanen van de lidstaten van de EG, mits zij echter ingezetenen zijn.
Tegen het besluit van 2 oktober 1994, dat door de IBG bij het bezwaarschrift werd bevestigd, stelde verzoekster beroep in bij de verwijzende rechter. Hoewel buitenlanders die niet in Nederland wonen, op basis van de nationale wettelijke regeling geen aanspraak op studiefinanciering hebben, kan volgens het College deze aanspraak gegrond blijken te zijn in het geval van de buitenlander die onderdaan van een andere lidstaat is, op grond van de communautaire bepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers. In de bodemprocedure stelde de IBG, dat de gemeenschapsregeling geen bescherming biedt aan grensarbeiders die niet in de lidstaat wonen. In aanmerking genomen dat volgens het Hof een door een lidstaat aan kinderen van werknemers toegekende studiefinanciering een sociaal voordeel vormt in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68, vraagt het College zich verder nog af, of die bepaling ook geldt wanneer de werknemer of zijn gezin in een andere lidstaat dan die van tewerkstelling wonen, waaraan de belanghebbenden belasting hebben betaald. Vooraf rijst echter twijfel, of de arbeid van de moeder arbeid in loondienst is. In het geval dat de bepalingen inzake de bescherming van de werknemers niet kunnen worden toegepast, verzoekt het College het Hof uit te maken, of de bepalingen inzake de vrijheid van vestiging eventueel relevant zijn.
5 Derhalve worden de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) a) Vormt een situatie als de onderhavige waarbij de moeder van eiseres in dienst is van de BV waarvan haar echtgenoot directeur/enigaandeelhouder is, een beletsel om haar als migrerend werknemer in de zin van artikel 48 EG-Verdrag en verordening (EEG) nr. 1612/68 aan te merken?
Bij ontkennende beantwoording van vraag 1 sub a:
b) In de zaak Bernini (arrest van 26 februari 1992, C-3/90, Jurispr. blz. I-1071) heeft het Hof voor recht verklaard, dat de door een lidstaat aan kinderen van werknemers toegekende studiefinanciering voor een migrerend werknemer een sociaal voordeel vormt in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68, wanneer de werknemer in het onderhoud van het kind blijft voorzien. In dat geval kan het kind zich op artikel 7, lid 2, beroepen ter verkrijging van studiefinanciering onder dezelfde voorwaarden als voor de kinderen van nationale werknemers gelden, en in het bijzonder zonder dat een nadere voorwaarde betreffende zijn woonplaats kan worden gesteld.
Geldt deze regel onverkort indien de migrerend werknemer als grensarbeider moet worden aangemerkt?
c) Geldt de rechtsregel uit het arrest Bernini, zoals in de hiervoor geformuleerde vraag opgenomen, eveneens indien het kind van een migrerend werknemer, zoals in het onderhavige geval, nimmer in Nederland heeft gewoond?
2) Dient artikel 52 EG-Verdrag op zodanige wijze te worden uitgelegd dat de waarborg, zoals die voortvloeit uit de rechtsregel uit het arrest Bernini, als opgenomen in vraag 1, sub b, eveneens geldt voor het kind van een onderdaan van een lidstaat, die in een andere lidstaat een werkzaamheid anders dan in loondienst uitoefent?
In hoeverre is daarbij tevens bepalend de omstandigheid dat het kind nimmer in Nederland woonachtig is geweest en de omstandigheid dat de ouder niet woonachtig is in het land waar de werkzaamheid anders dan in loondienst wordt uitgeoefend?"
III - De toepasselijke communautaire bepalingen
6 Wat betreft werknemers, wordt het non-discriminatiebeginsel in algemene bewoordingen geformuleerd in artikel 48, lid 2, van het Verdrag, volgens hetwelk het vrije verkeer van werknemers "de afschaffing [inhoudt] van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden".
Op basis van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68, "geniet [de werknemer die onderdaan is van een lidstaat] er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers".
7 Ten aanzien van zelfstandigen bepaalt artikel 52 van het Verdrag: "In het kader van de volgende bepalingen worden de beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat tijdens de overgangsperiode geleidelijk opgeheven."
IV - De Nederlandse wettelijke regeling inzake studiefinanciering
8 In Nederland wordt de studiefinanciering geregeld in de WSF, die op 1 oktober 1986 in werking is getreden. In de eerste plaats bestaat er een basisbeurs, die onafhankelijk van het ouderlijk inkomen wordt toegekend (artikel 16). Voorts kan een aanvullende beurs worden toegekend, waarvan de hoogte afhankelijk is van het ouderlijk inkomen (artikelen 18 en 20). De hoogte van de basisbeurs en die van de aanvullende beurs varieert naargelang de studerende thuiswonend of uitwonend is. Volgens de huidige regeling worden de toelagen rechtstreeks toegekend aan de studerenden. Onder het oude stelsel konden de ouders van een studerende in de leeftijd van 18 tot 27 jaar kinderbijslag krijgen. Daarnaast konden de minder draagkrachtige studerenden een van het ouderlijk inkomen afhankelijke studietoelage krijgen.
9 De WSF is ingevolge artikel 7 daarvan alleen van toepassing op:
"a. studerenden die de Nederlandse nationaliteit bezitten;
b. studerenden die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten maar wel in Nederland wonen, ten aanzien van wie ingevolge bepalingen vastgesteld bij overeenkomsten met andere mogendheden dan wel een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, wordt bepaald dat zij op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander worden gelijkgesteld;
c. studerenden die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten maar wel in Nederland wonen en behoren tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen groep van personen die voor het terrein van de studiefinanciering met Nederlanders gelijk worden gesteld".
V - Vraag 1, sub a
10 De verwijzende rechter wenst om te beginnen te vernemen, of verzoeksters moeder aan te merken is als werknemer voor de toepassing van de communautaire bepalingen die de werknemer gelijke behandeling bij de toekenning van sociale voordelen waarborgen. Daaronder valt volgens de rechtspraak van het Hof althans in bepaalde gevallen de toekenning van studiebeurzen aan kinderen van werknemers. Die eerste vraag is meer bepaald erop gericht vast te stellen, of de door de echtgenote van de enig aandeelhouder van de onderneming uitgeoefende werkzaamheid in het kader van een familiebedrijf kan worden omschreven als werkzaamheid in loondienst voor de toepassing van de bepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers, inzonderheid van artikel 48 van het Verdrag en van de bij verordening nr. 1612/68 vastgestelde uitvoeringsbepalingen.
11 In casu hebben wij dus te maken met het niet eenvoudige probleem van het onderscheid tussen het persoonlijke en het beroepsmatige aspect van de in een familieverband uitgevoerde werkzaamheid. De werkzaamheid van het meewerkende gezinslid kan van andere aard zijn dan uit de arbeidsovereenkomst blijkt of kan zelfs buiten het kader van een arbeidsverhouding worden uitgeoefend. Juist daarom worden in het nationale recht de rechten van het meewerkende gezinslid gewaarborgd. Dat verklaart ook, dat de in het familiebedrijf verrichte arbeid in het kader van een zelfde rechtsstelsel verschillend kan worden gekwalificeerd. Dat is overigens ook het geval in het Nederlandse recht, waarin met de woorden van de verwijzingsbeschikking "de vraag of sprake is van een gezagsverhouding verschillend wordt beantwoord al naar gelang het betrokken nationale rechtsgebied (socialezekerheidsrecht, belastingrecht, civiel recht)".
12 Er is evenwel geen enkele reden om met betrekking tot de in een "familie"bedrijf uitgeoefende werkzaamheid af te wijken van de criteria die het Hof heeft geformuleerd voor de toepassing van de bepalingen ter bescherming van de communautaire werknemer. De rechtspraak van het Hof heeft inderdaad het begrip communautaire werknemer autonome betekenis gegeven ten opzichte van het nationale recht.(1) Als werknemer wordt aangemerkt iemand die "gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een beloning ontvangt".(2) Bovendien moet het om "reële en daadwerkelijke arbeid" gaan, en niet om arbeid die marginaal van aard is.(3) Op grond van voornoemde rechtspraak moet derhalve worden overwogen, hoe de arbeid past in de organisatie van de onderneming, en worden vastgesteld, of die arbeid wordt verricht in dienst van een ander, die belast is met de algehele leiding van de onderneming. Deze vraag moet dus aan de hand van de feiten worden beantwoord, zonder dat de verschillende formele kwalificaties, die in het Nederlands recht voor bijzondere doeleinden worden voorgesteld, relevant zijn. Het College zegt te hebben vastgesteld, dat de werkzaamheden van verzoeksters moeder daadwerkelijk zijn. De nationale rechter dient voorts na te gaan, of die werkzaamheden onder het gezag van een ander worden verricht.
Ik beperk mij tot de opmerking, dat de aan de onderneming van haar echtgenoot gewijde tijd en de aard van de in dienst daarvan verrichte werkzaamheden daadwerkelijk ertoe leiden aan te nemen, dat die werkzaamheden passen in een algemener kader van coördinatie. Op basis van de door verzoekster en door de verwijzende rechter verstrekte gegevens lijkt de werkzaamheid van verzoeksters moeder te behoren tot de werkzaamheid in loondienst zoals die categorie in het gemeenschapsrecht wordt gedefinieerd.(4)
13 Er kan echter geen enkel belang worden toegeschreven aan andere criteria, hoewel die in enkele nationale rechtsstelsels worden gehanteerd. Het feit dat het economisch risico meer of minder rechtstreeks ook op de echtgenote van de ondernemer rust, schijnt met name irrelevant. Ik ben derhalve van mening, dat de suggestie van de Commissie, dat rekening zou moeten worden gehouden met de door de echtgenoten Meeusen gekozen regeling van de huwelijksgemeenschap (die overigens niet nader wordt verklaard), niet moet worden gevolgd. Volgens de Commissie moet het probleem van de kwalificatie, wanneer er sprake is van huwelijkse voorwaarden, op dezelfde wijze worden aangepakt en opgelost als met alle arbeidsverhoudingen gebeurt. Zouden verzoeksters ouders echter in gemeenschap van goederen gehuwd zijn en dus mede-eigenaars van de onderneming zijn, dan moet naar analogie de in de zaak Asscher geformuleerde regel worden toegepast; daarin oordeelde het Hof, dat de directeur van een vennootschap waarvan hij tevens enig aandeelhouder is, zijn werkzaamheid niet uitoefende in het kader van een positie van ondergeschiktheid.(5) In dat geval heeft het Hof terecht verklaard, dat er geen sprake is van een daadwerkelijke ondergeschiktheid die formeel samengaat met de hoedanigheid van "werknemer", gelet op de daadwerkelijk verrichte soort van werkzaamheid. De opmerking dat geen van de echtgenoten dus in een ondergeschiktheidsrelatie ten opzichte van de eigen huwelijksgemeenschap, eigenaar van alle aandelen, zou kunnen staan, snijdt derhalve geen hout. Met die redenering wordt namelijk het vermogensrechtelijk aspect verward met dat van de reële aard van de arbeidsverhoudingen in het kader van de organisatie van de onderneming. Het (ook ter terechtzitting) door de Nederlandse regering naar voren gebrachte standpunt dat er tussen echtgenoten nooit sprake kan zijn van een ondergeschiktheidsrelatie, doet evenmin ter zake, omdat het het persoonlijke aspect verwisselt met dat van de organisatie van de onderneming. De omstandigheid dat een van de echtgenoten belast is met de organisatie en de coördinatie, betekent immers niet, dat er een gezagsverhouding in de persoonlijke betrekkingen bestaat.
VI - De vraag 1, sub b en c
14 Indien mijns inziens vraag 1, sub a, bevestigend moet worden beantwoord, moet de vraag 1, sub b en c, worden onderzocht. Volgens vaste rechtspraak van het Hof in de zaken Echternach e.a. en Bernini is steun voor levensonderhoud en opleiding, toegekend om middelbaar en hoger onderwijs te kunnen volgen, te beschouwen als een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68, op de in de zaak Bernini gepreciseerde voorwaarde dat de werknemer in het onderhoud van het kind blijft voorzien.(6) In de eerste plaats wenst de verwijzende rechter met vraag 1, sub b, te vernemen, of de werknemer recht heeft op dezelfde voordelen als de nationale werknemers, ook wanneer hij in een andere plaats woont dan die waar hij zijn werkzaamheid uitoefent. Zo ja, dan wordt in vraag 1, sub c, vervolgens gevraagd, of dit sociale voordeel ook moet worden toegekend indien het begunstigde kind nimmer heeft gewoond in de staat die de aangevraagde sociale prestatie moet verstrekken. Beide vragen hebben dus betrekking op het belang van de woonplaats voor de afbakening van de werkingssfeer van de bepalingen die de gemeenschapswerknemers gelijke behandeling bij de toekenning van de sociale voordelen waarborgen.
15 Ik zeg meteen, dat mijns inziens de grensarbeider, die overigens uitdrukkelijk in de considerans van verordening nr. 1612/68 wordt vermeld, niet mag worden gediscrimineerd bij de toekenning van sociale voordelen door de lidstaat waaraan hij belasting en verzekeringspremies betaalt. Volgens het Hof verbieden de bepalingen van artikel 48 van het Verdrag en van artikel 7 van verordening nr. 1612/68 verder niet alleen openlijke discriminatie op grond van de nationaliteit, maar ook alle vormen van verkapte discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria tot het ongeoorloofde resultaat van ongelijke behandeling leiden.(7) Deze uitspraken houden rekening met het feit dat het stellen van bepaalde voorwaarden, waarvan de mogelijkheid om bepaalde rechten te genieten afhankelijk kan worden gesteld, in werkelijkheid tot doel of tot gevolg heeft, de onderdanen van een staat ten opzichte van de andere te bevoordelen. Het Hof heeft eveneens verklaard, dat bij de beoordeling of nationale bepalingen die voor de toekenning van sociale voordelen het woonplaatsvereiste stellen, verenigbaar zijn met het Verdrag, criteria van redelijkheid moeten worden gehanteerd. Het geval van de grensarbeider wordt met name onderzocht in de zaak Meints, nog steeds betreffende de toekenning van sociale voordelen (in die zaak ging het om een uitkering die in één keer werd uitbetaald aan werknemers in de landbouw, in het bijzonder bij beëindiging van hun arbeidsovereenkomst). In dat geding heeft het Hof erop gewezen, dat "tenzij zij objectief gerechtvaardigd is en evenredig aan het nagestreefde doel, (...) een bepaling van nationaal recht als indirect discriminerend [moet] worden beschouwd, wanneer zij naar haar aard migrerende werknemers eerder kan treffen dan nationale werknemers".(8) Ook recentelijk in de zaak Commissie/Luxemburg werd geoordeeld, dat de Luxemburgse regeling die de toekenning van een moederschapstoelage afhankelijk stelde van het feit dat de moeder gedurende het jaar voorafgaand aan de geboorte van het kind in de staat had gewoond, onverenigbaar met het Verdrag was.(9) In een aantal gevallen kunnen er ook objectieve redenen zijn om rekening te houden met de woonplaats. Zo heeft het Hof bijvoorbeeld in de zaak Sotgiu geoordeeld, dat voor de berekening van de ontheemdingstoelage moet worden gekeken, of bij de aanvaarding van een betrekking de betrokken werknemers hun woonplaats in het land zelf of in het buitenland hadden.(10)
16 De Nederlandse en de Duitse regering voeren aan, dat de bepalingen inzake het vrije verkeer in hoofdzaak tot doel hebben, de integratie van de communautaire werknemer te bevorderen. Gesteld dat de werknemer en zijn gezin ervoor hebben gekozen, niet te wonen en dus niet te integreren in de staat van tewerkstelling, dan kunnen zij volgens deze regeringen derhalve aldaar geen aanspraak maken op het sociale voordeel waarom het in casu gaat. Dienaangaande wijst de Nederlandse regering op de vijfde overweging van de considerans van de verordening, waarin wordt beoogd de belemmeringen voor het vrije verkeer van werknemers uit de weg te ruimen: een van de manieren om dat te bereiken is, de werknemer het recht toe te kennen "om zijn familie te doen overkomen en de voorwaarden voor de integratie van deze familie in het land van ontvangst". Ook het arrest Echternach e.a. zou in punt 20 wijzen op de louter ondergeschikte waarde van het beginsel van gelijke behandeling ten opzichte van de integratie van de werknemer in het gastland. De Duitse regering haalt andere rechtspraak in dezelfde zin aan.(11) Het door beide betrokken regeringen geformuleerde standpunt zou tot slot ook stroken met de in de rechtspraak gevolgde benadering die op het eerste gezicht schijnt te pleiten voor de ruime toepassing van het discriminatieverbod op het gebied van de sociale voordelen. Volgens de Nederlandse regering zouden met name de feiten in casu verschillen van de zaak Echternach e.a., omdat het door het verlenen van een studiebeurs voor een studie in het buitenland geboden voordeel "geen enkel verband houdt met de uitoefening van het recht van de werknemer om zijn familie te doen overkomen en met zijn gezin in het gastland te integreren". Bovendien wordt gesteld, dat de studiefinanciering in het Nederlands recht een recht is van de student zelf en niet van diens ouders. Met die redenering gaat de Nederlandse regering evenwel uiteindelijk voorbij aan de zaak Bernini, betreffende het specifieke gebied van de Nederlandse studiebeurzen, en verliest zij uit het oog, dat de overwegingen van het Hof in dat arrest het thans door Duitsland en Nederland verdedigde standpunt logenstraffen. De door beide regeringen aangevoerde argumenten moeten evenwel nader worden bestudeerd. De Duitse regering merkt op, dat in vergelijking met de hoofdfiguren in het onderhavige geschil degenen die in de zaak Bernini een aanspraak op de communautaire sociale voordelen deden gelden, nauwere banden net de Nederlandse staat hadden. De ouders van Bernini waren migrerende werknemers; hoewel Bernini ten tijde van het geding in Italië woonde, had zij in het verleden in Nederland gewoond en gewerkt, terwijl er in het geval van de familie Meeusen geen integratieproblemen zijn, en er dus geen reden is om de gelijke behandeling te waarborgen. Een soortgelijk standpunt neemt de Nederlandse regering in, volgens welke de omstandigheid dat verzoekster heeft verkozen in België te blijven wonen, beslissend zou zijn. Wij zouden te maken hebben met een geval waarin de betrokken werkneemster niet voornemens is in het werkland te integreren.
17 Wat moet ik van dat standpunt zeggen? In casu schijnen integratievereisten inderdaad niet aan de orde te zijn. Het echtpaar Meeusen gaat zonder problemen van de staat waarin het werkzaam is, naar die waarin het met zijn dochter woont. Men kan wel zeggen, dat hun situatie een sprekend voorbeeld is van verwezenlijking van de mobiliteit van de werknemers. Vanuit dit oogpunt is het niet van belang, zoals tijdens de procedure is gepreciseerd, dat verzoekster tot haar zesde jaar in Nederland heeft gewoond. Het door verzoeksters vader ter terechtzitting bekendgemaakte feit dat verzoekster sinds de zomer van 1997 haar woonplaats in Nederland heeft gevestigd (zonder wijziging te brengen in haar plannen om in België te blijven studeren), is ook niet relevant.
18 Het is echter een feit, dat het aan het Hof voorgelegde probleem moet worden verwoord en opgelost vanuit het gezichtspunt van de migrerende werknemer en grensarbeider en niet vanuit dat van de werknemer wiens integratie in het land waarin hij zijn werkzaamheid uitoefent, moet worden bevorderd. Waar het hier om gaat, zo heeft de Commissie terecht gepreciseerd, is dus de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten: dit geldt volgens mij des te meer wanneer, zoals in casu het geval is, die voordelen althans gedeeltelijk een compenserend element hebben, daar zij uit de door die werknemers betaalde bijdragen worden gefinancierd.
In de betrokken gemeenschapsregeling ter zake staat namelijk het coördinatiecriterium centraal. In verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2), worden tot uitvoering van artikel 51 van het Verdrag de nodige bepalingen geformuleerd voor de coördinatie van de modaliteiten van uitkering van de sociale prestaties in de in die verordening bedoelde categorieën. Hetzelfde criterium is door de gemeenschapswetgever ook voor de categorie van de sociale voordelen bedoeld in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 vastgesteld: deze categorie is algemener dan die waaronder de specifiek door verordening nr. 1408/71 geregeld prestaties vallen.(12) Naar mijn mening is het non-discriminatiebeginsel, zoals dat in het algemeen in artikel 48 van het Verdrag en in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 is neergelegd, terecht van toepassing op een geval als het onderhavige. De betrokken sociale prestatie heeft, zoals ik hiervoor al opmerkte, stellig een element van een compenserend voordeel, maar wordt, behalve voor de Nederlandse onderdanen, afhankelijk gesteld van de woonplaats. Gelijk de Commissie opmerkt, wordt langs deze weg tussen de grensarbeiders een ongelijke behandeling ingevoerd, die gebaseerd is op hun nationaliteit. Die discriminatie uit de weg ruimen, betekent voorkomen dat de werknemer die het recht van vrij verkeer uitoefent, de aan de sedentaire werknemer gewaarborgde voordelen worden ontnomen. Dit is een oplossing die mijns inziens strookt met zowel de verdragsbeginselen als met de gemeenschapsregeling die moet worden uitgelegd.
19 In de zaak Bernini heeft het Hof erkend, dat bepaalde studiebeurzen vielen onder de in de rechtspraak van het Hof ruim gedefinieerde categorie van de sociale voordelen in de zin van verordening nr. 1612/68.(13) In de gestelde vraag werd verwezen naar de bepalingen van de WSF die juist voorzien in rechtstreeks aan de studenten toegekende studiefinanciering, die dus niet rechtstreeks gekoppeld is aan de arbeidsverhouding. Het Hof heeft vervolgens gepreciseerd, dat de betrokken studiefinanciering slechts aan de werknemer kan worden toegekend wanneer hij in het onderhoud van het kind blijft voorzien.(14) Gelet op de objectief compenserende aard van de beurzen en op de voorwaarde dat de kinderen daadwerkelijk ten laste van de ouder komen, heeft de rechtspraak de rechtstreeks aan studerenden toegekende studiebeurzen op één lijn geplaatst met de overige sociale prestaties als de kinderbijslag. Studiebeurs en kinderbijslag zijn namelijk beide financiële steunmaatregelen voor opvoeding, levensonderhoud en onderwijs van kinderen.
Er zijn in elk geval twee gegevens van belang: het compenserend element van de betrokken voordelen en het feit dat het discriminatieverbod zijn bestaansredenen eerder in vereisten tot coördinatie van de stelsels dan in integratie vindt. Om vast te stellen of er recht op gelijke behandeling bestaat in een geval als het onderhavige, moet het stelsel van studiefinanciering van het werkland worden vergeleken met de andere stelsels waarop in theorie een beroep kan worden gedaan, en vervolgens worden beoordeeld, welke gevolgen de niet-toekenning van de beurs zou kunnen hebben.(15) Op grond van deze overwegingen moeten bij de vergelijking van beide stelsels, zoals de Commissie oppert, alle vormen van financiering in aanmerking worden genomen. Zowel de aan de werknemers toegekende kinderbijslagen als de rechtstreeks aan de studerenden toegekende beurzen moeten worden onderzocht. Bovendien moet een concrete vergelijking worden gemaakt, waarbij de daadwerkelijk voor de werknemers en hun gezinsleden openstaande mogelijkheden in aanmerking worden genomen (en zulks in tegenstelling tot hetgeen is voorgesteld in de schriftelijke opmerkingen van de Nederlandse regering, die bij de bestudering van de in theorie toepasselijke Belgische regeling geen rekening ermee houdt, dat in casu die bepalingen niet van toepassing zijn, zie infra).
20 In dit geval moet het Nederlandse stelsel van studiefinanciering worden vergeleken met dat van België, de staat van nationaliteit en woonplaats van de familie Meeusen. Blijkens de stukken heeft verzoekster in geen van beide rechtsstelsels aanspraak op de studiebeurzen die op basis van het gezinsinkomen worden toegekend. Wat daarentegen de inkomensonafhankelijke studiefinanciering betreft, die in de vorm van een studiebeurs of kinderbijslag wordt verstrekt, kan verzoekster juist wegens de bijzondere gezinssituatie niet in aanmerking worden genomen. Immers, in casu zijn de bepalingen van het Belgisch recht niet van toepassing en kunnen de inkomensonafhankelijke studietoelagen, die in de vorm van kinderbijslagen aan de bij het stelsel van sociale zekerheid ingeschreven werknemers worden toegekend, in elk geval niet worden verstrekt aan verzoeksters ouders, die in België geen belasting betalen(16); evenmin komt verzoekster in aanmerking voor een Nederlandse basisbeurs, daar juist de WSF ten aanzien van buitenlanders het woonplaatsvereiste stelt.
Hoe kan dit aldus gecreëerde negatieve geschil worden beslecht? Het meest coherente en overtuigende antwoord is mijns inziens, dat doorslaggevend belang wordt gehecht aan de omstandigheid dat de werknemer bijdraagt aan de financiering van het socialezekerheidsstelsel waarbij hij is ingeschreven.
VII - Vraag 2
21 Ik acht het niet noodzakelijk vraag 2 te onderzoeken, waarop overigens in elk geval de reeds op de vragen 1, sub b en c, gegeven antwoorden van toepassing zijn.
VIII - Conclusie
22 Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de nationale rechter te antwoorden als volgt:
"1) a) Om te beoordelen of een werknemer die werkzaam is in dienst van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan de echtgenoot directeur/enig aandeelhouder is, als migrerend werknemer in de zin van artikel 48 EG-Verdrag is aan te merken, moet aan de hand van algemene criteria worden vastgesteld, of de werkzaamheid in loondienst of als zelfstandige wordt verricht, en moet worden onderzocht, hoe de door hem verrichte beroepswerkzaamheid past in de organisatie van de onderneming.
b) en c) Kinderen van werknemers die niet in het werkland wonen, kunnen, ook wanneer zij niet in het werkland van de ouder wonen, gebruik maken van de door een lidstaat toegekende studiefinanciering die, mede gelet op het compenserend element ervan, een sociaal voordeel vormt in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap."
(1) - Zie arresten van 3 juli 1986, Lawrie-Blum (66/85, Jurispr. blz. 2121, punt 16); 21 juni 1988, Brown (197/86, Jurispr. blz. 3205, punt 21), en 14 december 1989, Agegate (3/87, Jurispr. blz. 4459, punt 35).
(2) - Arrest Lawrie-Blum (reeds aangehaald, punt 17) en arrest van 27 juni 1996, Asscher (C-107/94, Jurispr. blz. I-3089, punt 25).
(3) - Zie arrest van 23 maart 1982, Levin (53/81, Jurispr. blz. 1035, punt 21).
(4) - Zie arresten Lawrie-Blum (reeds aangehaald, punten 16 en 17) en Asscher (reeds aangehaald, punt 25).
(5) - Zaak C-107/94, Asscher, reeds aangehaald, punt 26.
(6) - Zie arresten van 15 maart 1989, Echternach e.a. (389/87 en 390/87, Jurispr. blz. 723, punt 34), en 26 februari 1992, Bernini (C-3/90, Jurispr. blz. I-1071, punt 24).
(7) - Zie arrest van 23 mei 1996, O'Flynn (C-237/94, Jurispr. blz. I-2617, punt 17). Op grond van die overweging werd in dat geval vastgesteld, dat er sprake was van indirecte discriminatie wanneer voor elke vergoeding van begrafeniskosten die door een migrerend werknemer worden gemaakt, als voorwaarde wordt gesteld dat de teraardebestelling of crematie op het nationale grondgebied plaatsvindt (punt 23). In het arrest van 21 november 1991, Le Manoir (C-27/91, Jurispr. blz. I-5531, punt 10), werd het onverenigbaar met het Verdrag geacht, dat voor de toekenning van de verlichting van werkgeversbijdragen als voorwaarde wordt gesteld dat de werkgever stagiaires aanstelt, die onder het nationale onderwijsstelsel vallen, en zulks op grond van de overweging dat de stagiaires in overgrote meerderheid onder het nationale onderwijsstelsel van de staat van herkomst vallen.
(8) - Arrest van 27 november 1997 (C-57/96, Jurispr. blz. I-6689, punt 45).
(9) - Arrest van 10 maart 1993 (C-111/91, Jurispr. blz. I-817, punt 7).
(10) - Arrest van 12 februari 1974 (152/73, Jurispr. blz. 153, punt 12).
(11) - Arresten van 13 november 1990, Di Leo (C-308/89, Jurispr. blz. I-4185, punt 9), en 27 september 1988, Matteucci (235/87, Jurispr. blz. 5589, punt 16).
(12) - Zie voor de relatie tussen artikel 7, lid 2, en verordening nr. 1408/71 de voordracht van A. Lyon-Caen: "La sécurité sociale et le principe de l'égalité de traitement dans le traité et le règlement nr. 1408/71", in La sécurité sociale en Europe. Égalité entre nationaux et non nationaux, Lisbona, 1995, blz. 45, en D. Gouloussis: "Instruments internationaux sur l'égalité de traitement en matière de sécurité sociale", idem, blz. 91 e.v.
(13) - Het begrip sociaal voordeel, zoals dat in de vaste rechtspraak van het Hof wordt gedefinieerd, omvat "alle voordelen die, al dan niet verbonden aan een arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend, voornamelijk op grond van hun objectieve hoedanigheid van werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn" (arrest van 31 mei 1979, Even, 207/78, Jurispr. blz. 2019).
(14) - Zie punt 25 van arrest van 26 februari 1992, Bernini (reeds aangehaald), dat ter zake verwijst naar arrest van 8 juni 1987, Lebon (316/85, Jurispr. blz. 2811, punt 13). Een dergelijke voorwaarde wordt gesteld met betrekking tot de aan de betrokken soort van sociale voordelen toe te kennen compenserende aard. Derhalve is de opmerking van de Nederlandse regering, dat in Nederland het recht op studiefinanciering wordt begrepen als een eigen aanspraak van de studerende, die dus niet aan zijn ouders toekomt, niet relevant. Ook het compenserend element van de studiefinanciering wordt in het arrest Bernini erkend met de overweging, dat studiefinanciering kan worden aangemerkt als sociaal voordeel enkel wanneer de werknemer in het onderhoud van het kind blijft voorzien. Onder verwijzing naar het aldus geformuleerde beginsel merkt de Nederlandse regering op, dat in casu moet worden vastgesteld, of verzoekster daadwerkelijk ten laste komt van haar moeder, van wier hoedanigheid van werknemer in loondienst afhangt of de verordening van toepassing is, en in het geheel niet van haar vader, wiens positie niet die van een werknemer is en dus door de betrokken nationale regeling niet in aanmerking zou worden genomen.
(15) - De lidstaten stellen voorts verschillende regelingen ter zake vast. Een beknopte uiteenzetting van de in de lidstaten geldende situatie is te lezen in F. P. Rossi, I diritti della famiglia europea nell'ordinamento comunitario di sicurezza sociale, Milaan, 1996, blz. 90 e.v.
(16) - In het Belgisch recht is de toekenning van studietoelagen en -leningen geregeld in de wet van 19 juli 1971. Op grond van artikel 2 van deze wet worden studietoelagen toegekend aan studenten die studeren in de door de staat georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinrichtingen. De toekenning van studiebeurzen hangt af van het inkomen van de student of van de personen van wie hij eventueel ten laste komt. Bovendien wordt kinderbijslag toegekend aan werknemers met ten laste komende kinderen van jonger dan 25 jaar.
Full & Egal Universal Law Academy