Conclusie van de advocaat generaal
1 In deze prejudiciële procedure verzoekt het Oberste Gerichtshof het Hof om uitlegging van artikel 70 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrondvest(1) (hierna: "Toetredingsakte"). Het Hof wordt met name verzocht te preciseren, of de afwijkingsregeling van voornoemd artikel 70 ook van toepassing is op een wettelijke regeling als die van de Republiek Oostenrijk inzake tweede woningen, die na de toetreding is gewijzigd.(2)
Rechtskader en feiten van het hoofdgeding
Nationaal rechtskader
2 De regeling van het Land Tirol inzake de aankoop van onroerend goed, voor zover in de onderhavige zaak van belang, is door de verwijzende rechter als volgt omschreven.
Het gaat in casu om de bepalingen die de autoriteiten het recht verlenen om onroerendgoedtransacties aan te vechten. De verwijzingsbeschikking vermeldt in dat verband drie wettelijke regelingen. De eerste, het zogenoemde "TGVG 1983"(3), bepaalde dat de aankoop van onroerend goed door natuurlijke personen die geen Oostenrijks onderdaan zijn, of door rechtspersonen die in het buitenland gevestigd zijn of in handen zijn van vreemdelingen, afhankelijk is van de afgifte van een vergunning door de bevoegde autoriteit. De aankoop van een goed zonder de voorgeschreven vergunning werd gesanctioneerd met de nietigheid van de verkoop. Het zogenoemde "TGVG 1991"(4) voerde een bepaling in die de Landesgrundverkehrsreferent, belast met het toezicht op de regelmatigheid van de aankoop en verkoop van onroerend goed (hierna: "Landesgrundverkehrsreferent"), de bevoegdheid verleende om "een vordering in te stellen tot vaststelling van de nietigheid van een rechtshandeling, met name omdat het gaat om een fictieve transactie of een transactie ter ontduiking van de wet".(5)
De tweede wettelijke regeling, het zogenoemde "TGVG 1993"(6), verving de voorgaande regeling. § 35, lid 2, bevestigde het recht van de Landesgrundverkehrsreferent om de nietigheid van fictieve transacties of transacties ter ontduiking van de wet in te roepen.(7) Bij § 40 werd het klachtrecht van de Landesgrundverkehrsreferent uitgebreid tot alle ten tijde van de inwerkingtreding van de wet bestaande transacties. Volgens diezelfde bepaling vielen de vóór die datum gesloten transacties onder het TGVG 1983.
Ten slotte voerde de wetgever van het Land Tirol in 1996 een nieuwe wijziging in: het TGVG 1996(8), in werking getreden op 1 oktober 1996. De verwijzingsbeschikking vermeldt § 35, lid 1, van die wet, waarin de overeenstemmende bepaling van het TGVG 1993 wordt overgenomen, en § 40, waarin de overgangsbepalingen zijn neergelegd. In casu is vooral § 40, lid 5, van belang. Die bepaling luidt: "De bevoegdheid van de Landesgrundverkehrsreferent om overeenkomstig § 35, lid 1, een beroep in te stellen, strekt zich eveneens uit tot de vóór de inwerkingtreding van deze wet verrichte fictieve transacties of transacties ter ontduiking van de wet. Op procedures ingevolge § 35, lid 1, die betrekking hebben op vóór 1 januari 1994 verrichte fictieve transacties of transacties ter ontduiking van de wet, is het TGVG 1983 van toepassing."(9)
3 Het Verfassungsgerichtshof wees ter zake van deze wettelijke regeling kort na elkaar twee arresten. In het eerste arrest, van 28 september 1996, werden de bepalingen van het TGVG 1991 houdende wijziging van het TGVG 1983 ongrondwettig verklaard, zodat de bepalingen daarvan vervielen. Bij het tweede arrest, van 10 december 1996, verklaarde het Verfassungsgerichtshof het TGVG van 1993 ongrondwettig; de betrokken bepalingen konden derhalve niet meer worden toegepast op de lopende procedures, met uitzondering van die bepalingen die - volgens de verwijzende rechter - krachtens § 40, lid 4, van voornoemd TGVG 1996 van toepassing bleven.
De feiten en het hoofdgeding
4 De feiten die tot het hoofdgeding hebben geleid, spelen zich af binnen het hierboven geschetste kader. Op 14 oktober 1993 sloten de vennootschap Beck Liegenschaftsverwaltungsgesellschaft mbH (hierna: "Beck"), gevestigd te Fieberbrunn in Oostenrijk, en de vennootschap Bergdorf Wohnbau GmbH, in staat van vereffening (hierna: "Bergdorf"), gevestigd te Zell am See, eveneens op Oostenrijks grondgebied, een overeenkomst betreffende de verkoop van percelen van een onroerend goed in het kanton Kitzbühel.
5 De Landesgrundverkehrsreferent stelde op basis van het TGVG 1983 op 28 maart 1994 een beroep in bij het Landesgericht Innsbruck tot vaststelling van de nietigheid van de verkoopovereenkomst tussen Beck en Bergdorf, omdat volgens hem sprake was van een fictieve transactie of een transactie ter ontduiking van de wet. Uit de verwijzingsbeschikking kan evenwel niet worden opgemaakt, waarom werd aangenomen dat het om een fictieve transactie of een transactie ter ontduiking van de wet ging. De Landesgrundverkehrsreferent geeft daarover meer uitleg in zijn bij het Hof ingediende opmerkingen: hij verklaart dat de aandelen van de vennootschap die het onroerend goed had gekocht, na het sluiten van de litigieuze onroerendgoedtransactie in handen zijn gekomen van Duitse onderdanen. De schijnhandeling bestond dus in het feit dat de constructie van overeenkomsten - de aankoop van het onroerend goed door de Oostenrijkse vennootschap, gevolgd door het verwerven van aandelen van die vennootschap door Duitse onderdanen - bedoeld was om de Tiroolse wetgeving inzake de aankoop van onroerend goed door buitenlanders te omzeilen. Deze feitelijke omstandigheden zijn evenwel niet nader gepreciseerd - en worden niet eens vermeld - door de verwijzende rechter of door de andere partijen die opmerkingen hebben ingediend.
De vordering is in eerste aanleg toegewezen. De in het ongelijk gestelde partijen ontkenden in hoger beroep dat het om een schijnhandeling ging, en betwistten het recht van de Landesgrundverkehrsreferent om een vordering in te stellen. Bij arrest van 28 juni 1995 bevestigde het Oberlandesgericht Innsbrück evenwel de beslissing van de rechters in eerste aanleg.
6 Tegen het arrest in hoger beroep is bij de verwijzende rechter Revisionsberoep ingesteld, dat allereerst betrekking had op het recht van de Landesgrundverkehrsreferent om de in het hoofdgeding bestreden verkoopovereenkomst aan te vechten.
Het probleem is omschreven als volgt. Ingevolge de voornoemde arresten van het Verfassungsgerichtshof waren het TGVG 1983 en het TGVG 1993 niet langer van toepassing op het onderhavige geval. Volgens de verwijzende rechter heeft dit tot gevolg, dat het klachtrecht van de administratie enkel kan worden gerechtvaardigd op grond van het TGVG 1996, met name de overgangsbepalingen van § 40, die op hun beurt voor bepaalde aspecten van de regeling verwijzen naar de voorgaande wetgeving van 1983 en 1993. In wezen blijft de voorgaande wetgeving, hoewel zij ongrondwettig is verklaard, in het onderhavige geval van toepassing door de verwijzing in § 40 van het TGVG 1996. Het is enkel op grond van de toepassing van de bepalingen van laatstgenoemde wet dat het klachtrecht van de Landesgrundverkehrsreferent in het onderhavige geding kan worden erkend. De verwijzende rechter wijst evenwel op een mogelijke onverenigbaarheid van de bepalingen van het TGVG 1996 met artikel 70 van de Toetredingsakte. Krachtens laatstgenoemde bepaling mag de Republiek Oostenrijk, bij wijze van uitzondering, haar bestaande wetgeving inzake tweede woningen gedurende een overgangsperiode handhaven. Volgens deze bepaling geldt de afwijking evenwel enkel voor de op het ogenblik van de toetreding bestaande wetgeving, terwijl het TGVG 1996 - dat de bepalingen bevat op grond waarvan de administratieve autoriteit bevoegd is om in de hoofdprocedure in rechte op te treden - later is vastgesteld. De verwijzende rechter vraagt het Hof daarom, of het TGVG 1996, gelet op de omstandigheden van dit geval, onder de werkingssfeer van de in artikel 70 van de Toetredingsakte neergelegde afwijking kan vallen. De prejudiciële vraag is aldus geformuleerd:
"Moet artikel 70 van de Toetredingsakte (Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrondvest), bepalende dat de Republiek Oostenrijk onverminderd de verplichtingen op grond van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, haar bestaande wetgeving inzake tweede woningen gedurende vijf jaar na de toetreding (1 januari 1995) mag handhaven, aldus worden uitgelegd, dat de overgangsbepalingen van § 40, leden 2 en 5, van het Tiroler Grundverkehrsgesetz 1996 (gepubliceerd in het Landesgesetzblatt für Tirol nr. 61/1996) onder het begrip $bestaande wetgeving' vallen, of moeten deze bepalingen als nieuwe wetgeving worden aangemerkt, nu de bepalingen van eerdere versies van het Tiroler Grundverkehrsgesetz ingevolge uitspraken van het Oostenrijkse Verfassungsgerichtshof niet op het onderhavige geval konden worden toegepast?"
De bevoegdheid van het Hof
7 De Oostenrijkse regering en de Commissie zijn van mening, dat het Hof de vraag van de verwijzende rechter niet moet beantwoorden. Huns inziens is de beschrijving van de feiten en van het rechtskader in de verwijzingsbeschikking onvolledig, en kan het Hof op grond van die beschrijving de strekking van de vraag en het nut daarvan voor de oplossing van het hoofdgeding niet begrijpen. Volgens hen kan uit de uiteenzetting van de rechter a quo daarentegen worden opgemaakt, dat de gestelde vraag louter hypothetisch is. Om te beginnen valt het voorgelegde geval niet onder de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht, daar de litigieuze transactie van 1983 dateert, en dus vóór de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Gemeenschap is gesloten. Het gemeenschapsrecht is derhalve ratione temporis niet van toepassing. Daarbij komt, dat alle het onderhavige geding kenmerkende elementen, binnen één lidstaat zijn gesitueerd. Het gaat dus om een geding dat volledig buiten de werkingssfeer van de gemeenschapsregels valt.
8 Deze opvatting is mijns inziens correct. In de rechtspraak van het Hof wordt eenduidig verklaard, dat "het wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, noodzakelijk is dat deze een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd".(10) Dit betekent, dat de nationale rechter het feitelijk en juridisch kader dat het hoofdgeding kenmerkt, uitputtend moet beschrijven. Daarmee wordt een dubbel doel nagestreefd: "de regeringen der lidstaten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid bieden, overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs Statuut-EG opmerkingen te maken"(11), en het Hof in staat stellen, zijn bevoegdheid om op de vragen van de nationale rechter te antwoorden, te toetsen.(12) Het staat immers aan de nationale rechter om de noodzakelijkheid en de relevantie te beoordelen van de prejudiciële vragen die hij aan het Hof voorlegt. Het Hof behoudt zich evenwel een toetsing van die beoordeling voor, om na te gaan of de door de nationale rechter gestelde vraag over de uitlegging van het communautair voorschrift "verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het geding", dan wel of "het vraagstuk van hypothetische aard is en het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor een nuttig antwoord op de gestelde vragen noodzakelijk zijn".(13) Het Hof wenst met andere woorden een zekere controle te bewaren over de correcte toepassing van het prejudiciële mechanisme, precies om te verzekeren dat deze procedure werkelijk wordt gebruikt als een instrument van samenwerking tussen de nationale rechter en het Hof. Het systeem van artikel 177 EG-Verdrag stelt het Hof in staat, met zijn uitlegging bij te dragen tot de oplossing van gedingen waarin communautaire regels worden toegepast. Dat leidt tot de niet-ontvankelijkheid van vragen die, omdat zij enkel een louter theoretisch of hypothetisch belang hebben, niet nuttig zijn voor de oplossing van het concrete geding.
9 Dit gezegd zijnde, ben ik van mening dat de strenge voorwaarden van de rechtspraak van het Hof in casu niet vervuld zijn. De voorgelegde vraag heeft immers betrekking op artikel 70 van de Toetredingsakte, en met name op de draagwijdte van de tijdelijke afwijking die ter zake van tweede woningen aan de Republiek Oostenrijk is verleend. De toepasselijkheid van die afwijking hangt evenwel af van de impliciete maar ondubbelzinnige voorwaarde, dat er sprake is van een schending van het Verdrag, die binnen de werkingssfeer van die afwijking kan vallen. Indien geen schending van de door het Verdrag gewaarborgde vrijheden wordt aangevoerd, is er uiteraard geen reden om in het kader van een vermeende schending van de communautaire verplichtingen, een beroep te doen op de in voornoemd artikel 70 bedoelde afwijking. In het onderhavige geval volgt de nationale rechter evenwel een andere benadering. Met de vraag in de verwijzingsbeschikking wenst hij te vernemen, of de in de Toetredingsakte neergelegde afwijking ook betrekking heeft op een wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding wordt toegepast, zonder dat hij melding maakt van een schending van door de communautaire rechtsorde gewaarborgde rechten. Logischerwijze kan evenwel enkel een vermeende schending van die rechten rechtvaardigen, dat de betrokken afwijking moet worden toegepast. De verwijzende rechter verklaart evenwel niet, op welke gronden hij de toepassing van de afwijking van artikel 70, en daarmee het stellen van de betrokken prejudiciële vraag, noodzakelijk acht.
10 Maar er is meer. De in de verwijzingsbeschikking uiteengezette feiten lijken erop te wijzen, dat het onderhavige geval geen enkele band met het gemeenschapsrecht heeft: het onroerend goed dat het voorwerp is van het bij de verwijzende rechter aanhangige geding, is in Oostenrijk gelegen, en de verkoper en de koper zijn beiden Oostenrijks onderdaan. Het gaat dus om een geheel van feiten dat uitsluitend gevolgen heeft binnen één enkele lidstaat, en daardoor buiten de toepassing van het gemeenschapsrecht valt.(14) In die omstandigheden zou het antwoord van het Hof op de gestelde vraag louter hypothetisch zijn, aangezien het antwoord betrekking zou hebben op de uitlegging van een bepaling waarvan reeds vaststaat, dat zij in het hoofdgeding niet van toepassing is.
Ervan uitgaande dat het in het hoofdgeding ingediende beroep tot nietigverklaring gebaseerd is op het feit dat het bij de transactie om een schijnhandeling zou gaan, of althans om een transactie ter ontduiking van de wet, is misschien een andere beoordeling mogelijk. Men kan - zoals de Landesgrundverkehrsreferent in zijn schriftelijke opmerkingen(15) - erkennen, dat de fictieve transactie in werkelijkheid het gebruik van een tussenpersoon in de litigieuze constructie van overeenkomsten verbergt, waarin de werkelijke koper niet een Oostenrijker maar een andere gemeenschapsonderdaan was. Zoals ik reeds heb gezegd, wordt dit aspect uitsluitend in de opmerkingen van de Landesgrundverkehrsreferent vermeld - en niet nader uitgewerkt -, terwijl de verwijzende rechter er in zijn uiteenzetting geen melding van maakt. Volgens de rechtspraak van het Hof moet de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing evenwel een duidelijke en uitputtende beschrijving geven van de elementen, rechtens en feitelijk, van het hoofdgeding, omdat enkel de verwijzingsbeschikkingen ter kennis van de betrokken partijen, waaronder de regeringen van de lidstaten, worden gebracht.(16) Het lijkt mij in dit geval niet gerechtvaardigd, dat het Hof zich waagt op het terrein van hypothetische reconstructies waarnaar in de verwijzingsbeschikking niet wordt verwezen en waarover de betrokken regeringen geen standpunt hebben kunnen innemen. Temeer daar het Hof zelf voorzichtig te werk is gegaan wanneer het gevaar bestond dat het op hypothetische vragen zou antwoorden, en dit om de nuttige werking van het mechanisme van de prejudiciële verwijzing te bewaren, dat anders oneigenlijk zou worden gebruikt.
11 Ik ben derhalve van mening, dat het Hof de prejudiciële vraag van de verwijzende rechter niet moet beantwoorden: de eventueel door het Hof gegeven uitlegging zou immers - gelet op de bewoordingen van de verwijzingsbeschikking - betrekking hebben op zuiver interne feiten, aangezien in het hoofdgeding geen belangen lijken te spelen die door de communautaire rechtsorde moeten worden beschermd.(17) Zo gezien lijkt de door de verwijzende rechter gestelde vraag om uitlegging niet te beantwoorden aan "een objectieve behoefte voor de beslissing van de nationale rechter"(18), zoals evenwel door de rechtspraak van het Hof wordt vereist. En bij gebreke van een dergelijke noodzakelijkheid is het Hof duidelijk geneigd, zijn bevoegdheid om op de prejudiciële vraag van de nationale rechter te antwoorden, af te wijzen.(19)
Ten gronde
12 Mocht het Hof van oordeel zijn, dat de prejudiciële vraag toch moet worden beantwoord, ga ik nu over tot het onderzoek ten gronde van de vraag.
Het door de verwijzende rechter voorgelegde probleem is in wezen hetzelfde als het probleem dat in de zaak Konle reeds onder de aandacht van het Hof is gebracht. Op dat punt beperk ik er mij dus toe, de overwegingen die ik in die zaak heb ontwikkeld, over te nemen.(20) Het probleem is in wezen, of een wettelijke regeling die van een latere datum is dan de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Gemeenschap, onder de werkingssfeer van de afwijkingsbepaling van artikel 70 van de Toetredingsakte kan vallen, waar zij verwijst naar wettelijke bepalingen van een eerdere datum dan de toetreding. Voornoemd artikel 70 bepaalt immers: "Onverminderd de verplichting op grond van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, mag de Republiek Oostenrijk zijn bestaande wetgeving inzake tweede woningen gedurende vijf jaar na de toetreding handhaven." Bijgevolg moet worden uitgemaakt, of een wettelijke regeling zoals het TGVG 1996 - die zeker van een latere datum dan de toetreding is - niettemin deel uitmaakt van de wetgeving die krachtens voornoemd artikel 70 mag worden gehandhaafd.
Mijns inziens moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. Zoals ik in mijn conclusie in de zaak Konle heb kunnen preciseren, vormt artikel 70 een afwijkingsbepaling die volgens de rechtspraak van het Hof in strikte zin moet worden uitgelegd.(21) Deze bepaling dient ertoe, de Oostenrijkse Staat van aansprakelijkheid te vrijwaren indien hij, tijdens de hem gegunde periode, zijn wetgeving inzake tweede woningen handhaaft. De afwijking geldt dus voor ten tijde van de toetreding bestaande bepalingen. Dit betekent, dat alle door de Tiroolse wetgever na die datum vastgestelde voorschriften buiten de werkingssfeer van artikel 70 vallen, en dus noodzakelijkerwijze in overeenstemming moeten zijn met de communautaire verplichtingen waarvan de Republiek Oostenrijk vrijgesteld zou zijn indien de afwijking kon worden toegepast. Chronologisch dateert het TGVG 1996 evenwel ongetwijfeld van na de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Gemeenschap. Mijns inziens kan niet worden betoogd, dat het TGVG 1996 slechts formele wijzigingen in het voorheen geldende systeem heeft aangebracht, doch de bepalingen daarvan voor het wezenlijke in stand heeft gelaten. Het TGVG 1996 voert immers een algemene vergunningsplicht voor de aankoop van onroerend goed in, waarbij de bevoegde instantie de bevoegdheid krijgt, de vergunning voor de aankoop van onroerend goed via een verkorte procedure te verlenen. Dit was ten tijde van de toetreding niet mogelijk.(22) Door de afschaffing van de verklaringsprocedure waarin het TGVG 1993 voorzag en de invoering van een vergunningsprocedure voor iedereen, werd bovendien de overdraagbaarheid van onroerend goed verder beperkt. Zowel om chronologische als om inhoudelijke redenen kan het TGVG 1996 dus niet worden aangemerkt als een deel van de bestaande wetgeving die ten tijde van de toetreding van kracht was, en die onder de in artikel 70 bedoelde afwijking valt.
Conclusie
13 Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging, het door het Oberste Gerichtshof bij beschikking van 28 augustus 1997 ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk te verklaren.
(1) - PB 1994, C 241, blz. 21.
(2) - Artikel 70 bepaalt: "Onverminderd de verplichting op grond van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, mag de Republiek Oostenrijk zijn bestaande wetgeving inzake tweede woningen gedurende vijf jaar na de toetreding handhaven."
(3) - Tiroler Grundverkehrsgesetz van 18 oktober 1983.
(4) - Tiroler Grundverkehrsgesetz van 3 juli 1991.
(5) - § 16a, lid 1. Volgens de slotbepalingen van de wet was deze ook van toepassing op "alle bij de inwerkingtreding van deze wet bestaande fictieve transacties of transacties ter ontduiking van de wet" (vrije vertaling).
(6) - Tiroler Grundverkehrsgesetz van 7 juli 1993.
(7) - Deze bepaling zegt, dat de "Landesgrundverkehrsreferent een vordering kan instellen tot vaststelling van de nietigheid van een rechtshandeling, met name omdat het gaat om een fictieve transactie of een transactie ter ontduiking van de wet".
(8) - Tiroler Grundverkehrsgesetz van 3 juli 1996.
(9) - Voor het overige bepaalt § 40:
"2. In administratieve geschillen inzake onroerendgoedtransacties, die per 1 januari 1994 aanhangig waren, blijven de inhoudelijke bepalingen van het TGVG 1983 van toepassing. Wat de bevoegde instanties en de procedures betreft, gelden de bepalingen van de onderhavige wet.
3. Op rechtshandelingen en transacties die vóór 1 januari 1994 zijn gesloten, blijven de inhoudelijke bepalingen van het TGVG 1983 van toepassing. Wat de bevoegde instanties en de procedures betreft, gelden de bepalingen van de onderhavige wet.
4. Overtredingen van het TGVG 1983, die vóór 1 januari 1994 zijn begaan, moeten worden vervolgd overeenkomstig het TGVG 1983. Overtredingen zoals bepaald in het TGVG, LGBl. Nr. 82/1993, die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn begaan, moeten worden vervolgd overeenkomstig het TGVG, LGBl. Nr. 82/1993.
(...)
6. De §§ 34 en 35 gelden ook voor reeds in het hypotheekregister ingeschreven rechtshandelingen, waarvoor ingevolge het TGVG 1983 een vergunning nodig zou zijn geweest" (vrije vertaling).
(10) - Zie arrest van 26 januari 1993, Telemarsicabruzzo e.a. (C-320/90 tot C-322/90, Jurispr. blz. I-393, punt 6); beschikkingen van 19 maart 1993, Banchero (C-157/92, Jurispr. blz. I-1085, punt 4); 30 juni 1997, Banco de Fomento e Exterior (C-66/97, Jurispr. blz. I-3757, punt 7); 30 april 1998, Testa en Modesti (C-128/97 en C-137/97, Jurispr. blz. I-2181, punt 5), en 8 juli 1998, Agostini (C-9/98, Jurispr. blz. I-4261, punt 4).
(11) - Zie, onder meer, de beschikking Testa en Modesti, reeds aangehaald, punt 6.
(12) - Zie arrest van 16 juli 1992, Meilicke (C-83/91, Jurispr. blz. I-4871, punt 25).
(13) - Arrest van 16 januari 1997, USSL nr. 47 di Biella (C-134/95, Jurispr. blz. I-195, punt 12).
(14) - De niet-toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht op zuiver interne situaties volgt uit vaste rechtspraak van het Hof. Zie, onder meer, arresten van 23 april 1991, Höfner en Elser (C-41/90, Jurispr. blz. I-1979, punt 37); 28 januari 1992, Steen (C-332/90, Jurispr. blz. I-341, punt 9), en 16 februari 1995, Aubertin e.a. (C-29/94 tot C-35/94, Jurispr. blz. I-301, punt 9), en USSL nr. 47 di Biella, reeds aangehaald (punt 19).
(15) - De Landesgrundverkehrsreferent trekt uit zijn opmerking overigens niet de nodige consequenties, nu hij zelf verdedigt dat het Hof niet bevoegd is om op de gestelde vraag te antwoorden op grond dat de litigieuze onroerendgoedtransactie betrekking heeft op twee Oostenrijkse onderdanen, zodat er sprake is van een aan een lidstaat zuiver interne situatie.
(16) - Volgens de rechtspraak "dient het Hof erop toe te zien, dat deze mogelijkheid gewaarborgd is, in aanmerking genomen dat (...) alleen de verwijzingsbeschikkingen ter kennis van de betrokken partijen worden gebracht"; zie arrest van 1 april 1982, Holdijk e.a. (141/81 tot 143/81, Jurispr. blz. 1299, punt 6); beschikkingen van 23 maart 1995, Saddik (C-458/93, Jurispr. blz. I-511, punt 13); 7 april 1995, Grau Gomis e.a. (C-167/94, Jurispr. blz. I-1023, punt 10); 21 december 1995, Max Mara (C-307/95, Jurispr. blz. I-5083, punten 8 en 20), en 20 maart 1996, Sunino en Data (C-2/96, Jurispr. blz. I-1543, punt 5).
(17) - Dit middel omvat mijns inziens het door de Oostenrijkse regering en de Commissie aangevoerde middel inzake de niet-toepasselijkheid ratione temporis van het gemeenschapsrecht op het onderhavige geval. Er bestaat mijns inziens immers geen twijfel over het feit, dat de omstandigheden van het hoofdgeding van een eerdere datum zijn dan de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Gemeenschap. In het arrest van 2 oktober 1997, Saldanha en MTS (C-122/96, Jurispr. blz. I-5325, punt 14) heeft het Hof, geconfronteerd met een soortgelijke problematiek als in dit geval wordt onderzocht, bevestigd dat het gemeenschapsrecht zelfs op feiten van een eerdere datum dan de toetreding van de Republiek Oostenrijk van toepassing was, omdat de gevolgen van die eerder ontstane situaties na de toetreding bleven bestaan (en voortduren). Die uitspraak maakt het moeilijk om in het onderhavige geval de niet-toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht ratione temporis te aanvaarden. Mijns inziens gaat het hoe dan ook om een middel dat hier irrelevant is, aangezien de in de tekst uiteengezette overwegingen inzake de niet-toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht ratione materiae op zich voldoende lijken om de niet-ontvankelijkheid van het prejudiciële verzoek te rechtvaardigen.
(18) - Zie beschikking Testa en Modesti, reeds aangehaald, punt 17.
(19) - Zie arrest van 9 oktober 1997, Grado en Bashir (C-291/96, Jurispr. blz. I-5531, punten 16 en 17), en beschikking van 16 mei 1994, Monin Automobiles (C-428/93, Jurispr. blz. I-1707, punten 15 en 16).
(20) - Zie conclusie van 23 februari 1999 in zaak Konle (C-302/97, Jurispr. blz. I-3099).
(21) - Zie arrest van 3 december 1988, KappAhl (C-233/97, Jurispr. blz. I-8069, punten 15 en 21).
(22) - Het TGVG 1993 eiste in wezen een vergunning voor de aankoop. Die vergunningsplicht gold echter niet voor Oostenrijkse onderdanen die verklaarden, dat zij op het verworven perceel geen tweede woning wilden bouwen. Aan vreemdelingen kon de vergunning slechts worden afgegeven, wanneer hun verkrijging van het onroerend goed niet indruiste tegen de economische belangen van de Oostenrijkse Staat en er een economisch, cultureel of sociaal belang bestond.
Full & Egal Universal Law Academy