Conclusie van de advocaat generaal
1. In de onderhavige zaak vraagt de Tribunale civile e penale di Venezia (Italië) het Hof of de bepalingen van de richtlijnen 75/362/EEG en 75/363/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76/EEG, volgens welke artsen gedurende hun full- of parttime specialistenopleiding recht hebben op een passende bezoldiging", rechtstreekse werking hebben.
2. Die vraag heeft het Hof gedeeltelijk reeds beantwoord in het arrest van 25 februari 1999, Carbonari e.a. In die zaak gaat het om de vraag of de bepalingen inzake het recht op bezoldiging in de genoemde richtlijnen voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk waren om rechtstreeks rechten toe te kennen aan justitiabelen die zich erop beroepen, in het geval van een fulltime opleiding.
3. Thans wordt het Hof gevraagd om na te gaan of de oplossing in de zaak Carbonari e.a., reeds aangehaald, zich laat overdragen op het geval waarin een aantal verzoekers hun opleiding in deeltijd volgen.
I - Juridisch kader
A - De gemeenschapswetgeving
1. De relevante bepalingen van de voornoemde richtlijnen
4. De erkenningsrichtlijn regelt de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van de arts en bevat maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten.
5. De erkenningsrichtlijn onderscheidt de diploma's, certificaten en andere titels van specialist al naargelang zij in alle lidstaten dan wel alleen in twee of meer daarvan bestaan. In het eerste geval volgt de erkenning automatisch, indien ingevolge artikel 4 van de erkenningsrichtlijn de houders ervan een opleiding hebben gevolgd die beantwoordt aan de minimumvoorwaarden van de coördinatierichtlijn. In het tweede geval bepaalt artikel 6, dat de erkenning - mits de houders daarvan zich kunnen beroepen op een opleiding die voldoet aan de in de coördinatierichtlijn gestelde eisen - tussen deze lidstaten onderling automatisch is.
6. Richtlijn 75/363 (hierna: coördinatierichtlijn") coördineert de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts, terwijl de lidstaten voor het overige worden vrijgelaten in het organiseren van hun onderwijs".
7. De coördinatierichtlijn voorziet in een zekere harmonisatie van de opleidingseisen en de voorwaarden voor de toegang tot de verschillende medische specialismen met het oog op de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van de specialist en teneinde alle beroepsbeoefenaars die onderdaan zijn van de lidstaten binnen de Gemeenschap op zekere voet van gelijkheid te plaatsen". Echter, deze minimumcriteria zowel voor de toegang tot de gespecialiseerde opleiding als voor de minimumduur van deze opleiding, de wijze waarop en de plaats waar deze moet plaatsvinden, alsmede voor het toezicht dat erop moet worden uitgeoefend, (...) [hebben] (...) slechts betrekking (...) op die specialisaties die alle lidstaten dan wel twee of meer lidstaten gemeen hebben".
8. Die richtlijnen werden gewijzigd bij richtlijn 82/76 die tot doel had, zoals duidelijk verklaard in de derde overweging van de considerans, te voorzien in een nieuwe strakkere regeling van de deeltijdse opleiding. Bij richtlijn 82/76 zijn voorts verschillende technische wijzigingen aangebracht in de erkennings- en coördinatierichtlijnen, die nodig waren geworden door ontwikkelingen in de nationale wetgeving van de lidstaten en de verworven ervaring gedurende de eerste jaren van toepassing.
9. Die richtlijnen zijn ingetrokken en vervangen door richtlijn 93/16/EEG die geen wijziging brengt in de belangrijkste bepalingen van genoemde richtlijnen, maar tot doel heeft om redenen van rationele ordening van de tekst en om redenen van duidelijkheid" die verordeningen te codificeren en in één tekst bijeen te brengen.
10. Artikel 1 van de coördinatierichtlijn verplicht de lidstaten, de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van de arts afhankelijk te stellen van het bezit van een diploma, certificaat of andere titel van arts als bedoeld in artikel 3 van de erkenningsrichtlijn, welk diploma waarborgt dat de betrokkene gedurende de totale duur van de opleiding de in artikel 1, lid 1, sub a tot en met d, van de coördinatierichtlijn vermelde minimumkennis heeft verworven.
11. Artikel 2, lid 1, van die richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76, noemt de voorwaarden waaraan de opleiding voor het behalen van een diploma, certificaat of andere titel van specialist moet voldoen. Die opleiding moet fulltime zijn en onder controle staan van de bevoegde autoriteiten of instanties overeenkomstig het bepaalde in punt 1 van de bijlage, en plaatsvinden in een universitair centrum, in een universitair centrum voor ziekenverpleging of eventueel in een daartoe door de bevoegde autoriteiten of instanties erkende inrichting voor gezondheidszorg.
12. Volgens artikel 2, lid 3, van de coördinatierichtlijn wijzen de lidstaten de autoriteiten of instanties aan die bevoegd zijn tot het afgeven van de in lid 1 bedoelde diploma's, certificaten en andere titels.
13. Ingevolge artikel 3 van de coördinatierichtlijn, zoals gewijzigd bij artikel 10 van richtlijn 82/76, kunnen de lidstaten een parttime specialistenopleiding toestaan. Dit artikel noemt daarvoor enkele voorwaarden. Een parttime opleiding kan worden toegestaan wanneer een fulltime opleiding, wegens bewezen persoonlijke omstandigheden niet kan worden verwezenlijkt. Voorts moet de parttime opleiding worden gegeven overeenkomstig het bepaalde in punt 2 van bijlage I en dient zij kwalitatief van gelijk niveau te zijn als de fulltime opleiding. Dit niveau mag noch door het parttime karakter van de opleiding noch door de uitoefening van betaalde privéberoepswerkzaamheden in gevaar worden gebracht. De totale duur van de specialistenopleiding kan niet worden verkort wegens het feit dat zij parttime geschiedt.
14. De punten 1 en 2 van de bijlage die bij artikel 13 van richtlijn 82/76 aan de coördinatierichtlijn is toegevoegd, luiden als volgt:
Kenmerken van de fulltime en van de parttime specialistenopleiding", is bepaald:
1. Fulltime specialistenopleiding
Deze opleiding vindt plaats in het kader van door de bevoegde autoriteiten erkende specifieke opleidingsplaatsen.
Zij houdt deelneming in aan alle medische activiteiten van de afdeling waar de opleiding wordt genoten, inclusief de wachtdiensten, zodat de specialist in opleiding aan deze praktische en theoretische opleiding al zijn beroepsactiviteit wijdt gedurende de gehele werkweek en gedurende het gehele jaar op de wijze vastgesteld door de bevoegde autoriteiten. Bijgevolg wordt deze opleiding op passende wijze bezoldigd.
De opleiding kan worden onderbroken om redenen zoals militaire dienst, wetenschappelijke opdrachten, zwangerschap en ziekte. Deze onderbrekingen mogen de totale duur van de opleiding niet verkorten.
2. Parttime specialistenopleiding
Deze opleiding beantwoordt aan dezelfde eisen als de fulltime opleiding, waarvan zij zich slechts onderscheidt door de mogelijkheid de deelneming aan de medische activiteiten te beperken tot een tijdsduur die ten minste gelijk is aan de helft van die welke in punt 1, tweede alinea, is voorgeschreven.
De bevoegde autoriteiten zien erop toe dat de totale duur en de kwaliteit van de parttime specialistenopleiding niet minder zijn dan die van de fulltime specialistenopleiding.
Deze parttime opleiding wordt derhalve op passende wijze bezoldigd."
15. De artikelen 4 en 5 van de coördinatierichtlijn stellen de minimumduur van de specialistenopleidingen vast voor het behalen van diploma's, certificaten en andere titels als bedoeld in de artikelen 5 en 7 van de erkenningsrichtlijn, die alle lidstaten dan wel twee of meer lidstaten gemeen hebben.
2. De rechtspraak van het Hof
16. Ten slotte treffen volgens artikel 16 van richtlijn 82/76 de lidstaten de nodige maatregelen om uiterlijk op 31 december 1982 aan de richtlijn te voldoen.
17. Wat betreft de vraag, aan wie door de erkennings- en de coördinatierichtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76, rechten worden toegekend, en meer in het bijzonder het recht op bezoldiging gedurende de specialistenopleiding, heeft het Hof steeds verklaard, dat de in artikel 2, lid 1, sub c, van de coördinatierichtlijn voorziene verplichting om voor de duur van de specialistenopleiding een bezoldiging te betalen, slechts geldt voor specialismen die in alle lidstaten of in twee of meer lidstaten bestaan en in de artikelen 5 of 7 van de erkenningsrichtlijn zijn genoemd".
B - De nationale wettelijke regeling
1. De Italiaanse regeling
18. De erkenningsrichtlijn en de coördinatierichtlijn zijn door de Italiaanse Republiek bij wet nr. 217 van 22 mei 1978 omgezet.
19. Bij arrest van 7 juli 1987, Commissie/Italië oordeelde het Hof, dat de Italiaanse Republiek, door niet tijdig de nodige bepalingen vast te stellen om zich te voegen naar richtlijn 82/76, de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen.
20. Na dit arrest is richtlijn 82/76 omgezet bij wetsbesluit nr. 257 van 8 augustus 1991, dat 15 dagen na de datum van bekendmaking in werking is getreden.
21. Artikel 4 van wetsbesluit nr. 257 legt de rechten en verplichtingen vast van de artsen die een specialistenopleiding volgen, en artikel 6 ervan voert ten gunste van hen een studiebeurs in.
22. Artikel 6, lid 1, van wetsbesluit nr. 257 luidt: Degenen die (...) tot een specialistenopleiding zijn toegelaten, ontvangen in het kader van een voltijdse aanstelling ten behoeve van hun opleiding voor de gehele duur van de cursus, met uitsluiting van de perioden waarin het specialisme wordt onderbroken, een studiebeurs die voor 1991 is vastgesteld op 21 500 000 LIT. Vanaf 1 januari 1992 wordt dit bedrag jaarlijks op basis van het vastgestelde inflatiepercentage geïndexeerd en wordt het om de drie jaar bij decreet van de minister van Volksgezondheid herzien (...) met inachtneming van de verbetering van de minimumloontabel die geldt voor de arbeidsovereenkomsten van het medisch personeel dat bij de Nationale gezondheidsdienst in loondienst is."
23. Ten slotte bepaalt artikel 8, lid 2, van wetsbesluit nr. 257: De bepalingen van dit wetsbesluit zijn van toepassing met ingang van het academisch jaar 1991/1992."
2. De toepassing van de Italiaanse regeling
24. In confesso is dat de bepalingen van richtlijn 82/76 die voor de lidstaten de verplichting inhouden om aan medische specialisten in opleiding een gepaste bezoldiging te betalen, door de Italiaanse Republiek bij artikel 6 van wetsdecreet nr. 257 ten uitvoer zijn gelegd, welke laatste bepaling aldus wordt uitgelegd dat de hiermee ingevoerde studiebeurs niet toekomt aan vóór het jaar 1991/1992 bij de verschillende specialisatieopleidingen ingeschreven artsen, ook niet na het studiejaar 1991/1992.
II - De feiten en het procesverloop
25. Mevrouw Gozza en 23 andere afgestudeerden in de geneeskunde (hierna: verzoekers"), ingeschreven aan een specialisatieopleiding voor anesthesie en intensive care aan de medische faculteit van de universiteit van Padua gedurende het studiejaar 1990/1991, konden aan het begin van hun opleiding niet in aanmerking komen voor de bij wetsbesluit nr. 257 ingevoerde studiebeurs. In de loop van de maand augustus 1991 stelden zij beroep in voor de Pretore di Padova, fungerend als rechter in arbeidszaken, waarbij zij erkenning vorderden van hun recht op een passende bezoldiging voor de door hen gevolgde specialisatieopleiding.
26. Na enkele processuele verwikkelingen, waarbij de Corte suprema di cassazione heeft moeten beslissen welke rechter bevoegd is, werd de zaak verwezen naar de verwijzende rechter, in diens hoedanigheid van foro erariale" (fiscale rechter). De Corte suprema di cassazione heeft namelijk uitgemaakt dat in casu geen sprake was van een publiek- of privaatrechtelijke arbeidsverhouding in ondergeschiktheid of semi-ondergeschiktheid, zodat de zaak naar een rechter voor arbeidsgeschillen moest worden verwezen.
27. Bij verzoekschrift van 14 maart 1996 hebben de artsen, wier aantal in de loop van de verschillende fasen van de procedure was gegroeid van 24 tot 636 - de procedure hervat voor de Tribunale civile e penale di Venezia.
28. Verzoekers, allen afgestudeerd in de geneeskunde en de chirurgie, hebben gesteld dat zij zijn ingeschreven bij verschillende specialistenopleidingen aan de universiteit van Padua, en zij vorderen erkenning van hun recht op een passende bezoldiging overeenkomstig het bepaalde in de erkennings- en de coördinatierichtlijn en in richtlijn 82/76; zij vorderen derhalve dat de genoemde universiteit en de andere verweerders - de Ministeries van Universitair onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek, het Ministerie van Volksgezondheid en het Ministerie van Onderwijs - worden veroordeeld tot betaling van de verschuldigde, in de loop van het geding bij staat op te maken bedragen.
29. Verweerders bestrijden deze vorderingen met het argument dat de richtlijnen geen rechtstreekse werking kunnen hebben, omdat zij niet nader aangaven wie de passende bezoldiging verschuldigd was en met name niet de criteria vermeldden aan de hand waarvan die passende bezoldiging moest worden bepaald. Er was dus nadere regelgeving voor nodig, namelijk de omzettingswetgeving in elke lidstaat, om nadere invulling te geven aan die criteria.
30. Verweerders houden voorts staande, dat artikel 6 van wetsbesluit nr. 257, waarmee de Italiaanse Republiek haar communautaire verplichting is nagekomen tot betaling van een passende bezoldiging, geen verschil in behandeling meebracht tussen specialisten in opleiding die zich vóór het academisch jaar 1991/1992 hadden ingeschreven (zoals verzoekers), op wie de nieuwe regeling niet van toepassing was, en degenen die zich nadien hadden ingeschreven, voor wie die regeling wel gold. Anders dan de na 1991/1992 ingeschreven artsen waren de voordien ingeschreven artsen, waaronder verzoekers, niet verplicht om zich fulltime te verbinden en evenmin om te verklaren geen beroepsactiviteiten te zullen verrichten. Verweerders erkenden echter, dat verzoekers in het hoofdgeding een parttime specialistenopleiding volgden.
31. Van oordeel dat de oplossing van het geschil afhing van de uitlegging van richtlijn 82/76, heeft de Tribunale civile e penale di Venezia bij beschikking van 7 oktober 1997 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1) Moet de bepaling in richtlijn 82/76/EEG, dat zowel de fulltime als de parttime specialistenopleiding van artsen ,op passende wijze [wordt] bezoldigd, aldus worden uitgelegd, dat deze bepaling, ook voor de periode waarin door de Italiaanse Republiek vast te stellen specifieke bepalingen zijn uitgebleven, ten gunste van specialisten in opleiding rechtstreekse werking heeft, met dien verstande dat deze bepaling hun jegens de bevoegde overheidsinstanties een volledig recht toekent op een passende bezoldiging als tegenprestatie voor de werkzaamheden die zij in het kader van hun beroepsopleiding verrichten?
2) Wanneer een dergelijk recht wordt erkend, welke zijn dan de criteria om te bepalen, wat een ,passende bezoldiging is, zowel voor fulltime als voor parttime opleidingen?"
III - Beoordeling
A - De ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen
32. De Spaanse regering betoogt in haar schriftelijke opmerkingen, dat de gestelde vragen niet-ontvankelijk zijn, omdat het feitelijk kader onvolledig is. Volgens haar geldt de verplichting ingevolge artikel 2, lid 1, sub c, van de coördinatierichtlijn, om de opleiding tot medisch specialist te bezoldigen, ingevolge de vaste rechtspraak van het Hof alleen voor specialismen die in alle lidstaten of in twee of meer lidstaten bestaan en in artikel 5 of artikel 7 van de erkenningsrichtlijn zijn vermeld. In casu heeft de verwijzende rechter verzuimd de precieze aard te noemen van de medische specialismen waarop verzoekers in het hoofdgeding zich toeleggen.
33. Inderdaad bevat de verwijzingsbeschikking niet de feitelijke gegevens die het Hof in staat zouden stellen om een volledig antwoord te geven aan de verwijzende rechter. Het ontbreken van die nadere gegevens lijkt mij voor het Hof echter geen beletsel om te antwoorden op de door de verwijzende rechter gestelde vragen. Voldoende is immers dat de bepalingen van de erkennings- en coördinatierichtlijn zeer nauwkeurig zowel de in de lidstaten geldende benamingen voor de betrokken specialistenopleidingen noemen als de autoriteiten en instellingen die bevoegd zijn tot afgifte van de diploma's, certificaten en andere titels voor de betrokken specialismen.
34. Het staat dus aan de verwijzende rechter om uit te maken, wie van de verzoekers in het hoofdgeding een van die specialistenopleidingen volgen en daardoor op grond van de coördinatierichtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76, aanspraak kunnen maken op een passende bezoldiging gedurende hun opleiding."
35. De Italiaanse regering bestrijdt weliswaar niet dat de prejudiciële vragen afkomstig zijn van een rechterlijke instantie" in de zin van artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG), maar meent dat het Hof die prejudiciële vragen toch niet-ontvankelijk moet verklaren op grond dat zij afkomstig zijn van een rechter die naar Italiaans procesrecht niet de rechter is (of zal zijn) die in deze zaak uitspraak ten gronde moet of zal moeten doen.
36. Hierop zij in de eerste plaats verwezen naar de vaste rechtspraak, dat in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de nationale rechter en het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 177 van het Verdrag, de nationale rechter het best in staat is om met volledige kennis van zaken de noodzaak en de relevantie te beoordelen van de vraag die het Hof stelt om het voor hem dienende geschil op te lossen.
37. In de tweede plaats staat het, gezien de taakverdeling tussen het Hof en de nationale rechter, niet aan het Hof om na te gaan of de beschikking waarbij het is aangezocht, is gegeven met inachtneming van de regels van nationaal recht betreffende de rechterlijke organisatie en de procesvoering".
38. Uit het voorgaande volgt dat de prejudiciële vragen ontvankelijk zijn.
B - Beantwoording
1. Inleidende opmerkingen
39. Met die vragen wenst de verwijzende rechter ter vernemen, of bij gebreke van tijdige omzetting van richtlijn 82/76, de bepalingen van deze richtlijn die de verplichting opleggen om voor fulltime of parttime specialistenopleidingen een passende bezoldiging te betalen, onvoorwaardelijk zijn en voldoende nauwkeurig opdat specialisten in opleiding zich voor de nationale rechter tegenover de overheidsinstanties van een lidstaat op deze verplichting kunnen beroepen.
2. De verplichting tot bezoldiging van de fulltime opleiding
40. Voor de fulltime opleiding heeft het Hof na een volledige en uitvoerige analyse van de communautaire regelgeving en de Italiaanse omzettingsbepalingen daarvan - welke nationale bepalingen volstrekt gelijkluidend waren met de bepalingen waarom het thans gaat - de nationale rechter alle gegevens aangereikt die nodig zijn voor de oplossing van geschillen van dien aard.
41. Het staat dus aan de nationale rechter om op de voor hem dienende geschillen de regels van gemeenschapsrecht toe te passen zoals die door het Hof in de zaak Carbonari e.a. zijn uitgelegd.
42. Het Hof verklaarde in dat arrest dat de verplichting om een bezoldiging toe te kennen voor een fulltime opleiding tot medisch specialist in beginsel rechtstreekse werking heeft.
Het Hof besliste namelijk, dat de bepalingen van artikel 2, lid 1, sub c, alsmede punt 1 van de bijlage bij de coördinatierichtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76, de lidstaten voorschrijven, artsen die in aanmerking komen voor de regeling van onderlinge erkenning, een bezoldiging te betalen voor hun specialistenopleiding, voor zover deze binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt. Deze verplichting is als zodanig onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig."
43. Het Hof verklaarde dat blijkens de algemene opzet van de coördinatie- en erkenningsrichtlijn en richtlijn 82/76, de verplichting om voor de duur van de opleiding tot medisch specialist een bezoldiging te betalen volledig is gekoppeld aan de naleving van de eisen voor de opleiding van de specialisten die de lidstaten als zodanig in staat stellen de diploma's, certificaten en andere titels van de specialist conform de erkenningsrichtlijn te erkennen" en dat de lidstaat waar de specialistenopleiding wordt gevolgd, moet waarborgen dat de opleiding aan alle voorwaarden van de coördinatierichtlijn en richtlijn 82/76 voldoet en dat de specialisten in opleiding een bezoldiging ontvangen".
44. Voorts heeft het Hof eraan herinnerd dat de verplichting om voor de duur van de specialistenopleiding een bezoldiging te betalen, slechts geldt voor specialismen die in alle lidstaten of in twee of meer lidstaten bestaan en in de artikelen 5 of 7 van de erkenningsrichtlijn zijn genoemd" en dat die artikelen wat de betrokken specialistenopleidingen betreft, zowel de in de lidstaten geldende benamingen als de bevoegde autoriteiten of instanties vermelden".
45. Om uit te maken of dit recht toekomt aan artsen die een opleiding volgen, heeft het Hof de verwijzende rechter geadviseerd een aantal punten na te gaan.
46. Ten eerste heeft het Hof aangegeven dat het aan de nationale rechter is om na te gaan of de artsen behoren tot de categorie van artsen die een van deze [in de artikelen 5 of 7 van de coördinatierichtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76 opgesomde] specialistenopleidingen volgen (...)".
47. Ten tweede staat het volgens het Hof ook aan de verwijzende rechter om na te gaan of die opleiding wordt gegeven overeenkomstig de vereisten van de coördinatierichtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76.
Het Hof overwoog: Punt 1 van de bijlage bij de coördinatierichtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76, is duidelijk en onvoorwaardelijk, in dier voege dat het deelneming verlangt aan alle medische activiteiten van de afdeling waar de opleiding wordt genoten, inclusief de wachtdiensten, zodat de specialist in opleiding gedurende de gehele werkweek en gedurende het gehele jaar al zijn beroepsactiviteit aan deze praktische en theoretische opleiding besteedt". Daarnaast overwoog het Hof dat ofschoon dit punt bepaalt dat de modaliteiten door de bevoegde autoriteiten moet worden vastgesteld, de in dit punt vermelde voorwaarden voor de fulltimeopleiding voldoende nauwkeurig zijn voor de verwijzende rechter om te kunnen bepalen, wie van de verzoekers in het hoofdgeding tot de categorie van specialisten in opleiding behoren, die in de periode vóór het academisch jaar 1991/1992 aan de eisen van de fulltimespecialistenopleiding in de zin van de coördinatierichtlijn en richtlijn 82/76 voldeden".
48. Omdat de coördinatierichtlijn en richtlijn 82/76 echter nergens aangeven welke instelling tot betaling van de passende bezoldiging verplicht is, hoe een passende bezoldiging op communautair niveau is gedefinieerd en hoe die bezoldiging moet worden vastgesteld, heeft het Hof geconcludeerd dat artikel 2, lid 1, sub c, en punt 1 van de bijlage bij de coördinatierichtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76, wat dit betreft, niet onvoorwaardelijk is. Zij stellen de nationale rechter immers niet in staat, te bepalen wie de passende bezoldiging verschuldigd is, noch hoe hoog deze is."
49. Overeenkomstig de beginselen die het Hof heeft geformuleerd met betrekking tot zijn taak uit hoofde van artikel 177 van het Verdrag, heeft het Hof langs de formeel gestelde vragen heenreikend, de verwijzende rechter eraan herinnerd dat het beginsel van voorrang uitkomst kan bieden wanneer het beginsel van rechtstreekse werking geen toepassing kan vinden. Anderzijds heeft het Hof benadrukt dat het beginsel van voorrang de eerbiediging van bepaalde imperatieven veronderstelt.
50. In de eerste plaats gaf het Hof aan dat de nationale rechter bij de toepassing van het nationale recht, in het bijzonder van de bepalingen van een wet die, zoals in het hoofdgeding, specifiek zijn ingevoerd om voor de omzetting van een richtlijn zorg te dragen, dit zo veel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 189, derde alinea, EG-Verdrag te voldoen". Voor wat wetsbesluit nr. 257 betrof, was het volgens het Hof aan de verwijzende rechter om te beoordelen, in hoeverre het geheel van nationale bepalingen, en meer bepaald voor de periode na hun inwerkingtreding de bepalingen van een met het oog op de omzetting van richtlijn 82/76 uitgevaardigde wet, reeds bij de inwerkingtreding van deze bepalingen in het licht van de bewoordingen en het doel van deze richtlijn kan worden uitgelegd teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken".
51. Indien het door een richtlijn voorgeschreven resultaat niet via uitlegging kan worden bereikt, zo overwoog het Hof, zouden de verzoekende partijen kunnen overwegen tegen de in gebreke gebleven staat een schadevordering in te stellen, voor zover aan de voorwaarden voor een actie uit aansprakelijkheid is voldaan.
52. Ten slotte heeft het Hof verklaard dat er nog een derde oplossing denkbaar was.
Zo heeft het Hof benadrukt dat een retroactieve en volledige toepassing van de maatregelen tot uitvoering van een richtlijn het mogelijk maakt, de nadelige gevolgen van de te late omzetting te verhelpen, mits de richtlijn regelmatig is omgezet. De nationale rechter dient evenwel erop toe te zien, dat de door de betrokkenen geleden schade adequaat wordt vergoed. Een retroactieve, regelmatige en volledige toepassing van de maatregelen tot uitvoering van de richtlijn zal daartoe volstaan, tenzij de begunstigden aantonen dat zij ten gevolge van het feit dat zij niet op het beoogde tijdstip de door de richtlijn gewaarborgde financiële voordelen hebben kunnen genieten, nog andere schade hebben geleden, die derhalve eveneens zou moeten worden vergoed."
3. De verplichting om voor de duur van de deeltijdse opleiding een bezoldiging te betalen
53. De analyse van het Hof ten aanzien van de fulltime opleiding tot medisch specialist en zijn overwegingen in het arrest Carbonari e.a., reeds aangehaald, lijken mij alleszins transponeerbaar op de parttime opleiding tot medisch specialist.
54. Zowel uit het doel als de tekst van de coördinatierichtlijn en richtlijn 82/76 volgt, dat de parttime opleiding tot medisch specialist aan dezelfde kwalitatieve en kwantitatieve eisen moet beantwoorden als de fulltime opleiding.
55. Punt 2 van de bijlage van de coördinatierichtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76, bevat dan ook duidelijke, precieze en onvoorwaardelijke regels, in die zin dat deze opleiding zich slechts onderscheidt [van de fulltime opleiding] door de mogelijkheid de deelneming aan de medische activiteiten te beperken tot een tijdsduur die ten minste gelijk is aan de helft van die welke in punt 1, tweede alinea, is voorgeschreven" en dat de bevoegde autoriteiten erop toezien dat de totale duur en de kwaliteit van de parttime specialistenopleiding niet minder zijn dan die van de fulltime specialistenopleiding".
Met andere woorden, de parttime opleiding stelt de artsen in staat om de duur van hun opleiding tot medisch specialist over een langere periode te spreiden.
56. Punt 2, derde alinea, van de bijlage schrijft bovendien uitdrukkelijk voor dat wanneer aan de voorwaarden in de tweede alinea is voldaan, de parttime opleiding op passende wijze moet worden bezoldigd.
57. Nu de parttime opleiding slechts aanpassingen inhoudt in de wijze waarop de opleiding tot medisch specialist wordt gevolgd, doordat het onderwijs van de fulltime opleiding volgens een andere tijdsindeling aan de arts wordt gegeven, zie ik geen reden waarom het Hof hier tot een andere conclusie zou moeten komen dan in de zaak Carbonari e.a., reeds aangehaald.
Conclusie
58. Daarom geef ik het Hof in overweging, de vraag van het Tribunale civile e penale di Venezia als volgt te beantwoorden:
Artikel 2, lid 1, sub c, alsmede punt 1 van de bijlage bij richtlijn 75/363/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts, en artikel 3, leden 1 en 2, alsmede punt 2 van de bijlage bij richtlijn 75/363, beide zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76 van de Raad van 26 januari 1982 tot wijziging van richtlijn 75/362/EEG inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van de arts, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, alsmede van richtlijn 75/363 (en vervolgens ingetrokken en vervangen door richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels), moeten worden uitgelegd als volgt:
- De verplichting om voor fulltime of parttime specialistenopleidingen van artsen een passende bezoldiging te betalen, geldt enkel voor medische specialismen die in alle lidstaten of in twee of meer lidstaten bestaan en in artikel 5 of artikel 7 van richtlijn 75/362/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van de arts, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, zijn genoemd.
- Deze verplichting bestaat slechts wanneer de voorwaarden voor de fulltime opleiding, genoemd in punt 1 van de bijlage bij richtlijn 75/363, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76 en vervangen door richtlijn 93/16, of die voor de parttime opleiding, genoemd in punt 2 van de bijlage bij richtlijn 75/363, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76 en vervangen door richtlijn 93/16, door de artsen die een specialistenopleiding volgen worden nageleefd.
- Bedoelde verplichting is onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig, voor zover zij verlangt dat een specialist, om in aanmerking te komen voor de in richtlijn 75/362 voorziene regeling van onderlinge erkenning, een bezoldigde fulltime of parttime opleiding geniet.
- Deze verplichting stelt op zich de nationale rechter evenwel niet in staat te bepalen, door wie de passende bezoldiging moet worden betaald, noch hoe hoog die moet zijn.
De nationale rechter moet wel, wanneer hij nationale bepalingen zowel van eerdere als van latere datum dan een richtlijn toepast, deze zo veel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van die richtlijn."
Full & Egal Universal Law Academy