Conclusie van de advocaat generaal
1 Kan het in de gemeenschapsregeling bepaalde recht op de speciale premie voor producenten van rundvlees in het kader van de schenking onder levenden van een landbouwbedrijf worden overgedragen aan de begiftigde die voor het overige aan de voorwaarden voor toekenning van die premie voldoet?
2 Dit is, zakelijk weergegeven, het onderwerp van de verwijzingsbeschikking van het Bundesverwaltungsgericht.
De relevante bepalingen
3 Tot 1987 werd vooral aankoop door de overheid gebruikt als middel om de rundvleesmarkt(1) te ondersteunen door aanzienlijke prijsdalingen te voorkomen of te beheersen. Toen stelde de Raad evenwel vast, dat de "interventieregeling (...) niet langer als vangnet fungeert, doch een afzetmogelijkheid op zich geworden is"(2), en besloot hij bij verordening nr. 467/87 de aankopen door de overheid te beperken en de gevolgen van die aanpassing op te vangen door het inkomen van de producenten te ondersteunen en de bestaande premies tijdelijk te handhaven.(3)
4 In die context werd besloten, aan de producenten in de lidstaten die nog niet in aanmerking kwamen voor een premie waarin een bestaande regeling voorziet, "een eenmalige speciale premie per gehouden dier" te verlenen.(4)
5 De speciale premie, die aanvankelijk was opgevat als een tijdelijke maatregel om interventie te beperken en dit mechanisme geleidelijk zijn aanvankelijke functie van vangnet(5) terug te geven, geldt thans voor onbepaalde tijd.(6)
6 De premieregeling is neergelegd in artikel 4 bis van verordening nr. 805/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 571/89. In lid 1 van dat artikel wordt bepaald:
"1. Aan rundvleesproducenten kan een speciale premie worden verleend. Deze premie wordt de producenten op hun verzoek toegekend voor mannelijke runderen van ten minste negen maanden die op hun bedrijf zijn gemest.
De premie wordt beperkt tot negentig dieren per kalenderjaar en per bedrijf. De premie wordt vastgesteld op 40 ECU per dier.
De premie wordt slechts eenmaal per dier toegekend. De premie wordt aan de producent uitbetaald of aan hem doorbetaald.
(...)"
7 Zoals door deze basisregeling was voorgeschreven(7), heeft de gemeenschapswetgever later de algemene regels betreffende de speciale premie voor rundvleesproducenten vastgesteld en met name de begrippen "producent" en "bedrijf" gepreciseerd in het kader van verordening (EEG) nr. 572/89 van de Raad van 2 maart 1989(8) tot wijziging van verordening (EEG) nr. 468/87 van de Raad van 10 februari 1987 tot vaststelling van de algemene voorschriften van het stelsel van de speciale premie voor producenten van rundvlees.(9)
8 Volgens artikel 1 van verordening nr. 468/87 wordt onder "producent" verstaan "de individuele landbouwondernemer, natuurlijke of rechtspersoon, waarvan het bedrijf zich op het grondgebied van de Gemeenschap bevindt, die runderen houdt".
9 Volgens lid 2 van dat artikel wordt onder "bedrijf" verstaan "het geheel van de door de producent beheerde productie-eenheden, die gelegen zijn op het grondgebied van eenzelfde lidstaat".
10 Ten slotte zijn de regels voor de toepassing van de speciale premie door de Commissie(10) vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 714/89 van 20 maart 1989(11), die bepaalt onder welke voorwaarden de speciale premie bedoeld in het reeds aangehaalde artikel 4 bis kan worden toegekend.
11 Deze voorwaarden impliceren, "dat bij de aanvragen verklaringen en verbintenissen van de begunstigden moeten worden gevoegd; dat de lidstaten op deze verklaringen en verbintenissen administratieve controles ter plaatse dienen uit te voeren die op een minimumaantal bedrijven betrekking moeten hebben, en zij, wanneer deze verklaringen onjuist blijken te zijn, de uitgekeerde premiebedragen volledig dienen terug te vorderen".(12)
12 Zo wordt in artikel 2, tweede streepje, van verordening nr. 714/89 met name bepaald, dat de premieaanvragen omvatten "de verbintenis van de producent de mannelijke runderen waarvoor hij de premie aanvraagt, op zijn bedrijf te houden gedurende de periode die ter uitvoering van artikel 8, lid 2, wordt vastgesteld, (...) minstens tot zij negen maanden oud zijn".
Dit artikel 8, lid 2, laat het aan de lidstaten over, die minimumperiode vast te stellen, maar deze periode mag niet korter zijn dan twee noch langer dan vijf maanden. In Duitsland bedraagt zij drie maanden.
13 Aan de bevoegde instanties van de lidstaten wordt verzocht, door administratieve controles en controles ter plaatse na te gaan, of die voorschriften in acht worden genomen. Artikel 8, lid 1, van verordening nr. 714/89 bepaalt: "De controle heeft betrekking op:
a) het aantal mannelijke runderen dat op het door de producent geëxploiteerde bedrijf wordt gehouden en waarvoor de premie wordt aangevraagd (...);
b) de juistheid van de voorgeschreven verklaringen en het nakomen van de verbintenissen door de producent;
c) het nakomen van de voorschriften inzake het (...) aanbrengen van het herkenningsteken of merken."
14 Wanneer de aan het verlenen van de premie verbonden voorwaarden niet worden vervuld, kunnen de in artikel 9 van verordening nr. 714/89 bepaalde sancties worden toegepast.
De feiten en het procesverloop
15 K.-H. Wettwer (hierna: "verzoeker in het hoofdgeding") vroeg in mei 1991 de premie aan voor tien op zijn bedrijf gehouden dieren. In juli 1991 droeg hij zijn gehele landbouwbedrijf over aan zijn zoon(13), die overigens ook een gepacht landbouwbedrijf exploiteerde.
16 De Bezirksregierung, verweerster in het hoofdgeding, wees die premieaanvraag af op grond van die overdracht. Zij was van oordeel, dat met name niet was voldaan aan de voorwaarde dat de aanvrager de betrokken dieren gedurende ten minste drie maanden op zijn bedrijf moet houden. De premie zou immers alleen kunnen worden toegekend aan de aanvrager en de rechten zouden niet kunnen worden overgedragen aan degene die ten aanzien van het bedrijf wettelijk in diens rechten is getreden.
17 Tot staving van zijn beroep tegen dit afwijzend besluit voerde verzoeker in het hoofdgeding aan, dat de voorwaarden voor toekenning van de premie nog steeds waren vervuld, daar zijn zoon na de overname van het bedrijf de opgelegde verplichtingen nakwam. Verweerster in het hoofdgeding stelde daarentegen, dat de toekenning van de omstreden speciale premie aan de persoon en niet aan het bedrijf was verbonden.
18 Het Verwaltungsgericht verwierp dit beroep op grond van de overweging, dat de Bezirksregierung artikel 4 bis, lid 1, van verordening nr. 805/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 571/89, terecht aldus had uitgelegd, dat de premie aan de persoon en niet aan het bedrijf wordt toegekend, zoals uit de definitie van het begrip "producent" blijkt. Aangezien verzoeker in het hoofdgeding na de overdracht van zijn bedrijf geen producent meer was, kon hij niet met succes aanspraak maken op de premie.
De rechter oordeelde, dat de zoon van verzoeker in het hoofdgeding om dezelfde reden ook niet op goede gronden kon stellen dat het recht op de premie samen met het bedrijf was overgegaan, daar de voorwaarden voor toekenning van de premie, inzonderheid de voorwaarde dat de dieren tijdens de controleperiode op het bedrijf moeten blijven, door de aanvrager moeten worden vervuld.
19 Op het door verzoeker in het hoofdgeding ingestelde hoger beroep werd dit vonnis gewijzigd door het Niedersächsische Oberverwaltungsgericht. Anders dan de eerste rechters oordeelde deze rechterlijke instantie, dat de speciale premie ter wille van het bedrijf en niet ter wille van de persoon moet worden toegekend. Aangezien de voorwaarden voor toekenning zijn vervuld, moet de premie derhalve, na de officiële kennisgeving van de overdracht, worden toegekend aan degene aan wie het bedrijf is overgedragen.
20 In het kader van de door de Bezirksregierung tegen dit arrest ingestelde "Revision" heeft de verwijzende rechter, die vaststelde dat voor elk van beide stellingen verschillende argumenten waren te vinden, het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Is het recht op de speciale premie voor producenten van rundvlees voor 1991 overgegaan op de producent aan wie de aanvrager tijdens de looptijd van de aangegane verbintenissen zijn landbouwbedrijf bij wege van $vorweggenommene Erbfolge' (geanticipeerde erfopvolging onder levenden) heeft overgedragen en die de gestelde voorwaarden inzake het houden en mesten van de dieren heeft vervuld?"
Standpuntbepaling
21 Zoals de eerste rechters hadden opgemerkt(14), heeft de gemeenschapswetgever, anders dan met betrekking tot andere communautaire premies - zoals de in verordening (EEG) nr. 1078/77(15) bedoelde premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelproducten en voor de omschakeling van het melkveebestand of de bij verordening (EEG) nr. 1244/82(16) ingestelde premie voor het aanhouden van het zoogkoeienbestand - met betrekking tot de speciale premie voor de producenten van rundvlees niet uitdrukkelijk bepaald, dat de door de premieaanvrager aangegane verbintenissen op diens opvolger overgaan.
22 Een dergelijke verbintenis van deze laatste is nochtans absoluut noodzakelijk indien zou worden aangenomen, dat deze samen met het bedrijf ook het recht op de premie van de aanvankelijke aanvrager verkrijgt. Daartoe behoeft slechts te worden herinnerd aan een van de voorwaarden voor toekenning van de premie, namelijk dat de premie slechts voor negentig dieren per kalenderjaar en per bedrijf en slechts eenmaal per dier kan worden toegekend. De verbintenis van de aanvrager van de premie vormt evenwel geen voldoende garantie dat de overnemer zich aan die voorwaarde houdt. Het is immers zeer goed mogelijk, dat de overnemer van het bedrijf, wanneer hij zoals in casu zelf ook producent is, dit contingent reeds heeft uitgeput. Aangezien bedrijf wordt omschreven als "het geheel van de door de producent beheerde productie-eenheden, die gelegen zijn op het grondgebied van eenzelfde lidstaat"(17), kan die overnemer geen aanspraak maken op de aanvankelijk aangevraagde premies wanneer hij reeds de maximaal toegestane premies heeft gekregen voor dieren die hij vóór de overname hield. Mijns inziens kan dus moeilijk worden aangenomen, dat het recht op de premie automatisch overgaat daar de omstreden regeling niet voorziet in een bijzondere verbintenis van de overnemer van het bedrijf.
23 Mijns inziens vertolkt deze leemte de bewuste wil van de wetgever om het recht op de premie niet te laten overgaan in geval van overdracht [van het bedrijf], en gaat het geenszins om een vergetelheid die aan de hand van de algemene beginselen of naar analogie van andere bepalingen van gemeenschapsrecht kan worden opgevangen.
24 Soortgelijke steun- of premieregelingen in andere gemeenschappelijke marktordeningen zijn doorgaans aldus opgevat, dat zij verbonden zijn aan de aanvrager en niet aan het bedrijf. Bij overdracht van het bedrijf gaat het recht op de premie verloren, behoudens uitdrukkelijke andersluidende bepalingen of een bijzondere regeling. Het volgt het bedrijf niet.
25 In sommige gemeenschappelijke marktordeningen heeft de wetgever zelf uitdrukkelijk bepaald, dat het recht op de premie is verbonden aan de producenten aan wie de premie is verleend.
26 Dit is het geval in de sector schapen- en geitenvlees.(18)
27 Hetzelfde geldt in de sector rundvlees voor de toekenning van andere premies dan die welke hier in het geding is. Zo is het recht op de zoogkoeienpremie sedert 1992 uitdrukkelijk verbonden aan de producenten aan wie de premie uit hoofde van het referentiejaar is toegekend en die de premie ook voor de jaren tot en met 1992 hebben aangevraagd.(19) In dezelfde regeling wordt bepaald, dat wanneer een producent zijn bedrijf verkoopt of anderszins overdraagt, hij al zijn rechten op de zoogkoeienpremie kan overdragen aan degene die zijn bedrijf overneemt. Hij kan zijn rechten ook geheel of gedeeltelijk overdragen aan andere producenten zonder zijn bedrijf over te dragen.(20)
28 Vaak is de premie impliciet verbonden aan degene die ze heeft aangevraagd; volgens de rechtspraak van het Hof bestaat daarover evenwel geen twijfel.
29 Dit is bijvoorbeeld het geval met de premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelproducten, waaromtrent het Hof heeft overwogen, dat "de verbintenis van de begunstigde van de premie om geen melk en zuivelproducten te leveren, (...) de begunstigde persoonlijk bindt en niet het bedrijf volgt. Bij overdracht van de eigendom of het genot van het bedrijf verliest de begunstigde het recht op de premie (...)"(21) Om die reden heeft het Hof overwogen: "Bij vervreemding van de melkkoeien die op het moment van indiening van het verzoek op het bedrijf werden gehouden en waarvoor de premie is toegekend, gaat de verbintenis van de begunstigde om geen melk en zuivelproducten in de handel te brengen, door die vervreemding niet over op de koper van die koeien."(22)
30 Enkele jaren later heeft het Hof dezelfde redenering gevolgd met betrekking tot de bij de nieuwe regeling ingevoerde referentiehoeveelheden in de sector melk en zuivelproducten. Op de door een verzoeker uit dit nieuwe systeem afgeleide stelling, dat het recht van eigendom de lidstaten verplicht een regeling in te voeren die voorziet in een door de eigenaar aan de vertrekkende pachter te betalen vergoeding, heeft het Hof geantwoord met de algemene overweging: "Het in de communautaire rechtsorde gewaarborgde recht van eigendom omvat (...) niet het recht, een voordeel als de in het kader van een gemeenschappelijke marktordening toegekende referentiehoeveelheden te verhandelen, welk voordeel noch uit het eigendom noch uit de beroepsactiviteit van de betrokkene voortvloeit."(23)
31 Laatstelijk was het Hof nog duidelijker toen het oordeelde, dat de werkingssfeer van die rechtspraak niet beperkt is tot de premies die in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten worden verleend. In een arrest van 9 november 1995, Country Landowners Association(24), heeft het Hof geoordeeld, dat noch enige relevante bepaling van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schapen- en geitenvlees, noch enig algemeen beginsel van gemeenschapsrecht de lidstaten ertoe verplicht, een regeling te treffen ter compensatie van de schade die de eigenaren van landbouwgronden lijden door de invoering van een stelsel van premierechten verbonden aan de producenten van schapen- en geitenvlees of van rundvlees. Het Hof heeft gepreciseerd, dat een dergelijke verplichting met name niet kan worden afgeleid uit de bescherming van het eigendomsrecht, daar de invoering van een stelsel van aan de producenten verbonden premierechten, ook al heeft de overdracht van premierechten door producenten die geen eigenaar zijn van de voor hun exploitatie gebruikte grond, een nadelige invloed op de kapitaalwaarde van die grond, het eigendomsrecht niet aantast daar de in het kader van een gemeenschappelijke marktordening toegekende voordelen niet kunnen worden opgevat als een recht dat uit het eigendom of uit de beroepsactiviteit van de betrokkenen voortvloeit, waardoor de toekenning of overdracht ervan gepaard zou moeten gaan met een verplichting tot compensatie voor de ene of de andere partij bij de pachtovereenkomst.(25)
32 In de rechtspraak van het Hof betreffende de omstreden regeling is, uiteindelijk logischerwijze gelet op de evolutie van die rechtspraak, de uitlegging terug te vinden volgens welke de premie aan de producent is verbonden. Het arrest van 23 november 1993, Schumacher(26), waarin het Hof werd verzocht om uitlegging van artikel 9 van verordening nr. 714/89, dat voorziet in sancties voor het geval de voorwaarden voor de toekenning van de premie niet in acht worden genomen, bevat interessante preciseringen over het begrip controle door de bevoegde nationale instanties op grond waarvan een sanctie kan worden opgelegd. Na er met name op te hebben gewezen, dat de administratieve controle mede omvat de "verificatie van de door de aanvrager van de premie overgelegde stukken ten bewijze dat hij aan de gestelde voorwaarden voldoet"(27), laat het Hof de toekenning van de premie ondubbelzinnig afhangen van de inachtneming van de gestelde voorwaarden door de producent die de premie heeft aangevraagd. Hieruit moet voor de onderhavige zaak worden afgeleid, dat het dus van geen belang is, of de dieren waarvoor de premie is aangevraagd, tijdens de voorgeschreven periode van drie maanden op het bedrijf zijn gehouden; de voorwaarde inzake het op het bedrijf houden [van de dieren] wordt slechts geacht te zijn vervuld, indien daaraan wordt voldaan door de aanvrager van de premie, hetgeen niet het geval is bij een overdracht vóór het verstrijken van de termijn van drie maanden gedurende welke de aanvrager van de premie volgens zijn verbintenis de runderen op zijn bedrijf diende te houden.
33 De bepaling waaromtrent dat arrest is gewezen, is mijns inziens overigens van wezenlijk belang voor het antwoord op de onderhavige vraag.
34 Er zijn evenwel gevallen waarin dat recht blijft bestaan, ook al is de producent die de premie had aangevraagd, zijn verbintenissen niet nagekomen, en die gevallen worden gedetailleerd uiteengezet in artikel 9 van verordening nr. 714/89.
35 Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het aantal dieren dat de producent volgens zijn verbintenis gedurende de minimumperiode op zijn bedrijf diende te houden, is gedaald als gevolg van "het natuurlijke verloop van de veestapel" (artikel 9, lid 2), of wanneer de verbintenis om de runderen tijdens die periode op het bedrijf te houden, "wegens overmacht", zoals bij overlijden van de begunstigde, niet kon worden nagekomen (artikel 9, lid 3(28)).
36 De omstreden overdracht kan evenwel niet onder een van die uitzonderingsbepalingen worden gebracht.
37 Zonder stil te staan bij de in lid 2 van die bepaling bedoelde omstandigheden, die hier niet zijn aangevoerd, zij erop gewezen, dat verzoeker in het hoofdgeding vergeefs aannemelijk tracht te maken, dat de overdracht onder levenden naar nationaal recht kan worden gelijkgesteld met een erfenis en dat daaraan derhalve dezelfde gevolgen moeten worden verbonden.
Al blijft volgens artikel 9, lid 3, van verordening nr. 714/89 het recht op de premie bestaan bij overlijden van de begunstigde - een omstandigheid die, zoals wij hebben gezien(29), als overmacht wordt aangemerkt mits de producent de bevoegde instantie daarvan in kennis stelt binnen tien dagen te rekenen vanaf de datum waarop het betrokken feit zich heeft voorgedaan -, toch kan het onderhavige geval niet dezelfde gevolgen sorteren. Het gaat hier immers niet om het overlijden van de begunstigde, waardoor een nalatenschap openvalt.
De overdracht onder levenden, ook al heeft zij naar nationaal recht dezelfde gevolgen als een overlijden, kan in geen geval als overmacht worden aangemerkt. Volgens de rechtspraak van het Hof moet onder het begrip overmacht immers worden verstaan "abnormale en onvoorzienbare omstandigheden die onafhankelijk zijn van de wil van degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen ondanks alle voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden".(30) De overdracht is daarentegen een door de overdrager en de overnemer gewilde juridische transactie die plaatsvindt in omstandigheden die door de partijen zijn gekozen en dus konden worden voorzien. Zij vertoont derhalve niet de kenmerken van overmacht in de zin van artikel 9, lid 3, van verordening nr. 714/89, zoals het overlijden van de degene die de steun aanvankelijk heeft aangevraagd, dat een rechtvaardigingsgrond vormt voor de overgang van de premie op de overnemer.
38 Ten slotte vindt mijn analyse steun in de laatste uitzondering op de vervulling van de voorwaarden door de producent, namelijk die waarin artikel 9, lid 4, van verordening nr. 714/89 voorziet. Deze bepaling is van toepassing wanneer het werkelijke aantal subsidiabele dieren minder dan 5 % van het opgegeven aantal verschilt, of bij een verschil van hoogstens één dier, en dat verschil te wijten is aan andere omstandigheden dan die welke worden genoemd in lid 2 (daling van het aantal dieren ten gevolge van het natuurlijke verloop van de veestapel) en lid 3 (de verbintenis om de runderen gedurende een minimumperiode op het bedrijf te houden kan wegens overmacht niet worden nagekomen) van dat artikel, "op voorwaarde dat de bevoegde instantie ervan overtuigd is dat het geen doelbewuste vervalsing of grove nalatigheid betreft". In dat geval verliest de producent de premie niet volledig of wordt hij, in voorkomend geval, niet verplicht het onverschuldigd betaalde bedrag terug te betalen, zoals in beginsel het geval is wanneer wordt vastgesteld dat hij niet voldoet aan de gestelde voorwaarden, maar wordt het hem toegekende bedrag evenredig verminderd.(31)
Hij kan dus niet eens met een beroep op zijn goede trouw aanspraak maken op de premie voor de dieren die daarvoor uiteindelijk niet in aanmerking bleken te komen, ook al heeft hij ervoor gezorgd, dat alle voorwaarden waren vervuld.
Deze striktheid van de tekst, die nochtans voorziet in een aantal uitzonderingen, dient het Hof mijns inziens te leiden bij de uitlegging van de omstreden regeling. Mijns inziens staat de logica eraan in de weg, dat de omstreden premie zou worden toegekend aan de overnemer van een bedrijf dat is overgedragen tijdens de minimumperiode waarin de aanvankelijke producent de runderen waarvoor hij de premie had aangevraagd, volgens zijn verbintenis op zijn bedrijf diende te houden - overnemer die zelf geen enkele verbintenis is aangegaan -, terwijl een producent die te goeder trouw meent alle aangegane verbintenissen te zijn nagekomen, ingevolge het reeds genoemde artikel 9, lid 4, geen premie krijgt voor de dieren die daarvoor uiteindelijk niet in aanmerking bleken te komen en bovendien als gevolg daarvan een lagere premie krijgt voor de andere dieren van zijn kudde.
39 Zowel de gedetailleerde bepalingen als de strikte formulering van deze tekst sterken mij in de overtuiging, dat de in de leden 2 tot en met 4 neergelegde uitzonderingen limitatief zijn opgesomd. Met andere woorden, wanneer de producent zijn verplichtingen niet nakomt, wordt het recht op de premie slechts in de drie in die bepaling genoemde gevallen geheel of gedeeltelijk gehandhaafd. Dat de wetgever het geval van overdracht onder levenden van het gehele bedrijf niet uitdrukkelijk heeft geregeld, vindt zijn verklaring in de omstandigheid dat het recht op de speciale premie zelfs verloren gaat in het geval dat de overnemer van het bedrijf de door de aanvrager aangegane verbintenissen overneemt.
Conclusie
40 Mitsdien geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren:
"De bepalingen betreffende de toekenning van een speciale premie voor de producenten van rundvlees, neergelegd in artikel 4 bis van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 571/89 van de Raad van 2 maart 1989, junctis de uitvoeringsbepalingen van de verordeningen (EEG) nr. 572/89 van de Raad van 2 maart 1989 en (EEG) nr. 714/89 van de Commissie van 20 maart 1989, moeten aldus worden uitgelegd, dat het recht op toekenning van een speciale premie voor de producenten van rundvlees voor 1991 niet overgaat op een producent aan wie de aanvrager van de premie zijn landbouwbedrijf tijdens de looptijd van zijn verbintenissen bij wege van schenking onder levenden heeft overgedragen en die aan de voorwaarden inzake het houden en mesten van de runderen voldoet."
(1) - De basisverordening dienaangaande is verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148, blz. 24).
(2) - Eerste overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 467/87 van de Raad van 10 februari 1987 tot wijziging van verordening nr. 805/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, alsmede van de premieregelingen in die sector (PB L 48, blz. 1).
(3) - Ibidem, zesde overweging van de considerans.
(4) - Ibidem, zevende overweging van de considerans. De bestaande premies worden op grond van de volgende regelingen verleend: "verordening (EEG) nr. 1346/86 van de Raad van 6 mei 1986 inzake de toekenning van een geboortepremie voor kalveren in Griekenland, Ierland, Italië en Noord-Ierland en de toekenning van een aanvullende nationale premie in Italië, gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 4049/86, en verordening (EEG) nr. 1347/86 van de Raad van 6 mei 1986 inzake de toekenning van een slachtpremie voor bepaalde volwassen slachtrunderen in het Verenigd Koninkrijk, gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 4049/86".
(5) - Artikel 1 van verordening nr. 467/87 bepaalde aanvankelijk, dat de speciale premie kon worden verleend van 6 april 1987 tot en met 31 december 1988. Bij de wijzigingsverordening (EEG) nr. 4132/88 van de Raad van 20 december 1988 (PB L 362, blz. 4) werd deze periode verlengd tot en met 5 maart 1989.
(6) - Volgens de vierde overweging van de considerans van wijzigingsverordening (EEG) nr. 571/89 van de Raad van 2 maart 1989 "[moet] de regeling inzake de toekenning van een speciale premie (...) ook nog na 2 april 1989 (...) worden toegepast" (PB L 61, blz. 43).
(7) - Artikel 4 bis, reeds aangehaald, lid 2.
(8) - PB L 63, blz. 1.
(9) - PB L 48, blz. 4.
(10) - Overeenkomstig artikel 4 bis, lid 3, van de aanvankelijke verordening nr. 805/68.
(11) - Verordening houdende uitvoeringsbepalingen van het stelsel van de speciale premie voor producenten van rundvlees (PB L 78, blz. 38).
(12) - Derde overweging van de considerans van verordening nr. 714/89.
(13) - Bij wege van "vorweggenommene Erbfolge" (schenking onder levenden of geanticipeerde erfopvolging).
(14) - Punt I, elfde alinea, van de Franse vertaling van de verwijzingsbeschikking.
(15) - Verordening van de Raad van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelproducten en voor de omschakeling van het melkveebestand (PB L 131, blz. 1).
(16) - Verordening van de Commissie van 19 mei 1982 houdende uitvoeringsbepalingen van de premieregeling voor het aanhouden van het zoogkoeienbestand (PB L 143, blz. 20), gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1662/89 van de Commissie van 13 juni 1989 (PB L 163, blz. 11).
(17) - Punt 9 van deze conclusie.
(18) - Met name artikel 5 bis, lid 4, sub a, van verordening (EEG) nr. 3013/89 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schapen- en geitenvlees, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2069/92 van de Raad van 30 juni 1992 (PB L 215, blz. 59).
(19) - Artikel 4d, lid 4, van verordening nr. 805/68, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2066/92 van de Raad van 30 juni 1992 (PB L 215, blz. 49).
(20) - Ibidem, artikel 4e, lid 1.
(21) - Arrest van 13 februari 1980, Damas (77/79, Jurispr. blz. 247, blz. 8; cursivering van mij).
(22) - Ibidem, punt 11.
(23) - Arrest van 24 maart 1994, Bostock (C-2/92, Jurispr. blz. I-955, blz. 19), waarin met name wordt verwezen naar het arrest van 22 oktober 1991, Von Deetzen II (C-44/89, Jurispr. blz. I-5119, punt 27).
(24) - C-38/94, Jurispr. blz. I-3875.
(25) - Inzonderheid punten 14 en 21 van de motivering en punt 1 van het dictum.
(26) - C-365/92, Jurispr. blz. I-6071.
(27) - Punt 17, cursivering van mij. Zie ook punt 19.
(28) - Die bepaling verwijst ter precisering van het begrip "overmacht" "meer in het bijzonder" naar de in artikel 5 van verordening nr. 1244/82 bedoelde gevallen. In dat artikel is onder meer sprake van "het overlijden van de begunstigde (...)".
(29) - Punt 35 van deze conclusie.
(30) - Arrest van 29 september 1998, First City Trading e.a. (C-263/97, Jurispr. blz. I-5537, punt 38), dat met name verwijst naar het arrest van 5 februari 1987, Denkavit (145/85, Jurispr. blz. 565, punt 11).
(31) - Volgens artikel 9, lid 4, wordt "voor het aantal subsidiabele dieren de premie verminderd met 20 % uitgekeerd".
Full & Egal Universal Law Academy