Conclusie van de advocaat generaal
1. Krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen beroep wegens niet-nakoming ingesteld tegen de Helleense Republiek, die niet zou zijn overgegaan tot omzetting van richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd.
2. In het bijzonder wordt de Griekse regering verweten dat zij geen programma's met kwaliteitsdoelstellingen en uitvoeringstermijnen heeft opgesteld ter vermindering van de waterverontreiniging door bepaalde stoffen, genoemd in de bijlage bij de richtlijn. Ook zouden lozingen die in de wateren worden verricht en die deze stoffen kunnen bevatten, niet worden gebonden aan een voorafgaande vergunning van de bevoegde autoriteit, waarin emissienormen op basis van de in die programma's vastgelegde kwaliteitsdoelstellingen zijn vastgesteld.
I - Richtlijn 76/464
3. In de eerste overweging van de considerans van de richtlijn wordt gesteld dat (...) het dringend noodzakelijk is dat de lidstaten een algemene en gelijktijdige actie ondernemen ter bescherming van het aquatisch milieu van de Gemeenschap tegen verontreiniging, met name door bepaalde stoffen die persistent, toxisch en bioaccumuleerbaar zijn".
4. Haar doel is de verontreiniging van het aquatisch milieu door bepaalde bijzonder gevaarlijke stoffen die voorkomen op een zogenoemde lijst I" te beëindigen en de verontreiniging door andere gevaarlijke stoffen, genoemd op een andere lijst, de zogenoemde lijst II", te verminderen. Beide lijsten zijn als bijlage bij de richtlijn gevoegd. Om die doelstellingen te bereiken dienen de lidstaten passende maatregelen te nemen.
5. Lijst I (...) omvat sommige afzonderlijke stoffen die deel uitmaken van de volgende families en groepen van stoffen [genoemd in de bijlage], die in hoofdzaak moeten worden gekozen op basis van hun toxiciteit, persistentie, bioaccumulatie, met uitzondering van die stoffen welke biologisch onschadelijk zijn of die snel worden omgezet in biologisch onschadelijke stoffen".
6. De lidstaten moeten ingevolge de artikelen 3 en 5 van de richtlijn elke lozing in het aquatisch milieu van stoffen van lijst I onderwerpen aan een voorafgaande vergunning van de bevoegde autoriteiten en emissienormen vaststellen die bepaalde grenswaarden niet mogen overschrijden. Overeenkomstig artikel 6 worden deze vastgesteld door de Raad.
7. Lijst II omvat met name de stoffen van lijst I waarvoor de Raad nog geen grenswaarden heeft vastgesteld.
8. Volgens artikel 7, leden 1 en 3, van de richtlijn stellen de lidstaten programma's op ter vermindering van de verontreiniging van het aquatisch milieu (hierna: programma's"), met daarin kwaliteitsdoelstellingen voor de wateren. Hetzelfde artikel bepaalt in lid 2, dat iedere lozing in het aquatisch milieu die een van de onder lijst II vallende stoffen kan bevatten, onderworpen is aan een voorafgaande vergunning van de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat, waarin de emissienormen worden vastgesteld. Deze worden berekend aan de hand van kwaliteitsdoelstellingen die overeenkomstig lid 3 van dit artikel zijn vastgesteld. Lid 5 bepaalt: In de programma's worden de termijnen vastgesteld voor de tenuitvoerlegging hiervan."
9. Volgens artikel 7, lid 6, van de richtlijn [worden] de programma's en de resultaten van de toepassing hiervan (...) in beknopte vorm aan de Commissie medegedeeld."
10. De richtlijn kent geen omzettingstermijn. In artikel 12, lid 2, is evenwel bepaald, dat de Commissie voor zover mogelijk binnen een termijn van zevenentwintig maanden na [haar] kennisgeving (...) de eerste voorstellen toezendt die uit hoofde van artikel 7, lid 7, worden gedaan". Volgens deze laatste bepaling organiseert de Commissie regelmatig met de lidstaten een onderlinge vergelijking van de programma's, teneinde zich ervan te vergewissen dat de tenuitvoerlegging hiervan voldoende geharmoniseerd is. Indien zij zulks nodig acht, dient zij hiertoe voorstellen ter zake in bij de Raad."
11. Lezing van lijst I maakt duidelijk dat deze voornamelijk families en groepen van stoffen omvat. De Commissie heeft het daarom nodig geoordeeld, eerst de stoffen te individualiseren die tot die categorieën behoren alvorens grenswaarden voor emissies of kwaliteitsdoelstellingen werden vastgesteld.
12. In samenwerking met de lidstaten heeft de Commissie een lijst van 129 individuele stoffen opgesteld, welke is toegevoegd aan de mededeling van de Commissie aan de Raad van 22 juni 1982, betreffende de gevaarlijke stoffen die op lijst I van richtlijn 76/464 kunnen voorkomen.
13. In zijn resolutie van 7 februari 1983 betreffende de bestrijding van de waterverontreiniging heeft de Raad benadrukt dat de lijst van 129 stoffen, die was toegevoegd aan de mededeling van de Commissie, zal dienen als basis voor de Gemeenschap voor verdere werkzaamheden ter tenuitvoerlegging van de richtlijn.
14. Aan deze lijst zijn nadien nog drie stoffen toegevoegd. Van dit totaal van 132 stoffen heeft de Raad voor 18 daarvan grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen vastgesteld, terwijl 15 andere stoffen zijn meegenomen in een voorstel van de Commissie van 14 februari 1990 voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van richtlijn 76/464.
15. De overblijvende 99 stoffen zijn bestemd voor opname op lijst I, maar omdat de Raad nog geen grenswaarden voor de emissies van die stoffen heeft vastgesteld, zijn ze onderworpen aan het regime voor stoffen van lijst II, zoals is aangegeven bij het eerste streepje van die lijst.
II - De procedure
16. Bij aanmaningsbrief van 27 december 1990 heeft de Commissie de Griekse autoriteiten geattendeerd op de toepassing van artikel 7 van de richtlijn in Griekenland. Zij herinnerde eraan dat door de Gemeenschap een lijst van 132, in lijst I van de bijlage op te nemen stoffen was opgesteld en dat voor 33 daarvan reeds specifieke richtlijnen of richtlijnvoorstellen bestonden. De Commissie heeft de aandacht van de Griekse regering gevestigd op het feit dat er 99 stoffen resteerden waarvoor geen regeling bestond of spoedig te verwachten was en waarvoor de verplichtingen van artikel 7 bleven gelden.
17. De Commissie heeft evenals in eerdere brieven verzocht om toezending van een bijgewerkte opgave van welke van de 99 stoffen in de Griekse wateren werden geloosd; ook heeft zij verzocht om mededeling van de kwaliteitsdoelstellingen die bij de verlening van lozingsvergunningen in de verschillende door die lozingen beïnvloede gebieden golden en, indien geen doelstellingen zouden zijn vastgesteld, de redenen daarvan mee te delen, vergezeld van een tijdsschema met de datum waarop die doelstellingen wel zouden zijn vastgesteld.
18. In diezelfde brief heeft zij erop gewezen dat haars inziens de bepalingen van artikel 7 van de richtlijn niet waren nageleefd en dat de Griekse regering de krachtens de richtlijn en het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen. Zij nodigde de Helleense Republiek uit, binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen kenbaar te maken overeenkomstig artikel 169 van het Verdrag.
19. De Commissie had de lijst van 99 stoffen niet meegezonden met haar brief. Om ieder misverstand te voorkomen, heeft zij in een aanvullend schrijven van 5 oktober 1993 aangegeven dat de lijst van 132 stoffen voorkwam in haar reeds aangehaalde mededeling aan de Raad van 22 juni 1982, dat die laatste was aangenomen door de Raad in zijn resolutie van 7 februari 1983 en dat drie stoffen waren toegevoegd. De Commissie heeft de complete lijst van 99 stoffen meegezonden.
20. Bij die gelegenheid heeft de Commissie de Griekse regering wederom uitgenodigd om binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen over de uitwerking en toepassing van de programma's mede te delen.
21. De Helleense Republiek heeft bij brief van 12 augustus 1994 geantwoord, waarbij zij verklaarde dat het enige nieuwe feit ten opzichte van een van haar eerdere brieven was, dat een overeenkomst was gesloten met de Egeïsche universiteit voor de uitvoering van een specifieke studie. Bovendien verstrekten de Griekse autoriteiten een aantal inlichtingen over de aanwezigheid van stoffen van de richtlijn in Griekenland.
22. Zij wezen er in het bijzonder op, dat 32 stoffen van de ene dan wel de andere lijst fotochemisch of bacterieel werden afgebroken en niet rechtstreeks in het aquatisch milieu werden geloosd. Het Ministerie van Landbouw verleende geen vergunning voor lozing van landbouwbestrijdingsmiddelen in het aquatisch milieu, behoudens voor een van de stoffen die als preparaat wordt gebruikt in rijstvelden; de fabrieken waar die preparaten werden vervaardigd, loosden geen afvalwater.
23. De Griekse regering heeft daaraan toegevoegd dat 9 andere stoffen in Griekenland niet in de handel waren. Voorts erkende zij de mogelijke aanwezigheid van 17 stoffen in afvalwater. Volgens haar is er één niet in het oppervlaktewater geloosd. Ten aanzien van 10 andere stoffen en de stoffen waarover zij geen informatie kon geven, zegde zij een nadere studie toe om gegevens te verkrijgen over de concentratie van die stoffen in het afvalwater van productie-installaties en over de eventuele aanwezigheid van andere stoffen van lijst II in het aquatisch milieu.
24. Wat betreft de vergunning voor het lozen van afvalwater dat sommige van de 99 stoffen van lijst II kan bevatten, heeft zij verklaard dat die wordt afgegeven door de gezondheidsdiensten onder de voorwaarde dat voor alle ontvangende wateren waarvan het gebruik bij besluit van de prefect is geregeld, de vastgestelde kwaliteitsdoelstellingen worden nagekomen.
25. De Commissie heeft uit een en ander de conclusie getrokken dat de Griekse autoriteiten voor 72 van de 99 stoffen van lijst II niet de noodzakelijke maatregelen hadden genomen ter vermindering van de waterverontreiniging door die stoffen, ofwel omdat geen enkele informatie was verstrekt of de mogelijke aanwezigheid van bepaalde stoffen in het aquatisch milieu was erkend, ofwel omdat de verstrekte informatie onvoldoende nauwkeurig was gebleken.
26. Naar het oordeel van de Commissie was dan ook niet voldaan aan de verplichtingen van de richtlijn, zodat zij op 23 december 1996 de Helleense Republiek een met redenen omkleed advies heeft gezonden.
27. Bij schrijven van 20 maart 1997 heeft de Griekse regering de Commissie geïnformeerd over een permanent controlenetwerk voor de stoffen van lijst I van de richtlijn, dat in 1996 in bedrijf zou zijn genomen alsmede over de door de bevoegde autoriteiten ondernomen acties met betrekking tot de stoffen van lijst II en, meer in het bijzonder, over het voornemen voor een studie van de Egeïsche universiteit naar de situatie in Griekenland met betrekking tot de stoffen van lijst II. Al naargelang de uitkomsten van die studie zou ook voor die stoffen een permanent controlenetwerk worden opgezet en zouden programma's ter vermindering van die stoffen worden opgesteld.
III - Het beroep
Middelen van partijen
28. De Commissie verwijt de Helleense Republiek, enerzijds, dat zij geen programma's heeft opgesteld ter vermindering van de waterverontreiniging door de lozing van bepaalde stoffen en, anderzijds, die lozingen niet te binden aan een voorafgaande vergunning van de bevoegde autoriteit, waarin emissienormen op basis van in de programma's vastgelegde kwaliteitsdoelstellingen zijn vastgesteld.
29. Ter ondersteuning van haar beroep stelt de Commissie dat, hoewel geen termijn was bepaald voor de omzetting van de richtlijn, de lidstaten volgens artikel 12, lid 2, uiterlijk op 5 augustus 1978 de programma's voor de vermindering van de verontreiniging door stoffen van lijst II aan haar hadden moeten meedelen. Daar waar geen programma's waren meegedeeld, had zij de lidstaten bij brief van 3 november 1976 voorgesteld de programma's vóór 15 september 1981 aan haar te doen toekomen; de lidstaten hebben niet geprotesteerd tegen deze termijn.
30. Volgens artikel 7 van de richtlijn behoorde de Helleense Republiek programma's op te stellen voor de 99 stoffen alsmede voor de families en groepen van stoffen genoemd bij het tweede streepje van lijst II, aldus de Commissie. Zij heeft haar beroep echter beperkt tot de 99 stoffen van lijst II, eerste streepje, aangezien haar aanmaningen en haar met redenen omkleed advies slechts naar die stoffen verwijzen.
31. Zij vraagt het Hof daarom vast te stellen dat de Helleense Republiek, door geen programma's met kwaliteitsdoelstellingen en termijnen voor de uitvoering daarvan op te stellen ter vermindering van de waterverontreiniging door de 99 gevaarlijke stoffen van lijst II, eerste streepje, van de bijlage bij de richtlijn, en, bijgevolg, door lozingen die in de wateren worden verricht en die een van de stoffen van lijst II kunnen bevatten, niet te binden aan een voorafgaande vergunning van de bevoegde autoriteit, waarin emissienormen op basis van in die programma's vastgelegde kwaliteitsdoelstellingen zijn vastgesteld, de krachtens het Verdrag en artikel 7 van de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
32. De Helleense Republiek verweert zich tegen het beroep. Zij stelt dat zich sedert haar antwoord van 20 maart 1997 nieuwe feiten hebben voorgedaan, aangezien de Egeïsche universiteit daadwerkelijk opdracht is verleend tot de aangehaalde studie. Uit een rapport van de universiteit zou blijken dat de Griekse autoriteiten wettelijke regelingen hebben ingevoerd en concrete bestuurlijke maatregelen hebben getroffen ter bescherming van ontvangende wateren en kwaliteitsdoelstellingen hebben vastgesteld ter bescherming van deze wateren tegen iedere mogelijke lozing voortvloeiende uit het gebruik van de gewraakte gevaarlijke stoffen.
33. In haar verweerschrift noemt de Helleense Republiek verscheidene nationale regels - interministeriële, interprovinciale, provinciale en prefectorale besluiten, alsmede een interministeriële beschikking en een beschikking van een regionaal bestuurder - die een aantal verboden en beperkingen inhouden voor afval dat kan worden geloosd in het aquatisch milieu.
34. Zij vermeldt eveneens de beschikbare gegevens over de invoer van 17 van de 25 bestrijdingsmiddelen van lijst II in Griekenland tussen 1983 en 1989. De Griekse regering vestigt er de aandacht op dat ook al zijn van bepaalde bestrijdingsmiddelen aanzienlijke hoeveelheden geïmporteerd, de analyses die op verzoek van het Ministerie van Milieu zijn uitgevoerd van oppervlaktewateren, geen bestrijdingsmiddelen hebben aangetoond in hoeveelheden die een verontreinigingsrisico met zich kunnen brengen.
35. De Helleense Republiek voegt daaraan toe dat volgens de onderhanden zijnde studie in 24 van de 52 provincies geen activiteiten plaatsvinden waarbij afvalstoffen worden geproduceerd waarin de in het met redenen omkleed advies van de Commissie genoemde stoffen voorkomen. Voor de andere provincies is de studie nog niet voltooid, zodat het niet mogelijk is ter zake volledige gegevens te verstrekken.
36. Zij beweert de verplichtingen van de richtlijn te zijn nagekomen. Voor de ontvangende wateren waarvoor dat nodig was, zouden kwaliteitsdoelstellingen zijn vastgesteld en voor de vloeibare afvalstoffen die worden geloosd in de oppervlaktewateren, zouden limieten zijn voorgeschreven. Bovendien zou ieder deel van het nationale grondgebied onder minstens één van de drie volgende categorieën vallen: provincies waar kwaliteitsdoelstellingen zijn ingevoerd, provincies waar limieten voor lozingen in ontvangende wateren zijn vastgesteld of provincies waar geen industriële activiteiten plaatsvinden waarbij afvalstoffen worden geproduceerd die één van de 99 stoffen van lijst II kan bevatten.
37. In repliek wijst de Commissie erop dat de aan de Egeïsche universiteit opgedragen studie deel uitmaakt van de preventieve maatregelen die dienen te worden genomen om de programma's van artikel 7 van de richtlijn te kunnen opstellen. Dit bewijst dat deze programma's nog niet bestonden.
38. Zij bestrijdt dat de nationale voorschriften waarop de Helleense Republiek zich beroept, kunnen worden gekarakteriseerd als programma's in de zin van artikel 7 van de richtlijn. Die regels zijn volgens de Commissie bedoeld ter omzetting van andere richtlijnen van de Gemeenschap. Zij herhaalt dat de programma's haar nog niet zijn meegedeeld.
39. Zij vestigt er de aandacht op dat de Helleense Republiek geen kwaliteitsdoelstellingen kan vaststellen zonder emissienormen voor de afvalstoffen. Omgekeerd kan het opleggen van drempelwaarden voor de verschillende betrokken stoffen niet in de plaats komen van de verplichting om, overeenkomstig de richtlijn, kwaliteitsdoelstellingen vast te stellen om de verontreiniging te verminderen. De afwezigheid van industriële installaties ontslaat de Helleense Republiek niet van de verplichting programma's voor die regio's in te voeren.
40. De Commissie voegt daaraan toe dat kwaliteitsdoelstellingen slechts voor een beperkt aantal regio's en voor bepaalde stoffen van lijst II zijn vastgesteld. Die doelstellingen berusten niet op een concrete studie waarin de bestaande verontreiniging wordt geanalyseerd en de te volgen methode ter vermindering van deze verontreiniging wordt beschreven. Het is dus onmogelijk te bepalen, in hoeverre zij bijdragen aan de doelstellingen van de richtlijn. Die kwaliteitsdoelstellingen hangen bovendien niet samen met de vermindering van een vastgestelde verontreiniging, zoals de richtlijn voorschrijft, maar met specifieke doelstellingen die door andere richtlijnen zijn bepaald.
41. De Griekse regering antwoordt dat de eerste fase van de aan de Egeïsche universiteit opgedragen studie - inventarisatie van de vervuilingsbronnen, van de giftige stoffen van lijst II, evaluatie van de verzamelde gegevens, opstelling van een overzicht van de mogelijk in het Griekse aquatisch milieu aanwezige stoffen, opbouw van een netwerk voor controle van het oppervlaktewater - is voltooid. De tweede fase van de studie - nemen van monsters en analyse van de ontvangende oppervlaktewateren, voorlopige technische rapporten die de resultaten van de monsters bevatten en een volledig verslag vergezeld van programma's ter vermindering van lozingen van de in het geding zijnde stoffen - is in juli 1998 begonnen en duurt 16 maanden.
42. Zij voegt daaraan toe dat voor het gehele grondgebied een inventarisatie van vervuilingsbronnen heeft plaatsgevonden en dat het controlenetwerk bijna alle oppervlaktewateren van het Griekse grondgebied dekt alsmede de industrieën die afvalwater, dat bepaalde stoffen van lijst II bevat, lozen. Er zijn maatregelen genomen waarbij kwaliteitsdoelstellingen voor bepaalde ontvangende wateren en voor bepaalde stoffen van lijst II zijn vastgesteld. De Griekse regering beroept zich op het beginsel, ontleend aan rechtspraak van het Hof, dat de omzetting van een richtlijn in nationaal recht niet noodzakelijkerwijs een formele en letterlijke overneming van haar bepalingen in een expliciete en specifieke wettelijke regeling vereist en dat, afhankelijk van de inhoud van de richtlijn, kan worden volstaan met een algemene juridische context.
Beoordeling van de aangevoerde middelen
43. Wat betreft het eerste middel, inhoudende dat de Helleense Republiek geen programma's heeft opgesteld, betoogt de Commissie dat deze lidstaat verplicht was een overzicht van de verontreiniging van de binnen- en kustwateren door de 99 stoffen van lijst II op te stellen en op basis van die gegevens het programma ter vermindering van de verontreiniging, met kwaliteitsdoelstellingen en termijnen voor de uitvoering daarvan.
44. Zichzelf enigszins tegensprekend, stelt de verwerende regering de op haar rustende verplichtingen te zijn nagekomen, doch erkent zij dat de aan de Egeïsche universiteit opgedragen studie, die in zekere zin was bedoeld om een inventaris te maken van de verontreiniging van het Griekse aquatisch milieu door stoffen van lijst II teneinde in een eindrapport tot een beschrijving van de inhoud van de programma's te komen, in juli 1998 niet was voltooid. Zij voegt daaraan toe dat deze 16 maanden later klaar moest zijn, te weten in december 1999.
45. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld naar de situatie zoals die bestaat aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. Met nadien opgetreden wijzigingen kan dus geen rekening worden gehouden.
46. Verweerster erkent zelf dat het inventarisatie"-gedeelte van de studie, bedoeld om de verontreinigingsbronnen in het Griekse aquatisch milieu te identificeren ter voorbereiding van het opstellen van de programma's van artikel 7, lid 1, nog niet in alle provincies was voltooid zodat nog geen sluitende gegevens kunnen worden verschaft over de mate van vervuiling van de oppervlaktewateren door de stoffen waarop deze studie betrekking heeft".
47. Ook al is het door de Griekse autoriteiten gevraagde eindrapport op de aangekondigde datum voltooid, vaststaat dat op de dag waarop bij het Hof beroep is ingesteld, de door de richtlijn voorgeschreven programma's niet waren opgesteld. Het met redenen omklede advies van de Commissie waaraan de Griekse regering binnen een termijn van twee maanden moest voldoen, is op 23 december 1996 betekend. Zoals blijkt uit bijlage II bij het verweerschrift van de Helleense Republiek en terecht door de Commissie is aangestipt, is de studie-opdracht verleend bij besluit van 4 juni 1997.
48. Reeds omdat de studie van de Egeïsche universiteit bij het verstrijken van de door de Commissie gestelde termijn niet gereed was, treft mijns inziens het eerste middel doel, aangezien daarmee de programma's uit de aard der zaak niet waren opgesteld.
49. Volledigheidshalve zal ik echter ingaan op de andere argumenten van de Griekse regering waarmee zij betoogt dat de omzetting van de richtlijn in nationaal recht hoe dan ook door verschillende regelingen verzekerd was.
50. De krachtens artikel 7, lid 1, van de richtlijn op te stellen programma's zijn in eerdere procedures voor het Hof tegen andere lidstaten duidelijk gedefinieerd.
51. Zij moeten volgens de rechtspraak van het Hof specifiek zijn. Het Hof heeft daaromtrent geoordeeld: De specificiteit van de betrokken programma's bestaat hierin, dat zij een totale en samenhangende benadering moeten inhouden, met het karakter van een concrete en gestructureerde planning die het hele nationale grondgebied omvat en betrekking heeft op de vermindering van de verontreiniging veroorzaakt door alle stoffen van lijst II die in de nationale context van elke lidstaat van belang zijn, gelet op de in diezelfde programma's vastgestelde kwaliteitsdoelstellingen voor de ontvangende wateren. Zij onderscheiden zich dus (...) van een geheel van concrete maatregelen ter beperking van de waterverontreiniging."
52. De bepalingen van Grieks recht waarop de verweerster zich beroept, hebben echter een onsamenhangend karakter.
53. De Griekse autoriteiten geven toe, dat voor bepaalde delen van het nationale grondgebied noch maatregelen met kwaliteitsdoelstellingen, noch juridisch bindende emissienormen gelden. Daarmee erkennen zij dat de gestelde omzetting van de richtlijn niet overeenkomt met de volgens deze vereiste geïntegreerde aanpak.
54. Ter rechtvaardiging van deze tekortkomingen en van die voortvloeiend uit het feit dat de ingevoerde emissienormen plaatselijk slechts enkele van de stoffen van lijst II dekken, wijst de Helleense Republiek erop dat in het betrokken deel van het nationale grondgebied geen industriële activiteiten plaatsvinden, waarvan de afvalstoffen de onderhavige stoffen zouden kunnen bevatten.
55. Zoals de Commissie terecht naar voren heeft gebracht, is dat argument niet aanvaardbaar, aangezien verontreinigende activiteiten op ieder moment kunnen ontstaan en zich kunnen ontwikkelen in regio's waar geen bindende emissienormen gelden. Een lidstaat kan dus niet, zonder de doelstelling van de richtlijn te verloochenen, bij voorbaat en definitief bepaalde delen van zijn grondgebied uitsluiten van de toepassing van de nationale omzettingsregels.
56. In het bijzonder wat betreft de programma's en de kwaliteitsdoelstellingen die zij moeten inhouden, dient de Commissie te worden gevolgd in haar stelling dat een regio zonder industriële activiteiten kan zijn blootgesteld aan ernstige risico's van verontreiniging, ofwel ten gevolge van andere soorten activiteiten, zoals landbouwactiviteiten, ofwel door verontreinigende activiteiten in andere regio's, zodat een het gehele grondgebied dekkende, met de richtlijn overeenstemmende regeling gerechtvaardigd is.
57. Aan de eis van een planning die het gehele nationale grondgebied dekt en is gericht op vermindering van de vervuiling door alle stoffen van lijst II, is ook daarom niet voldaan omdat sommige van de nationale bepalingen waarop een beroep wordt gedaan, limieten voor de lozing van bepaalde stoffen inhouden zonder dat tevoren kwaliteitsdoelstellingen zijn vastgesteld. Alleen deze doelstellingen, waarvan de vaststelling wordt opgelegd door de richtlijn, kunnen evenwel een regelmatige controle van de conditie van het aquatisch milieu en een voortgaande aanpassing garanderen van de eerder vastgestelde emissienormen, wanneer zij ontoereikend blijken te zijn. Het vaststellen van deze doelstellingen vormt dus een echte resultaatsverplichting voor de lidstaten, een waarborg voor een doeltreffende bescherming van het milieu.
58. De Helleense Republiek heeft bovendien niet aangetoond dat daar waar wel in die doelstellingen is voorzien, termijnen zijn gesteld voor de uitvoering ervan.
59. Wat de stelling van de Helleense Republiek in dupliek betreft, dat (...) alle oppervlaktewateren op hun kwaliteit, wat betreft de aanwezigheid van stoffen van lijst II van de richtlijn, worden gecontroleerd door middel van een dicht controlenetwerk (...)", zou ik willen opmerken dat zij in haar verweerschrift, dat wil zeggen ruimschoots na het verstrijken van de termijn uit het met redenen omklede advies, nochtans duidelijk heeft aangegeven dat dit netwerk niet bestond. Zij heeft daar immers gezegd dat de Egeïsche universiteit (...) opdracht heeft gekregen om een controlenetwerk voor de ontvangende oppervlaktewateren in het gehele land op te zetten (...)".
60. Ten slotte, hoewel de door de Griekse autoriteiten vastgestelde regelgeving ontegenzeglijk de bescherming van het milieu en in het bijzonder de bescherming van het aquatisch milieu nastreeft, lijkt zij noch geconcipieerd te zijn in de geest van de richtlijn, noch de omzetting ervan veilig te stellen. Zoals het Hof overigens reeds heeft geoordeeld naar aanleiding van andere nationale regelgeving die ter uitvoering van deze richtlijn moest dienen, is ook de regeling van de Helleense Republiek slechts een reeks van op zichzelf staande normatieve maatregelen die geen samenhangend stelsel van kwaliteitsdoelstellingen voor een bepaalde waterloop of waterbekken kunnen vormen". Zij kan derhalve niet als een programma in de zin van artikel 7 van de richtlijn worden aangemerkt.
61. Ik stel het Hof daarom voor het eerste middel van de Commissie gegrond te verklaren.
62. Het tweede middel is nauw verbonden met het eerste omdat, nu de Helleense Republiek geen programma's in de zin van artikel 7, lid 1, van de richtlijn heeft vastgesteld, vergunningen niet kunnen zijn verleend overeenkomstig artikel 7, lid 2.
63. Het Hof heeft immers geoordeeld: Blijkens laatstgenoemde bepaling moeten in die vergunningen de emissienormen zijn vermeld die voor iedere toegestane lozing gelden en die worden berekend aan de hand van de kwaliteitsdoelstellingen die tevoren zijn vastgelegd in een programma ter bescherming van de betrokken waterbekkens en waterlopen, in de zin van lid 1 van hetzelfde artikel. Wanneer het eerste middel gegrond is, valt het dus samen met het tweede middel, dat dan geen zelfstandig voorwerp meer heeft en niet meer behoeft te worden onderzocht."
64. Zonder programma's in de zin van artikel 7, lid 1, van de richtlijn is het onmogelijk een systeem van voorafgaande vergunningen overeenkomstig artikel 7, lid 2, in te stellen. Het tweede middel behoeft derhalve niet meer te worden onderzocht.
Conclusie
65. Op grond van bovenstaande overwegingen stel ik het Hof voor:
- vast te stellen dat de Helleense Republiek, door geen programma's met kwaliteitsdoelstellingen en termijnen voor de uitvoering daarvan op te stellen ter vermindering van de waterverontreiniging door de 99 gevaarlijke stoffen van lijst II, eerste streepje, van de bijlage bij richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd, en, bijgevolg, door lozingen die in de wateren worden verricht en die een van de bedoelde stoffen kunnen bevatten, niet te binden aan een voorafgaande vergunning van de bevoegde autoriteit, waarin emissienormen op basis van de in die programma's vastgelegde kwaliteitsdoelstellingen zijn vastgesteld, de krachtens het Verdrag en artikel 7 van genoemde richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
- de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy