Conclusie van de advocaat generaal
1 Bij drie gelijkluidende beschikkingen heeft het Tribunal Superior de Justicia del País Vasco het Hof een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 52 en 92 EG-Verdrag (thans, na wijziging artikelen 43 EG en 87 EG). Het Hof wordt gevraagd of met deze bepalingen verenigbaar zijn provinciale regelingen ("normas forales"), die zijn vastgesteld door drie autoriteiten binnen de Autonome Gemeenschap Baskenland en die fiscale spoedmaatregelen voor investeringssteun en tot bevordering van de economische bedrijvigheid bevatten.
De nationale wetgeving en de provinciale regelingen
2 De fiscale relaties tussen de Spaanse staat en de Autonome Gemeenschap Baskenland worden beheerst door de Concierto Económico (Economische samenwerkingsregeling; hierna: "samenwerkingsregeling"), die is goedgekeurd bij wet nr. 12 van 13 mei 1981(1), en later gewijzigd bij wet nr. 27 van 26 december 1990.(2) Deze regeling geeft de autoriteiten van de Territorios Históricos Vascos (de Baskische Provincies) de bevoegdheid om op hun grondgebied de belastingen te regelen, met uitzondering van douanerechten, heffingen van wat voor aard ook die door fiscale monopolies worden geïnd, en de alcoholaccijns, waarvoor de regelingsbevoegdheid bij uitsluiting aan de centrale overheid toekomt.
3 Het eerste hoofdstuk van de samenwerkingsregeling stelt voor elke belasting de aanknopingspunten vast voor de afbakening van de respectieve bevoegdheden van de centrale en de provinciale financiële autoriteiten. Deze bevoegdheidsverdeling vindt plaats met inachtneming van het solidariteitsbeginsel, op grond waarvan de invoering van rechtstreekse of indirecte fiscale privileges en de toekenning van steun door middel van teruggave van belasting verboden zijn (artikel 4, lid 8); de bepalingen die door de provinciale instanties worden vastgesteld, mogen de mededinging tussen ondernemingen niet schaden en de verdeling van hulpbronnen, het vrije verkeer van kapitaal en het vrije verkeer van arbeidskrachten niet vervalsen (artikel 4, lid 11); tenslotte mag de toepassing van de samenwerkingsregeling niet tot een effectieve belastingdruk leiden die lager is dan die op het gemene grondgebied (artikel 4, lid 12).
Bovendien bepaalt artikel 6 van de samenwerkingsregeling, dat de Spaanse staat bij uitsluiting bevoegd blijft voor het beheer, het toezicht op, de herziening en de inning van alle belastingen die zijn verschuldigd door een natuurlijk persoon of een instelling met of zonder rechtspersoonlijkheid die volgens de belastingregeling van de staat niet behoort tot de personen die op Spaans grondgebied wonen. Met betrekking tot de inkomstenbelasting van natuurlijke personen bepaalt artikel 7, lid 1, tenslotte, dat deze kan worden aangemerkt als een "samenwerkings"belasting die wordt beheerst door de regeling van de Autonome Gemeenschap en die kan worden geïnd door de territoriaal bevoegde Diputación Foral, wanneer de belastingplichtige zijn vaste verblijfplaats heeft in Baskenland. Artikel 18 van de samenwerkingsregeling stelt de criteria vast voor de toepassing van de vennootschapsbelasting.
4 Op grond van de regelgevende bevoegdheden die hun in voornoemde bepalingen zijn toegekend, hebben de drie Juntas Generales van de provincies Guipúzcoa, Álava en Vizcaya provinciale regelingen ("normas forales") vastgesteld, te weten nr. 11/93 van 26 juni 1993, nr. 18/93 van 5 juli 1993 en nr. 5/93 van 24 juni 1993 houdende fiscale spoedmaatregelen voor investeringssteun en tot bevordering bevordering van de economische bedrijvigheid. Bij deze regelingen is voor de periode vanaf hun inwerkingtreding tot 31 december 1994 een aantal belastingverlichtingen ingevoerd op het gebied van de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting voor natuurlijke personen. De maatregelen verleenden de natuurlijke personen en ondernemingen die onder de fiscale regeling voor Baskenland vielen, een aantal voordelen die natuurlijke personen en ondernemingen die onder de gemene regeling vielen, niet genoten. Bij rechtspersonen ging het in het bijzonder om belastingvrijstellingen, -verlagingen of -aftrek voor de oprichting van nieuwe ondernemingen, investeringen in vaste activa, investeringen in onderzoek en ontwikkeling, investeringen ter stimulering van de uitvoer, de afschrijving van nieuwe activa, de kapitaalvorming van kleine ondernemingen en de aanwerving en opleiding van personeel. Dezelfde belastingvoordelen kwamen toe aan degenen die vielen onder de inkomstenbelasting van natuurlijke personen die ondernemers- of beroepswerkzaamheden uitoefenden en wier netto inkomen werd bepaald aan de hand van de regeling voor rechtstreekse schatting.
De personele werkingssfeer van de belastingverlichtingen werd in de provinciale regelingen vastgesteld aan de hand van drie "getrapte" parameters. De betrokken bepalingen waren in de eerste plaats van toepassing op belastingplichtigen die uitsluitend belasting betaalden aan de provincie die de regeling had uitgevaardigd; in de tweede plaats op belastingplichtigen die zowel belasting betaalden aan de provincie die de regeling had uitgevaardigd als aan een andere provincie maar wier fiscale woonplaats op het grondgebied ligt van de provincie die de regeling heeft uitgevaardigd, of die hun woonplaats op het gemene Spaanse grondgebied hebben maar het grootste deel van hun omzet behalen op het grondgebied van de provincie die de regeling heeft uitgevaardigd; en tenslotte op belastingplichtigen die belasting betalen aan de provincie die de regeling heeft vastgesteld en aan de staat, dan wel aan de provincie die de regeling heeft vastgesteld, een andere provincie en de staat, maar wier fiscale woonplaats ligt op het historische grondgebied van de provincie die de regeling heeft uitgevaardigd en wier in het voorafgaande boekjaar in Baskenland verwezenlijkte omzet meer bedraagt dan 25 % van hun totale omzet.
Wat de inkomstenbelasting van natuurlijke personen betreft, gelden de in de provinciale regelingen vastgestelde fiscale voordelen voor belastingplichtigen wier gewone verblijfplaats op het grondgebied van de provincies Guipúzcoa, Álava en Vizcaya ligt.
5 In zijn verwijzingsbeschikking tekent de nationale rechter hierbij aan, dat de toepassing van de hiervóór uiteengezette regeling meebrengt, dat belastingplichtigen wier woonplaats niet op Spaans grondgebied ligt, aan de belastingregeling van de staat onderworpen blijven, waardoor hun de eventuele mogelijkheid wordt ontnomen om te profiteren van de fiscale voordelen die zijn vervat in de gewraakte provinciale regelingen.
6 Tenslotte zij opgemerkt, dat de Commissie zich bij een tot het Koninkrijk Spanje gerichte beschikking van 10 mei 1993 (93/337/EEG)(3) heeft uitgesproken over de provinciale regelingen nrs. 28/1988, 8/1988 en 6/1988, vastgesteld door respectievelijk de provincies Álava, Vizcaya en Guipúzcoa. Dit waren maatregelen die belastingverlichtingen bevatten die inhoudelijk identiek waren aan die van de litigieuze provinciale regelingen. In die beschikking besliste de Commissie, dat de fiscale investeringssteun wat de maatregelen inzake de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting van natuurlijke personen betreft, onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag aangezien de toepassingsbepalingen van de bedoelde steunverlening strijdig zijn met artikel 52 van het Verdrag.(4) In artikel 1, lid 2, van de beschikking verzocht de Commissie Spanje om de belastingregeling uiterlijk op 31 december 1993 in die zin te wijzigen dat de onverenigbaarheid daarvan met artikel 52 van het Verdrag werd opgeheven. De beschikking is noch op grond van artikel 173, eerste alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging artikel 230, eerste alinea, EG) aangevochten door haar adressaat, noch op grond van de vierde alinea van dat artikel door de Baskische instanties die de regelingen hadden vastgesteld. Om gevolg te geven aan de beschikking nam het Koninkrijk Spanje in wet nr. 42 van 30 december 1994 de achtste aanvullende bepaling op.(5) Deze bepaling, getiteld "Fiscale stimuleringsmaatregelen en subsidies voor ingezetenen van de Europese Unie die niet op Spaans grondgebied wonen", wijzigde de eerdere regeling aldus, dat vennootschappen van de nationale fiscus het verschil vergoed zouden krijgen tussen hetgeen zij aan belasting hadden betaald en hetgeen zij hadden moeten betalen indien zij gebruik hadden kunnen maken van de gunstiger regelingen van de Autonome Gemeenschap of de Baskische provincies. Als gevolg van de vaststelling van deze bepaling concludeerde de Commissie in een brief van 3 februari 1995 aan de Permanente Vertegenwoordiging van Spanje bij de Europese Unie, dat de Baskische fiscale regeling geen discriminatie meer inhield in de zin van artikel 52 van het Verdrag.
Het procesverloop en de prejudiciële vraag
7 In juni en oktober 1994 stelde de staat beroep in tot nietigverklaring van de drie provinciale regelingen. Een van de middelen die verzoeker aanvoerde behelsde schending van de artikelen 52 en 92 van het Verdrag. Deze schending was volgens de Spaanse regering het gevolg van het feit, dat volgens de provinciale regelingen de belastingverlichtingen niet golden voor burgers en vennootschappen van andere lidstaten die weliswaar een economische activiteit uitoefenden op Baskisch grondgebied maar niet op Spaans grondgebied woonden of gevestigd waren. Bij drie gelijkluidende beschikkingen van 30 juli 1997 heeft het Tribunal Superior de Justicia del País Vasco, kamer voor administratieve rechtspraak, het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
"Moet artikel 52 EG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat dit artikel, eventueel in samenhang met artikel 92, lid 1, EG-Verdrag, zich verzet tegen een regeling die geldt voor een provincie van een Autonome Gemeenschap van een lidstaat en betrekking heeft op fiscale spoedmaatregelen voor investeringssteun en tot bevordering van de economische bedrijvigheid, waarop een beroep kan worden gedaan door de belastingplichtigen die uitsluitend aan de belastingdienst van die provincie belasting betalen, die in die provincie hun fiscale woonplaats hebben of er het grootste deel van hun omzet verwezenlijken, of die hun fiscale woonplaats in die provincie hebben en in het voorgaande boekjaar meer dan 25 % van hun totale omzet hebben verwezenlijkt in de Autonome Gemeenschap, en volgens welke de overige natuurlijke en rechtspersonen die in de staat zelf of in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap wonen, van die maatregelen zijn uitgesloten?"
8 Bij beschikking van 18 december 1997 heeft de president van het Hof overeenkomstig artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering de zaken C-400/97, C-401/97 en C-402/97 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.
Ontvankelijkheid
9 Vooraf moet worden nagegaan of de vraag van de Spaanse rechter ontvankelijk is. De Juntas Generales en de Baskische regering, respectievelijk verweerders en interveniënte in het hoofdgeding, hebben namelijk een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Huns inziens zijn de prejudiciële verwijzingen niet strikt noodzakelijk voor de beslechting van de gedingen die voor de nationale rechter aanhangig zijn en verschaffen zij het Hof niet de nauwkeurige gegevens feitelijk en rechtens, die de vaste rechtspraak van het Hof verlangt.
10 Met betrekking tot de noodzaak van de verwijzing en daarmee van de uitspraak van het Hof, stellen voornoemde partijen kort gezegd, dat de eventuele onverenigbaarheid van de gewraakte provinciale regelingen met het gemeenschapsrecht reeds is verholpen met de vaststelling van de achtste aanvullende bepaling in wet nr. 42/94. Die bepaling heeft namelijk terugwerkende kracht en kan dus alle eventuele ongunstige situaties die het gevolg zijn van de toepassing van de provinciale belastingregelingen ongedaan maken. Zij voegen hieraan toe, dat de Commissie in de brief van februari 1995 heeft erkend, dat de aanvullende bepaling iedere twijfel over de verenigbaarheid van de provinciale regelingen met de relevante gemeenschapsbepalingen heeft weggenomen, en beklemtonen dat alle partijen in de drie hoofdgedingen het Tribunal Superior de Justicia hebben meegedeeld, dat zij een uitspraak over de geldigheid van de gewraakte regelingen niet nodig achtten omdat elke eventuele onverenigbaarheid met artikel 52 van het Verdrag door die aanvullende bepaling is weggenomen.
11 In dit verband zij allereerst opgemerkt, dat het Hof af en toe bepaalde vragen die waren gesteld in het kader van de prejudiciële procedure van artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) niet-ontvankelijk heeft geacht omdat het een antwoord daarop objectief niet noodzakelijk achtte voor de beslechting van het geding voor de nationale rechter.(6) Deze conclusie dringt zich echter met betrekking tot de onderhavige procedure niet op. Men kan immers niet buiten beschouwing laten, dat de nationale rechter zich ongeveer drie jaar na de vaststelling van de aanvullende bepaling van wet nr. 42/94 tot het Hof heeft gewend. Hoewel hij op de hoogte was van het standpunt van partijen dat de eventuele punten van conflict tussen de provinciale regelingen en artikel 52 van het Verdrag door de vaststelling van genoemde maatregel waren weggenomen, achtte de verwijzende rechter een uitspraak van het Hof op het litigieuze punt toch noodzakelijk. In het kader van de door het Verdrag gewilde bevoegdheids- (en verantwoordelijkheids)verdeling staat deze beslissing in beginsel aan de nationale rechter. Daar deze rechtstreeks kennis heeft van de feiten van het geding en van de relevante juridische aspecten, is hij het best in staat om de relevantie van de in de zaak gerezen vragen van gemeenschapsrecht te beoordelen.(7) De oplossing waartoe de nationale rechter in dat verband komt, kan door het Hof enkel ter discussie worden gesteld indien duidelijk is dat de uitlegging of het oordeel over de geldigheid van een gemeenschapsbepaling geen enkel verband houdt met de realiteit of het onderwerp van het geschil.
12 Mijns inziens doet geen van de hierboven vermelde, echt uitzonderlijke, gevallen zich hier voor. De twijfels die partijen hebben geuit, hebben immers geen betrekking op de relevantie van de vraag voor de oplossing van het hoofdgeding. Daar het gaat om een oordeel over de wettigheid van de gewraakte bepalingen in het licht van gemeenschapsrechtelijke criteria, kan immers niet worden betwist, dat de uitlegging van de relevante verdragsbepalingen door het Hof nuttig is voor de beslechting van het geding. De twijfels van partijen hebben dan ook niet zozeer betrekking op de relevantie van de prejudiciële vraag voor de beslechting van het hoofdgeding, maar op het nut van de eventuele nietigverklaring van de gewraakte provinciale regelingen door de nationale rechter aangezien de beweerdelijk onverenigbare aspecten al zouden zijn weggenomen door de vaststelling van de reeds meermaals genoemde aanvullende bepaling. Mijns inziens is het echter niet de taak van het Hof om vanuit de zojuist genoemde gezichtshoek in te gaan op de hoofdzaak en daarmee zijn oordeel in de plaats te stellen van de beoordelingen die toekomen aan de nationale rechter, die eventueel kan vaststellen dat er geen procesbelang is met betrekking tot bepalingen die niet langer van kracht zijn, of aan partijen in het hoofdgeding zelf. In dit verband kunnen wij echter niet om het feit heen, dat de centrale overheid, die zich voor de nationale rechter positief heeft uitgelaten over de vraag of de communautair onrechtmatige aspecten van de gewraakte maatregelen zijn overwonnen, de vordering niet heeft ingetrokken, waaruit blijkt, dat het hoofdgeding ondanks de wetswijzigingen van belang is gebleven.
Evenmin kan men, met wijziging van de gronden van niet-ontvankelijkheid die partijen hebben aangevoerd, stellen dat het geschil fictief is, in navolging van rechtspraak die in werkelijkheid begint en eindigt met de twee arresten Foglia/Novello.(8) Geheel afgezien van de vraag of de oplossing waartoe in die arresten is gekomen, juist is, kan in dit verband worden volstaan met de opmerking, dat partijen het geenszins eens zijn over het antwoord op de prejudiciële vraag en dus over de oplossing van het geschil ten gronde, dat dus zo te zien allesbehalve kunstmatig is.
13 Daar komt bij, dat uit de schriftelijke opmerkingen van partijen en uit hun mondelinge opmerkingen ter terechtzitting geenszins duidelijk naar voren komt wat de temporale werkingssfeer is van de maatregel die Spanje heeft genomen om de onverenigbaarheid van de provinciale regelingen met de verdragsbepalingen op te heffen, en of die maatregel werkelijk effectief is voor de beëindiging van de ongelijke behandeling die de regelingen zouden oproepen. Ook valt in dit verband op goede gronden te betwijfelen of een compensatiemaatregel als die welke in de achtste aanvullende bepaling is neergelegd, in concreto gelijkwaardig is aan de niet-toepassing van de provinciale regelingen, aangezien de ondernemingen in elk geval voor de eerste actief moeten optreden, hetgeen tijd en extra kosten vereist.
14 De overige excepties van niet-ontvankelijkheid die verweerders in het hoofdgeding hebben opgeworpen, lijken mij nog minder gegrond. Van elk belang ontbloot is de bewering, dat de verwijzingen niet strikt noodzakelijk zijn voor de oplossing van het geschil omdat het voor de nationale rechter opgeworpen probleem "gedeeltelijk" van interne aard zou zijn. Volgens deze partijen betreffen de discriminatie en de steunelementen de rechtstoestand van natuurlijke of rechtspersonen die in Baskenland zijn gevestigd, vergeleken met die van degenen die in de rest van Spanje wonen. Ter weerlegging van dit bezwaar kan worden volstaan met de opmerking, dat deze ongunstige maatregel ingezetenen van andere lidstaten op dezelfde wijze raakt als de ingezetenen van het gemene Spaanse grondgebied.
Wat de beweerde onvolledigheid van de drie verwijzingsbeschikkingen betreft, die niet met de vereiste nauwkeurigheid duidelijk zouden hebben gemaakt, dat in de verschillende regio's van Spanje verschillende belastingstelsels naast elkaar bestaan, maar de indruk zouden hebben gewekt dat er één algemeen stelsel bestaat met afwijkingen voor bepaalde zones, volstaat de opmerking, dat de verwijzingsbeschikking, zij het beknopt, een beschrijving geeft van de regeling voor belastingplichtigen in de Baskische provincies, de personele werkingssfeer van die regeling en het verschil in behandeling tussen de natuurlijke en rechtspersonen die onder de gewraakte regeling vallen en zij die onder de gemene regeling vallen. Het bestaan van verschillende belastingstelsels werpt een probleem ten gronde op, dat op de juiste plaats zal worden behandeld, namelijk bij de beoordeling van de betrokken maatregelen in het licht van de Gemeenschapsbepalingen betreffende steunmaatregelen van de staten.
15 Op bovengenoemde gronden meen ik, dat het Hof zich over de vraag van de Spaanse rechter moet uitspreken.
De vrijheid van vestiging
16 Met het eerste onderdeel van de vraag wenst de Spaanse rechter van het Hof te vernemen, of artikel 52 van het Verdrag zich verzet tegen een regeling als de Baskische spoedmaatregelen voor investeringssteun, waarvan belastingplichtigen kunnen profiteren die hun belasting uitsluitend aan de belastingdienst van een van de Baskische provincies betalen, die aldaar hun fiscale woonplaats hebben of er het grootste deel van hun omzet verwezenlijken, of die hun fiscale woonplaats in een van die provincies hebben en in het voorgaande boekjaar meer dan 25 % van hun totale omzet hebben verwezenlijkt in de Autonome Gemeenschap, terwijl andere natuurlijke en rechtspersonen die in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap wonen, niet tot de begunstigden van die regeling behoren.
De economische samenwerkingsregeling bepaalt immers (artikel 6 van wet nr. 12/1981, zoals gewijzigd bij wet 27/1990), dat de natuurlijke en rechtspersonen die geen Spaanse ingezeten zijn, onder de fiscale wetgeving van de staat vallen. Zij zijn dus uitgesloten van de voordelen waarin de Baskische belastingwetgeving voorziet.
17 Voordat ik op de vraag zelf inga, lijkt het mij nuttig om te herhalen wat ik hiervoor al heb aangestipt met betrekking tot de corrigerende bepalingen die de Spaanse regering heeft vastgesteld. Om te voldoen aan beschikking 93/337 van de Commissie heeft de Spaanse regering in wet nr. 42 van 30 december 1994 de achtste aanvullende bepaling opgenomen, betreffende toekenning van fiscale stimuleringsmaatregelen en subsidies aan ingezetenen van de Europese Unie die niet op Spaans grondgebied wonen. Op grond van die bepaling hebben vennootschappen die op Baskisch grondgebied opereren maar die geen gebruik kunnen maken van de aldaar toegekende belastingverlichtingen, recht op terugbetaling door de nationale fiscus van het verschil tussen hetgeen zij daadwerkelijk hebben betaald en hetgeen zij hadden moeten betalen indien zij gebruik hadden kunnen maken van de regeling van de Baskische provincies. Dankzij deze maatregel zijn volgens de Spaanse regering alle eventuele discriminaties op gemeenschapsrechtelijk vlak weggenomen. Om consequent te blijven aan haar mededeling aan de Spaanse regering in de brief van 3 februari 1995, verzet de Commissie zich niet tegen deze conclusie.
18 Het is nuttig om in dit verband aan te tekenen, dat er op de balans van een onderneming een belangrijk verschil bestaat tussen vrijstellingen vooraf, zoals de vrijstelling die door de provinciale bepalingen wordt gegeven, en terugbetaling achteraf, zoals bepaald in de correctiemaatregel van de Spaanse regering. De discriminatoire situatie waaraan buitenlandse vennootschappen zijn onderworpen, wordt door het mechanisme solve et repete niet weggenomen. Tijd en personeel zijn immers nodig voor de bureaucratie die vereist is om terugbetaling te verkrijgen, met alle extra kosten van dien voor de onderneming. Ik meen dan ook, dat de achtste aanvullende bepaling van wet nr. 42/94 het door de provinciale regelingen gecreëerde verschil in behandeling tussen ondernemingen met fiscale zetel in Baskenland en buitenlandse ondernemingen niet geheel weg kon nemen.
19 Nu wij tot de behandeling van de vraag zelf komen, moet duidelijkheidshalve allereerst worden herhaald, dat de Baskische regeling voor de toekenning van de belastingverlichtingen verlangt, dat de betrokkene zijn vaste verblijfplaats of fiscale woonplaats in Baskenland heeft of aldaar een belangrijk percentage van zijn totale omzet verwezenlijkt. Een vennootschap uit een andere lidstaat, die in Baskenland een filiaal, een agentschap of een vestiging zou willen oprichten maar zijn bedrijf (en daarmee zijn fiscale woonplaats) in zijn land van oorsprong zou willen houden, kan niet van die steunmaatregelen profiteren.
20 Vervolgens is het nuttig om in herinnering te brengen, dat de door artikel 52 van het Verdrag aan de onderdanen van de lidstaten toegekende vrijheid van vestiging inhoudt, dat zij toegang hebben tot werkzaamheden anders dan in loondienst en dat zij deze werkzaamheden kunnen uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als door de wetgeving van de lidstaat van vestiging voor zijn eigen onderdanen zijn vastgesteld. Voor vennootschappen die in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Gemeenschap hebben, houdt die vrijheid overeenkomstig artikel 58 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 48 EG) tevens het recht in, hun activiteit in de betrokken lidstaat via een filiaal of agentschap uit te oefenen.(9)
Voor de toepassing van de artikelen 52 en 58 van het Verdrag dient de zetel van een vennootschap, zoals de nationaliteit voor natuurlijke personen, ter bepaling van hun binding aan de rechtsorde van een bepaalde staat. "Zou de lidstaat van vestiging vrijelijk een andere behandeling mogen toepassen, enkel omdat de zetel van een vennootschap in een andere lidstaat is gevestigd, dan zou daarmee aan deze bepaling iedere inhoud worden ontnomen", aldus het Hof in het arrest Commissie/Frankrijk.(10)
21 Volgens vaste rechtspraak van het Hof vindt het zojuist genoemde beginsel ook toepassing in gevallen waarin de nationale fiscale regeling enkel verlichtingen toekent aan ondernemingen die binnen die staat hun zetel hebben. Hoewel bij gebreke van harmoniseringsmaatregelen de regeling van de directe belasting in beginsel tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort, moeten de lidstaten bij de uitoefening van die bevoegdheid wel het gemeenschapsrecht respecteren.(11) Een fiscaal discriminatoire behandeling die de uitoefening van het recht van vestiging belet of beperkt, valt dus binnen de werkingssfeer van artikel 52 van het Verdrag.(12)
22 Verder heeft het Hof meermaals overwogen, dat de vrijheid van vestiging een van de grondbeginselen van de Gemeenschap vormt en dat de bepalingen waarin zij wordt gegarandeerd, aan hun adressaten absolute rechten toekennen, die slechts kunnen worden beperkt wanneer zich belangen voordoen die van hogere orde worden geacht, zoals overwegingen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid (artikel 56 EG-Verdrag; thans, na wijziging, artikel 46 EG). Enkel in dergelijke specifieke en uitzonderlijke situaties kan er een rechtvaardiging zijn voor discriminatoire nationale wettelijke regelingen. Overwegingen van zuiver economische aard, zoals het verlies van belastinginkomsten of de strijd tegen belastingfraude, kunnen beperkingen van een door het Verdrag verzekerd fundamenteel recht niet rechtvaardigen.(13)
23 De Baskische autoriteiten stellen echter, dat de betrokken maatregelen hun rechtvaardiging vinden in de noodzaak om de samenhang van het nationale belastingstelsel te verzekeren. Volgens hen berust de ongelijke behandeling van belastingplichtigen op de omstandigheid, dat de aanknopingscriteria de interne bevoegdheidsverdeling tussen de fiscus van Baskenland en die van de staat weerspiegelen. Ter ondersteuning van deze stelling citeren de provincies het arrest Bachmann(14), waarin het Hof voor het eerst het begrip "samenhang van het belastingstelsel" hanteerde bij de beoordeling van een belastingregeling en van de gevolgen daarvan voor personen die in andere lidstaten zijn gevestigd. Het begrip "fiscale samenhang" als dwingende reden van algemeen belang die de fundamentele economische vrijheden van het Verdrag kan beperken, is vervolgens gepreciseerd en uitgewerkt in latere arresten, waaronder de arresten Svensson en Gustavsson(15), Asscher(16) en Futura Participations en Singer.(17)
24 Nog afgezien van de vraag of ten aanzien van onmiskenbaar discriminatoire maatregelen wel een beroep kan worden gedaan op deze uitzondering(18), kan mijns inziens in casu niet worden gesproken van een noodzaak om de samenhang van het Spaanse belastingstelsel de waarborgen. Uit voornoemde arresten blijkt immers, dat voor het gebruik van deze "dwingende reden van algemeen belang" ter rechtvaardiging van nationale maatregelen die de vrijheid van vestiging en van dienstverrichting beperken, een rechtstreeks verband vereist is tussen belasting en aftrek binnen een en hetzelfde belastingstelsel. Er moet met name sprake zijn van compensatie tussen de bedragen die de staat als gevolg van de belasting ontvangt en die welke in de vorm van aftrek aan de belastingbetaler worden teruggegeven.(19)
Bij de door het Hof vermelde "samenhang van het belastingstelsel" gaat het niet, zoals de Baskische instanties menen, over de bevoegdheidsverdeling op belastinggebied binnen een lidstaat, maar over het bijzondere verband tussen twee operaties - een met een minteken, een ander met een plusteken - binnen een en hetzelfde belastingstelsel. In het onderhavige geval bestaat er binnen het Spaanse belastingstelsel geen enkele belasting die kan worden geacht rechtstreeks gecorreleerd te zijn aan de aftrekmogelijkheden waarin de regeling van Baskenland voorziet voor vennootschappen die daar hun fiscale zetel hebben.
25 De door de Baskische regeling gestelde voorwaarden voor de belastingverlichtingen vormen daarom mijns inziens een discriminerende maatregel in de zin van artikel 52 van het Verdrag. Ik geef het Hof bijgevolg in overweging om het eerste onderdeel van de vraag van het Tribunal Superior del País Vasco aldus te beantwoorden, dat artikel 52 van het Verdrag zich verzet tegen een regeling die betrekking heeft op fiscale spoedmaatregelen tot bevordering van de investeringen, waarop een beroep kan worden gedaan door de belastingplichtigen die uitsluitend aan de belastingdienst van de Baskische provincies belasting betalen, in die provincies hun fiscale woonplaats hebben of er het grootste deel van hun omzet verwezenlijken, of die hun fiscale woonplaats in die provincies hebben en in het voorgaande boekjaar meer dan 25 % van hun totale omzet hebben verwezenlijkt in de Autonome Gemeenschap, zonder dat andere natuurlijke en rechtspersonen die in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap wonen, hiervan kunnen profiteren.
Het begrip steunmaatregelen van de staten
26 Met het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of de hiervoor vermelde maatregelen van de Baskische instanties ter stimulering van investeringen verenigbaar zijn met de verdragsbepalingen betreffende steunmaatregelen van de staten (artikelen 92 e.v. van het Verdrag).
27 In dit verband moet allereerst worden opgemerkt, dat het antwoord dat de nationale rechter, eventueel met hulp van het Hof, geeft op de vraag of een nationale maatregel een steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 92 van het Verdrag is, in die zin relevant is, dat bij een eventueel bevestigend antwoord de steunmaatregelen per definitie als onwettig kunnen worden beschouwd indien zij niet overeenkomstig artikel 93, lid 3, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 3, EG) bij de Commissie zijn aangemeld. In de onderhavige procedure heeft de centrale regering beroep ingesteld tot nietigverklaring van de provinciale regelingen omdat zij een fiscale voorkeursbehandeling zouden toestaan voor ondernemingen die in de Baskische provincies zijn gevestigd. In die context moet de nationale rechter beoordelen, of in casu is voldaan aan de voorwaarden om een nationale maatregel als een "steunmaatregel" in de zin van artikel 92 te kunnen aanmerken. Gelet op de vaste rechtspraak van het Hof betreffende de bevoegdheden van de nationale rechter met betrekking tot niet aangemelde steunmaatregelen(20), zou de Spaanse rechter in geval van een bevestigend antwoord de provinciale regelingen nietig kunnen verklaren omdat zij zijn vastgesteld in strijd met de in artikel 93 van het Verdrag vermelde verplichting tot aanmelding bij de Commissie.(21) De nationale rechter kan zich daarentegen niet uitspreken over de vraag of de steunmaatregelen verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, daar die beoordeling door het Verdrag aan de Commissie is voorbehouden. Wel kan hij voor de toepassing van artikel 93, lid 3, van het Verdrag beslissen of de betrokken maatregel onder het begrip steunmaatregel van een staat valt.(22) Hiertoe kan de nationale rechter, gelijk in casu, of moet hij, indien het een rechter betreft wiens beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, een prejudiciële vraag stellen over de uitlegging van artikel 92 van het Verdrag.
28 Hiervan uitgaande moet nu in concreto worden beoordeeld of de maatregelen van de Baskische instanties vallen onder het begrip steunmaatregel als bedoeld in artikel 92, lid 1. De analyse moet in het bijzonder worden toegespitst op drie elementen: de vraag of de betrokken maatregelen aan de Spaanse staat kunnen worden toegerekend, of er sprake is van een aanzienlijk voordeel of profijt voor de ondernemingen als gevolg van een overheidsingreep, en of de overheidsmaatregel specifiek is in die zin dat hij bepaalde ondernemingen of producties beoogt te begunstigen.
29 Het lijdt volgens mij geen twijfel, dat de maatregelen die de provincies hebben vastgesteld op grond van de bevoegdheden die wet 12/1981 van 13 mei 1981 betreffende de economische samenwerking hun toekent, steunmaatregelen zijn in de vorm van belastingverlichtingen, en dat zij aan de staat kunnen worden toegerekend.
30 Met betrekking tot de eerste van voornoemde voorwaarden - dat de maatregelen die in concreto zijn vastgesteld, vallen onder het begrip steunmaatregel in de zin van artikel 92 van het Verdrag - kan worden volstaan met een verwijzing naar de vaste rechtspraak van het Hof, volgens welke het begrip steun een algemenere strekking heeft dan het begrip subsidie, "daar het niet alleen positieve prestaties omvat zoals de subsidie zelf, doch eveneens maatregelen welke, in verschillende vormen, verlichting brengen in de lasten, die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor - zonder nog subsidies in de strikte zin van het woord te zijn - van gelijke aard zijn en tot identieke gevolgen leiden."(23) Meer in het bijzonder met betrekking tot maatregelen die belastingverlichtingen meebrengen, heeft het Hof in het arrest Banco Exterior de España gepreciseerd, dat een maatregel "waarbij de overheid aan bepaalde ondernemingen een belastingvrijstelling verleent die, hoewel in dat kader geen staatsmiddelen worden overgedragen, de financiële situatie van de begunstigden verbetert ten opzichte van de andere belastingplichtigen, is [aan te merken] als een steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag."(24) Geconcludeerd kan dan ook worden, dat de litigieuze provinciale regelingen steunmaatregelen zijn, aangezien zij leiden tot een verlichting van de fiscale lasten die drukken op de ondernemingen die onder de personele werkingssfeer van die regelingen vallen.
31 Met betrekking tot de vraag of maatregelen die, zoals hier, door territoriale overheden zijn vastgesteld, aan de staat kunnen worden toegerekend, kan worden volstaan met een verwijzing naar het arrest Duitsland/Commissie.(25) Het ging in die zaak over een stelsel van steunmaatregelen die in het kader van een programma ter verbetering van de regionale economische structuur waren ingevoerd door de deelstaat Nordrhein-Westfalen en die ten goede kwamen aan ondernemingen die in bepaalde zones van die deelstaat waren gevestigd. De regionale regeling was vastgesteld op grond van een federale kaderwet. In het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de beschikking van de Commissie, die het regionale steunprogramma onverenigbaar achtte met de gemeenschappelijke markt, stelde het Hof, dat "het feit dat dit steunprogramma is vastgesteld door een deelstaat of een regionaal publiekrechtelijk lichaam en niet door de centrale of federale overheid, geen beletsel [vormt] voor de toepassing van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag, indien aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan. Deze bepaling heeft het immers over $steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd' en doelt op alle steunmaatregelen die met overheidsmiddelen worden gefinancierd. Bijgevolg dient de steun die door regionale en lokale lichamen van de lidstaten - ongeacht hun statuut en benaming(26) - wordt toegekend, op zijn verenigbaarheid met artikel 92 EEG-Verdrag te worden onderzocht."(27) Van door territoriale instanties toegekende steun was ook sprake in de zaak Waalse Gewestexecutieve/Commissie, waarin het Hof op 8 maart 1988 arrest heeft gewezen.(28) In die zaak toetste het Hof, op beroep van de Waalse Gewestexecutieve, de wettigheid van een tot de Belgische staat gerichte beschikking, waarin de Commissie een voorgenomen productiesteun die door voornoemde territoriale instantie zou moeten worden toegekend, onverenigbaar achtte met de gemeenschappelijke markt.(29) Kortom, de omstandigheid dat de concrete steunmaatregelen door territoriale instanties zijn vastgesteld of worden toegepast, sluit niet uit dat deze voor de toepassing van de gemeenschapsbepalingen inzake steunmaatregelen aan de staat worden toegerekend. De maatregelen die thans aan de orde zijn, vallen bijgevolg binnen de werkingssfeer van artikel 92 van het Verdrag.
32 Het laatste van de drie voornoemde voorwaarden, te weten, dat de steunmaatregel "bepaalde ondernemingen of producties moet begunstigen", vereist een meer diepgaande analyse, waarbij ook moet worden ingegaan op de aard van de door de Baskische instanties vastgestelde stimuleringsmaatregelen voor investeringen. Nagegaan moet worden, of deze maatregelen inderdaad een "steunmaatregel van een staat" vormen die de betrokkenen een concurrentievoordeel geeft boven andere ondernemingen die aan de gemene regeling zijn onderworpen, dan wel een maatregel van algemene aard die als zodanig valt onder de economische en politieke keuzes van de staat, die niet kunnen worden getoetst aan het bepaalde in de artikelen 92 e.v. van het Verdrag maar eventueel aan andere, minder strenge bepalingen van het Verdrag.(30) Hiertoe kan men in een eerste benadering als "algemene maatregelen" aanmerken maatregelen van wettelijke of bestuursrechtelijke aard die binnen een lidstaat algemeen van toepassing zijn, terwijl maatregelen die aan de staat kunnen worden toegerekend en die bepaalde economische sectoren of bepaalde ondernemers ten opzichte van anderen bevoordelen, als "steunmaatregelen" in de zin van artikel 92 van het Verdrag moeten worden beschouwd.
33 Uit de rechtspraak van het Hof kan volgens mij geen algemeen criterium worden afgeleid aan de hand waarvan de twee begrippen met zekerheid ten opzichte van elkaar kunnen worden afgebakend. Tot op heden heeft het Hof de specificiteit van maatregelen in wezen gebaseerd op de steunontvangers: steunmaatregelen bestemd voor bepaalde sectoren(31), voor een bepaalde onderneming(32) of voor ondernemingen die in een bepaalde streek zijn gevestigd.(33) Een ander criterium, dat advocaat-generaal Darmon hanteert in zijn conclusie in de zaak Sloman Neptun(34), legt daarentegen de nadruk op het afwijkende karakter van de maatregel binnen de structuur van het algemene stelsel waarvan hij deel uitmaakt.
34 In casu is er sprake van belastingverlichtingen die uitsluitend worden toegekend aan ondernemingen die voldoen aan de in de provinciale regelingen gestelde eisen: in essentie gaat het om ondernemingen wier fiscale woonplaats in Baskenland is gelegen. Deze verlichtingen worden door de drie Baskische provincies toegekend op basis van de wet betreffende de economische samenwerking van 1981, die hun een grote autonomie geeft voor de vaststelling van de directe belastingen.
35 Mijns inziens moeten de maatregelen van de provincies worden aangemerkt als "steunmaatregelen" in de zin van artikel 92 van het Verdrag, en niet als algemene maatregelen van economisch beleid. Deze maatregelen vertonen immers een selectief karakter, zowel wanneer men naar de adressaten van de steun kijkt, als wanneer men het criterium hanteert, dat de wettelijke maatregel van het algemene stelsel afwijkt. Zij zijn immers uitsluitend bestemd voor ondernemingen die in een bepaalde streek van de betrokken lidstaat zijn gevestigd en vormen voor deze een voordeel waarvan ondernemingen die soortgelijke economische operaties in andere delen van dezelfde staat willen verrichten, niet kunnen genieten.
36 Anders dan verweerders in de hoofdgedingen en de Spaanse regering menen, kunnen de maatregelen mijns inziens ook geen rechtvaardiging vinden in de bijzondere bevoegdheidsverdeling op fiscaal terrein binnen de Spaanse rechtsorde. Verweerders en de Spaanse regering willen namelijk onderscheid maken tussen de fiscale maatregelen die door de staat zijn vastgesteld en waarvan de werkingssfeer beperkt is tot een bepaald deel van het grondgebied, en de maatregelen van algemene aard die zijn vastgesteld door een binnen dat grondgebied bevoegde instantie. Terwijl er bij eerstgenoemde maatregelen sprake zou zijn van een zekere selectiviteit met betrekking tot de belastingplichtigen, aangezien de werkingssfeer van de maatregel beperkt is tot een deel van de potentiële adressaten, zou in het tweede geval het element van selectiviteit ontbreken omdat de maatregel geldt voor alle belastingplichtigen die op grond van de bevoegdheidsregels onder de fiscale regeling van de provincies vallen.
Vanuit dit standpunt bezien zouden volgens genoemde partijen de regels betreffende de toekenning van fiscale bevoegdheden aan de Baskische provincies dus niet verschillen van de bepalingen die de bevoegdheidsverdeling tussen de soevereine fiscale instanties van twee lidstaten van de Europese Unie regelen. De verschillen tussen fiscale stelsels kunnen geen steunmaatregel van een staat in de zin van artikel 92 van het Verdrag opleveren; de enige remedie tegen de op de markt veroorzaakte distorsies is de vaststelling van maatregelen tot harmonisering van de nationale wettelijke regelingen. Het oordeel, dat de bevoegdheidsverdeling op fiscaal terrein tussen de staat en de Baskische provincies in strijd is met de verdragsbepalingen inzake steunmaatregelen, komt daarentegen neer op een waardeoordeel over de constitutionele structuur van de Spaanse staat.
37 Ik kan deze conclusie niet delen. Dat de litigieuze maatregelen zijn vastgesteld door territoriale overheden die krachtens nationaal recht exclusieve bevoegdheden hebben, is in feite, gelijk de Commissie opmerkt, een zuiver formele omstandigheid die niet volstaat om de voorkeursbehandeling voor de ondernemingen die binnen de werkingssfeer van de provinciale regelingen vallen, te rechtvaardigen. Anders zou de staat gemakkelijk op een deel van zijn grondgebied de toepassing van de gemeenschapsbepalingen inzake steunmaatregelen van de staten kunnen omzeilen door eenvoudig de interne bevoegdheidsverdeling op bepaalde terreinen te wijzigen, zodat voor dat deel van het grondgebied een beroep kan worden gedaan op de "algemene" aard van de betrokken maatregel. Deze oplossing valt ook niet goed te rechtvaardigen in het licht van de rechtspraak van het Hof, volgens welke de woorden "in welke vorm ook" in artikel 92 van het Verdrag betekenen, dat de uitlegger niet zozeer moet ingaan op de aard van degene die de steun uitkeert of op diens bevoegdheden in het licht van de interne bepalingen, als wel op de gevolgen van de steun.(35) Zo heeft het Hof bijvoorbeeld in de zaak Waalse Gewestexecutieve/Commissie(36) het begrip steunmaatregel van een staat uitgelegd in een situatie waar sprake was van maatregelen die waren vastgesteld door de Waalse Gewestexecutieve, zij het in het kader van een nationale wet houdende maatregelen ter bevordering van de economische expansie. In de reeds aangehaalde zaak Duitsland/Commissie heeft het Hof vervolgens overwogen, dat het geen belang kon toekennen aan de interne constitutionele structuur van de betrokken staat en heeft het het accent gelegd op de omstandigheid, dat artikel 92 van het Verdrag het heeft "over $steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd' en doelt op alle steunmaatregelen die met overheidsmiddelen worden gefinancierd. Bijgevolg dient de steun die door regionale en lokale lichamen van de lidstaten - ongeacht hun statuut en benaming(37) - wordt toegekend, op zijn verenigbaarheid met artikel 92 EEG-Verdrag te worden onderzocht."(38) Tenslotte heeft het Hof in de ook reeds aangehaalde zaak Commissie/Italië de centrale regering gelast om het nodige te doen opdat steunmaatregelen werden geschrapt die waren vastgesteld bij een wet van het gewest Sicilië voor een terrein waarop dit gewest bij uitsluiting bevoegd was. Uit deze rechtspraak komt naar voren, dat alle maatregelen die een concurrentievoordeel inhouden dat is beperkt tot ondernemingen die in een bepaalde zone van die lidstaat investeren, aan de betrokken lidstaat worden toegerekend en bijgevolg per definitie binnen de opzet van het belastingstelsel van die staat niet kunnen worden aangemerkt als maatregelen van algemene aard.
38 Ik wil hier vervolgens met de Commissie aan toevoegen, dat het bij "de aard en de opzet van het stelsel" die volgens het Hof(39) een gedifferentieerde behandeling kunnen rechtvaardigen ten opzichte van de regeling die algemeen wordt toegepast, niet gaat om formele elementen zoals de mate van autonomie van de betrokken territoriale eenheid, maar om het bestaan van een verschillende feitensituatie die een afwijking van de algemene regels rechtvaardigt. In casu valt moeilijk in te zien welke, met de aard en de opzet van het stelsel verband houdende omstandigheden de uit de Baskische regelingen voortvloeiende ongelijke behandeling kunnen rechtvaardigen. De fiscale autonomie van de Baskische provincies weerspiegelt geen enkele specifieke trek van het betrokken gebied - in de zin van economische omstandigheden zoals het niveau van werkgelegenheid, de productiekosten, de infrastructuur en de loonkosten - die indirect om een fiscale behandeling zou verlangen die afwijkt van die op de rest van het Spaanse grondgebied. De enige achterliggende gedachte van de regeling die uit de betrokken bepalingen voortvloeit, is om de investeringen in de Baskische provincies te stimuleren. Uit de motivering die de Baskische autoriteiten voor de vaststelling van de maatregelen geven, blijkt immers dat hier sprake is van conjunctuurmaatregelen ter verbetering van de concurrentiepositie van de ondernemingen waarvoor zij gelden, ten einde de uitdagingen van de markt aan te gaan. Daaruit blijkt wederom overduidelijk, dat de maatregelen een uitzondering zijn op en afwijken van de algemene gedachtengang die aan de fiscale regeling ten grondslag ligt.
Conclusie
Mitsdien geef ik het Hof in overweging om de vraag van het Tribunal Superior de Justicia del País Vasco te beantwoorden als volgt:
"De artikelen 52 en 92 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 43 EG en 87 EG) moeten aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen een regeling die geldt voor een provincie van een Autonome Gemeenschap van een lidstaat en betrekking heeft op fiscale spoedmaatregelen voor investeringssteun en tot bevordering van de economische bedrijvigheid, waarop een beroep kan worden gedaan door de belastingplichtigen die uitsluitend aan de belastingdienst van die provincie belasting betalen, die in die provincie hun fiscale woonplaats hebben of er het grootste deel van hun omzet verwezenlijken, of die hun fiscale woonplaats in die provincie hebben en in het voorgaande boekjaar meer dan 25 % van hun totale omzet hebben verwezenlijkt in de Autonome Gemeenschap, en volgens welke de overige natuurlijke en rechtspersonen die in de staat zelf of in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap wonen, van die maatregelen zijn uitgesloten."
(1) - Boletín Oficial del Estado van 28 mei 1981.
(2) - Boletín Oficial del Estado van 27 december 1990.
(3) - Beschikking van de Commissie van 10 mei 1993 betreffende een regeling inzake fiscale investeringssteun in het Baskenland (PB L 134, blz. 25).
(4) - Artikel 1, lid 1, van de beschikking.
(5) - Boletín Oficial del Estado van 31 december 1994.
(6) - Arrest van 16 juni 1981, Salonia (126/80, Jurispr. blz. 1563), en beschikking van 16 mei 1994, Monin Automobiles (C-428/93, Jurispr. blz. I-1707).
(7) - Zie onder meer de arresten van 29 november 1978, Pigs Marketing Board (83/78, Jurispr. blz. 2347, punt 25), en van 7 juli 1994, McLachlan (C-146/93, Jurispr. blz. I-3229, punt 20).
(8) - Arresten van 11 maart 1980 (104/79, Jurispr. blz. 745) en 16 december 1981 (244/80, Jurispr. blz 3045).
(9) - Arrest van 12 april 1994, Halliburton (C-1/93, Jurispr. blz. I-1137, punt 14).
(10) - Arrest van 28 januari 1986 (270/83, Jurispr. blz. 273, punt 18).
(11) - Arresten van 4 oktober 1991, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C-246/89, Jurispr. blz. I-4585); 14 februari 1995, Schumacker (C-279/93, Jurispr. blz. I-225); 27 juni 1996, Asscher (C-107/94, Jurispr. blz. I-3089); 15 mei 1997, Futura Participations en Singer (C-250/95, Jurispr. blz. I-2471), en 16 juli 1998, ICI (C-264/96, Jurispr. blz. I-4695).
(12) - Arrest van 13 juli 1993, Commerzbank (C-330/91, Jurispr. blz. I-4017).
(13) - Arresten van 25 juli 1991, Collectieve Antennevoorziening Gouda e.a. (C-288/89, Jurispr. blz. I-4007), en van 14 november 1995, Svensson en Gustavsson (C-484/93, Jurispr. blz. I-3955).
(14) - Arrest van 28 januari 1992 (C-204/90, Jurispr. blz. I-249, punt 28).
(15) - Reeds aangehaald in voetnoot 13, punten 16-18.
(16) - Reeds aangehaald in voetnoot 11, punten 56-60.
(17) - Reeds aangehaald in voetnoot 11.
(18) - Ik verwijs in dit verband naar mijn conclusie van 10 juni 1999 in de zaak Vestergaard (C-55/98, punt 27 e.v.).
(19) - In de zaak Bachman werd het verlies van belastinginkomen als gevolg van de aftrek van levensverzekeringspremies gecompenseerd door de belasting die werd geheven over de door de verzekeraars verschuldigde pensioenen, renten en kapitaaluitkeringen. In de zaak Svensson preciseerde het Hof, dat het bestaan van een dergelijke band niet voldoende was, maar dat er sprake moest zijn van een rechtstreeks verband tussen de twee betrokken operaties. In die zaak, die ging over een regeling voor huisvestingssteun in de vorm van rentesubsidie voor leningen van op het nationale grondgebied gevestigde kredietinstellingen, overwoog het Hof (punt 18 van het arrest), dat "er in casu (...) geen enkel rechtstreeks verband [bestaat] tussen de toekenning van de rentesubsidie aan de leningnemers en de financiering daarvan door middel van belasting over de winsten van de financiële instellingen".
(20) - Zie onder meer arrest van 11 juli 1996, SFEI e.a. (C-39/94, Jurispr. blz. I-3547, punt 39) waarin het Hof preciseerde dat "het optreden van de nationale rechter (...) berust op de rechtstreekse werking van het verbod van artikel 93, lid 3, laatste volzin, tot tenuitvoerlegging van voorgenomen steunmaatregelen." Het Hof voegde daaraan toe, dat "de rechtstreekse werking van het in dit artikel neergelegde verbod tot tenuitvoerlegging zich uitstrekt tot iedere steunmaatregel die zonder kennisgeving tot uitvoering is gebracht".
(21) - Ibidem punt 39. Zie ook recentelijk de conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in zaak C-295/97, Piaggio, Jurispr. blz. I-3735, punten 24-27.
(22) - Het Hof heeft meermaals gepreciseerd, dat "een nationale rechter zich genoodzaakt kan zien de term steunmaatregel (...) uit te leggen (...) ten einde vast te stellen of een overheidsmaatregel, die buiten de voorafgaande controleprocedure van artikel 93, lid 3, om is ingesteld, daaraan al dan niet had moeten worden onderworpen" [arresten van 22 maart 1977, Steinike en Weinlig (78/76, Jurispr. blz. 595, punt 14); 30 november 1993, Kirsammer-Hack (C-189/91, Jurispr. blz. I-6185, punt 14); en SFEI, reeds aangehaald, punt 49].
(23) - Arrest van 23 februari 1961, De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg/Hoge Autoriteit (30/59, Jurispr. blz. 1), en meer recent de arresten van 15 maart 1994, Banco Exterior de España (C-387/92, Jurispr. blz. I-877), en 1 december 1998, Ecotrade (C-200/97, Jurispr. blz. I-7907).
(24) - Reeds aangehaald, punt 14; arrest van 19 mei 1999, Italië/Commissie (C-6/97, Jurispr. blz. I-2981, punt 16).
(25) - Arrest van 14 oktober 1987 (248/84, Jurispr. blz. 4013).
(26) - Cursivering van mij.
(27) - Arrest van 14 oktober 1987, reeds aangehaald, punt 17. In punt 18 voegde het Hof daaraan toe, dat "de steunprogramma's ofwel een gehele economische sector betreffen, ofwel een regionale strekking hebben en dus bedoeld zijn om de ondernemingen ertoe aan te zetten in een bepaalde streek te investeren." In beide gevallen is er sprake van maatregelen die onder het begrip steunmaatregel in de zin van artikel 92 van het Verdrag vallen.
(28) - Gevoegde zaken 62/87 en 72/87, Jurispr. blz. 1573.
(29) - Dat maatregelen van territoriale instanties aan de staten worden toegerekend, volgt in feite uit het algemene stelsel van het Verdrag, op grond waarvan de staat de enige gesprekspartner van de Commissie is, zowel in de procedure voor onderzoek van de steunmaatregelen als in alle latere stadia van de gecentraliseerde toetsingsregeling van artikel 93 van het Verdrag. In deze context moet ook het arrest van 11 juli 1984, Commissie/Italië (130/83, Jurispr. blz. 2849) worden gezien. In dat arrest heeft het Hof Italië veroordeeld wegens niet nakoming van een beschikking waarin de Commissie de onverenigbaarheid had vastgesteld van bepaalde steunmaatregelen en subsidies die het gewest Sicilië op grond van een regionale wet had toegekend, en daarbij het verweer van de Italiaanse regering verworpen, dat zij meermaals stappen bij het gewest Sicilië had ondernomen om het daarheen te leiden dat de in de beschikking van de Commissie bedoelde bepalingen werden afgeschaft (punt 3 van het arrest).
(30) - Ik denk hier aan artikel 99 EG-Verdrag (thans artikel 93 EG), dat de Raad de bevoegdheid geeft bepalingen vast te stellen voor de harmonisatie van wettelijke regelingen op fiscaal gebied.
(31) - Arrest van 2 juli 1974, Italië/Commissie (173/73, Jurispr. blz. 709, punten 27 en 28).
(32) - Arresten van 2 juli 1974, Italië/Commissie, reeds aangehaald, en 2 februari 1988, Van der Kooy e.a. (67/85, 68/85 en 70/85, Jurispr. blz. 219).
(33) - Arrest Duitsland/Commissie (reeds aangehaald in voetnoot 25).
(34) - Arrest van 17 maart 1993 (C-72/91 en C-73/91, Jurispr. blz. I-887).
(35) - Arrest van 14 november 1984, Intermills/Commissie (323/82, Jurispr. blz. 3809).
(36) - Reeds aangehaald, punt 6: "Eén van de twee verzoeksters is de Waalse Gewestexecutieve, thans krachtens de terzake in België geldende regels het orgaan dat bevoegd is om steun toe te kennen aan ondernemingen in Wallonië (...)".
(37) - Cursivering van mij.
(38) - Punt 17.
(39) - Arresten van 2 juli 1974 (reeds aangehaald in voetnoot 31) en 9 december 1997, Tiercé Ladbroke (C-353/95, Jurispr. blz. I-7007)
Full & Egal Universal Law Academy