Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Sociale politiek - Bescherming van veiligheid en gezondheid van werknemers - Richtlijn 90/394 betreffende bescherming van werknemers tegen risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op werk - Gebruik van carcinogeen agens op werk - Verplichtingen van werkgevers - Afhankelijkheid van resultaat van risicobeoordeling - Geen
(Richtlijn 90/394 van de Raad, art. 3 en 4)
2 Sociale politiek - Bescherming van veiligheid en gezondheid van werknemers - Richtlijn 90/394 betreffende bescherming van werknemers tegen risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op werk - Blootstelling van werknemers aan carcinogene agentia - Verplichtingen van werkgevers - Afhankelijkheid van resultaat van risicobeoordeling
(Richtlijn 90/394 van de Raad, art. 3 en 5)
3 Sociale politiek - Bescherming van veiligheid en gezondheid van werknemers - Richtlijn 90/394 betreffende bescherming van werknemers tegen risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op werk - Nationale regeling die werkgevers strengere verplichtingen oplegt dan door richtlijn zijn voorgeschreven - Maatregelen voor hogere graad van bescherming, als bedoeld in artikel 118 A, lid 3, van Verdrag - Toelaatbaarheid - Voorwaarden
(EG-Verdrag, art. 118 A, lid 3; richtlijn 90/394 van de Raad, art. 5)
4 Sociale politiek - Bescherming van veiligheid en gezondheid van werknemers - Richtlijn 89/655 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op arbeidsplaats - Termijn voor aanpassing van bestaande arbeidsmiddelen - Nationale regeling die kortere termijn vaststelt dan door richtlijn is voorgeschreven - Toelaatbaarheid - Voorwaarden
(Richtlijn 89/655 van de Raad, art. 4, lid 1, sub b)
Samenvatting
1 Artikel 4 van richtlijn 90/394 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk, moet aldus worden uitgelegd, dat de verplichting voor de werkgever tot vermindering of vervanging van het carcinogene agens niet afhankelijk is van het resultaat van de in artikel 3 van die richtlijn bedoelde beoordeling van het risico.
2 Artikel 5 van richtlijn 90/394 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk, moet aldus worden uitgelegd, dat de verplichting voor de werkgever tot voorkoming of vermindering van de blootstelling aan het carcinogene agens afhankelijk is van het resultaat van de in artikel 3 van die richtlijn bedoelde beoordeling van het risico.
3 Een nationale bepaling die de werkgever verplicht tot vermindering van de blootstelling van werknemers aan het carcinogene agens onafhankelijk van de beoordeling van het risico, is niet in strijd met richtlijn 90/394 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk, omdat zij een maatregel voor een hogere graad van bescherming van de arbeidsomstandigheden vormt, die is toegestaan door artikel 118 A, lid 3, van het Verdrag en door richtlijn 90/394, die ter zake slechts minimumvoorschriften vaststelt.
In de eerste plaats brengt een dergelijke verplichting, die de gezondheid en de veiligheid van werknemers vergroot en bovendien de in artikel 5 van de richtlijn vastgestelde verplichting slechts versterkt, de samenhang van de gemeenschapsacties op het gebied van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers niet in gevaar. In de tweede plaats werkt een nationale bepaling die de verplichting van artikel 5 van de richtlijn versterkt door de werkgever voor te schrijven de blootstelling van werknemers aan het carcinogene agens onafhankelijk van de beoordeling van het risico te verminderen, niet discriminerend en hindert niet de uitoefening van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden.
4 Artikel 4 van richtlijn 89/655 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats, verbiedt een lidstaat niet om de aanpassing van de bestaande arbeidsmiddelen te bepalen op een vóór 31 december 1996 gelegen termijn, de in artikel 4, lid 1, sub b, vastgestelde uiterste termijn, mits die termijn niet zo kort is, dat daardoor de werkgevers niet tot deze aanpassing in staat zijn of kosten voor hen ontstaan die kennelijk buitensporig zijn ten opzichte van die bij een langere termijn.
Partijen
In zaak C-2/97,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Tribunale di Genova (Italië), in het aldaar aanhangig geding tussen
Società italiana petroli SpA (IP)
en
Borsana Srl,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 4 van richtlijn 89/655/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats (tweede bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB L 393, blz. 13), en van de artikelen 3, 4 en 5 van richtlijn 90/394/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk (zesde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB L 196, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, P. J. G. Kapteyn, J.-P. Puissochet, G. Hirsch en P. Jann, kamerpresidenten, G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), D. A. O. Edward, H. Ragnemalm, R. Schintgen en K. M. Ioannou, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Società italiana petroli SpA (IP), vertegenwoordigd door M. Maresca en G. Mensi, advocaten te Genua,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door I. Martínez del Peral, lid van haar juridische dienst, en E. Altieri, bij die dienst gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Società italiana petroli SpA (IP), vertegenwoordigd door M. Maresca; de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Loosli-Surrans, chargé de mission bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door I. Martínez del Peral en P. Stancanelli, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, ter terechtzitting van 3 maart 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 april 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 14 december 1996, ingekomen bij het Hof op 3 januari 1997, heeft het Tribunale di Genova krachtens artikel 177 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 4 van richtlijn 89/655/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats (tweede bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB L 393, blz. 13), en van de artikelen 3, 4 en 5 van richtlijn 90/394/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk (zesde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB L 196, blz. 1).
2 Die vragen zijn gerezen in een geschil tussen Società italiana petroli SpA (IP) (hierna: "Italiana petroli") en Borsana Srl (hierna: "Borsana") over de levering van brandstoffen met een zo laag mogelijk benzeengehalte en van apparatuur voor het afzuigen van gas en dampen tijdens het tanken, waarom Borsana had verzocht op basis van de richtlijnen 89/655 en 90/394.
Het gemeenschapsrecht
3 Richtlijn 89/655 is vastgesteld op basis van artikel 118 A EEG-Verdrag. In artikel 4 wordt onder het opschrift "Voorschriften betreffende de arbeidsmiddelen" bepaald:
"1. Onverminderd artikel 3 moet de werkgever aanschaffen en/of gebruiken:
a) arbeidsmiddelen die, indien zij na 31 december 1992 voor de eerste maal ter beschikking van de werknemers worden gesteld in de onderneming en/of inrichting, voldoen:
i) aan de bepalingen van alle communautaire richtlijnen die ter zake van toepassing zijn;
ii) aan de minimumvoorschriften van de bijlage voor zover andere communautaire richtlijnen niet of slechts ten dele van toepassing zijn;
b) arbeidsmiddelen die, indien zij op 31 december 1992 reeds ter beschikking van de werknemers staan in de onderneming en/of inrichting, uiterlijk vier jaar na deze datum voldoen aan de in de bijlage opgenomen minimumvoorschriften."
4 Richtlijn 90/394 is vastgesteld op basis van artikel 118 A van het Verdrag. In artikel 3 wordt onder het opschrift "Werkingssfeer - Vaststelling en beoordeling van de risico's" bepaald:
"1. Deze richtlijn is van toepassing op werkzaamheden waarbij werknemers ten gevolge van hun werk aan carcinogene agentia worden of kunnen worden blootgesteld.
2. Voor alle werkzaamheden waarbij zich het risico van blootstelling aan carcinogene agentia kan voordoen, moeten de aard, de mate en de duur van blootstelling van de werknemers worden bepaald teneinde alle risico's voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers te kunnen beoordelen en te kunnen vaststellen welke maatregelen moeten worden genomen.
Deze beoordeling moet op gezette tijden worden herhaald en in ieder geval telkens wanneer er een wijziging plaatsvindt van de omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de blootstelling van werknemers aan carcinogene agentia.
De werkgever dient de verantwoordelijke instanties op hun verzoek mede te delen welke elementen bij deze beoordeling hebben meegespeeld.
(...)"
5 In artikel 4 van richtlijn 90/394 wordt onder het opschrift "Vermindering en vervanging" bepaald:
"1. De werkgever vermindert het gebruik van een carcinogeen agens op het werk, met name door het agens, voor zover dat technisch uitvoerbaar is, te vervangen door een stof, een preparaat of een procédé die (dat) in de omstandigheden waaronder zij (het) wordt gebruikt, niet of minder gevaarlijk is voor de gezondheid of in voorkomend geval voor de veiligheid van de werknemers.
2. Op verzoek van de verantwoordelijke instantie deelt de werkgever het resultaat van zijn onderzoek aan die instantie mede."
6 In artikel 5 van richtlijn 90/394 wordt onder het opschrift "Maatregelen ter voorkoming of vermindering van blootstelling" bepaald:
"1. Indien uit de resultaten van de in artikel 3, lid 2, bedoelde beoordeling blijkt dat er een risico voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers bestaat, moet de blootstelling van de werknemers worden voorkomen.
2. Indien het technisch niet mogelijk is het carcinogene agens te vervangen door een stof, een preparaat of een procédé die (dat), in de omstandigheden waaronder zij (het) wordt gebruikt, niet of minder gevaarlijk is voor de veiligheid of de gezondheid, zorgt de werkgever ervoor dat de productie en het gebruik van het carcinogene agens plaatsvinden in een gesloten systeem, voor zover dat technisch uitvoerbaar is.
3. Indien de toepassing van een gesloten systeem niet technisch uitvoerbaar is, zorgt de werkgever ervoor dat blootstelling van de werknemers wordt beperkt tot een zo laag mogelijk niveau als technisch uitvoerbaar is.
(...)"
7 Richtlijn 85/210/EEG van de Raad van 20 maart 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake het loodgehalte van benzine (PB L 96, blz. 25), is vastgesteld op basis van artikel 100 EEG-Verdrag, vóór de inwerkingtreding van de Europese Akte. In artikel 4, eerste alinea, wordt bepaald:
"Vanaf 1 oktober 1989 mag het benzeengehalte van gelode en ongelode benzine niet meer dan 5,0 volumeprocent bedragen."
8 Artikel 7 van richtlijn 85/120 bepaalt:
"1. Behoudens het bepaalde in lid 2 verhinderen of beperken de lidstaten het vrije verkeer en het vrij in de handel brengen van benzine die aan de eisen van deze richtlijn voldoet, niet om redenen in verband met het lood- of benzeengehalte.
2. Wanneer een lidstaat artikel 2, lid 3, toepast, wordt het maximaal toegestane loodgehalte van gelode benzine die op zijn grondgebied op de markt wordt gebracht, vastgesteld op 0,15 g Pb/l."
De Italiaanse wettelijke regeling
9 Wetsbesluit nr. 626 van 19 september 1994 (GURI nr. 265 van 12 november 1994, supplemento ordinario; hierna: "wetsbesluit nr. 626/94") bepaalt in artikel 6, lid 1:
"Degenen die arbeidsplaatsen, arbeidsposten of installaties ontwerpen, dienen de algemene voorzorgsmaatregelen inzake veiligheid en gezondheid in acht te nemen, met name bij de keuze van het ontwerp en de toe te passen techniek, en dienen machines en veiligheidsvoorzieningen te kiezen die voldoen aan de essentiële eisen die de geldende wetgeving inzake veiligheid stelt."
10 Artikel 62 van wetsbesluit nr. 626/94 bepaalt onder het opschrift "Vervanging en vermindering":
"1. De werkgever voorkomt of vermindert het gebruik van een carcinogeen agens op het werk, met name door het agens, voor zover dat technisch uitvoerbaar is, te vervangen door een stof, een preparaat of een procédé die (dat) in de omstandigheden waaronder zij (het) wordt gebruikt, niet of minder schadelijk is voor de gezondheid en in voorkomend geval voor de veiligheid van de werknemers.
2. Indien het technisch niet mogelijk is het carcinogene agens te vervangen, zorgt de werkgever ervoor, dat de productie of het gebruik van het carcinogene agens plaatsvindt in een gesloten systeem, steeds voor zover dat technisch uitvoerbaar is.
3. Indien de toepassing van een gesloten systeem technisch niet uitvoerbaar is, zorgt de werkgever ervoor, dat blootstelling van de werknemers wordt beperkt tot een zo laag mogelijk niveau als technisch uitvoerbaar is."
11 Artikel 63 van wetsbesluit nr. 626/94 bepaalt onder het opschrift "Beoordeling van het risico":
"Behoudens het bepaalde in artikel 62, verricht de werkgever een beoordeling van de blootstelling aan carcinogene agentia, waarvan de resultaten worden vastgelegd in het document bedoeld in artikel 4, lid 2.
2. Bij deze beoordeling wordt met name rekening gehouden met de kenmerken, de duur en de regelmaat van de verrichtingen, de hoeveelheden carcinogene agentia die worden geproduceerd of gebruikt, hun concentratie en hun vermogen via de verschillende opnamewegen in het organisme door te dringen, waarbij eveneens wordt gelet op de verschijningsvorm van deze agentia, en wanneer zij zich in vaste toestand voordoen, of het dan om een compacte, gebroken of verpulverde massa gaat en of zij al dan niet zijn gevat in een vaste matrijs die de uitstroming beperkt of verhindert.
3. Op grond van de resultaten van de in lid 1 bedoelde beoordeling neemt de werkgever de in deze titel aangegeven preventieve en beschermende maatregelen, zulks onder aanpassing ervan aan de bijzonderheden van de verschillende arbeidsomstandigheden."
12 De artikelen 89 en 90 van wetsbesluit nr. 626/94 voorzien in strafrechtelijke sancties, die tot een gevangenisstraf van drie tot zes maanden gaan in geval van niet-inachtneming van de in de artikelen 62 en 63 van dat besluit vastgestelde verplichtingen.
13 Bij artikel 36, lid 7, van wetsbesluit nr. 626/94 is voorts aan artikel 20 van het decreet van de president van de republiek nr. 303 van 19 maart 1956 de volgende paragraaf toegevoegd:
"Elk arbeidsmiddel dat gevaar oplevert door het vrijkomen van gas, dampen of vocht, dan wel door de uitstoot van stofdeeltjes, moet zijn voorzien van passende middelen voor de opvang of de afzuiging nabij de bron van de emissies met een dergelijk risico."
14 De bepalingen van artikel 36 van wetsbesluit nr. 626/94 zijn overeenkomstig lid 8 van dat artikel drie maanden na de bekendmaking in de Gazzetta ufficiale della Repubblica italiana in werking getreden.
15 Verder bepaalt artikel 2, leden 1 en 2 van wetsbesluit nr. 294 van 27 mei 1996 (GURI nr. 123 van 28 mei 1996; hierna: "wetsbesluit nr. 294/96"):
"1. Vanaf 1 juli 1997 en tot en met 30 juni 1999 bedraagt het maximaal toegestane benzeengehalte op 1,4 volumeprocent.
2. Vanaf 1 juli 1999 bedraagt het maximaal toegestane benzeengehalte in benzine 1 volumeprocent."
Het hoofdgeding
16 Op 19 juli 1991 sloot Italiana petroli met Borsana een aantal overeenkomsten inzake de levering van motorbrandstoffen en de gratis terbeschikkingstelling van de voor de verkoop daarvan noodzakelijke apparatuur en installaties.
17 Bij brief van 3 juni 1996 verzocht Borsana Italiana petroli, refererend aan de gecombineerde bepalingen van wetsbesluit nr. 626/94 en van de richtlijnen 89/655 en 90/394, haar met het oog op de bescherming van de gezondheid van haar werknemers brandstoffen met een zo laag mogelijk benzeengehalte alsmede apparatuur voor het afzuigen van gas en dampen tijdens het tanken te leveren.
18 Italiana petroli was van mening, dat zij niet op het verzoek van Borsana kon ingaan wegens de verschillen tussen de bepalingen van wetsbesluit nr. 626/94, in het bijzonder de artikelen 62 en 63 ervan, en die van de richtlijnen 90/394 en 89/655 met betrekking tot de beoordeling van het risico van blootstelling aan carcinogene agentia en de aan de werkgevers gestelde termijnen voor de aanpassing van de arbeidsmiddelen. Italiana petroli betwijfelde ook, of richtlijn 90/394 en wetsbesluit nr. 626/94 verenigbaar zijn met de artikelen 30, 36 en 100 A EG-Verdrag, omdat zij werkgevers de extra verplichting opleggen om, naargelang de door de technische ontwikkeling geboden mogelijkheden, de blootstelling aan carcinogene agentia en dus aan het in de brandstoffen aanwezige benzeen te beperken tot onder het bij richtlijn 85/210 vastgestelde niveau en zelfs tot onder de nog lagere niveaus die bij wetsbesluit nr. 294/96 zijn vastgesteld.
19 In die omstandigheden heeft Italiana petroli Borsana op 25 juni 1996 voor het Tribunale di Genova gedaagd en gevorderd om vast te stellen, dat zij niet verplicht is om Borsana brandstoffen te leveren met een lager benzeengehalte dan vastgesteld bij richtlijn 85/210 en bij wetsbesluit nr. 294/96, en evenmin om haar vóór het verstrijken van de bij richtlijn 89/655 en bij wetsbesluit nr. 294/96 vastgestelde termijnen afzuigapparatuur voor gas en dampen te leveren.
20 In zijn verwijzingsbeschikking herinnert de nationale rechter er om te beginnen aan, dat in het Italiaanse distributiesysteem de aflevering van brandstoffen en de daarmee samenhangende diensten door de exploitant of zijn personeel zelf worden verricht. Slechts bij een zeer beperkt aantal pompstations, en meestal enkel op feestdagen of tijdens de sluitingsuren van de stations, kunnen de automobilisten via een systeem voor automatische betaling de pomp rechtstreeks bedienen. Als gevolg hiervan is de werknemer veel meer blootgesteld aan gas en dampen van brandstoffen.
21 Vervolgens merkt de verwijzende rechter op, dat de volgorde tussen de beoordeling van het risico van blootstelling aan carcinogene agentia en de verplichting van de werkgever tot vermindering en vervanging van die agens in wetsbesluit nr. 626/94 lijkt te zijn "omgekeerd" ten opzichte van de door dat besluit omgezette richtlijn 90/394. Artikel 62 van genoemd besluit verplicht de werkgever namelijk het gebruik van carcinogene agentia te voorkomen, te vervangen of te verminderen en de blootstelling van de werknemers aan deze agentia te beperken "tot een zo laag mogelijk niveau als technisch uitvoerbaar is", terwijl artikel 63 van hetzelfde besluit de werkgever verplicht, "behoudens het bepaalde in artikel 62", het risico van blootstelling aan carcinogene agentia te beoordelen en in het licht van de resultaten van die beoordeling preventieve en beschermende maatregelen te nemen. De in artikel 62 van dat besluit vastgestelde verplichting tot beperking van de blootstelling van de werknemers aan carcinogene agentia "tot een zo laag mogelijk niveau als technisch uitvoerbaar is" legt de werkgever dus onafhankelijk van de beoordeling van het risico een verplichting op, terwijl richtlijn 90/394 de verplichting tot voorkoming of vermindering van de blootstelling van werknemers aan carcinogene agentia afhankelijk stelt van het resultaat van een dergelijke beoordeling.
22 Met betrekking tot de aanpassing van de arbeidsmiddelen wijst de nationale rechter erop, dat volgens artikel 36, lid 8, van wetsbesluit nr. 626/94, in tegenstelling tot de overgangsperiode van vier jaar genoemd in artikel 4, lid 1, van richtlijn 89/655, de bepalingen betreffende de arbeidsmiddelen drie maanden na de publicatie van het decreet in de Gazzetta ufficiale della Repubblica italiana in werking treden. Naar zijn oordeel is het onredelijk en buiten proporties om de werkgever te verplichten, zich binnen drie maanden aan te passen aan de nieuwe regeling, die bovendien voorziet in strafrechtelijke sancties die kunnen gaan tot een gevangenisstraf van drie tot zes maanden.
23 Wat de verlaging van het benzeengehalte van brandstoffen tot onder de in richtlijn 85/210 en in wetsbesluit nr. 294/96 vastgestelde grenswaarden betreft, beklemtoont de verwijzende rechter, dat in genoemd wetsbesluit lagere percentages dan in de richtlijn zijn vastgesteld. De Italiaanse regering heeft daartoe gebruik gemaakt van de procedure van artikel 100 A, lid 4, van het Verdrag en dus het genoemde wetsbesluit ter kennis van de Commissie gebracht. De verwijzende rechter merkt bovendien op, dat artikel 6, lid 1, van wetsbesluit nr. 626/94 de verplichtingen die richtlijn 90/394 aan de werkgevers oplegt, eveneens heeft opgelegd aan "degenen die arbeidsplaatsen, arbeidsposten of installaties ontwerpen", in zover het het ontwerpen daarvan betreft. Een dergelijke uitbreiding in het nationale recht van de verplichtingen van richtlijn 90/394 is zijns inziens verenigbaar met het gemeenschapsrecht, aangezien aldus een hogere graad van bescherming van de arbeidsomstandigheden wordt bereikt. Het Tribunale di Genova koestert echter twijfels omtrent de vraag, of richtlijn 90/394, die verplicht de technisch uitvoerbare maatregelen ter vermindering van het risico te nemen, meebrengt dat het benzeengehalte moet worden verminderd tot een lager niveau dan bij richtlijn 85/210 en bij wetsbesluit nr. 294/96 is vastgesteld.
24 In die omstandigheden heeft het Tribunale di Genova besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende vragen te stellen:
"1) Dienen de artikelen 3, 4 en 5 van richtlijn 90/394 van 28 juni 1990 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk (zesde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) aldus te worden uitgelegd, dat de verplichting om maatregelen te nemen ter vermindering en vervanging van gevaarlijke producten, alsmede maatregelen ter voorkoming of vermindering van blootstelling aan carcinogene agentia, afhankelijk is van de uitslag van de beoordeling van het risico als bedoeld in artikel 3?
Zo ja, is dan met de richtlijn onverenigbaar een nationale uitvoeringsregeling die de werkgever de verplichting oplegt om maatregelen te nemen om, voor zover zulks technisch uitvoerbaar is, het carcinogene agens te vervangen of het gebruik ervan te beperken, en/of de verplichting om maatregelen te nemen om de blootstelling van de werknemers te beperken tot een zo laag mogelijk niveau als technisch uitvoerbaar is, los van een daaraan voorafgaande concrete beoordeling van het risico en de vaststelling daarvan in de zin van artikel 3 van de richtlijn, waarbij op de niet-nakoming van deze verplichtingen strafsancties, met inbegrip van gevangenisstraf, worden gesteld, zonder onderscheid naargelang de werkgever al dan niet na de concrete vaststelling en beoordeling van het bestaan en de omvang van het risico, verzuimt maatregelen te nemen als bedoeld in de wet?
2) Is het onverenigbaar met de gemeenschapsregeling van artikel 4 van richtlijn 89/655 (waarin bij de termijnen voor de aanpassing van de arbeidsmiddelen een onderscheid wordt gemaakt tussen arbeidsmiddelen die op 31 december 1992 reeds ter beschikking van de werknemers stonden, en arbeidsmiddelen die eerst na die datum ter beschikking van de werknemers worden gesteld), wanneer de nationale uitvoeringsregeling, eventueel in strijd met het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel, ter zake geen enkel onderscheid maakt en een uniforme termijn van drie maanden vaststelt voor de inwerkingtreding van de nationale regeling met al haar gevolgen (waarbij nog komt, dat de werkgever zware strafsancties kunnen worden opgelegd)?
3) Moeten de artikelen 3, 4 en 5 van richtlijn 90/394 (en de overeenkomstige artikelen van wetsbesluit nr. 626/94, vastgesteld ter uitvoering daarvan) aldus worden uitgelegd, dat zij de werkgevers, respectievelijk de andere personen als bedoeld in artikel 6 van wetsbesluit nr. 626/94, bijkomende en onbepaalde verplichtingen en een aansprakelijkheid opleggen inzake de verlaging van het benzeengehalte in benzine, tot een nog lager niveau dan de grenswaarden vastgesteld bij richtlijn 85/210 en de nog lagere percentages vastgesteld bij wetsbesluit nr. 294/96?"
25 Vooraf moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak sinds het arrest van 26 februari 1986, Marshall (152/84, Jurispr. blz. 723, punt 48), een richtlijn uit zichzelf geen verplichtingen aan particulieren, in casu een particuliere werkgever, kan opleggen en dus niet als zodanig tegenover hem kan worden ingeroepen.
26 Sinds het arrest van 10 april 1984, Von Colson en Kamann (14/83, Jurispr. blz. 1891, punt 26), is het echter eveneens vaste rechtspraak, dat de uit een richtlijn voortvloeiende verplichting van de lidstaten om het daarmee beoogde doel te bereiken, en hun verplichting krachtens artikel 5 EG-Verdrag om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van die verplichting te verzekeren, voor alle met overheidsgezag beklede instanties in de lidstaten gelden, waaronder in het kader van hun bevoegdheden ook de rechterlijke instanties. De nationale rechter nu moet bij de toepassing van het nationale recht, ongeacht of het gaat om speciaal ter uitvoering van de richtlijn ingevoerde regelingen, dit recht zo veel mogelijk in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn uitleggen, teneinde het met artikel 189, derde alinea, van het Verdrag beoogde resultaat te bereiken (zie arresten van 13 november 1990, Marleasing, C-160/89, Jurispr. blz. I-4135, punt 8, en 16 december 1993, Wagner Miret, C-334/92, Jurispr. blz. I-6911, punt 20).
27 Tegen de achtergrond van die opmerkingen moeten de vragen van de verwijzende rechter worden beantwoord.
De eerste vraag
28 Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen
- of de artikelen 3, 4 en 5 van richtlijn 90/394 aldus moeten worden uitgelegd, dat de verplichting voor de werkgever het carcinogene agens te verminderen of te vervangen en de blootstelling aan dat agens te voorkomen of te verminderen, afhankelijk is van het resultaat van de in artikel 3 van die richtlijn bedoelde beoordeling van het risico,
- en zo ja, of een nationale regeling die de werkgever onafhankelijk van de beoordeling van het risico de verplichting oplegt het carcinogene agens te verminderen of te vervangen en/of de blootstelling van werknemers aan dat agens te voorkomen of te verminderen, in strijd met die richtlijn is.
29 Artikel 3 van richtlijn 90/394 schrijft voor, dat voor alle werkzaamheden waarbij zich het risico van blootstelling aan carcinogene agentia kan voordoen, de aard, de mate en de duur van blootstelling van werknemers wordt bepaald, teneinde alle risico's voor hun veiligheid en gezondheid te kunnen beoordelen en te kunnen vaststellen welke maatregelen moeten worden genomen.
30 Wanneer een risico voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers overeenkomstig artikel 3 is onderkend, moet de werkgever op grond van artikel 5 van richtlijn 90/394 de blootstelling van de werknemers aan het carcinogene agens voorkomen of beperken tot een zo laag mogelijk niveau als technisch uitvoerbaar is.
31 De verplichting van artikel 5 van de richtlijn, de blootstelling van de werknemers aan het carcinogene agens te voorkomen of te beperken, is uitdrukkelijk afhankelijk gesteld van de resultaten van de in artikel 3 bedoelde beoordeling.
32 Dat is niet het geval met de in artikel 4 van richtlijn 90/394 opgenomen verplichting. Volgens deze bepaling moet de werkgever namelijk het gebruik van het carcinogene agens op het werk verminderen of het agens vervangen door een stof die niet of minder gevaarlijk is, voor zover dat technisch uitvoerbaar is, doch wordt hierbij deze verplichting niet gekoppeld aan de resultaten van de in artikel 3 bedoelde beoordeling.
33 Uit de bewoordingen van de artikelen 3, 4 en 5 van richtlijn 90/394 volgt dus, dat de in artikel 4 vastgestelde verplichting voor de werkgever tot vermindering of vervanging van het carcinogene agens niet, maar de in artikel 5 bepaalde verplichting tot voorkoming of beperking van de blootstelling aan een dergelijk agens wel afhankelijk is van het resultaat van de in artikel 3 bedoelde beoordeling van het risico.
34 Blijkens de verwijzingsbeschikking verplicht artikel 62 van wetsbesluit nr. 626/94 de werkgever, de blootstelling van de werknemers aan het carcinogene agens te beperken "tot een zo laag mogelijk niveau als technisch uitvoerbaar is", in alle omstandigheden en onafhankelijk van de beoordeling van het risico. Deze bepaling legt de werkgever dus een strengere verplichting op dan artikel 5 van richtlijn 90/394, omdat de verplichting tot voorkoming en vermindering van de blootstelling van de werknemers aan het carcinogene agens daarin niet uitdrukkelijk afhankelijk is gesteld van het resultaat van de beoordeling van het risico.
35 Richtlijn 90/394 is vastgesteld op basis van artikel 118 A van het Verdrag en bevat "minimumvoorschriften" betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk. Zoals het Hof in zijn arrest van 12 november 1996, Verenigd Koninkrijk/Raad (C-84/94, Jurispr. blz. I-5755, punt 17), heeft verklaard, betekent de in artikel 118 A van het Verdrag gebezigde en in artikel 1 van richtlijn 90/394 overgenomen uitdrukking "minimumvoorschriften", dat de lidstaten strengere normen mogen vaststellen dan in het kader van gemeenschapsacties zijn vastgesteld. In artikel 118 A, lid 3, van het Verdrag wordt overigens bevestigd, dat de lidstaten, wanneer dergelijke minimumvoorschriften krachtens dit artikel zijn vastgesteld, maatregelen voor een hogere graad van bescherming van de arbeidsomstandigheden mogen nemen.
36 Er moet dus worden onderzocht, of een nationale bepaling als artikel 62 van wetsbesluit nr. 626/94, die de werkgever verplicht tot vermindering van de blootstelling van de werknemers aan het carcinogene agens onafhankelijk van de beoordeling van het risico, een door artikel 118 A, lid 3, van het Verdrag en door richtlijn 90/394 toegestane maatregel voor een hogere graad van bescherming van de arbeidsomstandigheden vormt.
37 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt, dat de verplichting voor de werkgever tot vermindering van de blootstelling van de werknemers aan het carcinogene agens onafhankelijk van de beoordeling van het risico, de bescherming van hun gezondheid en veiligheid vergroot. Bovendien versterkt een dergelijke verplichting slechts de in artikel 5 van richtlijn 90/394 vastgestelde verplichting. Zij brengt de samenhang van de gemeenschapsacties op het gebied van de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers dus niet in gevaar.
38 In de tweede plaats dient te worden beklemtoond, dat een nationale bepaling die de verplichting van artikel 5 van richtlijn 90/394 versterkt door de werkgever voor te schrijven de blootstelling van werknemers aan het carcinogene agens onafhankelijk van de beoordeling van het risico te verminderen, niet discriminerend werkt en de uitoefening van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden niet hindert.
39 Er moet dus worden vastgesteld, dat een nationale bepaling als artikel 62 van wetsbesluit nr. 626/94, die de werkgever verplicht tot vermindering van de blootstelling van de werknemers aan het carcinogene agens onafhankelijk van de beoordeling van het risico, een door artikel 118 A, lid 3, van het Verdrag en door richtlijn 90/394 toegestane maatregel voor een hogere graad van bescherming van de arbeidsomstandigheden vormt.
40 Omdat het gaat om een met het Verdrag verenigbare maatregel voor een hogere graad van bescherming van de arbeidsomstandigheden en dus om de uitoefening van bevoegdheden die onder artikel 118 A, lid 3, van het Verdrag bij de lidstaat zijn verbleven, behoeft het Hof geen uitspraak te doen over de vraag, of een dergelijke regeling en de daaraan verbonden sancties voldoen aan het evenredigheidsbeginsel.
41 Op de eerste vraag moet dus worden geantwoord dat
- artikel 4 van richtlijn 90/394 aldus moet worden uitgelegd, dat de verplichting voor de werkgever tot vermindering of vervanging van het carcinogene agens niet afhankelijk is van het resultaat van de in artikel 3 van die richtlijn bedoelde beoordeling van het risico;
- artikel 5 van richtlijn 90/394 aldus moet worden uitgelegd, dat de verplichting voor de werkgever tot voorkoming of vermindering van de blootstelling aan het carcinogene agens afhankelijk is van het resultaat van de in artikel 3 van die richtlijn bedoelde beoordeling van het risico;
- een nationale bepaling die de werkgever verplicht tot vermindering van de blootstelling van werknemers aan het carcinogene agens onafhankelijk van de beoordeling van het risico, niet in strijd is met die richtlijn, omdat zij een door artikel 118 A, lid 3, van het Verdrag en door richtlijn 90/394 toegestane maatregel voor een hogere graad van bescherming van de arbeidsomstandigheden vormt.
De tweede vraag
42 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of het evenredigheidsbeginsel en artikel 4 van richtlijn 89/655 een lidstaat verbieden om voor de aanpassing van bestaande arbeidsmiddelen een termijn van drie maanden vast te stellen en te voorzien in strafrechtelijke sancties voor de werkgever die deze termijn niet in acht neemt, die tot een gevangenisstraf van drie tot zes maanden gaan.
43 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd, dat de termijn waarbinnen de lidstaten richtlijn 89/655 in nationaal recht moesten omzetten, ingevolge artikel 10 van die richtlijn op 31 december 1992 is verstreken.
44 Een omzetting van de richtlijn na die datum, zoals bij wetsbesluit nr. 626/94 van 19 september 1994 is geschied, is dus tardief.
45 Vervolgens moet erop worden gewezen, dat de arbeidsmiddelen die op 31 december 1992 reeds ter beschikking van de werknemers staan, volgens artikel 4, lid 1, sub b, van richtlijn 89/655 uiterlijk vier jaar na die datum aan de in de bijlage opgenomen minimumvoorschriften moeten voldoen.
46 Wanneer de aanpassing van de bestaande arbeidsmiddelen op een vóór 31 december 1996 gelegen termijn is bepaald, dan is dat dus in overeenstemming met de inhoud van de in artikel 4, lid 1, sub b, van richtlijn 89/655 opgenomen verplichtingen.
47 De bij die bepaling vastgestelde termijn van vier jaar vormt immers een maximumtermijn. Niets belet de lidstaten vooruit te lopen op de nakoming van in de richtlijn vastgestelde verplichtingen voor de bestaande arbeidsmiddelen.
48 Niettemin moeten de lidstaten, wanneer zij overeenkomstig artikel 5 van het Verdrag alle maatregelen nemen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit een richtlijn voortvloeiende verplichtingen te verzekeren, de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht en met name het evenredigheidsbeginsel in acht nemen (zie in die zin onder meer arrest van 10 juli 1990, Hansen, C-362/88, Jurispr. blz. I-2911, punten 17-19).
49 In dat verband moet erop worden gewezen, dat de lidstaten bij het nemen van maatregelen als de vaststelling van een termijn voor de aanpassing van bestaande arbeidsmiddelen, waarbij rekening moet worden gehouden met ingewikkelde economische en technische omstandigheden, over een ruime beoordelingsmarge beschikken (zie in die zin onder meer arrest van 14 juli 1983, Sandoz, 174/82, Jurispr. blz. 2445, punt 19).
50 De verwijzende rechter dient derhalve te onderzoeken, of, gezien een dergelijke beoordelingsmarge en met name de kenmerken van het Italiaanse distributiestelsel voor brandstoffen, een termijn van drie maanden voor de aanpassing van de bestaande arbeidsmiddelen voldoet aan het evenredigheidsbeginsel in die zin, dat de werkgevers tot deze aanpassing in staat zijn zonder dat dit kennelijk buitensporige kosten voor hen meebrengt ten opzichte van die welke bij een langere termijn waren ontstaan.
51 Wat de vraag betreft, of de strafrechtelijke sancties die zijn bepaald voor het geval dat die termijn niet in acht wordt genomen, het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen, moet erop worden gewezen, dat het hoofdgeding, dat van civielrechtelijke aard is, een verzoek van Borsana aan Italiana petroli betreft om levering van brandstoffen met een zo laag mogelijk benzeengehalte en van apparatuur voor het afzuigen van gas en dampen tijdens het tanken met het oog op de bescherming van de gezondheid van haar werknemers.
52 In die omstandigheden is het duidelijk, dat een antwoord op deze vraag de verwijzende rechter hoe dan ook niet kan helpen bij het wijzen van zijn vonnis.
53 Op de tweede vraag moet dus worden geantwoord, dat artikel 4 van richtlijn 89/655 een lidstaat niet verbiedt om de aanpassing van de bestaande arbeidsmiddelen op een vóór 31 december 1996 gelegen termijn te bepalen, mits die termijn niet zo kort is, dat daardoor de werkgevers niet tot die aanpassing in staat zijn of kosten voor hen ontstaan die kennelijk buitensporig zijn ten opzichte van die bij een langere termijn.
De derde vraag
54 Met de derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de artikelen 3, 4 en 5 van richtlijn 90/394 en de overeenkomstige artikelen van wetsbesluit nr. 626/94 aldus moeten worden uitgelegd, dat zij de werkgever en de andere in artikel 6 van dat besluit bedoelde personen verplichten tot vermindering van het benzeengehalte van brandstoffen tot een lager niveau dan de bij richtlijn 85/210 vastgestelde grenswaarde en dan de bij wetsbesluit nr. 294/96 vastgestelde, nog lagere grenswaarden, wanneer dat technisch uitvoerbaar is.
55 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd, dat volgens artikel 4 van richtlijn 90/394 de werkgever het gebruik van een carcinogeen agens op het werk moet verminderen, onder meer door het "voor zover dat technisch uitvoerbaar is" te vervangen door een stof die niet of minder gevaarlijk is voor de gezondheid of de veiligheid van de werknemers.
56 Zoals de advocaat-generaal in de punten 57 en volgende van zijn conclusie opmerkt, is het voor een pompstationhouder als Borsana echter technisch niet uitvoerbaar, het benzeen in de door haar verkochte brandstoffen te vervangen door een stof die niet of minder gevaarlijk voor de gezondheid of de veiligheid van de werknemers is.
57 Vervolgens is de nationale rechter van mening, zoals in punt 23 van dit arrest gezegd, dat artikel 6 van wetsbesluit nr. 626/94 aan "degenen die arbeidsplaatsen, arbeidsposten of installaties ontwerpen", met betrekking tot het ontwerpen daarvan, de verplichtingen oplegt die de artikelen 3, 4 en 5 van richtlijn 90/394 met betrekking tot de aanpassing van de arbeidsomgeving aan de werkgevers opleggen. Hij vraagt zich dus af, of de genoemde bepalingen ten opzichte van de in artikel 6 van wetsbesluit 626/94 bedoelde personen aldus moeten worden uitgelegd, dat zij hun verplichten het benzeengehalte van brandstoffen te verminderen tot onder de bij richtlijn 85/210 vastgestelde grenswaarde van 5 volumeprocent, wanneer een dergelijke vermindering technisch uitvoerbaar is.
58 De nationale rechter is dus van mening, dat een uitlegging van het gemeenschapsrecht door het Hof noodzakelijk is teneinde een probleem dat onder zijn nationale recht valt te kunnen oplossen.
59 Volgens vaste rechtspraak is het Hof krachtens artikel 177 van het Verdrag bevoegd het gemeenschapsrecht uit te leggen, wanneer dit de betrokken situatie niet rechtstreeks regelt, doch de nationale wetgever bij de omzetting van de bepalingen van een richtlijn in nationaal recht heeft besloten, zuiver interne situaties op dezelfde wijze te behandelen als situaties die door de richtlijn worden geregeld, en hij zijn nationale wetgeving heeft aangepast aan het gemeenschapsrecht (zie laatstelijk arrest van 17 juli 1997, Leur-Bloem, C-28/95, Jurispr. blz. I-4161, punt 34).
60 Dat is in casu echter niet het geval. Wetsbesluit nr. 626/94 verwijst immers met betrekking tot het benzeengehalte van brandstoffen naar geen enkele bepaling van gemeenschapsrecht, maar naar het nationale Italiaanse recht. Zoals uit de verwijzingsbeschikking blijkt, is het maximale benzeengehalte van brandstoffen in dat besluit vastgesteld op 1,4 volumeprocent vanaf 1 juli 1997 en op 1 volumeprocent vanaf 1 juli 1999.
61 In die omstandigheden zou de uitlegging van het gemeenschapsrecht door het Hof geen enkele invloed hebben op de toepasselijkheid van de bij het nationale Italiaanse recht vastgestelde grenswaarden voor benzeen in de brandstoffen, op de in artikel 6 van wetsbesluit nr. 626/94 bedoelde personen.
62 Bijgevolg is het Hof niet bevoegd uitspraak te doen over de derde prejudiciële vraag.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
63 De kosten door de Franse regering en door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Tribunale di Genova bij beschikking van 14 december 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 4 van richtlijn 90/394/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk (zesde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG), moet aldus worden uitgelegd, dat de verplichting voor de werkgever tot vermindering of vervanging van het carcinogene agens niet afhankelijk is van het resultaat van de in artikel 3 van die richtlijn bedoelde beoordeling van het risico.
Artikel 5 van richtlijn 90/394 moet aldus worden uitgelegd, dat de verplichting voor de werkgever tot voorkoming of vermindering van de blootstelling aan het carcinogene agens afhankelijk is van het resultaat van de in artikel 3 van die richtlijn bedoelde beoordeling van het risico.
Een nationale bepaling die de werkgever verplicht tot vermindering van de blootstelling van werknemers aan het carcinogene agens onafhankelijk van de beoordeling van het risico, is niet in strijd met die richtlijn, omdat zij een door artikel 118 A, lid 3, EG-Verdrag en door richtlijn 90/394 toegestane maatregel voor een hogere graad van bescherming van de arbeidsomstandigheden vormt.
2) Artikel 4 van richtlijn 89/655/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats (tweede bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG), verbiedt een lidstaat niet om de aanpassing van de bestaande arbeidsmiddelen op een vóór 31 december 1996 gelegen termijn te bepalen, mits die termijn niet zo kort is, dat daardoor de werkgevers niet tot deze aanpassing in staat zijn of kosten voor hen ontstaan die kennelijk buitensporig zijn ten opzichte van die bij een langere termijn.
Full & Egal Universal Law Academy