Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Prejudiciële vragen - Voorlegging aan Hof - Nationale rechterlijke instantie in de zin van artikel 177 van Verdrag - Begrip - Beroepsinstantie inzake landbouwsteun
(EG-Verdrag, art. 177)
2 Landbouw - Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Structuurhervorming - Verbetering van doeltreffendheid van landbouwstructuur - Regeling betreffende agrarische probleemgebieden - Compenserende vergoeding voor permanente natuurlijke belemmeringen - Toekenning niet afhankelijk van vereiste dat landbouwer op bedrijf woont - Nationale regeling die voorziet in aanvullend woonplaatsvereiste en, wanneer daaraan niet wordt voldaan, in voorwaarden betreffende activiteit - Schending van beginselen van gelijke behandeling of rechtszekerheid - Geen
(Verordening nr. 2328/91 van de Raad, art. 17 en 18; richtlijn 75/268 van de Raad, art. 1)
Samenvatting
1 Voor de beoordeling, of een orgaan een rechterlijke instantie is in de zin van artikel 177 van het Verdrag, hetgeen uitsluitend een probleem van gemeenschapsrecht is, moet rekening worden gehouden met een samenstel van factoren, zoals de wettelijke grondslag van het orgaan, het permanente karakter, de verplichte rechtsmacht, het uitspraak doen na een procedure op tegenspraak, het toepassen van regelen des rechts, alsmede de onafhankelijkheid van het orgaan. Aan die criteria wordt voldaan door de Finse beroepscommissie voor landbouwactiviteiten, die is ingesteld bij wet, die bestaat uit door de overheid aangestelde leden die net als rechters onafzetbaar zijn, die krachtens een wet bevoegd is inzake steun voor landbouwactiviteiten, die recht spreekt volgens de toepasselijke bepalingen en de algemene procedureregels en tegen wier uitspraken onder bepaalde voorwaarden hoger beroep kan worden ingesteld bij het nationale Hoogste Administratief Gerechtshof.
2 De artikelen 17 en 18 van verordening nr. 2328/91 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur en artikel 1 van richtlijn 75/268 betreffende de landbouw in bergstreken en in sommige probleemgebieden verzetten zich niet tegen de toekenning van een compenserende vergoeding voor permanente natuurlijke belemmeringen aan een landbouwer die niet permanent op zijn bedrijf woont. Een landbouwer voldoet namelijk aan de wezenlijke doelstelling van de gemeenschapsregeling, de instandhouding van de landbouwactiviteit in probleemgebieden, wanneer hij zijn bedrijf blijft exploiteren. De handhaving van bewoning, waartoe de instandhouding van de landbouw zeker bijdraagt, kan op zichzelf geen verplichting tot permanent verblijf impliceren.
Artikel 18, lid 3, van de verordening machtigt de lidstaten evenwel uitdrukkelijk, voor de toekenning van de vergoeding aanvullende of beperkende voorwaarden te stellen. Gelet op deze bevoegdheid staat noch het beginsel van gelijke behandeling, noch het rechtszekerheidsbeginsel eraan in de weg, dat van een landbouwer die de compenserende vergoeding aanvraagt en op meer dan 12 kilometer over de weg van het economisch centrum van het bedrijf woont, wordt geëist, dat hij zelf dat bedrijf exploiteert en ten minste 50 % van zijn inkomen uit landbouw of een daarmee gelijkgestelde activiteit behaalt, en dat hij bovendien het bestaan van een bijzondere reden aantoont.
Partijen
In de gevoegde zaken C-9/97 en C-118/97,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Maaseutuelinkeinojen valituslautakunta (Finland), in de door
R.-L. Jokela (C-9/97) en
L. Pitkäranta, wettelijk vertegenwoordigd door A. Pitkäranta (C-118/97)
ingeleide procedures om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 17 en 18 van verordening (EEG) nr. 2328/91 van de Raad van 15 juli 1991 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (PB L 218, blz. 1), en artikel 1 van richtlijn 75/268/EEG van de Raad van 28 april 1975 betreffende de landbouw in bergstreken en in sommige probleemgebieden (PB L 128, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, kamerpresident, P. Jann (rapporteur), J. C. Moitinho de Almeida, C. Gulmann en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- R.-L. Jokela,
- de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Rotkirch, ambassadeur, hoofd van de dienst juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken (C-9/97), en T. Pynnä, juridisch adviseur bij hetzelfde ministerie (C-118/97), als gemachtigden,
- de Franse regering (C-9/97), vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en F. Pascal, attaché d'administration centrale bij deze directie, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen (C-9/97 en C-118/97), vertegenwoordigd door E. Paasivirta en J. Macdonald Flett, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van R.-L. Jokela, de Finse regering en de Commissie ter terechtzitting van 10 februari 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 maart 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikkingen van 9 januari (C-9/97) en 12 maart 1997 (C-118/97), ingekomen bij het Hof op respectievelijk 16 januari en 20 maart daaraanvolgend, heeft de Maaseutuelinkeinojen valituslautakunta krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 17 en 18 van verordening (EEG) nr. 2328/91 van de Raad van 15 juli 1991 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (PB L 218, blz. 1), en artikel 1 van richtlijn 75/268/EEG van de Raad van 28 april 1975 betreffende de landbouw in bergstreken en in sommige probleemgebieden (PB L 128, blz. 1).
2 Die vragen zijn gerezen in het kader van twee respectievelijk door R.-L. Jokela en L. Pitkäranta, wettelijk vertegenwoordigd door A. Pitkäranta, ingeleide procedures betreffende de weigering van de administratie om hen een compenserende vergoeding toe te kennen voor de belemmeringen die zij bij de exploitatie van agrarische probleemgebieden ondervinden.
3 Bij beschikking van de president van het Hof van 4 november 1997 zijn de twee zaken gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.
Het rechtskader
De gemeenschapsregeling
4 Ingevolge artikel 1, eerste alinea, van richtlijn 75/268 kunnen de lidstaten, "teneinde de landbouw in stand te houden en aldus een bevolkingsminimum te behouden of tot de landschapsverzorging bij te dragen in sommige probleemgebieden" een bijzondere steunregeling instellen "om de landbouw te bevorderen en het inkomen van de landbouwers in de betrokken gebieden te verhogen". Volgens de tweede alinea dient bij "de toepassing van de in deze regeling omschreven maatregelen (...) rekening te worden gehouden met de situatie en de ontwikkelingsdoelstellingen van elk gebied". Artikel 4 van de richtlijn bepaalt, dat deze regeling met name "de toekenning (...) van een compenserende vergoeding voor de permanente natuurlijke handicaps" omvat.
5 De artikelen 17 tot en met 20 van verordening nr. 2328/91 bepalen onder welke voorwaarden de lidstaten specifieke maatregelen kunnen nemen ten gunste van de landbouw in bergstreken en in sommige probleemgebieden.
6 Artikel 17, lid 1, luidt als volgt:
"In de gebieden die voorkomen op de overeenkomstig richtlijn 75/268/EEG opgestelde communautaire lijst van probleemgebieden, kunnen de lidstaten voor de uitoefening van landbouwactiviteiten een jaarlijkse compenserende vergoeding toekennen naar verhouding van de omvang van de in artikel 3 van genoemde richtlijn omschreven permanente natuurlijke belemmeringen, met inachtneming van de in de artikelen 18 en 19 van deze verordening genoemde grenzen en voorwaarden."
7 Artikel 18 bepaalt:
"1. Wanneer de lidstaten een compenserende vergoeding toekennen, komen daarvoor in aanmerking de bedrijfshoofden die ten minste drie hectare cultuurgrond exploiteren en de verbintenis aangaan om gedurende ten minste vijf jaar na de eerste betaling van een compenserende vergoeding een landbouwactiviteit te blijven uitoefenen die beantwoordt aan de doelstellingen van artikel 1 van richtlijn 75/268/EEG (...)
2. (...)
3. De lidstaten mogen voor de toekenning van de compenserende vergoeding aanvullende of beperkende voorwaarden vaststellen, zulks ook ten behoeve van de toepassing van methoden die met de vereisten inzake milieubescherming en instandhouding van het landschap verenigbaar zijn."
8 Artikel 29 van verordening nr. 2328/91 legt de lidstaten de verplichting op, de Commissie in kennis te stellen van de ontwerpen van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die zij ter uitvoering van de verordening voornemens zijn vast te stellen, en van de bestaande bepalingen. De Commissie onderzoekt dan of die bepalingen voldoen aan de voorwaarden voor financiële deelneming door de Gemeenschap. Indien zij een gunstig advies geeft, delen de lidstaten haar de vastgestelde bepalingen mee.
9 Volgens artikel 30 van de verordening beslist de Commissie na mededeling van de vastgestelde bepalingen of, gezien de mate waarin die bepalingen in overeenstemming zijn met de verordening, de voorwaarden voor financiële deelneming van de Gemeenschap zijn vervuld.
De Finse wettelijke regeling
10 De voorwaarden voor toekenning van een compenserende vergoeding voor permanente natuurlijke belemmeringen (hierna: "compenserende vergoeding") zijn vastgesteld bij besluit nr. 861/1995 van de Finse regering van 15 juni 1995. Overeenkomstig de artikelen 29 en 30 van verordening nr. 2328/91 stelde de Commissie bij beschikking van 29 augustus 1995 vast, dat de vastgestelde bepalingen voldeden aan de voorwaarden voor financiële deelneming van de Gemeenschap, met uitzondering van artikel 5, lid 3, van besluit nr. 861/1995, dat eiste, dat de ontvanger van de vergoeding permanent in Finland woont. Deze bepaling werd ingetrokken bij besluit nr. 1097/1995 van de Finse regering van 31 augustus 1995.
11 Volgens artikel 2 van besluit nr. 861/1995 heeft de compenserende vergoeding tot doel landbouwactiviteiten in stand te houden en aldus in sommige probleemgebieden een bevolkingsminimum te behouden en de levensvatbaarheid van het platteland te bewaren. In artikel 6 van besluit nr. 861/1995 wordt het woonplaatsvereiste voor de ontvanger van de vergoeding nader omschreven. Volgens het eerste lid van dat artikel kan aan een landbouwer een compenserende vergoeding worden uitbetaald wanneer hij op het landbouwbedrijf woont of op ten hoogste 12 kilometer van het economisch centrum van het bedrijf en dit over een begaanbare weg kan bereiken. Krachtens het derde lid van dat artikel kan de gemeente evenwel in afwijking daarvan om "bijzondere redenen" beslissen, de compenserende vergoeding ook te betalen aan een landbouwer die niet aan het in het eerste lid gestelde woonplaatsvereiste voldoet. In dat geval is vereist, dat hij zelf zijn bedrijf exploiteert en dat ten minste 50 % van zijn inkomen afkomstig is van land-, tuin- of bosbouw of van andere in dat lid bedoelde activiteiten op het platteland.
Zaak C-9/97
12 Jokela is, ten dele samen met haar echtgenoot, eigenaar van een landbouwbedrijf in de gemeente Laihia (Finland), die in een probleemgebied is gelegen. Sinds 1994 woont zij met haar echtgenoot, ambtenaar bij het Finse Ministerie van Buitenlandse zaken, te Bonn (Duitsland). De echtgenoten werkten tijdens de zomervakantie van 1995 op het bedrijf en kregen daarbij hulp van familieleden. Op 10 mei 1995 verzocht Jokela om de compenserende vergoeding.
13 Bij besluit van 14 december 1995 wees de bevoegde gemeentedienst het verzoek af, op grond dat Jokela niet op het bedrijf of op ten hoogste 12 kilometer daarvandaan woonde en er geen "bijzondere redenen" waren om haar verzoek in te willigen. Tegen dit besluit stelde Jokela beroep in bij de Etelä-Pohjanmaan maaseutuelinkeinopiiri (dienst Landbouw van het district Etelä-Pohjanmaa), die het beroep bij beschikking van 10 april 1996 verwierp, en vervolgens bij de Maaseutuelinkeinojen valituslautakunta (Commissie van beroep voor de landbouw), die de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof twee prejudiciële vragen heeft gesteld.
Zaak C-118/97
14 L. Pitkäranta, geboren in 1989, erfde een landbouwbedrijf in de gemeente Nummi-Pusula (Finland), die in een probleemgebied is gelegen. Zij heeft nooit in die gemeente gewoond en woont thans op ongeveer 70 kilometer van het bedrijf. Het landbouwbedrijf wordt geëxploiteerd door verwanten van haar vader en door externe werkkrachten. Op 14 mei 1995 verzocht de wettelijke vertegenwoordiger van Pitkäranta om de compenserende vergoeding.
15 Bij besluit van 14 december 1995 wees de bevoegde gemeentedienst het verzoek af, op grond dat Pitkäranta niet op het bedrijf of op ten hoogste 12 kilometer daarvandaan woonde en zij het bedrijf niet zelf exploiteerde. Tegen dit besluit stelde haar wettelijke vertegenwoordiger beroep in bij de Uudenmaan maaseutuelinkeinopiiri (dienst Landbouw van de provincie Uusimaa), die het beroep bij beschikking van 3 juni 1996 verwierp, en vervolgens bij de Maaseutuelinkeinojen valituslautakunta, die de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof twee prejudiciële vragen heeft gesteld.
De prejudiciële vragen
16 De eerste vraag, die in beide zaken identiek is, luidt als volgt:
"1) Is het verenigbaar met de doelstellingen van de artikelen 17 en 18 van verordening (EEG) nr. 2328/91 van de Raad betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur, en van artikel 1 van richtlijn 75/268/EEG van de Raad betreffende de landbouw in bergstreken en in sommige probleemgebieden, dat een compenserende vergoeding voor permanente natuurlijke belemmeringen wordt toegekend aan een landbouwer, die niet woont op een landbouwbedrijf in een probleemgebied in de zin van die richtlijn in Finland waarvan hij eigenaar is of dat hij exploiteert, maar het grootste deel van het jaar buiten dat gebied woont?
Wanneer deze vraag - zelfs ten dele of onder voorbehoud - bevestigend wordt beantwoord:
a) is het verenigbaar met die artikelen en met de beginselen van de artikelen 5, 40, lid 3, tweede alinea, en 42, tweede alinea, sub a, EG-Verdrag, en meer bepaald met het beginsel van gelijke behandeling van landbouwers en het daarmee samenhangende discriminatieverbod, dat voor de toekenning van de in artikel 6 van besluit nr. 861/1995 van de Finse regering bedoelde compenserende vergoeding voor natuurlijke belemmeringen wordt geëist, dat wanneer de landbouwer op meer dan 12 kilometer van het economisch centrum van het bedrijf woont, hij ten minste de helft van zijn inkomen uit land-, tuin- of bosbouw of uit andere op het bedrijf uitgeoefende activiteiten betrekt en hij zelf dat bedrijf exploiteert, of
b) is het verenigbaar met in het bijzonder het gemeenschapsrechtelijke rechtszekerheidsbeginsel, dat daarvoor nog een $bijzondere reden' is vereist?"
De tweede vraag verschilt daarentegen:
"2) Is het in strijd met het discriminatieverbod, het evenredigheidsbeginsel of andere beginselen van gemeenschapsrecht, dat van de compenserende vergoeding wordt uitgesloten
- een landbouwer die het grootste deel van het jaar in een andere lidstaat woont met zijn echtgenoot, die mede-eigenaar is van het bedrijf en die in Finse diplomatieke dienst is (zaak C-9/97),
- een minderjarige die gewoonlijk in de omgeving van Helsinki op ongeveer 70 kilometer van het economisch centrum van het landbouwbedrijf bij zijn wettelijke vertegenwoordiger woont, wanneer hij zelf noch zijn wettelijke vertegenwoordiger op het bedrijf zelfstandig landbouw kan beoefenen? (C-118/97)"
De ontvankelijkheid
17 Alvorens de vragen te beantwoorden, dient te worden onderzocht, of de Maaseutuelinkeinojen valituslautakunta als een rechterlijke instantie in de zin van artikel 177 van het Verdrag moet worden aangemerkt.
18 Voor de beoordeling, of een orgaan een rechterlijke instantie in de zin van deze bepaling is, hetgeen een probleem van gemeenschapsrecht is, houdt het Hof rekening met een samenstel van factoren, zoals de wettelijke grondslag van het orgaan, het permanente karakter, de verplichte rechtsmacht, het uitspraak doen na een procedure op tegenspraak, het toepassen van regelen des rechts, alsmede de onafhankelijkheid van het orgaan (zie arresten van 30 juni 1966, Vaassen-Göbbels, 61/65, Jurispr. blz. 257; 17 september 1997, Dorsch Consult, C-54/96, Jurispr. blz. I-4961, punt 23, en 16 oktober 1997, Garofalo e.a., C-69/96-C-76/96, Jurispr. blz. I-5603, punt 19).
19 Allereerst moet worden vastgesteld, dat de Maaseutuelinkeinojen valituslautakunta is ingesteld bij de Finse wet nr. 1203/1992 van 4 december 1992.
20 Voorts blijkt uit de stukken, dat hij bestaat uit drie leden, waarvan twee die functie als hoofdberoep uitoefenen. Zij worden door de overheid aangesteld voor een ambtstermijn van vijf jaar en zijn net als rechters onafzetbaar.
21 De rechtsgrondslag van de bevoegdheden van de Maaseutuelinkeinojen valituslautakunta inzake steun voor landbouwactiviteiten is de Finse wet nr. 1336/1992 van 18 december 1992 betreffende de ter zake te volgen procedure. Deze wet bepaalt, dat een partij tegen een door de dienst Landbouw van de gemeente genomen besluit tot afwijzing van een verzoek om steun kan opkomen bij de Maaseutuelinkeinopiiri, en in voorkomend geval bij de Maaseutuelinkeinojen valituslautakunta.
22 De Maaseutuelinkeinojen valituslautakunta spreekt recht volgens de toepasselijke bepalingen en de algemene procedureregels.
23 Tegen zijn uitspraken kan onder bepaalde voorwaarden hoger beroep worden ingesteld bij de Korkein hallinto-oikeus (Hoogste Administratief Gerechtshof).
24 Mitsdien moet de Maaseutuelinkeinojen valituslautakunta worden aangemerkt als een rechterlijke instantie in de zin van artikel 177 van het Verdrag, zodat de prejudiciële vragen ontvankelijk zijn.
Het eerste deel van de eerste vraag
25 De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen, of verordening nr. 2328/91 en richtlijn 75/268 zich verzetten tegen de toekenning van een compenserende vergoeding aan een landbouwer die niet permanent op zijn bedrijf woont.
26 De Finse regering beklemtoont het belang van de handhaving van bewoning en de beoordelingsmarge waarover de lidstaten bij het stellen van aanvullende voorwaarden beschikken, maar erkent, dat het in bepaalde gevallen met de doelstellingen van de gemeenschapsregeling kan stroken de compenserende vergoeding toe te kennen aan een landbouwer die niet op het door hem geëxploiteerde bedrijf woont.
27 Volgens de Franse regering blijkt uit artikel 18 van verordening nr. 2328/91 en artikel 1 van richtlijn 75/268, in hun onderlinge samenhang gelezen, dat de compenserende vergoeding tot doel heeft in de probleemgebieden landbouwers te behouden aan wie een specifiek inkomen wordt verstrekt om de uit de situatie van die gebieden voortvloeiende moeilijkheden te compenseren. Uit die lezing leidt zij af, dat de gemeenschapsregeling de toekenning van de vergoeding impliciet afhankelijk stelt van de voorwaarde, dat de landbouwer permanent in het probleemgebied woont.
28 De Commissie meent, dat de compenserende vergoeding ertoe strekt, de landbouwactiviteit in stand te houden, hetgeen niet noodzakelijk een permanent verblijf op het bedrijf vereist.
29 Volgens Jokela stelt haar tijdelijke aanwezigheid op het bedrijf haar in staat de exploitatie van het landbouwbedrijf te bestendigen, hetgeen het doel is van de gemeenschapsregeling.
30 Allereerst zij eraan herinnerd, dat het Hof in het kader van artikel 177 van het Verdrag niet bevoegd is om de bepalingen van gemeenschapsrecht op een concreet geval toe te passen, maar enkel om uitspraak te doen over de uitlegging van het Verdrag en de handelingen van de instellingen van de Gemeenschap (zie met name arresten van 15 juli 1964, Van der Veen, 100/63, Jurispr. blz. 1161, 1177, en 11 juli 1985, Mutsch, 137/84, Jurispr. blz. 2681, punt 6).
31 Voor het antwoord op de eerste vraag moet worden opgemerkt, dat in artikel 18 van verordening nr. 2328/91 slechts wordt gepreciseerd dat de ontvangers van de compenserende vergoeding "de bedrijfshoofden [zijn] die (...) de verbintenis aangaan om (...) een landbouwactiviteit te blijven uitoefenen die beantwoordt aan de doelstellingen van artikel 1 van richtlijn 75/268/EEG", te weten, "de landbouw in stand te houden en aldus een bevolkingsminimum te behouden of tot de landschapsverzorging bij te dragen in sommige probleemgebieden". In de vijfde overweging van de considerans van richtlijn 75/268, die door de Franse regering eveneens tot staving van haar standpunt wordt aangevoerd, wordt verklaard, dat de in te stellen steunregeling "het voortdurend teruglopen van de landbouwinkomsten" en "de bijzonder ongunstige arbeidsomstandigheden" in de probleemgebieden moet tegengaan, die "tot ontvolking van de agrarische en landelijke gebieden leiden, waardoor de bebouwde gronden op den duur geheel verwaarloosd zullen worden en de levensvatbaarheid en de bewoning van gebieden waar de bevolking hoofdzakelijk afhankelijk is van de landbouw, in het gedrang komen".
32 Zoals de advocaat-generaal in punt 33 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgt uit deze bepalingen, dat de gemeenschapsregeling in wezen ziet op de instandhouding van de landbouwactiviteit in gebieden waar deze zonder die steun zou worden bedreigd met alle nadelige gevolgen van dien voor de bewoning en de verzorging van de betrokken gebieden.
33 Derhalve voldoet een landbouwer aan de wezenlijke doelstelling van de gemeenschapsregeling wanneer hij zijn bedrijf blijft exploiteren. Anders dan de Franse regering stelt, kan de handhaving van bewoning, waartoe de instandhouding van de landbouw zeker bijdraagt, op zichzelf evenwel geen verplichting tot permanent verblijf impliceren.
34 Mitsdien moet op het eerste deel van de eerste vraag worden geantwoord, dat de artikelen 17 en 18 van verordening nr. 2328/91 en artikel 1 van richtlijn 75/268 zich niet verzetten tegen de toekenning van een compenserende vergoeding aan een landbouwer die niet permanent op zijn bedrijf woont.
Het tweede deel van de eerste vraag, sub a en b
35 Vervolgens vraagt de verwijzende rechter, of het gemeenschapsrecht, met name de beginselen van gelijke behandeling en rechtszekerheid, in de weg staan aan de toepassing van een nationale regeling als die welke hier aan de orde is.
36 Allereerst zij eraan herinnerd, dat artikel 18, lid 3, van verordening nr. 2328/91 de lidstaten uitdrukkelijk machtigt, voor de toekenning van de compenserende vergoeding aanvullende of beperkende voorwaarden te stellen.
37 Derhalve moet bij de beoordeling van de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van artikel 6 van besluit nr. 861/1995 van de Finse regering met die beoordelingsvrijheid rekening worden gehouden. Lid 1 van dat artikel stelt als algemeen vereiste, dat de landbouwer die de compenserende vergoeding wenst te ontvangen, op het landbouwbedrijf of ten hoogste 12 kilometer daarvandaan woont. In afwijking van die algemene regel kan krachtens lid 3 van dat artikel de compenserende vergoeding ook worden toegekend aan een persoon die niet aan het woonplaatsvereiste voldoet, maar die voldoet aan andere vereisten die garanderen dat hij een minimale band heeft met het bedrijf.
Het algemene woonplaatsvereiste
38 Dienaangaande stelt de Finse regering, dat de bijzondere geografische situatie van Finland en zijn geringe bevolkingsdichtheid rechtvaardigen, dat zij als één van de door artikel 18, lid 3, van verordening nr. 2328/91 uitdrukkelijk toegestane aanvullende voorwaarden voor de toekenning van de compenserende vergoeding, algemeen eist dat de exploitant op of in de nabije omgeving van het bedrijf woont.
39 In de punten 31 tot en met 33 van dit arrest is er reeds op gewezen, dat de betrokken steunregeling er mede toe strekt, in bepaalde probleemgebieden een bevolkingsminimum te behouden. Bovendien moet die regeling volgens artikel 1, tweede alinea, van richtlijn 75/268 rekening houden "met de situatie en de ontwikkelingsdoelstellingen van elk gebied". Derhalve liggen de modaliteiten van het door de Finse regeling gestelde woonplaatsvereiste voor het ontvangen van de compenserende vergoeding in de lijn van de door de steunregeling nagestreefde doelstellingen en blijven zij dus binnen de grenzen van de door artikel 18, lid 3, van verordening nr. 2328/91 aan de lidstaten gelaten beoordelingsvrijheid, daar zij bijdragen aan de handhaving van een minimale bewoning, die, zoals de Finse regering heeft gesteld, een voorwaarde is voor het behoud van essentiële diensten voor de bevolking in gebieden die anders ontvolkt dreigen te geraken.
40 Jokela stelt evenwel, dat de Finse regering, door in artikel 6, lid 1, van besluit nr. 861/1995 een woonplaats binnen een straal van ten hoogste 12 kilometer van het bedrijf te eisen, impliciet het aanvankelijk in artikel 5, lid 3, van dat besluit gestelde en wegens bezwaren van de Commissie geschrapte vereiste van een permanent verblijf in Finland opnieuw heeft ingevoerd.
41 Zij stelt eveneens, dat het woonplaatsvereiste in de Finse regeling indruist tegen het beginsel van het vrije verkeer van personen.
42 Dit betoog kan niet worden aanvaard. Zoals de Finse regering en de Commissie hebben beklemtoond, verkeert een landbouwer die in Finland meer dan 12 kilometer van zijn bedrijf woont, in dezelfde situatie als degene die in een andere lidstaat woont. Om de compenserende vergoeding te ontvangen, moeten zij beiden voldoen aan de bijzondere voorwaarden van artikel 6, lid 3, van besluit nr. 861/1995.
De uitzondering op het algemene woonplaatsvereiste
43 Volgens de Finse regeling geldt het woonplaatsvereiste niet voor een landbouwer die de compenserende vergoeding aanvraagt en naast een bijzondere reden aantoont, dat hij zelf het bedrijf exploiteert en ten minste 50 % van zijn inkomen uit landbouw of een daarmee gelijkgestelde activiteit haalt.
44 De verwijzende rechter betwijfelt, of deze regeling verenigbaar is met het beginsel van gelijke behandeling.
45 Opgemerkt moet worden, dat dit beginsel impliceert, dat behoudens objectieve rechtvaardiging vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld (arrest van 15 februari 1996, Duff e.a., C-63/93, Jurispr. blz. I-569, punt 26).
46 In dit verband volstaat de vaststelling, dat zoals de Finse regering heeft opgemerkt, van de landbouwers die in aanmerking komen voor de compenserende vergoeding, dat wil zeggen degenen wier bedrijf in een probleemgebied in Finland is gelegen, degenen die op het bedrijf of in de nabijheid ervan wonen, voortdurend en rechtstreeks bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de vergoeding, waaronder het behoud van een minimale bewoning in het probleemgebied. Dit is niet het geval voor een landbouwer die een groot deel van het jaar verder daarvandaan woont, zodat het gerechtvaardigd is dat hem voorwaarden worden gesteld om te garanderen dat hij een minimale band heeft met zijn bedrijf, zoals de voorwaarde dat hij zelf het bedrijf exploiteert en ten minste 50 % van zijn inkomen uit landbouw of een daarmee gelijkgestelde activiteit haalt.
47 Met betrekking tot de voorwaarde van het bestaan van een bijzondere reden heeft de verwijzende rechter gewezen op een mogelijke schending van het rechtszekerheidsbeginsel.
48 Dienaangaande zij erop gewezen, dat dit beginsel eist dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn, en ertoe strekt te waarborgen, dat door het gemeenschapsrecht beheerste rechtssituaties en -betrekkingen voorzienbaar zijn (zie arrest Duff e.a., reeds aangehaald, punt 20).
49 Ofschoon het begrip bijzondere reden vaag is en de rechtssituaties die eronder kunnen vallen, niet duidelijk zijn afgebakend, beantwoordt deze vaagheid aan de bedoeling van de Finse wetgever, de bevoegde instantie een voldoende soepel middel te geven om na een objectief en volledig onderzoek van elk geval de bijzondere moeilijkheden op te lossen die wegens hun verscheidenheid onmogelijk kunnen worden voorzien. Bovendien zal die vaagheid sterk afnemen wanneer een aantal precedenten is geschapen die vaststelling en systematisering van de gehanteerde criteria mogelijk maken, waardoor die voorzienbaar worden.
50 Mitsdien moet op het tweede deel van de eerste vraag, sub a en b, worden geantwoord, dat het beginsel van gelijke behandeling, noch het rechtszekerheidsbeginsel eraan in de weg staat, dat van een landbouwer die de compenserende vergoeding aanvraagt en op meer dan 12 kilometer over de weg van het economisch centrum van het bedrijf woont, wordt geëist, dat hij zelf dat bedrijf exploiteert en ten minste 50 % van zijn inkomen uit landbouw of een daarmee gelijkgestelde activiteit haalt, en dat hij bovendien het bestaan van een bijzondere reden aantoont.
De tweede vraag
51 In zaak C-9/97 vraagt de verwijzende rechter, of het discriminatieverbod en het evenredigheidsbeginsel of andere beginselen van gemeenschapsrecht eraan in de weg staan, dat van de compenserende vergoeding wordt uitgesloten een landbouwer die het grootste deel van het jaar woont in een andere lidstaat waar zijn echtgenoot, die mede-eigenaar is van het bedrijf, in diplomatieke dienst is.
52 In zaak C-118/97 vraagt de verwijzende rechter, of diezelfde beginselen eraan in de weg staan, dat van de compenserende vergoeding wordt uitgesloten een minderjarige die permanent op ongeveer 70 kilometer van het landbouwbedrijf bij zijn wettelijke vertegenwoordiger woont, wanneer hij zelf noch zijn wettelijke vertegenwoordiger het landbouwbedrijf kan exploiteren.
53 Daar deze tweede vraag betrekking heeft op de toepassing op een concreet geval van de bepalingen van gemeenschapsrecht om de uitlegging waarvan in de eerste vraag is verzocht, staat het, gelijk het Hof in punt 30 van dit arrest heeft overwogen, aan de verwijzende rechter om, gelet op de elementen van uitlegging van het gemeenschapsrecht die hem in antwoord op die vraag zijn verstrekt, de gevolgen te beoordelen van de nationale bepalingen die hij moet toepassen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
54 De kosten door de Finse en de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Maaseutuelinkeinojen valituslautakunta bij beschikkingen van 9 januari en 12 maart 1997 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) De artikelen 17 en 18 van verordening (EEG) nr. 2328/91 van de Raad van 15 juli 1991 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur, en artikel 1 van richtlijn 75/268/EEG van de Raad van 28 april 1975 betreffende de landbouw in bergstreken en in sommige probleemgebieden, verzetten zich niet tegen de toekenning van een compenserende vergoeding voor permanente natuurlijke belemmeringen aan een landbouwer die niet permanent op zijn bedrijf woont.
2) Het beginsel van gelijke behandeling, noch het rechtszekerheidsbeginsel staat eraan in de weg, dat van een landbouwer die de compenserende vergoeding aanvraagt en op meer dan 12 kilometer over de weg van het economisch centrum van het bedrijf woont, wordt geëist, dat hij zelf dat bedrijf exploiteert en ten minste 50 % van zijn inkomen uit landbouw of een daarmee gelijkgestelde activiteit haalt, en dat hij bovendien het bestaan van een bijzondere reden aantoont.
Full & Egal Universal Law Academy