Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Vrij verkeer van personen - Recht van toegang en verblijf van onderdanen van lidstaten - Verplichting om in bezit van verblijfsvergunning te zijn - Controles en sancties bij niet-inachtneming - Toelaatbaarheid - Voorwaarden
(EG-Verdrag, art. 48, 52 en 59; richtlijnen van de Raad 68/360, art. 4, en 73/148, art. 4)
Samenvatting
Het gemeenschapsrecht staat niet eraan in de weg, dat een lidstaat personen doet controleren op de nakoming van de verplichting om steeds hun verblijfsvergunning te kunnen tonen, wanneer voor zijn eigen onderdanen een identieke verplichting geldt met betrekking tot hun identiteitskaart.
In geval van niet-nakoming van deze verplichting kunnen de nationale instanties weliswaar sancties toepassen die vergelijkbaar zijn met die welke van toepassing zijn bij lichte overtredingen door eigen onderdanen, zoals het niet bij zich hebben van een identiteitskaart, maar mag niet worden voorzien in een onevenredige straf die een belemmering van het vrije verkeer van werknemers zou veroorzaken.
Derhalve voldoet een lidstaat die onderdanen van andere lidstaten op zijn grondgebied met betrekking tot de schuldmaatstaf en de oplegging van geldboetes onevenredig anders behandelt dan eigen onderdanen die op vergelijkbare wijze niet aan hun legitimatieplicht voldoen, niet aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens de artikelen 48, 52 en 59 van het Verdrag en artikel 4 van de richtlijnen 68/360 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der lidstaten en van hun familie binnen de Gemeenschap, en 73/148 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de lidstaten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten.
Partijen
In zaak C-24/97,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseurs P. Hillenkamp en P. J. Kuijper, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken te D-53107 Bonn, als gemachtigde,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen, dat de Bondsrepubliek Duitsland, door onderdanen van andere lidstaten op Duits grondgebied met betrekking tot de schuldmaatstaf en de oplegging van geldboetes onevenredig anders te behandelen dan eigen onderdanen die op vergelijkbare wijze niet aan hun legitimatieplicht voldoen, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens de artikelen 48, 52 en 59 EG-Verdrag, artikel 4, lid 1, van richtlijn 68/360/EEG van de Raad van 15 oktober 1968 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der lidstaten en van hun familie binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 13), en artikel 4, lid 1, van richtlijn 73/148/EEG van de Raad van 21 mei 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de lidstaten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten (PB L 172, blz. 14),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: H. Ragnemalm (rapporteur), kamerpresident, G. F. Mancini, J. L. Murray, G. Hirsch en K. M. Ioannou, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 januari 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 17 januari 1997, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen, dat de Bondsrepubliek Duitsland, door onderdanen van andere lidstaten op Duits grondgebied met betrekking tot de schuldmaatstaf en de oplegging van geldboetes onevenredig anders te behandelen dan eigen onderdanen die op vergelijkbare wijze niet aan hun legitimatieplicht voldoen, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens de artikelen 48, 52 en 59 EG-Verdrag, artikel 4, lid 1, van richtlijn 68/360/EEG van de Raad van 15 oktober 1968 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der lidstaten en van hun familie binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 13), en artikel 4, lid 1, van richtlijn 73/148/EEG van de Raad van 21 mei 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de lidstaten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten (PB L 172, blz. 14).
2 § 12a, lid 1, sub 2, van het Gesetz über Einreise und Aufenthalt von Staatsangehörigen der Mitgliedstaaten der Europäischen Wirtschaftsgemeinschaft van 22 juli 1969 bepaalt, dat eenieder die het recht van vrij verkeer in de zin van die wet geniet en zonder een paspoort, een als zodanig geldend document, een verblijfsvergunning of een dulding verblijft op het grondgebied waarop de wet van toepassing is, een overtreding begaat.
3 Volgens lid 2 van die bepaling begaat ook eenieder die door nalatigheid in de in het vorige lid bedoelde situatie verkeert, een overtreding. Lid 3 stelt op de overtreding een boete van maximaal 5 000 DM.
4 Met betrekking tot overtredingen door Duitsers bepaalt § 5, leden 1, sub 1 en 2, en 2, van het Gesetz über Personalausweise van 19 december 1950 het volgende:
"(1) Een overtreding begaat eenieder die
1. opzettelijk of door onachtzaamheid nalaat voor zichzelf of voor een minderjarige wiens wettelijke vertegenwoordiger hij is, een identiteitskaart aan te vragen, ofschoon hij daartoe verplicht is,
2. geen identiteitskaart toont wanneer een bevoegde instantie hem daarom verzoekt (...).
(2) De overtreding kan worden bestraft met een geldboete."
5 Volgens § 17, lid 1, van het Gesetz über Ordnungswidrigkeiten van 24 mei 1968 bedraagt de geldboete ten minste 5 en ten hoogste 1 000 DM, tenzij de wet anders bepaalt. Lid 4 bepaalt, dat de geldboete groter moet zijn dan het economisch voordeel dat de dader uit de overtreding haalt. Indien het wettelijke maximum daartoe niet volstaat, mag het worden overschreden.
6 Bij aanmaningsbrief van 25 juli 1990 stelde de Commissie de Duitse regering op de hoogte van haar bezwaren tegen de behandeling door de Duitse autoriteiten van de op haar grondgebied verblijvende onderdanen van andere lidstaten die niet aan de legitimatieplicht voldoen. Volgens de Commissie was die behandeling slechter dan die welke Duitse onderdanen genoten.
7 Bij brieven van 11 januari 1991, 20 maart 1991 en 18 februari 1992 erkende de Duitse regering, dat er sprake was van discriminatie, en verklaarde zij zich bereid de nodige wijzigingen aan te brengen. Een wetsontwerp in die zin zou in 1992 worden goedgekeurd. De regering verwees ook naar twee brieven waarin de bondsminister van Binnenlandse zaken de ministers van Binnenlandse zaken van de deelstaten verzocht erop toe te zien, dat de overtredingen van de legitimatieplicht door onderdanen van andere lidstaten slechts zouden worden bestraft indien zij het gevolg waren van onachtzaamheid.
8 Daar de aangekondigde wijziging niet plaatsvond, zond de Commissie de Duitse regering op 27 juli 1995 een met redenen omkleed advies, waarin zij haar verzocht het nodige te doen om binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van het advies aan haar verplichtingen te voldoen.
9 Omdat de Commissie geen enkele mededeling ontving dat de litigieuze regeling was gewijzigd, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
10 In haar verweerschrift heeft de Duitse regering de niet-nakoming niet betwist.
11 Allereerst zij eraan herinnerd, dat aan artikel 48 van het Verdrag, dat ten uitvoer is gelegd bij richtlijn 68/360, en aan de artikelen 52 en 59 van het Verdrag, die ten uitvoer zijn gelegd bij richtlijn 73/148, dezelfde beginselen ten grondslag liggen zowel met betrekking tot het binnenkomen en verblijven op het grondgebied der lidstaten van onder het gemeenschapsrecht vallende personen, als met betrekking tot het verbod van elke discriminatie te hunnen aanzien op grond van de nationaliteit (arrest van 8 april 1976, Royer, 48/75, Jurispr. blz. 497, punten 11 en 12).
12 Artikel 4, lid 1, van richtlijn 68/360 en van richtlijn 73/148 bepaalt, dat de lidstaten op hun grondgebied een verblijfsrecht verlenen aan de onderdanen van de lidstaten en hun familieleden die een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort kunnen tonen.
13 Het gemeenschapsrecht staat niet eraan in de weg, dat een lidstaat personen doet controleren op de nakoming van de verplichting om steeds hun verblijfsvergunning te kunnen tonen, wanneer voor zijn eigen onderdanen een identieke verplichting geldt met betrekking tot hun identiteitskaart (arrest van 27 april 1989, Commissie/België, 321/87, Jurispr. blz. 997, punt 12).
14 In geval van niet-nakoming van deze verplichting kunnen de nationale instanties weliswaar sancties toepassen die vergelijkbaar zijn met die welke van toepassing zijn bij lichte overtredingen door eigen onderdanen, zoals het niet bij zich hebben van een identiteitskaart, maar mag niet worden voorzien in een onevenredige straf die een belemmering van het vrije verkeer van werknemers zou veroorzaken (zie arrest van 12 december 1989, Messner, C-265/88, Jurispr. blz. I-4209, punt 14).
15 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de Bondsrepubliek Duitsland, door onderdanen van andere lidstaten op Duits grondgebied met betrekking tot de schuldmaatstaf en de oplegging van geldboetes onevenredig anders te behandelen dan eigen onderdanen die op vergelijkbare wijze niet aan hun legitimatieplicht voldoen, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens de artikelen 48, 52 en 59 van het Verdrag en artikel 4 van de richtlijnen 68/360 en 73/148.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
16 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
17 Door onderdanen van andere lidstaten op Duits grondgebied met betrekking tot de schuldmaatstaf en de oplegging van geldboetes onevenredig anders te behandelen dan eigen onderdanen die op vergelijkbare wijze niet aan hun legitimatieplicht voldoen, heeft de Bondsrepubliek Duitsland niet voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens de artikelen 48, 52 en 59 EG-Verdrag, artikel 4 van richtlijn 68/360/EEG van de Raad van 15 oktober 1968 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der lidstaten en van hun familie binnen de Gemeenschap, en artikel 4 van richtlijn 73/148/EEG van de Raad van 21 mei 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de lidstaten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten.
18 De Bondsrepubliek Duitsland wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy