Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Mededinging - Gemeenschapsregels - Verplichtingen van lidstaten - Vaststelling van tarieven voor goederenvervoer over de weg door overheid - Verenigbaarheid - Voorwaarden - Begrippen algemeen belang en openbaar belang
(EG-Verdrag, art. 3, sub g, 5, 85, 86 en 90)
2 Mededinging - Gemeenschapsregels - Verplichtingen van lidstaten - Vaststelling van tarieven voor goederenvervoer over de weg door overheid - Collectieve overeenkomsten die afwijkingen van verbindende tarieven toelaten en kunnen worden ingeroepen tegen marktdeelnemers die deze niet hebben ondertekend - Beperking van mededinging - Uitgesloten
(EG-Verdrag, art. 85)
Samenvatting
1 De artikelen 3, sub f en g, 5, 85, 86 en 90 van het Verdrag verzetten zich niet tegen een regeling van een lidstaat, die bepaalt dat de tarieven voor goederenvervoer over de weg door de overheid worden goedgekeurd en verbindend verklaard op basis van voorstellen van een centraal comité waarin vertegenwoordigers van de betrokken marktdeelnemers de meerderheid hebben, en die de verbindende tarieven die gelden voor overeenkomsten voor goederenvervoer over de weg, ook van toepassing verklaart op andere soorten overeenkomsten betreffende andere diensten, zoals inzonderheid overeenkomsten op basis van een aanbesteding en/of bevrachtingsovereenkomsten, mits de tarieven worden vastgesteld met inachtneming van de in de wet bepaalde criteria van openbaar belang en de overheid haar prerogatieven niet afstaat aan particuliere marktdeelnemers, in die zin dat zij alvorens de voorstellen goed te keuren rekening houdt met de opmerkingen van andere openbare en particuliere organisaties, of zelfs de tarieven ambtshalve vaststelt.
In dat kader staat het aan de lidstaten te bepalen, op basis van welke concrete criteria van openbaar belang, aldus opgevat dat het belang van het algemeen zwaarder moet wegen dan particuliere belangen, de communautaire mededingingsregels het best in acht kunnen worden genomen.
In het kader van zijn bevoegdheid dient de nationale rechter na te gaan, of de tarieven in de praktijk met inachtneming van de in de wet bepaalde criteria van openbaar belang worden vastgesteld, en of de overheid haar prerogatieven niet afstaat aan particuliere marktdeelnemers.
2 In het kader van een nationaal stelsel van verbindende tarieven voor het goederenvervoer over de weg heeft de mogelijkheid om collectieve overeenkomsten te sluiten die bepaalde afwijkingen van die tarieven toelaten, niet tot gevolg dat de mededinging wordt beperkt in de zin van artikel 85 van het Verdrag, zelfs indien dergelijke overeenkomsten naar nationaal recht kunnen worden ingeroepen tegen marktdeelnemers die deze niet hebben ondertekend.
Partijen
In zaak C-38/97,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Giudice di pace di Genova (Italië), in het aldaar aanhangig geding tussen
Autotrasporti Librandi Snc di Librandi F. & C.
en
Cuttica Spedizioni e Servizi Internazionali Srl,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 3, sub f en g, 5, 85 en 86 EG-Verdrag, en van de begrippen "algemeen belang" en "collectieve overeenkomst",
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen (rapporteur), kamerpresident, G. F. Mancini en G. Hirsch, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Autotrasporti Librandi Snc di Librandi F. & C., vertegenwoordigd door A. Rocca, advocaat te Genua,
- Cuttica Spedizioni e Servizi Internazionali Srl, vertegenwoordigd door G. Conte en G. Giacomini, advocaten te Genua,
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door D. Del Gaizo, avvocato dello Stato,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Loosli-Surrans, chargé de mission bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur bij diezelfde directie, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur G. Marenco en L. Pignataro, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Autotrasporti Librandi Snc di Librandi F. & C.; Cuttica Spedizioni e Servizi Internazionali Srl; de Italiaanse regering; de Franse regering en de Commissie ter terechtzitting van 15 januari 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 maart 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 30 december 1996, ingekomen bij het Hof op 27 januari 1997, heeft de Giudice di pace di Genova krachtens artikel 177 EG-Verdrag zes prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 3, sub f en g, 5, 85 en 86 EG-Verdrag, om uitspraak te kunnen doen over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de Italiaanse regeling betreffende de vaststelling van de tarieven voor het goederenvervoer over de weg.
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Autotrasporti Librandi Snc di Librandi F. & C. (hierna: "Librandi") en Cuttica Spedizioni e Servizi Internazionali Srl (hierna: "Cuttica"), waarin eerstgenoemde betaling vordert van het saldo van de prijs van voor rekening van laatstgenoemde verricht wegvervoer.
Het rechtskader
3 In Italië is de sector goederenvervoer over de weg geregeld bij wet nr. 298 van 6 juni 1974 houdende instelling van het nationaal register van vervoerders van goederen over de weg voor rekening van derden, regeling van het goederenvervoer over de weg en invoering van een stelsel van margetarieven voor het goederenvervoer over de weg (GURI nr. 200 van 31 juli 1974; hierna: "Italiaanse wet"). Deze wet is verschillende keren gewijzigd en aangevuld.
4 Bij de Italiaanse wet is een nationaal register van vervoerders van goederen over de weg voor rekening van derden ingesteld (hierna: "register"), waarvan het bijhouden is opgedragen aan een centraal comité. Volgens artikel 3 van de wet was dit comité aanvankelijk samengesteld als volgt:
"a) een lid van de Raad van State, dat de functie van voorzitter uitoefent;
b) vier vertegenwoordigers van het Ministerie van Verkeer en Burgerluchtvaart; een vertegenwoordiger van elk van de Ministeries van Industrie, Handel en Ambacht, van Staatsdeelnemingen, van Buitenlandse handel, van Land- en Bosbouw, van Binnenlandse zaken, van Openbare werken, van Financiën en van de Schatkist;
c) vier vertegenwoordigers van de regio's (...)
d) twaalf vertegenwoordigers van de meest representatieve nationale verenigingen van de groep goederenvervoer over de weg voor rekening van derden, alsmede van de door het Ministerie van Arbeid en Sociale zaken juridisch erkende nationale verenigingen voor vertegenwoordiging en bescherming van en steun aan de coöperatieve beweging (...)."
5 Bij ministerieel besluit van 2 februari 1994 (GURI nr. 34 van 11 februari 1994) is het aantal vertegenwoordigers van de nationale verenigingen van de groep goederenvervoer over de weg in het centraal comité van het register van vervoerders van goederen over de weg verhoogd van twaalf tot zeventien.
6 De leden van het centraal comité worden benoemd bij besluit van de minister van Verkeer en Burgerluchtvaart. De benoemingen geschieden op voordracht van
"- de president van de Raad van State voor het sub a bedoelde lid;
- de respectieve ministers voor de sub b bedoelde leden;
- de respectieve nationale verenigingen voor de sub d bedoelde leden".
7 Ingevolge de artikelen 1, derde alinea, 26 en 41 van de Italiaanse wet is voor het verrichten van goederenvervoer over de weg voor rekening van derden de inschrijving in het register en het bezit van een administratieve vergunning voorgeschreven.
8 In artikel 50 en volgende van deze wet wordt een stelsel van verplichte margetarieven met een maximum- en minimumgrens ingesteld.
9 Artikel 52 van de Italiaanse wet luidt:
"Voor de berekening van elk tarief wordt uitgegaan van een basisprijs die in het midden van de marge ligt. Bij de bepaling van de basisprijs wordt rekening gehouden met de gemiddelde kostprijs van de overeenkomstige vervoersverrichtingen, handelskosten inbegrepen, voor ondernemingen die goed worden beheerd en hun vervoerscapaciteit onder normale voorwaarden benutten, alsmede met de marktsituatie, en wel in dier voege dat de vervoersondernemingen een billijke vergoeding krijgen."
10 Volgens artikel 53 van de Italiaanse wet worden de vervoerstarieven en de bijzondere toepassingsvoorwaarden, alsmede de latere wijzigingen daarvan door het centraal comité aan de minister van Verkeer en Burgerluchtvaart voorgesteld. Laatstgenoemde keurt, na de regio's en de nationale confederale vertegenwoordigingen van de rechtstreeks belanghebbende economische sectoren te hebben geraadpleegd, de tarieven, alsmede de voorwaarden en de wijzigingen daarvan goed door ze bij besluit verbindend te verklaren.
11 Indien de minister de voorstellen niet aanvaardt, stuurt hij ze naar het centraal comité terug met het oog op nieuwe voorstellen of tegenvoorstellen. Indien de minister de nieuwe voorstellen of tegenvoorstellen niet bevredigend acht, kan hij de aanvankelijk gedane voorstellen wijzigen en bij besluit verbindend verklaren.
12 Op de niet-naleving door de marktdeelnemers van de vastgestelde tarieven staan administratieve sancties en, bij recidive, tuchtmaatregelen.
13 De criteria voor de berekening van de margetarieven zijn met name gepreciseerd bij decreet van de president van de Italiaanse Republiek nr. 56 van 9 januari 1978 (GURI nr. 77 van 18 maart 1978).
14 Het ministerieel besluit van 18 november 1982 (supplement bij GURI nr. 342 van 14 december 1982), waarbij die tarieven voor het eerst zijn vastgesteld, staat een aantal afwijkingen toe. Artikel 13 van dit besluit bepaalde namelijk, dat
"particuliere contracten alleen krachtens collectieve economische overeenkomsten tussen de gebruikers en de meest representatieve verenigingen van vervoerders die in het centraal comité van het register zitting hebben, tegen afwijkende voorwaarden kunnen worden gesloten (...)"
15 Bij artikel 3 van wetsdecreet nr. 82 van 29 maart 1993 houdende dringende maatregelen ten behoeve van de sector goederenvervoer over de weg voor rekening van derden (GURI nr. 73 van 29 maart 1993), na wijziging omgezet in wet nr. 162 van 27 mei 1993 (GURI nr. 123 van 28 mei 1993), is vervolgens elk contractueel beding verboden waarbij wordt afgeweken van de tarieven die voortvloeien uit de wet en/of uit collectieve overeenkomsten als bedoeld in het ministerieel besluit van 18 november 1982.
16 De margetarieven zijn herhaaldelijk bij ministerieel besluit gewijzigd. Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding golden de tarieven zoals zij waren aangepast bij ministeriële besluiten van 24 maart 1995 (GURI nr. 74 van 29 maart 1995) en 26 juni 1995 (GURI nr. 151 van 30 juni 1995).
Het hoofdgeding
17 Librandi had van Cuttica opdracht ontvangen voor het vervoer van een aantal containers. Nadat deze opdracht was uitgevoerd, betaalde Cuttica Librandi een bedrag dat lager was dan hetgeen zij had moeten betalen volgens de Italiaanse ministeriële besluiten van 24 maart 1995 en 26 juni 1995 houdende vaststelling van verbindende tarieven voor het goederenvervoer over de weg voor rekening van derden.
18 Daarop verzocht Librandi de Giudice di pace di Genova bij dagvaarding van 18 juni 1996 Cuttica te veroordelen tot betaling van het verschil tussen hetgeen zij had betaald en hetgeen zij volgens de bij die ministeriële besluiten verbindend verklaarde tarieven verschuldigd was.
19 Cuttica betwistte deze vordering op grond dat artikel 3 van wetsdecreet nr. 82 van 29 maart 1993, voor zover het de tariefregeling voor het vervoer van goederen over de weg tot andere sectoren uitbreidt, onverenigbaar is met de beginselen die het Hof heeft geformuleerd in het arrest van 19 mei 1993, Corbeau (C-320/91, Jurispr. blz. I-2533), en dat de tarieven die na de verhoging van het aantal vertegenwoordigers van de nationale verenigingen van wegvervoerders in het centraal comité van het register zijn vastgesteld bij de ministeriële besluiten van 24 maart en 26 juni 1995, indruisen tegen de beginselen die het Hof heeft ontwikkeld in het arrest van 5 oktober 1995, Centro Servizi Spediporto (C-96/94, Jurispr. blz. I-2883).
20 De verwijzende rechter vraagt zich af, of de ministeriële besluiten van 24 maart en 26 juni 1995 houdende vaststelling van verbindende tarieven voor het betrokken vervoer, in het licht van het arrest Centro Servizi Spediporto buiten toepassing moeten worden gelaten, op grond dat zij zijn vastgesteld krachtens een regeling die onverenigbaar is met de communautaire mededingingsregels.
21 De nationale rechter is met name van mening, dat het Hof zich in het arrest Centro Servizi Spediporto niet heeft uitgesproken over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de uitbreiding van de verplichte tariefregeling tot elke overeenkomst op basis waarvan vervoer wordt verricht, en dat hij moet onderzoeken, of artikel 3 van wetsdecreet nr. 82 van 29 maart 1993, omgezet in wet nr. 162/93, niet tot een ongerechtvaardigd verschil in behandeling kan leiden.
22 Voorts beklemtoont hij, dat de Italiaanse regering na het arrest Centro Servizi Spediporto het aantal vertegenwoordigers van de wegvervoerders in het centraal comité van het register heeft verhoogd. Sindsdien vertegenwoordigt het orgaan dat de voorstellen doet, niet meer de overheid, maar de belangen van de ondernemingen en ondernemersverenigingen uit de wegvervoerssector. Onder deze omstandigheden dient het door het Hof in het arrest Centro Servizi Spediporto gehanteerde begrip "openbaar belang" nader te worden gepreciseerd.
23 Ten slotte vraagt de verwijzende rechter zich af, of hij te maken heeft met een volgens het gemeenschapsrecht geoorloofde collectieve overeenkomst die ook verbindend is voor partijen die niet lid zijn van een van de verenigingen die de overeenkomst hebben gesloten, dan wel met een door artikel 85 van het Verdrag verboden tariefafspraak.
24 Derhalve heeft de Giudice di pace di Genova de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Zijn de artikelen 3, sub f en g, 5, 85 en 86 van het Verdrag, in de uitlegging die het Hof in zijn arrest van 5 oktober 1995 in zaak C-96/94 daaraan heeft gegeven, verenigbaar met een nationale regeling volgens welke de verbindende tarieven voor het goederenvervoer over de weg door de overheid worden goedgekeurd en uitvoerbaar verklaard op basis van het voorstel van een comité waarin de belanghebbende marktdeelnemers de meerderheid hebben (ministerieel besluit van 2 februari 1994)?
2) Zo ja, zijn de artikelen 3, sub f en g, 5, 85 en 86 van het Verdrag verenigbaar met een nationale regeling (artikel 3 van wetsdecreet nr. 82/93, omgezet in wet nr. 162/93) die de verbindende tarieven voor wegvervoersovereenkomsten ook van toepassing verklaart op andere soorten overeenkomsten betreffende andere diensten, zoals inzonderheid overeenkomsten op basis van een aanbesteding en/of bevrachtingsovereenkomsten?
3) Komt het door het Hof in de arresten Reiff en Delta gehanteerde begrip $algemeen belang' overeen met het begrip $openbaar belang', dat het Hof in een overeenkomstige rechtssituatie heeft gehanteerd in het arrest Centro Servizi Spediporto?
4) Wordt dit begrip ($algemeen belang' en/of $openbaar belang') door het gemeenschapsrecht gedefinieerd, of wordt dit aan de afzonderlijke lidstaten overgelaten?
5) Kan inzonderheid onder dit begrip vallen een nationale situatie als die welke in de procedure in het hoofdgeding is beschreven, waarin:
a) het tariefvoorstel wordt opgesteld aan de hand van criteria die door de nationale wetgever als van openbaar belang zijn aangemerkt en die in abstracto zijn geformuleerd in wet nr. 298/74 en nadien zijn uitgewerkt in presidentieel decreet nr. 56/78, maar die in concreto verwijzen naar de kenmerken van een $standaardonderneming' die in de regeling van 1978 (artikelen 3 en 4) wordt beschreven en niet meer overeenkomt met de reële toestand op de betrokken markt;
b) verder de (nooit uitgeoefende) bevoegdheid van de overheid om het voorstel van het comité terug te sturen en de tarieven op eigen gezag vast te stellen wanneer zij het nieuwe voorstel van het comité niet bevredigend acht, strikt beperkt is tot het onderzoek van de overeenstemming van dat voorstel met de criteria die volgens de wetgever van 1974 (artikel 53 van wet nr. 298/74) moesten worden bepaald in een uitvoeringsregeling, die in 1978 is vastgesteld (presidentieel decreet nr. 56/78) en sindsdien niet meer is aangepast;
c) het verbindend tarief en, wat belangrijker is, het onderzoek van de wettigheid daarvan door de overheid aldus worden bepaald door het toezicht op de overeenstemming van het door het comité geformuleerde tariefvoorstel met de economische en technische gegevens van een $standaardonderneming' die niet representatief is voor de betrokken markt;
d) en in dit verband aan de overheid wordt opgedragen, ervoor te zorgen dat een aldus vastgesteld tarief de vervoersondernemingen in staat stelt een vergoeding te krijgen die als $billijk' wordt aangemerkt (artikel 52 van wet nr. 298/74), maar die is gebaseerd op een strakke en volstrekt achterhaalde regeling die door de overheid niet terzijde kan worden geschoven, ofschoon zij thans niet meer beantwoordt aan de realiteit en derhalve niet overeenkomt met de reële kostprijs van de door de wegvervoersondernemingen verrichte dienst?
6) Subsidiair, hoe moet het begrip $collectieve overeenkomst' worden uitgelegd, opdat de verwijzende rechter in staat is uit te sluiten, dat er sprake is van een door artikel 85 van het Verdrag verboden tariefafspraak?"
De eerste twee vragen
25 Met zijn eerste twee vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de artikelen 3, sub f en g, 5, 85, 86 en 90 van het Verdrag zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat, die bepaalt dat de tarieven voor goederenvervoer over de weg door de overheid worden goedgekeurd en verbindend verklaard op basis van voorstellen van een centraal comité waarin vertegenwoordigers van de betrokken marktdeelnemers de meerderheid hebben, en die de verbindende tarieven voor wegvervoersovereenkomsten ook van toepassing verklaart op andere soorten overeenkomsten betreffende andere diensten, zoals inzonderheid overeenkomsten op basis van een aanbesteding en/of bevrachtingsovereenkomsten?
26 Dienaangaande zij er allereerst aan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de artikelen 5 en 85 van het Verdrag worden geschonden wanneer een lidstaat het tot stand komen van met artikel 85 strijdige mededingingsregelingen oplegt of begunstigt dan wel de werking ervan versterkt, of aan haar eigen regeling het overheidskarakter ontneemt door de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten tot interventie op economisch gebied aan particuliere marktdeelnemers over te dragen (zie arresten van 21 september 1988, Van Eycke, 267/86, Jurispr. blz. 4769, punt 16; 17 november 1993, Reiff, C-185/91, Jurispr. blz. I-5801, punt 14, en 9 juni 1994, Delta Schiffahrts- und Speditionsgesellschaft, C-153/93, Jurispr. blz. I-2517, punt 14).
27 Vervolgens zij eraan herinnerd, dat het Hof heeft geoordeeld, dat de artikelen 3, sub g, 5 en 86 van het Verdrag slechts op een regeling als de Italiaanse wet kunnen worden toegepast, indien is bewezen dat die wet een onderneming een economische machtspositie verleent welke haar in staat stelt de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging op de relevante markt te verhinderen, door het haar mogelijk te maken, zich jegens haar concurrenten, haar afnemers en, uiteindelijk, de consumenten in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen (arrest van 13 februari 1979, Hoffmann-La Roche/Commissie, 85/76, Jurispr. blz. 461, punt 38).
28 Ten slotte zij eraan herinnerd, dat het Hof in het arrest Centro Servizi Spediporto te maken had met een soortgelijke vraag over de Italiaanse wettelijke regeling die toen van kracht was, en die in wezen slechts van de onderhavige verschilde doordat de nationale verenigingen van de groep goederenvervoer over de weg in het centraal comité twaalf vertegenwoordigers hadden in plaats van zeventien.
29 In dat arrest verklaarde het Hof voor recht, dat de artikelen 3, sub g, 5, 85, 86 en 90, alsmede artikel 30 van het Verdrag zich er niet tegen verzetten, dat een regeling van een lidstaat bepaalt, dat de tarieven voor goederenvervoer over de weg door de overheid worden goedgekeurd en verbindend verklaard op basis van voorstellen van een comité, indien dit is samengesteld uit een meerderheid van vertegenwoordigers van de overheid naast een minderheid van vertegenwoordigers van de belanghebbende marktdeelnemers, en in zijn voorstellen een aantal criteria van openbaar belang in acht moet nemen, en indien de overheid verder geen afstand doet van haar prerogatieven, in die zin dat zij, alvorens de voorstellen goed te keuren, rekening houdt met de opmerkingen van andere openbare en particuliere organisaties of zelfs de tarieven ambtshalve vaststelt.
30 In de eerste plaats was de conclusie van het Hof - te weten, dat in een regeling betreffende de vaststelling van de tarieven voor het goederenvervoer over de weg, zoals die welke door de Italiaanse wet is ingevoerd, de in het comité vastgestelde voorstellen niet kunnen worden beschouwd als mededingingsregelingen tussen marktdeelnemers, die de overheid heeft opgelegd of begunstigd of waarvan zij het effect heeft versterkt - gebaseerd op de bevindingen in de punten 22 tot en met 24 van het arrest Centro Servizi Spediporto, dat het comité bestond uit een meerderheid van vertegenwoordigers van de overheid en uit een minderheid van vertegenwoordigers van de verenigingen van marktdeelnemers, en dat het centraal comité bij de vaststelling van zijn voorstellen een aantal in de wet bepaalde criteria van openbaar belang in acht moest nemen.
31 In de tweede plaats oordeelde het Hof, dat de overheid haar bevoegdheid inzake de vaststelling van de tarieven niet aan particuliere marktdeelnemers had overgedragen, en dit op grond van de vaststelling in de punten 26 tot en met 28 van het arrest Centro Servizi Spediporto, dat volgens de Italiaanse wet het centraal comité de vervoerstarieven en de bijzondere toepassingsvoorwaarden ervan aan de bevoegde minister voorstelt. Bovendien is de minister volgens de wet bevoegd deze tarieven goed te keuren, te verwerpen of te wijzigen, alvorens ze verbindend te verklaren, en moet hij, alvorens de tarieven goed te keuren en verbindend te verklaren, de regio's en de vertegenwoordigers van de belanghebbende economische sectoren raadplegen en rekening houden met de richtlijnen van het interministerieel prijzencomité.
32 Ten slotte besliste het Hof, dat een nationale regeling volgens welke de tarieven voor het goederenvervoer over de weg door de overheid worden vastgesteld, niet tot gevolg heeft, dat de marktdeelnemers een collectieve machtspositie krijgen die wordt gekenmerkt door het ontbreken van onderlinge mededinging, en dit op grond van de bevinding in de punten 33 en 34 van het arrest Centro Servizi Spediporto, dat de betrokken ondernemingen niet door zodanige banden met elkaar verenigd zijn, dat zij hun optreden op de markt kunnen coördineren.
33 Aan deze vaststellingen wordt niet afgedaan door de omstandigheid, dat sinds het ministerieel besluit van 2 februari 1994, waarbij het aantal vertegenwoordigers van de nationale verenigingen van de groep goederenvervoer over de weg in het centraal comité van twaalf tot zeventien is verhoogd, de vertegenwoordigers van de marktdeelnemers in dit comité niet langer in de minderheid zijn, dat volgens de door de Italiaanse regering verstrekte gegevens het voormalige raadgevende "interministerieel prijzencomité" is vervangen door een orgaan genaamd "Italiaans waarnemingscentrum voor prijzen en tarieven", en dat de Italiaanse wet de vantoepassingverklaring van de tarieven op andere diensten, zoals overeenkomsten op basis van een aanbesteding of een bevrachtingsovereenkomst, heeft gehandhaafd.
34 De wijziging van de meerderheid in het centraal comité rechtvaardigt immers niet de conclusie, dat er sprake is van een mededingingsregeling in de zin van artikel 85 van het Verdrag, daar het centraal comité overeenkomstig de betrokken nationale regeling bij de vaststelling van zijn voorstellen de in de Italiaanse wet bepaalde criteria van openbaar belang in acht moet blijven nemen.
35 Verder leidt de wijziging van de Italiaanse wet niet tot een overdracht van bevoegdheid van de overheid aan particuliere marktdeelnemers, daar de bevoegde minister de mogelijkheid behoudt de hem door het centraal comité voorgestelde tarieven te wijzigen of af te wijzen, en hij verplicht blijft de regio's en de vertegenwoordigers van de economische sectoren te raadplegen.
36 In het kader van zijn bevoegdheid dient de nationale rechter evenwel na te gaan, of de tarieven in de praktijk met inachtneming van de in de wet bepaalde criteria van openbaar belang worden vastgesteld, en of de overheid haar prerogatieven niet afstaat aan particuliere marktdeelnemers.
37 Mitsdien moet op de eerste twee vragen worden geantwoord, dat de artikelen 3, sub f en g, 5, 85, 86 en 90 van het Verdrag zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat, die bepaalt dat de tarieven voor goederenvervoer over de weg door de overheid worden goedgekeurd en verbindend verklaard op basis van voorstellen van een centraal comité waarin vertegenwoordigers van de betrokken marktdeelnemers de meerderheid hebben, en die de verbindende tarieven voor wegvervoersovereenkomsten ook van toepassing verklaart op andere soorten overeenkomsten betreffende andere diensten, zoals inzonderheid overeenkomsten op basis van een aanbesteding en/of bevrachtingsovereenkomsten, mits de tarieven worden vastgesteld met inachtneming van de in de wet bepaalde criteria van openbaar belang en de overheid haar prerogatieven niet afstaat aan particuliere marktdeelnemers, in die zin dat zij, alvorens de voorstellen goed te keuren, rekening houdt met de opmerkingen van andere openbare en particuliere organisaties of zelfs de tarieven ambtshalve vaststelt.
De derde vraag
38 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of het door het Hof in de arresten Reiff en Delta Schiffahrts- und Speditionsgesellschaft gebezigde begrip "algemeen belang" overeenkomt met het begrip "openbaar belang" in het arrest Centro Servizi Spediporto.
39 Dienaangaande moet met de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie worden opgemerkt, dat het Hof in die drie arresten aan de hand van dezelfde criteria heeft onderzocht, of de betrokken tariefcommissie de tarieven moest vaststellen met inachtneming van andere belangen dan die van de in die commissie vertegenwoordigde marktdeelnemers, en of de minister het advies van anderen dan die marktdeelnemers moest inwinnen alvorens de tarieven vast te stellen.
40 Aldus wilde het Hof duidelijk maken, dat het belang van het algemeen zwaarder moet wegen dan de particuliere belangen van de individuele marktdeelnemers.
41 Derhalve moeten de begrippen "algemeen belang" en "openbaar belang" worden geacht eenzelfde betekenis te hebben.
42 Mitsdien moet op de derde vraag worden geantwoord, dat het door het Hof in de arresten Reiff en Delta Schiffahrts- und Speditionsgesellschaft gebezigde begrip "algemeen belang" overeenkomt met het begrip "openbaar belang" in het arrest Centro Servizi Spediporto.
De vierde en de vijfde vraag
43 Met zijn vierde en zijn vijfde vraag, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter te vernemen, of voor de vaststelling van tarieven te gebruiken concrete criteria, zoals die welke in de Italiaanse rechtsorde gelden, in overeenstemming zijn met het openbaar belang in de zin van het arrest Centro Servizi Spediporto.
44 Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te kunnen geven, moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak uit de artikelen 85 en 86, gelezen in samenhang met artikel 5, van het Verdrag volgt, dat de lidstaten geen maatregelen, ook niet van wettelijke of bestuursrechtelijke aard, mogen nemen of handhaven die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kunnen maken (arrest Centro Servizi Spediporto, punt 20).
45 Om te voorkomen dat hun optreden ertoe leidt, dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst, moeten de lidstaten noodzakelijkerwijs ook rekening houden met het openbaar belang.
46 Het staat derhalve aan de lidstaten te bepalen, op basis van welke criteria de communautaire mededingingsregels het best in acht kunnen worden genomen.
47 De nationale rechterlijke instanties dienen na te gaan, of de in de nationale regeling bepaalde criteria van openbaar belang in de praktijk in acht worden genomen.
48 Mitsdien moet op de vierde en de vijfde vraag worden geantwoord, dat het aan de lidstaten staat de voor de vaststelling van tarieven te gebruiken concrete criteria, zoals die welke in de Italiaanse rechtsorde gelden, te bepalen, en dat de nationale rechterlijke instanties dienen na te gaan, of de aldus vastgestelde criteria in de praktijk in acht worden genomen.
De zesde vraag
49 Met zijn laatste vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of de mogelijkheid om collectieve overeenkomsten te sluiten die naar nationaal recht kunnen worden ingeroepen tegen marktdeelnemers die ze niet hebben ondertekend, zoals de in het hoofdgeding bedoelde overeenkomsten, een schending van artikel 85 van het Verdrag kan opleveren.
50 Dienaangaande zij er allereerst aan herinnerd, dat het Hof reeds heeft geoordeeld, dat de mogelijkheid om collectieve overeenkomsten als bedoeld in artikel 13 van het ministerieel besluit van 18 november 1982 te sluiten, niet tot gevolg heeft dat de mededinging wordt beperkt, doch bepaalde afwijkingen van de verbindende tarieven toelaat en derhalve van dien aard is, dat de mededingingsmogelijkheden worden vergroot (arrest Centro Servizi Spediporto, reeds aangehaald, punt 29).
51 Zoals de Commissie heeft opgemerkt en de advocaat-generaal in punt 55 van zijn conclusie heeft beklemtoond, staat het aan de betrokken staat de groep marktdeelnemers tegen wie collectieve overeenkomsten kunnen worden ingeroepen, te omschrijven en af te bakenen.
52 Mitsdien moet op de zesde vraag worden geantwoord, dat de mogelijkheid om collectieve overeenkomsten als bedoeld in artikel 13 van het ministerieel besluit van 18 november 1982 te sluiten, zelfs indien zij naar nationaal recht kunnen worden ingeroepen tegen marktdeelnemers die ze niet hebben ondertekend, niet tot gevolg heeft dat de mededinging wordt beperkt in de zin van artikel 85 van het Verdrag.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
53 De kosten door de Italiaanse en de Franse regering en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door de Giudice di pace di Genova bij beschikking van 30 december 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:
54 De artikelen 3, sub f en g, 5, 85, 86 en 90 EG-Verdrag verzetten zich niet tegen een regeling van een lidstaat, die bepaalt dat de tarieven voor goederenvervoer over de weg door de overheid worden goedgekeurd en verbindend verklaard op basis van voorstellen van een centraal comité waarin vertegenwoordigers van de betrokken marktdeelnemers de meerderheid hebben, en die de verbindende tarieven voor wegvervoersovereenkomsten ook van toepassing verklaart op andere soorten overeenkomsten betreffende andere diensten, zoals inzonderheid overeenkomsten op basis van een aanbesteding en/of bevrachtingsovereenkomsten, mits de tarieven worden vastgesteld met inachtneming van de in de wet bepaalde criteria van openbaar belang en de overheid haar prerogatieven niet afstaat aan particuliere marktdeelnemers, in die zin dat zij, alvorens de voorstellen goed te keuren, rekening houdt met de opmerkingen van andere openbare en particuliere organisaties of zelfs de tarieven ambtshalve vaststelt.
55 Het begrip "algemeen belang", door het Hof gebezigd in de arresten van 17 november 1993, Reiff (C-185/91), en 9 juni 1994, Delta Schiffahrts- und Speditionsgesellschaft (C-153/93), komt overeen met het begrip "openbaar belang" in het arrest van 5 oktober 1995, Centro Servizi Spediporto (C-96/94).
56 Het staat aan de lidstaten om de voor de vaststelling van tarieven te gebruiken algemene criteria, zoals die welke in de Italiaanse rechtsorde gelden, te bepalen, en het staat aan de nationale rechterlijke instanties dienen na te gaan, of de aldus vastgestelde criteria in de praktijk in acht worden genomen.
57 De mogelijkheid om collectieve overeenkomsten als bedoeld in artikel 13 van het ministerieel besluit van 18 november 1982 te sluiten, heeft, zelfs indien zij naar nationaal recht kunnen worden ingeroepen tegen marktdeelnemers die ze niet hebben ondertekend, niet tot gevolg dat de mededinging wordt beperkt in de zin van artikel 85 van het Verdrag.
Full & Egal Universal Law Academy