Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelproducten - Invoerheffingen - Specifieke heffingen van toepassing op "Kashkaval"-kaas - Begrip - Kaas uitsluitend bereid uit schapenmelk
(Verordening nr. 1767/82 van de Commissie)
2 Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelproducten - Specifieke invoerheffingen vastgesteld in verordening nr. 1767/82 - Toekenningsvoorwaarden - Overlegging van certificaat IMA 1 - Certificaat niet in overeenstemming met voorschriften van bijlagen bij verordening - Uitsluiting van preferentieel stelsel
(Verordening nr. 1767/82 van de Commissie)
Samenvatting
3 De Kashkaval-kaas bedoeld in verordening nr. 1767/82 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de specifieke invoerheffingen voor bepaalde zuivelproducten, is die welke uitsluitend uit schapenmelk is bereid, en niet ook de uit koeienmelk bereide Kashkaval-kaas.
4 Een certificaat IMA 1, waarvan de overlegging een voorwaarde is voor toepassing van een van de specifieke heffingen vastgesteld in verordening nr. 1767/82, dat is ingevuld in strijd met de voorschriften van de bijlagen bij de verordening, voldoet niet aan de vereisten van deze verordening, zodat de goederen die met zulk een certificaat worden ingevoerd, niet in aanmerking komen voor het preferentiële stelsel.
Partijen
In zaak C-41/97,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Hof van Beroep te Antwerpen (België), in het aldaar aanhangig geding tussen
Belgische Staat
en
Foodic BV (in staat van faillissement) en P. Nyssen, Internationaal Expeditiebedrijf Verhaert NV, A. Maas & Co. NV en J. Picavet,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1767/82 van de Commissie van 1 juli 1982 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de specifieke invoerheffingen voor bepaalde zuivelproducten (PB L 196, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur) en J.-P. Puissochet, rechters,
advocaat-generaal: M. Mischo
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door E. Vervaeke, advocaat te Antwerpen,
- A. Maas & Co. NV en J. Picavet, vertegenwoordigd door J. Tritsmans en K. Maenhout, advocaten te Antwerpen,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. van Rijn, juridisch adviseur, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van A. Maas & Co. NV en J. Picavet, alsmede van de Commissie ter terechtzitting van 15 januari 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 februari 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 27 januari 1997, ingekomen bij het Hof op 30 januari daaraanvolgend, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1767/82 van de Commissie van 1 juli 1982 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de specifieke invoerheffingen voor bepaalde zuivelproducten (PB L 196, blz. 1).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen enerzijds de Belgische Staat en anderzijds Foodic BV (in staat van faillissement) en P. Nyssen, Internationaal Expeditiebedrijf Verhaert NV, alsmede A. Maas & Co. NV en J. Picavet, over de invoer van kaas onder de benaming "Kashkaval" uit Hongarije tegen een verlaagd invoertarief, ingevolge de bepalingen van verordening nr. 1767/82.
3 Artikel 1, leden 1 en 2, van verordening nr. 1767/82 luidt:
"1. De heffingen bij invoer die van toepassing zijn op de in bijlage II van verordening (EEG) nr. 2915/79 genoemde producten zijn aangegeven in bijlage I.
2. De aangegeven invoerheffingen worden slechts toegepast op de in bijlage I genoemde producten indien een certificaat IMA 1 wordt overgelegd, dat is opgesteld op een formulier volgens het in bijlage II aangegeven model, en indien de in deze verordening vastgestelde voorwaarden in acht worden genomen."
4 In artikel 2 van verordening nr. 1767/82 is bepaald:
"1. Het formaat van het in artikel 1, lid 2, bedoelde formulier is 210 x 297 mm. Het te gebruiken papier moet een gewicht hebben van ten minste 40 g/m2 en moet wit zijn.
2. De formulieren worden gedrukt en ingevuld in één van de officiële talen van de Gemeenschap; aanvullend mag als tweede taal de officiële taal of één van de officiële talen van het land van uitvoer worden gebruikt.
3. Het formulier wordt met de doorschrijfmethode ingevuld hetzij met de schrijfmachine hetzij met de hand. In het laatste geval dient het in drukletters te worden ingevuld.
4. Ieder certificaat wordt door de dienst die met de afgifte is belast voorzien van een volgnummer."
5 In artikel 3 van verordening nr. 1767/82 heet het:
"1. Voor iedere soort en iedere aanbiedingsvorm van de in artikel 1 bedoelde producten moet een certificaat worden opgesteld.
2. Voor iedere soort en iedere aanbiedingsvorm van de producten moet het certificaat de in bijlage III vermelde gegevens bevatten."
6 Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1767/82 bepaalt:
"1. Een certificaat is slechts geldig indien het behoorlijk ingevuld is en geviseerd is door een met de afgifte belaste dienst die voorkomt in bijlage IV."
7 Bijlage I bij verordening nr. 1767/82 verwijst onder letter l) ex 04.04 E I b) 2 van het gemeenschappelijk douanetarief naar Kashkaval [bijlage I, letter l) ex 04.04 E I b) 2, bij verordening nr. 1767/82, is letter o) 0406 90 29 geworden in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 222/88 van de Commissie van 22 december 1987 tot wijziging van bepaalde besluiten met betrekking tot de sector melk en zuivelproducten als gevolg van de invoering van de gecombineerde nomenclatuur (PB 1988, L 28, blz. 1), en bij de latere verordeningen].
8 Bijlage III bij verordening nr. 1767/82, betreffende de voorschriften inzake het opstellen van de certificaten, bepaalt:
"Naast de vakken 1 tot en met 6, 9, 17 en 18 moeten worden ingevuld:
(...)
I. Met betrekking tot sub l) in bijlage I opgenomen Kashkaval van post 04.04 E I b) 2 van het gemeenschappelijk douanetarief:
1. vak nr. 7 onder vermelding van: $Kashkaval';
2. vak nr. 10 onder vermelding van: $uitsluitend inlandse schapenmelk';
3. de vakken nrs. 11 en 12." [Bijlage III, letter I, is letter K geworden sedert de inwerkingtreding van verordening nr. 222/88].
9 Blijkens de feiten van het hoofdgeding voerde Foodic BV (hierna: "Foodic") tussen december 1987 en oktober 1988 860 000 kg Kashkaval-kaas in uit Hongarije. Bij elk van de 16 invoeraangiften van deze kaas was overeenkomstig artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1767/82 een certificaat IMA 1 gevoegd, waarop was vermeld dat het ging om Kashkaval bereid uit koeienmelk. Deze importen zijn onderworpen aan een preferentiële heffing.
10 Nadat zij bij een controle in oktober 1988 hadden vastgesteld, dat de ingevoerde Kashkaval uit koeienmelk was bereid, en van mening dat deze kaas volgens verordening nr. 1767/82 uitsluitend uit schapenmelk moet worden bereid om in aanmerking te komen voor de preferentiële invoerheffing, vorderden de Belgische autoriteiten op 18 december 1989 van Foodic de betaling van het verschil tussen het bedrag van de normale invoerheffingen en het bedrag van de reeds betaalde preferentiële invoerheffingen.
11 Omdat betaling achterwege bleef, dagvaardde de Belgische Staat op 8 januari 1992 Foodic, Nyssen, Internationaal Expeditiebedrijf Verhaert NV, A. Maas & Co. NV en Picavet (hierna: "Foodic e.a.") voor de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tot betaling van 66 424 325 BFR, overeenkomend met het bedrag van de extra heffingen (65 117 514 BFR) en de gestelde waarborgen (1 246 811 BFR) die wegens misbruik van de invoercertificaten werden verbeurd.
12 Bij vonnis van 29 juni 1994 wees de rechtbank de vordering van de Belgische Staat af, waarna laatstgenoemde tegen dit vonnis hoger beroep instelde bij het Hof van Beroep te Antwerpen.
13 Blijkens het verwijzingsarrest meent de Belgische Staat, dat Kashkaval, volgens verordening nr. 1767/82 en volgens de voorschriften voor het invullen van vak nr. 10 van het certificaat IMA 1, uitsluitend uit schapenmelk moet zijn bereid om in aanmerking te komen voor het preferentieel tarief van de invoerrechten.
14 Foodic e.a. brengen hiertegen in, dat Kashkaval ook uit koeienmelk kan worden bereid, wat volgens hen wordt bevestigd door het feit dat de Hongaarse autoriteit die het certificaat IMA 1 heeft ingevuld, uitdrukkelijk heeft vermeld dat het om kaas van koeienmelk ging, zonder dat de kaas daarom de benaming Kashkaval verloor.
15 Volgens Foodic e.a. moet Kashkaval eerst sedert de vaststelling van verordening (EEG) nr. 1225/90 van de Commissie van 10 mei 1990 tot wijziging van verordening nr. 1767/82 ten aanzien van de benaming Kashkaval-kaas (PB L 120, blz. 56), op basis van schapenmelk zijn vervaardigd om in aanmerking te komen voor het preferentieel tarief van de invoerrechten.
16 Artikel 1 van verordening nr. 1225/90 bepaalt:
"1. In bijlage I, onder o), wordt GN-code $0406 90 29' vervangen door GN-code $ex 0406 90 29' en wordt de omschrijving van Kashkaval-kaas gelezen: $Kashkaval, bereid uit schapenmelk en ten minste twee maanden gerijpt, met een vetgehalte van ten minste 45 gewichtspercenten, berekend op de droge stof, en een drogestofgehalte van ten minste 58 gewichtspercenten, in wielvorm, al dan niet met plastic deklaag, met een nettogewicht van ten hoogste 10 kg.'
2. In bijlage III wordt punt K als volgt gelezen:
$K. met betrekking tot onder o) in bijlage I opgenomen Kashkaval-kaas van GN-code ex 0406 90 29:
a) vak nr. 7 onder vermelding van "Kashkaval-kaas, bereid uit schapenmelk en ten minste twee maanden gerijpt, met een drogestofgehalte van ten minste 58 gewichtspercenten, in wielvorm, al dan niet met plastic deklaag, met een gewicht van ten hoogste 10 kg";
b) vak nr. 10 onder vermelding van "uitsluitend inlandse schapenmelk";
c) vak nr. 11.'
(...)"
17 Subsidiair, en voor het geval dat de preferentiële heffing niet van toepassing zou zijn, betogen Foodic e.a., dat de navordering nietig is, omdat de heffing van de verkeerde rechten te wijten is aan onjuistheden in het certificaat IMA 1 afgegeven door de Hongaarse autoriteit, die moet worden beschouwd als een bevoegde autoriteit in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB L 197, blz. 1).
18 Om te beginnen merkt de verwijzende rechter op, dat de considerans van verordening nr. 1225/90 enkel melding maakt van moeilijkheden in verband met het opstellen van het certificaat IMA 1, doch geen antwoord geeft op de vraag of uitsluitend uit schapenmelk bereide Kashkaval voor de verlaagde invoerrechten in aanmerking komt.
19 Vervolgens wijst de verwijzende rechter erop, dat verordening nr. 1225/90 niet aangeeft welke de gevolgen zijn van de afgifte van een certificaat IMA 1 met de vermelding in vak nr. 10 dat het om kaas van koeienmelk gaat, terwijl de verordening voorschrijft, dat in dit vak "inlandse schapenmelk" moet worden ingevuld, en met name, of in een dergelijk geval ervan moet worden uitgegaan, dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de preferentiële heffing.
20 Gelet op het voorgaande en van oordeel dat de geldigheid van de andere verweermiddelen van Foodic e.a. afhangt van de oplossingen die aan de uiteengezette uitleggingsproblemen worden gegeven, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de twee volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
"1) Is met Kashkaval in de verordening (EEG) nr. 1767/82 enkel bedoeld kaas bereid uit schapenmelk?
2) Voldoet een IMA 1 attest afgeleverd in toepassing van de verordening (EEG) nr. 1767/82 maar ingevuld in strijd met de onderrichtingen vermeld in de bijlagen van deze verordening aan de vereisten van artikel 2 van genoemde verordening en heeft dit het verlies van het recht op een verminderd invoertarief tot gevolg?"
De eerste vraag
21 Met zijn eerste vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of enkel de uitsluitend uit schapenmelk bereide Kashkaval-kaas, dan wel ook uit koeienmelk bereide Kashkaval-kaas voor de preferentiële invoerheffingen in aanmerking komt.
22 A. Maas & Co. NV en Picavet (hierna: "Maas en Picavet") betogen, dat volgens artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1767/82 de preferentiële invoerheffingen van toepassing zijn op de in bijlage I aangegeven producten, en dat de in geding zijnde kaas in die bijlage is omschreven als "Kashkaval" [tariefpost ex 04.04 E I b) 2)], zonder dat in de tekst van deze verordening onderscheid wordt gemaakt naargelang de kaas is bereid uit koeienmelk dan wel uit schapenmelk. De tekst van de verordening zou voorrang hebben boven de tekst van bijlage III, waarin een dergelijk onderscheid wél is gemaakt, nu daarin onder letter I is gepreciseerd, dat vermeld moet worden dat de Kashkaval uitsluitend uit inlandse schapenmelk is bereid.
23 Volgens Maas en Picavet blijkt de juistheid van hun stelling uit het feit dat bij verordening nr. 1225/90 de benaming "Kashkaval" is gewijzigd in "Kashkaval, bereid uit schapenmelk", zodat inzake preferentiële heffingen een onderscheid is ingevoerd naargelang de kaas is bereid uit schapenmelk dan wel uit koeienmelk, en alleen de eerste vanaf de inwerkingtreding van deze verordening aan die heffingen is onderworpen.
24 Dienaangaande zij opgemerkt, dat volgens artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1767/82 de preferentiële invoerheffingen slechts worden toegepast indien aan twee voorwaarden is voldaan: in de eerste plaats moet een certificaat IMA 1 worden overgelegd, op een formulier volgens het in bijlage II aangegeven model, en in de tweede plaats moeten de in de verordening vastgestelde voorwaarden worden nageleefd.
25 Overeenkomstig artikel 3, lid 2, van laatstgenoemde verordening moet het certificaat de in bijlage III vermelde gegevens bevatten. Bijlage III, letter I, schrijft voor, dat in vak nr. 10 van het certificaat IMA 1 de vermelding $uitsluitend inlandse schapenmelk' moet worden ingevuld.
26 Uit deze bepalingen volgt dus, dat voor de preferentiële invoerheffingen in aanmerking komt de Kashkaval-kaas die uitsluitend uit schapenmelk is bereid.
27 Hieraan doet niet af dat, zoals Maas en Picavet stellen, in bijlage I bij verordening nr. 1767/82 geen onderscheid wordt gemaakt naargelang Kashkaval is bereid uit koeienmelk dan wel uit schapenmelk. Deze bijlage moet immers worden gelezen in samenhang met bijlage III bij die verordening, die voor de meeste betrokken kazen, welke in bijlage I met name zijn opgesomd, de te gebruiken grondstof vermeldt.
28 De wil van de communautaire wetgever om het voordeel van de preferentiële heffingen enkel toe te kennen voor Kashkaval bereid uit schapenmelk, blijkt overigens ook uit verordening (EEG) nr. 2307/70 van de Raad van 10 november 1970 tot wijziging, in het bijzonder wat bepaalde kaassoorten betreft, van verordening (EEG) nr. 823/68 houdende vaststelling van de productengroepen en de bijzondere voorschriften betreffende de berekening van de heffingen in de sector melk en zuivelproducten (PB L 249, blz. 13), waarbij een autonome preferentiële heffing voor Kashkaval-kaas is ingesteld. In de derde overweging van de considerans van deze verordening is immers sprake van "de schapenkaas die $Kashkaval' wordt genoemd".
29 Wat ten slotte het argument betreft dat Maas en Picavet ontlenen aan de wijziging van de benaming "Kashkaval" bij verordening nr. 1225/90, te weten de toevoeging van de vermelding "bereid uit schapenmelk", zij opgemerkt, dat een dergelijke precisering, die is ingevoerd wegens de moeilijkheden die de omschrijving van deze kaassoort bij het opstellen van het certificaat IMA 1 met zich bracht, geen wijziging brengt in de regeling inzake deze kaassoort, zoals zij voorheen voortvloeide uit verordening nr. 1767/82 in samenhang met de bijlagen I en III daarbij.
30 Op de eerste vraag moet dus worden geantwoord, dat de in verordening nr. 1767/82 bedoelde Kashkaval-kaas die is welke uitsluitend uit schapenmelk is bereid.
De tweede vraag
31 Met zijn tweede vraag wenst de nationale rechter om te beginnen te vernemen, of een certificaat IMA 1 dat is ingevuld in strijd met de voorschriften van de bijlagen bij verordening nr. 1767/82, aan de vereisten van deze verordening voldoet, en vervolgens, of goederen die met zulk een certificaat zijn ingevoerd, niet in aanmerking kunnen komen voor het preferentiële stelsel van deze verordening.
32 Allereerst zij opgemerkt, dat de nationale rechter in verband met het eerste onderdeel van deze vraag verwijst naar artikel 2 van verordening nr. 1767/82. Dit artikel betreft evenwel uitsluitend de materiële aspecten van het certificaat IMA 1. De gestelde vraag kan dus enkel betrekking hebben op de vereisten van artikel 1 van verordening nr. 1767/82.
33 Maas en Picavet wijzen erop, dat volgens artikel 5 van verordening nr. 1767/82 een certificaat slechts geldig is indien het behoorlijk ingevuld is en geviseerd door een met de afgifte belaste dienst die is vermeld in bijlage IV. Dit is volgens hen in casu het geval, aangezien de certificaten wel degelijk door de bevoegde Hongaarse dienst zijn geviseerd.
34 Zoals in de punten 24 tot en met 26 supra is opgemerkt, vormt de vermelding op het certificaat IMA 1 van de in bijlage III bedoelde gegevens - wat Kashkaval-kaas betreft in het bijzonder de vermelding "uitsluitend inlandse schapenmelk" - een voorwaarde voor de geldigheid van het certificaat, dat krachtens artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1767/82 slechts geldig is indien het behoorlijk is ingevuld.
35 Met betrekking tot het tweede onderdeel van deze vraag voeren Maas en Picavet aan, dat verordening nr. 1767/82 niet uitdrukkelijk in een sanctie voorziet indien het certificaat IMA 1 door de bevoegde buitenlandse dienst onjuist is opgesteld. Zij zijn van mening, dat de marktdeelnemers niet de gevolgen moeten dragen van het feit dat een detail van het certificaat niet in overeenstemming is met de voorschriften van bijlage III bij verordening nr. 1767/82, wat derhalve niet het verlies van het recht op een verlaagd invoertarief tot gevolg zou hebben.
36 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat krachtens artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1767/82 de preferentiële heffingen slechts op de in bijlage I bij de verordening genoemde producten worden toegepast, indien aan de in de verordening vastgestelde voorwaarden is voldaan. Overigens blijkt uit de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 1767/82, dat "de indeling in tariefposten niet meer het enige bepalende element is voor de toepassing van de specifieke heffing".
37 Op de tweede vraag moet dus worden geantwoord, dat een certificaat IMA 1 dat is ingevuld in strijd met de voorschriften van de bijlagen bij verordening nr. 1767/82, niet aan de vereisten van deze verordening voldoet, zodat de goederen die met zulk een certificaat worden ingevoerd, niet in aanmerking komen voor het preferentiële stelsel van deze verordening.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
38 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door het Hof van Beroep te Antwerpen bij arrest van 27 januari 1997 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) De Kashkaval-kaas bedoeld in verordening (EEG) nr. 1767/82 van de Commissie van 1 juli 1982 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de specifieke invoerheffingen voor bepaalde zuivelproducten, is die welke uitsluitend uit schapenmelk is bereid.
2) Een certificaat IMA 1 dat is ingevuld in strijd met de voorschriften van de bijlagen bij verordening nr. 1767/82, voldoet niet aan de vereisten van deze verordening, zodat de goederen die met zulk een certificaat worden ingevoerd, niet in aanmerking komen voor het preferentiële stelsel van deze verordening.
Full & Egal Universal Law Academy