Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Landbouw - EOGFL - Goedkeuring van rekeningen -Weigering uitgaven ten laste te brengen die gevolg zijn van onregelmatigheden bij toepassing van gemeenschapsregeling - Ontbreken van objectief controlesysteem
(Verordening nr. 2048/89 van de Raad, art. 3, lid 1, en 6, lid 1)
2. Landbouw - EOGFL - Goedkeuring van rekeningen - Weigering uitgaven ten laste te brengen die gevolg zijn van onregelmatigheden bij toepassing van gemeenschapsregeling - Vaststelling van gebreken in door lidstaat gehanteerd controlesysteem - Ontbreken van betwisting door lidstaat - Gevolgen
(Verordening nr. 1201/89 van de Raad, art. 8 en 12)
Samenvatting
1. Staat en valt het door een lidstaat ter verzekering van de naleving van de wijnbouwregeling ingevoerde controlesysteem met de deskundigheid en het optreden van bepaalde controleurs, die als enigen in staat zijn de juistheid van de aanvragen om toekenning van premies na te gaan, en is verificatie door zowel nationale als communautaire externe diensten aldus uitgesloten, dan bezit een dergelijk controlesysteem niet het door de gemeenschapsregeling vereiste objectieve karakter.
( cf. punt 38 )
2. De lidstaat ten aanzien waarvan de Commissie haar beschikking heeft gerechtvaardigd, waarbij zij heeft geconstateerd dat in het kader van de toepassing van de regels inzake de werkwijze van het EOGFL, afdeling Garantie, geen dan wel gebrekkige controles zijn verricht, kan de bevindingen van de Commissie niet ontkrachten zonder bij zijn argumentatie het bewijs te leveren van het bestaan van een betrouwbaar en operationeel controlesysteem. Slaagt de lidstaat niet in het bewijs dat de bevindingen van de Commissie onjuist zijn, dan mag op grond van die bevindingen ernstig worden betwijfeld, dat een afdoend en doeltreffend stelsel van toezicht en controle is ingevoerd.
Worden de gebreken en tekortkomingen van een controlesysteem door de lidstaat niet bestreden, dan kan een financiële correctie niet in geding worden gebracht, noch op grond van een onjuiste beoordeling van de feiten, noch op grond van misbruik van bevoegdheid door de Commissie of overschrijding van de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid.
( cf. punten 58-60 )
Partijen
In zaak C-46/97,
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door P. Mylonopoulos, juridisch medewerker bij de bijzondere dienst communautaire geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en I. Chalkias, assistent juridisch adviseur bij de juridische dienst van de staat, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Kontou-Durande, lid van de juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 96/701/EG van de Commissie van 20 november 1996 tot wijziging van beschikking 96/311/EG betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1992 hebben ingediend in verband met door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven, alsook voor bepaalde uitgaven voor het begrotingsjaar 1993 (PB L 323, blz. 26), voor het gedeelte dat de Helleense Republiek betreft,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, P. J. G. Kapteyn, G. Hirsch (rapporteur), H. Ragnemalm en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: L. Hewlett, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 23 september 1999,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 december 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 6 februari 1997 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Helleense Republiek krachtens artikel 173, eerste alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230, eerste alinea, EG) verzocht om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 96/701/EG van de Commissie van 20 november 1996 tot wijziging van beschikking 96/311/EG betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1992 hebben ingediend in verband met door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven, alsook voor bepaalde uitgaven voor het begrotingsjaar 1993 (PB L 323, blz. 26), voor het gedeelte dat haar betreft.
2 Het beroep strekt tot nietigverklaring van deze beschikking, voor zover de volgende bedragen niet ten laste van het EOGFL zijn gebracht:
- 5 251 911 509 GRD ter zake van productiesteun voor olijfolie;
- 61 090 105 GRD ter zake van wijn (definitieve stopzetting van wijnbouw op wijnbouwareaal)
- 12 910 334 855 GRD ter zake van productiesteun voor katoen;
- 3 916 884 473 GRD ter zake van tabak.
3 De redenen voor de toegepaste correcties zijn samengevat in syntheseverslag nr. VI/6355/95 van 27 maart 1996 over de resultaten van de controles voor de goedkeuring van de rekeningen betreffende het EOGFL, afdeling Garantie, over het begrotingsjaar 1992 en van bepaalde uitgaven betreffende het begrotingsjaar 1993 (hierna: syntheseverslag") en in twee aanvullingen daarop van 14 juni en 23 september 1996.
De uitgaven ter zake van productiesteun voor olijfolie
4 Volgens het syntheseverslag hebben de controles in Griekenland geen wijziging van betekenis ten opzichte van de bij de goedkeuringen voor de jaren 1990 en 1991 bekritiseerde situatie aan het licht gebracht. Zo zou er nog steeds geen olijventeeltkadaster zijn en zouden de geautomatiseerde gegevensbestanden nog steeds onbruikbaar zijn.
5 Voorts maakt het syntheseverslag melding van ernstige structurele tekortkomingen in het beheers- en controlesysteem voor de steunaanvragen, die in achttien punten worden samengevat. Daarbij worden onder meer een gebrek aan coördinatie tussen de bevoegde plaatselijke en nationale diensten en onvolkomenheden in de controles genoemd. Volgens het syntheseverslag zijn de controles die de Griekse autoriteiten in plaats van de door de gemeenschapsverordeningen voorgeschreven controles hebben ingevoerd, van bijzonder weinig nut wanneer het gaat om het terugdringen van het risico voor de EOGFL-uitgaven.
6 Volgens de Griekse regering zijn de in het syntheseverslag geformuleerde grieven ongegrond.
7 Wat het ontbreken van een olijventeeltkadaster betreft, brengt zij in herinnering, dat het Hof reeds in het arrest van 4 juli 1996, Griekenland/Commissie (C-50/94, Jurispr. blz. I-3331) heeft vastgesteld, dat de Helleense Republiek de Commissie heeft geïnformeerd over de na 31 oktober 1988, op welke datum het olijventeeltkadaster volgens verordening (EEG) nr. 3453/80 van de Raad van 22 december 1980 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 154/75 van de Raad tot instelling van een olijfoliedossier in de olijfolieproducerende lidstaten (PB L 360, blz. 15) had moeten zijn voltooid, opgetreden moeilijkheden bij de invoering van dat kadaster. Om die reden heeft het Hof de voor het begrotingsjaar 1990 toegepaste financiële correctie van 10 % bekrachtigd. Haars inziens is er dus een sanctie opgelegd.
8 De Commissie was vanaf 1991 volledig op de hoogte en was in wezen bereid, de Helleense Republiek bij te staan in haar pogingen om de desbetreffende objectieve moeilijkheden te boven te komen. Derhalve is voldaan aan de eerste van bovengenoemde voorwaarden, te weten het tijdig in kennis stellen van de bevoegde gemeenschapsinstelling. Aangezien voorts - aldus nog steeds de Griekse regering - de Griekse autoriteiten en de Commissie in de gehele betrokken periode, te weten het begrotingsjaar 1992, te goeder trouw hebben samengewerkt, mag geen correctie worden toegepast voor het ontbreken van een olijventeeltkadaster.
9 In de eerste plaats zij eraan herinnerd, dat de Helleense Republiek ingevolge verordening nr. 3453/80 verplicht was, het olijventeeltkadaster uiterlijk op 31 oktober 1988 in te voeren.
10 In de tweede plaats moet worden vastgesteld, dat de Helleense Republiek die termijn niet in acht heeft genomen en dat er in het begrotingsjaar 1992 nog steeds geen olijventeeltkadaster was ingevoerd.
11 In de derde plaats heeft het Hof in bovengenoemd arrest van 4 juli 1996, Griekenland/Commissie, en in het arrest van 29 januari 1998, Griekenland/Commissie (C-61/95, Jurispr. blz. I-207, punt 12), de argumenten van de Griekse regering, dat het volstrekt onmogelijk is een olijventeeltkadaster aan te leggen, reeds van de hand gewezen. Zij heeft deze argumenten immers eerst aangevoerd na de in verordening nr. 3453/80 vastgestelde datum en heeft er bij de communautaire instanties niet op aangedrongen, die datum te verschuiven (zie, in die zin, arrest van 14 juli 1994, Griekenland/Raad, C-353/92, Jurispr. blz. I-3411, punt 39).
12 In die omstandigheden kan niet worden aanvaard, dat het volstrekt onmogelijk was om aan de vereisten van verordening nr. 3453/80 te voldoen.
13 Wat de geautomatiseerde gegevensbestanden betreft, stelt de Griekse regering, dat die bestanden sinds 1985 bestaan en bevredigend functioneren. Hoe dan ook houden eventuele lacunes verband met het ontbreken van een olijventeeltkadaster, aangezien daarin een groot aantal van de voor het gegevensbestand noodzakelijke gegevens te vinden zou moeten zijn. Het hierboven gestelde in verband met het ontbreken van een olijventeeltkadaster is dus mutatis mutandis van toepassing op de geautomatiseerde gegevensbestanden. Voor het overige worden aanvullende verificaties en extra controles verricht, wanneer de controleprocedure gebrekkig mocht blijken.
14 Ingevolge artikel 16, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2261/84 van de Raad van 17 juli 1984 houdende algemene voorschriften inzake de toekenning van de productiesteun voor olijfolie en de steun aan de producentenorganisaties (PB L 208, blz. 3) moet iedere producerende lidstaat zorgen voor de vorming en permanente bijwerking van een geautomatiseerd bestand van gegevens over de olijventeelt en de olijfolieproductie. Die gegevensbestanden moeten door de lidstaten worden gebruikt voor de in die verordening bedoelde controles en verificaties (artikel 14, lid 5, van die verordening). Deze bestanden moeten alle gegevens bevatten die de controlewerkzaamheden en een snelle opsporing van onregelmatigheden kunnen vergemakkelijken (artikel 16, lid 2). Voorts nemen de lidstaten de basisgegevens van het olijventeeltkadaster in het computerbestand op zodra deze gegevens beschikbaar zijn [artikel 11, lid 1, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 3061/84 van de Commissie van 31 oktober 1984 houdende uitvoeringsbepalingen van de productiesteunregeling voor olijfolie (PB L 288, blz. 52), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 98/89 van de Commissie van 17 januari 1989 (PB L 14, blz. 14)].
15 Artikel 11, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 3061/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 98/89, bepaalt dat het computerbestand vóór 31 oktober 1990 volledig gebruiksklaar moet zijn. Bovendien moeten de lidstaten van de gegevens gebruik maken voor de controles naarmate de specifieke bestanden worden opgebouwd (artikel 11, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 3061/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 98/89).
16 In dit verband kan worden volstaan met vast te stellen, dat de Griekse regering de verklaring van de Commissie, dat de geautomatiseerde gegevensbestanden niet operationeel zijn, niet gedetailleerd heeft weerlegd. Bij brief nr. 292675 van 21 juli 1995 heeft het Ministerie van Landbouw de Commissie integendeel meegedeeld, dat het benodigde personeel ontbrak om de voor de uitvoering van de controles noodzakelijke gegevens in de bestanden in te voeren. Ook kan op grond hiervan niet worden aanvaard, dat het volstrekt onmogelijk was om te voldoen aan de vereisten van verordening nr. 3061/84, zoals gewijzigd, met betrekking tot de opbouw van de bestanden.
17 Wat ten slotte de doeltreffendheid van het ingevoerde controlesysteem betreft, is de Griekse regering van mening, dat de lijst van 18 gebreken volkomen onnauwkeurig is, niet op concrete gegevens is gebaseerd en geen financiële correctie rechtvaardigt.
18 Wat meer bepaald de grief inzake onvolkomenheden in de controles in de loop van het begrotingsjaar 1992 betreft, merkt de Griekse regering op, dat er ontegenzeglijk meer en grondigere controles hebben plaatsgevonden dan in de begrotingsjaren 1991 en 1990, waarvoor eveneens een financiële correctie van 10 % was toegepast.
19 Volgens artikel 14, lid 1, van verordening nr. 2261/84 past iedere producerende lidstaat een controleregeling toe, die waarborgt dat het product waarvoor steun wordt verleend, daarvoor ook in aanmerking komt.
20 Artikel 14, lid 2, van verordening nr. 2261/84, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3500/90 van de Raad van 27 november 1990 (PB L 338, blz. 3), bepaalt dat de producerende lidstaten de activiteit van iedere producentenorganisatie en unie controleren, en met name de door hen verrichte controlewerkzaamheden als bedoeld in de artikelen 8, lid 1, en 10, eerste streepje, van die verordening.
21 Artikel 14, lid 3 bis, van verordening nr. 2261/84, ingelast bij verordening nr. 3500/90, bepaalt dat de producerende lidstaten voor de betaling van de steun aan olijfolieproducenten met een gemiddelde productie van ten minste 500 kg olijfolie per verkoopseizoen, controleren:
- of, volgens nader vast te stellen criteria, de teeltaangiften juist zijn;
- of de in de steunaanvraag vermelde hoeveelheid olijfolie overeenstemt met de hoeveelheid die voortvloeit uit de voorraadboekhouding van erkende fabrieken;
- of, volgens nader vast te stellen criteria, de hoeveelheid geproduceerde olijven die door de olijvenproducent is opgegeven als verwerkt in een erkende oliefabriek, overeenkomt met de gegevens in zijn teeltaangifte.
22 Volgens artikel 14, lid 4, van verordening nr. 2261/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3500/90, moet voor de olijfolie die wordt geproduceerd door olijvenproducenten met een gemiddelde productie van minder dan 500 kg olijfolie per verkoopseizoen, bij de controle kunnen worden nagegaan:
- of, volgens nader vast te stellen criteria, de teeltaangiften juist zijn;
- of het bewijs van de verwerking van de olijven in een erkende fabriek is geleverd.
23 Artikel 10, lid 2, van verordening nr. 3061/84, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 928/91 van de Commissie van 15 april 1991 (PB L 94, blz. 5), bepaalt, dat de lidstaten ter plaatse een nader te bepalen representatief percentage van de olijvenproducenten controleren. Wanneer een controlebureau deze controles uitvoert, wordt dit percentage aangegeven in het werkprogramma van dat bureau. Het percentage verschilt naargelang in de betrokken zones al dan niet de basisgegevens van het olijventeeltkadaster beschikbaar zijn. De controles moeten bij voorrang worden verricht bij de olijvenproducenten wier productiepotentieel aanmerkelijk is veranderd.
24 Ten slotte houden de producerende lidstaten volgens artikel 10, lid 3, van verordening nr. 3061/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 928/91, bij de controle van de juistheid van de in artikel 14, leden 3 bis en 4, van verordening nr. 2261/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3500/90, bedoelde teeltaangiften met name rekening met de gegevens van het olijventeeltkadaster en van de geautomatiseerde bestanden, de gegevens van de ter plaatse bij de olijvenproducent(en) verrichte controles en de opbrengsten aan olijven en olie die zijn vastgesteld voor de zone waar het betrokken bedrijf gevestigd is.
25 Om te beginnen moet worden vastgesteld, dat de Griekse regering het door de Commissie overgelegde cijfermateriaal, waaruit blijkt dat op nationaal niveau voor de verkoopseizoenen 1990/1991, 1991/1992 en 1992/1993 achtereenvolgens 0,1 %, 0,21 % en 0,13 % van de producentencoöperaties ter plaatse zijn gecontroleerd, niet betwist. Ten aanzien van de niet-aangesloten producenten waren de percentages 0,8 % respectievelijk 0,87 % voor de verkoopseizoenen 1991/1992 en 1992/1993. Uit de door de Griekse autoriteiten overgelegde documenten blijkt voorts, dat in de controletijdvakken 1991-1992 0,22 % van de olijvenproducenten waren gecontroleerd.
26 Deze controles zijn duidelijk niet toereikend om het ontbreken van een olijventeeltkadaster en operationele geautomatiseerde gegevensbestanden te compenseren. Daar de Griekse regering voorts de overige in het syntheseverslag vastgestelde gebreken, waaronder de algemene slordige uitvoering van de controleprocedure, het ontbreken van een methode en systeem ter vergelijking van de gegevens en de onmogelijkheid voor de bevoegde instantie om wegens de verstrengeling van taken en belangen een doeltreffende controle uit te oefenen op de financiering van de producentenorganisaties, niet gedetailleerd bestrijdt, moet de financiële correctie van 10 % wegens ernstige gebreken in het controlesysteem voor de productiesteunregeling voor olijfolie volledig gerechtvaardigd worden geacht.
De uitgaven ter zake van steun voor definitieve stopzetting van wijnbouw op wijnbouwareaal
27 Volgens het syntheseverslag is voor het derde opeenvolgende jaar vastgesteld, dat de Griekse autoriteiten de in officiële brieven meegedeelde en in de syntheseverslagen over de begrotingsjaren 1990 en 1991 opgenomen aanbeveling om de regionale controleurs die de administratieve controle van de dossiers uitoefenen, niet ook de controles ter plaatse vóór en na het rooien van het wijnbouwareaal te laten verrichten, niet hebben toegepast. Er is namelijk geconstateerd, dat deze handelwijze tot onregelmatigheden leidt.
28 Voorts heeft de Helleense Republiek, die geen wijnbouwkadaster en geen kadaster in eigenlijke zin heeft, onvoldoende maatregelen getroffen om het ontbreken van een betrouwbaar systeem voor het identificeren en meten van de oppervlakten te compenseren, met name door versterking van het systeem voor de inspectie van de gerooide gronden. Dat aanvullende jaarlijkse steekproefsgewijze controles zijn uitgevoerd op 1 % van de gecontroleerde dossiers, is onvoldoende om het ontbreken van een wijnbouwkadaster en een kadaster te ondervangen.
29 De Commissie heeft derhalve een forfaitaire correctie van 2 % toegepast op alle uitgaven in verband met deze maatregel.
30 De Griekse regering stelt, dat aan de financiële correctie in de wijnsector een onjuiste beoordeling van de feiten ten grondslag ligt.
31 Volgens haar hadden de ter plaatse verrichte controles niet alleen betrekking op alle vóór, doch ook op alle na het rooien ingediende aanvragen, teneinde de rooiing ter plaatse vast te stellen. In het tijdvak 1990-1991 zijn 118 333 aanvragen gecontroleerd en goedgekeurd, in het tijdvak 1991-1992 17 061 aanvragen en in het tijdvak 1992-1993 7 000 aanvragen, waarbij het aantal percelen per wijnbouwer gemiddeld twee bedroeg.
32 Wat vervolgens de in het syntheseverslag genoemde aanbeveling betreft om de regionale controleurs die de administratieve controle van de dossiers uitoefenen, niet ook de controles ter plaatse vóór en na het rooien van het wijnbouwareaal te laten verrichten, omdat dit tot onregelmatigheden leidt, merkt de Griekse regering op, dat de landbouwkundigen die de controle vóór het rooien verrichtten, dit wegens het ontbreken van een wijnbouwkadaster eveneens na het rooien deden, juist omdat zij bekend zijn met de betrokken percelen en de ligging ervan.
33 Met betrekking tot het percentage van de aanvullende controles stelt de Griekse regering, dat het feit dat de Commissie voor het eerst in 1996 bij de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1992 heeft betwist, dat het percentage extra controles (1 %) toereikend was, en dat zij dit bovendien in 1996 - het laatste jaar van de toepassing van de maatregel inzake definitieve stopzetting van de wijnbouw - heeft gedaan, toen de Griekse regering niet meer in staat was dit percentage voor de voorafgaande begrotingsjaren op te voeren, op zijn minst aantoont, dat de Commissie niet te goeder trouw is geweest.
34 Verordening (EEG) nr. 1442/88 van de Raad van 24 mei 1988 inzake de toekenning van premies voor definitieve stopzetting van de wijnbouw op wijnbouwareaal in de wijnoogstjaren 1988/1989 tot en met 1995/1996 (PB L 132, blz. 3), heeft tot doel, de stopzetting van de wijnbouw op wijnbouwareaal te stimuleren door de verlening van premies waarvan het bedrag is gedifferentieerd naar gelang van de productiviteit van de percelen, teneinde zowel rekening te houden met de kosten van het rooien en het verlies van het herbeplantingsrecht als met de inkomstenderving in de toekomst.
35 Met het oog op een doeltreffende regeling en voor de controle op de uitvoering ervan heeft de Commissie in verordening (EEG) nr. 2729/88 van 31 augustus 1988 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1442/88 (PB L 241, blz. 108), de in de premieaanvraag te vermelden gegevens gepreciseerd en bepaald, dat de juistheid van deze gegevens wordt geverifieerd. Volgens artikel 4, lid 2, van die verordening moet de bevoegde instantie van de lidstaat de juistheid verifiëren van de in lid 1 bedoelde gegevens, onder meer de door de aanvrager geëxploiteerde oppervlakte gespecialiseerde of gemengde wijnbouw, en de oppervlakte van de te rooien wijngaard in hectare, are en centiare.
36 Ten slotte bepaalt artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2048/89 van de Raad van 19 juni 1989 houdende algemene regels met betrekking tot de controles in de wijnbouwsector (PB L 202, blz. 32), dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om de controle op de naleving van de wijnbouwregeling te verbeteren, met name op de punten genoemd in de bijlage, waaronder de rooiing. Overeenkomstig artikel 6, lid 1, van die verordening vormt de Commissie een groep van gespecialiseerde controleurs die bij de controles ter plaatse met de bevoegde instanties van de lidstaten samenwerken om te zorgen voor eenvormige toepassing van de wijnbouwregeling, met name op de in artikel 3 bedoelde punten. In de vijftiende overweging van de considerans van verordening nr. 2048/89 wordt de nadruk gelegd op de noodzaak van objectiviteit van de controles.
37 In casu is de Commissie tijdens inspecties in Griekenland gebleken, dat de nationale controleurs niet in staat waren de in het kader van de administratieve controle- en goedkeuringsprocedure van de aanvragen erkende oppervlakten aan te geven. De inspecteurs van het EOGFL konden zich op geen enkele objectieve manier ervan vergewissen, om welke percelen het ging, wat de exacte oppervlakte ervan was, wie de eigenaar en wat de precieze ligging ervan was. Wegens het ontbreken van een wijnbouwkadaster, een kadaster en gedetailleerde geografische kaarten moest een beroep worden gedaan op een ter plaatse goed bekende persoon, omdat de afzonderlijke percelen niet aan de hand van hun ligging, doch aan de hand van de eigenaars van aangrenzende percelen te identificeren waren.
38 Blijkens deze door de Griekse regering niet bestreden bevindingen staat en valt het ingevoerde controlesysteem met de deskundigheid en het optreden van bepaalde controleurs, die als enigen in staat zijn de juistheid na te gaan van de aanvragen om toekenning van premies. Verificatie door zowel nationale als communautaire externe diensten is aldus uitgesloten. Het controlesysteem bezit dus niet het door de gemeenschapsregeling vereiste objectieve karakter.
39 In die omstandigheden komt de financiële correctie van 2 % van de gedeclareerde uitgaven gerechtvaardigd voor.
De uitgaven ter zake van productiesteun voor katoen
40 Het syntheseverslag brengt om te beginnen in herinnering, dat het vermoeden van een omvangrijke fraude in de katoensector, wegens een onverklaarbaar verschil dat in het verkoopseizoen 1991/1992 was geconstateerd tussen de productieraming van de Griekse autoriteiten en de productie waarvoor de steun was aangevraagd, voor de Commissie aanleiding was - mede gezien de reputatie van dit product (syntheseverslagen 1989 en 1990) - om de Griekse overheid op 10 juli 1992 te verzoeken, een onderzoek in te stellen uit hoofde van artikel 6 van verordening (EEG) nr. 595/91 van de Raad van 4 maart 1991 betreffende onregelmatigheden in het kader van de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en terugvordering van bedragen die in dat kader onverschuldigd zijn betaald, alsmede de organisatie van een informatiesysteem op dit gebied en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 283/72 (PB L 67, blz. 11).
41 De eerste fase van het onderzoek, van 26 oktober tot en met 4 december 1992, was door de Commissie, de Griekse overheid en een externe controle-instantie gezamenlijk uitgevoerd. Naast onregelmatigheden werden ernstige gebreken vastgesteld in het controlesysteem van het Griekse Bureau voor katoen. De tweede fase van het onderzoek, waarbij in de periode januari-juni 1993 verificaties bij egreneerbedrijven hadden moeten worden verricht, heeft ondanks herhaalde verzoeken van het EOGFL niet plaatsgevonden.
42 Blijkens het verslag zijn er met name voor het verkoopseizoen 1991/1992 administratieve sancties opgelegd aan en gerechtelijke procedures ingesteld tegen verschillende producenten en egreneerbedrijven, zijn er maatregelen getroffen om de kwaliteit van het nationale controlesysteem te verbeteren en zijn er voor de verkoopseizoenen 1992/1993, 1993/1994 en 1994/1995 nieuwe nationale voorschriften bekendgemaakt. Deze elementen vormden evenwel geen bevredigend antwoord op de door het EOGFL sinds februari 1993 nauwkeurig geformuleerde verzoeken om informatie, met name wat betreft de resultaten van het krachtens artikel 6 van verordening nr. 595/91 gehouden onderzoek. De Griekse overheid heeft immers noch de eindconclusies van het onderzoek meegedeeld noch een nauwkeurige evaluatie verstrekt van de financiële gevolgen van de vastgestelde onregelmatigheden.
43 De Commissie was dus van mening, dat de Helleense Republiek de verplichtingen niet was nagekomen die op haar rustten krachtens artikel 8, lid 1, van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 94, blz. 13). Volgens dit artikel treffen de lidstaten, overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om zich ervan te vergewissen, dat de door het EOGFL gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze zijn uitgevoerd, om onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen, en om de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen. Derhalve heeft het EOGFL een financiële correctie van 25 % van de uitgaven voor het begrotingsjaar 1991 voorgesteld.
44 Gezien het feit dat er nog altijd geen gegevens waren verstrekt over het vervolg van het onderzoek waarom in 1992 was verzocht, dat de uitgaven in het begrotingsjaar 1992 waren gedaan binnen dezelfde beheers- en controlestructuur als in 1991 en dat de nieuwe voorschriften pas met ingang van het verkoopseizoen 1993/1994 en de latere verkoopseizoenen feitelijk waren toegepast, heeft het EOGFL, hoewel het erkent dat de kwaliteit van de bestaande samenwerking is verbeterd dankzij de werkzaamheden van de gezamenlijke werkgroep, eveneens een correctie van 25 % van de uitgaven voor het begrotingsjaar 1992 voorgesteld.
45 In een aanvulling op het syntheseverslag van 23 september 1996 heeft de Commissie evenwel besloten de correcties voor de begrotingsjaren 1991 en 1992 van 25 % tot 10 % te verlagen, aangezien uit onderzoek van het EOGFL in 1995 en 1996 was gebleken, dat de Griekse autoriteiten voldoende maatregelen hadden getroffen om de samenwerking met de Commissie te verbeteren en om met ingang van dat verkoopseizoen te verzekeren, dat de controles op de productiesteun voor katoen en de steun voor kleine producenten gelijkvormig waren.
46 De Griekse regering stelt, dat de correctie van 10 % is gebaseerd op een onjuiste beoordeling van de feiten en misbruik van bevoegdheid door de Commissie of overschrijding van de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid inhoudt.
47 Om te beginnen stemmen de bevindingen in het syntheseverslag met geen van de redenen overeen, die in document nr. VI/216/93 van 1 juni 1993 betreffende de gemeenschappelijke beginselen inzake goedkeuring van de rekeningen worden genoemd voor een correctie van 10 %. Er bestaat immers uiteindelijk geen risico van financieel verlies voor het EOGFL, aangezien de enkele gevallen van onregelmatigheden of fraude die aanvankelijk aan de aandacht dreigden te ontsnappen, niettemin zijn opgemerkt, zij het in een latere fase, met als gevolg dat geldboeten en administratieve sancties zijn opgelegd, bepaalde marktdeelnemers strafrechtelijk zijn veroordeeld en de onverschuldigd betaalde bedragen zijn teruggevorderd.
48 Voorts mogen ingevolge de artikelen 2, 3 en 8 van verordening nr. 729/70 enkel financiële correcties op lidstaten worden toegepast, wanneer zij verzuimen de controles te verrichten die hetzij door de verordeningen worden voorgeschreven, hetzij noodzakelijk worden geacht om de regelmatigheid van de uitgave door het EOGFL te verzekeren, en niet wanneer bepaalde marktdeelnemers onwettig of onrechtmatig handelen. De Griekse autoriteiten hebben evenwel niet alleen controles verricht en hoge boeten opgelegd aan allen die onrechtmatig handelden, doch ook tal van dossiers doorgezonden aan het Openbaar ministerie met het oog op strafvervolging, en via de compensatiemethode alle onverschuldigd betaalde bedragen terugontvangen. Derhalve zijn er geen redenen om ten aanzien van de Helleense Republiek deze zeer hoge financiële correctie van 10 % toe te passen.
49 Verder - aldus nog steeds de Griekse regering - was reeds in de loop van het begrotingsjaar 1992 de doeltreffendheid van het controlesysteem verbeterd, had de samenwerking tussen de Griekse autoriteiten en de Gemeenschap concreet gestalte gekregen en waren de onregelmatigheden ingedamd. Wat inzonderheid de controles op de gesubsidieerde productie betreft, hebben de Griekse autoriteiten een aantal maatregelen getroffen, zoals intensivering van de controles op de productie en de verzending van de producten, en wel via onaangekondigde controles door commissies of de centrale dienst, de invoering van dagelijkse controlefiches voor egreneerbedrijven waar met ploegen werd gewerkt voor de specifieke controle van de egreneerfasen en de productie van geëgreneerde katoen, en het onmiddellijk verstrekken aan de regionale diensten en de centrale dienst van gegevens over het binnenbrengen van niet-geëgreneerde katoen, de productie van geëgreneerde katoen en de verzending van de producten, door dagelijkse toezending van de dagelijkse controlefiches en de vervoersdocumenten met betrekking tot de producten.
50 Er zij aan herinnerd, dat artikel 10 van verordening (EEG) nr. 2169/81 van de Raad van 27 juli 1981 tot vaststelling van de algemene voorschriften van de steunregeling voor katoen (PB L 211, blz. 2) bepaalt, dat de producerende lidstaten een controleregeling invoeren die het met name mogelijk maakt, de hoeveelheid niet-geëgreneerde communautaire katoen vast te stellen die in elk egreneerbedrijf is binnengekomen, de hoeveelheid niet-geëgreneerde communautaire katoen vast te stellen die is geëgreneerd, en na te gaan of de minimumprijs in acht is genomen. Volgens artikel 12 van die verordening zijn de bepalingen van verordening nr. 729/70 mutatis mutandis van toepassing op het door verordening nr. 2169/81 bestreken gebied.
51 Ingevolge artikel 8, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1201/89 van de Commissie van 3 mei 1989 houdende uitvoeringsbepalingen van de steunregeling voor katoen (PB L 123, blz. 23) moet iedere katoenproducent - behoudens overmacht - jaarlijks vóór een door de betrokken lidstaat vastgestelde datum en uiterlijk 1 juli een aangifte van het ingezaaide areaal indienen. Volgens artikel 8, lid 2, worden de betrokken aangiften door de lidstaten aangepast, wanneer bij de in artikel 12, lid 1, sub a, bedoelde controle wordt geconstateerd, dat het aangegeven areaal verschilt van het geconstateerde areaal, en houden de lidstaten hiermee rekening bij het bepalen van het totaal van het aangegeven areaal.
52 Volgens artikel 12, lid 1, van verordening nr. 1201/89 verifieert de door de producerende lidstaat aangewezen instantie onder meer:
a) door middel van een ter plaatse steekproefsgewijze uitgevoerde controle van ten minste 5 % van de aangiften van het ingezaaide areaal, of deze juist zijn;
b) of de ingediende contracten aan de in artikel 10 gestelde voorwaarden voldoen, met name aan die ten aanzien van de inachtneming van de minimumprijs;
c) of de hoeveelheid katoen waarvoor de steun wordt aangevraagd, overeenkomt met de hoeveelheid niet-geëgreneerde katoen uit de Gemeenschap die wordt geproduceerd op het areaal dat in het contract, respectievelijk in de contracten is aangegeven;
d) of de hoeveelheid katoen waarvoor de steun wordt uitbetaald, overeenkomt met de werkelijk geëgreneerde hoeveelheid katoen uit de Gemeenschap.
53 Ten slotte bepaalt artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1201/89, dat de bevoegde instantie de steun slechts toekent voor de hoeveelheid katoen waarvoor aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. Volgens artikel 13 van die verordening moeten in de in artikel 6, punt 2, van verordening nr. 2169/81 bedoelde voorraadboekhouding voor niet-geëgreneerde in de Gemeenschap geoogste en niet-geëgreneerde buiten de Gemeenschap geoogste katoen, elk afzonderlijk, ten minste worden vermeld de hoeveelheden niet-geëgreneerde en geëgreneerde katoen, katoenzaad, katoenzaadolie en linters die op de eerste dag van iedere maand in voorraad zijn.
54 Blijkens de stukken is het onderzoek dat op grond van verordening nr. 595/91 in 1992 en 1993 in Griekenland is ingesteld naar de fraude in de katoensector, aangevuld door vijf inspecties van het EOGFL, die hebben plaatsgevonden van 9 tot 13 januari 1995, van 13 tot 16 juni 1994, van 10 tot 14 juli 1995, van 13 tot 17 november 1995 en van 22 tot 26 januari 1996. Die inspecties waren erop gericht, de nationale beheers- en controleprocedures voor de steun in de katoensector in het kader van de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1992 en de daaropvolgende begrotingsjaren door te lichten.
55 Bij die controles zijn ernstige tekortkomingen geconstateerd; inzonderheid is gebleken, dat de Griekse autoriteiten op verschillende niveaus uitermate nonchalant zijn geweest waar het de bescherming van de gemeenschapsfondsen tegen het risico van fraude en onregelmatigheden betreft.
56 Zo hebben de controleurs van het EOGFL vastgesteld, dat de in de artikelen 8 en 12 van verordening nr. 1201/89 voorgeschreven controles en verificaties van de aangiften van het ingezaaide areaal door de Griekse autoriteiten niet doeltreffend konden worden uitgevoerd. De ter bepaling van de stukken grond verzamelde gegevens werden door het Griekse Bureau voor katoen namelijk niet op de juiste wijze benut om een echt instrument ter controle van het door de producenten opgegeven areaal te kunnen zijn. Die gegevens waren ook helemaal niet in de computer ingevoerd, teneinde zo te komen tot een equivalent voor een kadaster. De lokale kantoren van het Griekse Bureau voor katoen hebben de beschikbare gegevens niet gebruikt om de juistheid van de teeltaangiften na te gaan en om de door meer dan één producent gedeclareerde oppervlakten te achterhalen. Voorts is vastgesteld, dat de percelen niet waren afgebakend, zodat de betrokken percelen en stukken grond niet objectief konden worden gecontroleerd.
57 Ten slotte bleken de onaangekondigde controles niet bevredigend te zijn verlopen. In de praktijk vond geen waarschijnlijkheids"controle plaats aan de hand van het energieverbruik, het personeel en de egreneercapaciteit van het bedrijf. Het Griekse Bureau voor katoen beschikte niet over de noodzakelijke informaticavoorzieningen om verzoeken om uitkering van een voorschot, verzoeken om berekening van de steun en de steunaanvragen zelf te kunnen afzetten tegen de verzoeken om plaatsing onder controle, teneinde het steunpercentage voor de verschillende verwerkte hoeveelheden op de juiste wijze te kunnen toepassen en die toepassing te kunnen controleren.
58 Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan de lidstaat ten aanzien waarvan de Commissie haar beschikking heeft gerechtvaardigd, waarbij zij heeft geconstateerd dat in het kader van de toepassing van de regels inzake de werkwijze van het EOGFL, afdeling Garantie, geen dan wel gebrekkige controles zijn verricht, de bevindingen van de Commissie niet ontkrachten zonder bij zijn argumentatie het bewijs te leveren van het bestaan van een betrouwbaar en operationeel controlesysteem. Slaagt de lidstaat niet in het bewijs dat de bevindingen van de Commissie onjuist zijn, dan mag op grond van die bevindingen ernstig worden betwijfeld, dat een afdoend en doeltreffend stelsel van toezicht en controle is ingevoerd (arrest van 28 oktober 1999, Italië/Commissie, C-253/97, Jurispr. blz. I-7529, punt 7).
59 In casu heeft de Griekse regering de in het betrokken controlesysteem vastgestelde gebreken en tekortkomingen niet gedetailleerd bestreden. Zij verklaart enkel, dat de controles zijn verbeterd en dat daardoor in het bijzonder overtredingen van marktdeelnemers konden worden opgespoord. Dat boeten zijn opgelegd aan allen die onrechtmatig hebben gehandeld, volstaat evenwel niet om twijfel aan de doeltreffendheid van het controlesysteem weg te nemen.
60 In die omstandigheden kan de financiële correctie van 10 % niet worden aangetast, noch op grond van een onjuiste beoordeling van de feiten, noch op grond van misbruik van bevoegdheid door de Commissie of overschrijding van de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid.
De uitgaven ter zake van productiesteun voor tabak
Verlaging van de premies en interventieprijzen bij overschrijding van de gegarandeerde maximumhoeveelheden
61 Volgens het syntheseverslag waren de lidstaten ingevolge verordening (EEG) nr. 2065/93 van de Commissie van 27 juli 1993 tot bepaling van de werkelijke productie voor tabakssoorten van de oogst 1992 en tot vaststelling van de geldende prijzen en premies in het kader van de regeling inzake gegarandeerde maximumhoeveelheden (PB L 187, blz. 26) verplicht, de als gevolg van overschrijding van de gegarandeerde maximumhoeveelheden te veel betaalde premies onmiddellijk terug te vorderen. Dit diende nog voor het begin van de nieuwe tabaksoogst te gebeuren, om ervoor te zorgen dat de marktdeelnemers zich aan de nieuwe gegarandeerde maximumhoeveelheden zouden houden. In casu is evenwel vastgesteld, dat pas lange tijd na de toepassingsdatum van de regeling tot terugvordering werd overgegaan, waardoor als gevolg van de geldontwaarding het financieel effect ervan nihil was. De terugvorderingen waren namelijk gespreid over 41 maanden, terwijl de Griekse autoriteiten reeds in september 1992 de gestelde zekerheden hadden moeten invorderen.
62 De Commissie heeft derhalve als financiële correctie een rente van 10 % over gemiddeld 20,5 maanden berekend over het volledige te laat teruggevorderde bedrag, dat wil zeggen een correctie van 552 174 314 GRD.
63 De Griekse regering stelt, dat het standpunt van de Commissie is gebaseerd op een onjuiste uitlegging van de toepasselijke gemeenschapsregeling.
64 Zij betoogt, dat de bedragen waarmee de premie wordt verlaagd wegens overschrijding van de gegarandeerde maximumhoeveelheden, moeten worden terugbetaald op het tijdstip waarop de tabak de controle verlaat, dat wil zeggen wanneer de begunstigde recht op de premie verkrijgt. Dit volgt uit de artikelen 6 en 7 van verordening (EEG) nr. 1726/70 van de Commissie van 25 augustus 1970 betreffende de wijze van toekenning van de premie voor tabaksbladeren (PB L 191, blz. 1). Het argument van de Commissie, dat de onverschuldigd betaalde premies onmiddellijk moeten worden teruggevorderd, vindt geen steun in artikel 2 van verordening nr. 2065/93, dat uitsluitend betrekking heeft op de datum van inwerkingtreding van die verordening. Dit argument stuit voorts op praktische moeilijkheden. Zo was het bij de stemming over verordening nr. 2065/93 einde juli 1993, en zeker toen de producenten in de loop van augustus 1993 hiervan op de hoogte werden gebracht, te laat om de verwerkingsbedrijven en producenten te verplichten om zich voor de aanvang van de volgende oogst aan de gegarandeerde maximumhoeveelheden te houden, aangezien de geproduceerde hoeveelheid niet tijdens de oogst (bijvoorbeeld in augustus, september etc.) wordt vastgesteld, doch tijdens het uitplanten, tussen maart en juni.
65 Gesteld al dat er een verplichting bestaat om de als gevolg van de overschrijding van de gegarandeerde maximumhoeveelheden te veel betaalde premies onmiddellijk terug te vorderen, dan nog is de berekening van een rentepercentage van 10 % willekeurig, aldus nog de Griekse regering.
66 Subsidiair is zij van mening, dat op het eindbedrag een bedrag van 58 712 320 GRD in mindering moet worden gebracht, dat niet is terugbetaald omdat de tot terugbetaling aangesproken bedrijven zich bij de rechter hebben voorzien en voorlopige rechtsbeschermende maatregelen hebben verkregen.
67 Er zij aan herinnerd, dat verordening (EEG) nr. 727/70 van de Raad van 21 april 1970 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB L 94, blz. 1) voorziet in een systeem van gegarandeerde maximumhoeveelheden. Bij overschrijding van de voor een tabakssoort of groep tabakssoorten vastgestelde hoeveelheden moeten de desbetreffende prijzen en premies worden verlaagd overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, lid 5, van die verordening, ingelast bij verordening (EEG) nr. 1114/88 van de Raad van 25 april 1988 tot wijziging van verordening nr. 727/70 (PB L 110, blz. 35).
68 Volgens artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2824/88 van de Commissie van 13 september 1988 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van de regeling inzake de gegarandeerde maximumhoeveelheden in de sector tabak en tot wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 1076/78 en (EEG) nr. 1726/70 (PB L 254, blz. 9), stelt de Commissie op grond van de gegevens die door de lidstaten zijn meegedeeld of van gegevens uit andere informatiebronnen, voor elke oogst vóór 31 juli van het jaar volgende op dat van die oogst en voor elke tabakssoort of groep tabakssoorten waarvoor een gegarandeerde maximumhoeveelheid geldt, vast welke hoeveelheid werkelijk is geproduceerd. Op grond van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2824/88, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2907/92 van de Commissie van 6 oktober 1992 (PB L 291, blz. 6), mag, voordat de werkelijke productie overeenkomstig artikel 1 is vastgesteld, voor de oogst 1992 maximaal 77 % van de voor deze oogst vastgestelde interventieprijzen en premies worden betaald. Naar keuze van de lidstaat kunnen die prijzen en premies evenwel volledig worden betaald als voor de oogst 1992 een zekerheid van 23 % van de betrokken bedragen wordt gesteld. Ten slotte bepaalt artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2824/88, dat het eventuele saldo wordt betaald en de zekerheid wordt vrijgegeven of verbeurd nadat overeenkomstig artikel 1 de werkelijke productie is vastgesteld.
69 Bij verordeningen (EEG) nr. 2046/90 van 18 juli 1990 (PB L 187, blz. 23), (EEG) nr. 2267/91 van 29 juli 1991 (PB L 208, blz. 26), (EEG) nr. 2178/92 van 30 juli 1992 (PB L 217, blz. 75) en nr. 2065/93 heeft de Commissie, zoals blijkt uit de titels ervan, de werkelijke productie voor tabakssoorten van de oogsten 1989 tot en met 1992 bepaald en de geldende prijzen en premies in het kader van de regeling inzake gegarandeerde maximumhoeveelheden vastgesteld. In artikel 2 van die verordeningen is de datum van inwerkingtreding vastgesteld op de derde dag volgende op die van hun bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
70 Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1726/70 bepaalt, dat het recht op de premie ontstaat op het tijdstip dat de tabak de plaats verlaat waar hij onder controle is geplaatst. Volgens artikel 7, lid 1, van die verordening is de premie verschuldigd op het tijdstip waarop het recht op de premie ontstaat.
71 Uit die regeling volgt, dat de zekerheden die zijn gesteld voor de premies die vóór de vaststelling van de werkelijke productie zijn betaald, dat wil zeggen de in het syntheseverslag genoemde zekerheden, overeenkomstig artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2824/88 worden verbeurd na de vaststelling van de werkelijke productie. Vanaf dat moment kennen de lidstaten namelijk de bedragen waarop de ontvangers van de premies in feite recht hebben, en dus de bedragen die te veel zijn betaald en derhalve moeten worden terugbetaald of waarvoor in voorkomend geval de zekerheden moeten worden geïncasseerd.
72 In verordening nr. 2065/93, die op 1 augustus 1993 in werking is getreden, was voor de oogst 1992 per tabakssoort of groep tabakssoorten aangegeven, hoeveel de werkelijke productie bedroeg en met welke hoeveelheid de gegarandeerde maximumhoeveelheden was overschreden, en waren de te betalen prijzen en premies vastgesteld. Vanaf die datum moesten de te veel betaalde premies worden teruggevorderd of de daartoe gestelde zekerheden worden geïnd. Elke vertraging bij de inleiding van die procedures verleende de betrokken ontvangers voordelen die geen grondslag hadden in de gemeenschapsregeling.
73 Met betrekking tot het op de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 1726/70 gebaseerde argument volstaat de vaststelling, dat in casu sprake is van premies waarop de ontvangers juist geen recht hebben.
74 Wat de hoogte van de financiële correctie betreft, volgt uit het syntheseverslag, dat de Griekse autoriteiten de terugvorderingen over 41 maanden hebben gespreid, hoewel zij de desbetreffende zekerheden reeds bij de inwerkingtreding van verordening nr. 2065/93 hadden moeten innen. De Commissie heeft de correctie berekend door een rentepercentage van 10 % over gemiddeld 20,5 maanden toe te passen.
75 Dienaangaande zij vastgesteld, dat de door de Commissie in aanmerking genomen periode half zo lang is als die waarover de vertraging van de terugvordering zich uitstrekte, en dat het toegepaste rentepercentage lager is dan het toentertijd in Griekenland geldende percentage. In die omstandigheden kan de correctie hoe dan ook niet door de Griekse regering worden aangetast.
76 Wat ten slotte de verlaging van het - door de Griekse regering op 614 401 142 GRD becijferde - bedrag van de uiteindelijke correctie met 58 712 320 GRD betreft, kan worden volstaan met de opmerking, dat volgens het syntheseverslag de uiteindelijke correctie 552 174 314 GRD bedraagt en dat de Griekse regering niet heeft aangetoond, dat het volgens haar af te trekken bedrag van 58 712 320 GRD daarvan deel uitmaakt.
Niet-naleving van verordening (EEG) nr. 1197/92 van de Commissie van 8 mei 1992 tot wijziging van verordening nr. 1726/70 (PB L 124, blz. 31), met betrekking tot de controle van 5 % van de teeltcontracten of -aangiften per bedrijf en tabakssoort
77 Volgens het syntheseverslag hebben de Griekse autoriteiten toegegeven, dat de controles in de regio Naonplif, waar slechts 3 % van alle tabak wordt geproduceerd, zuiver fictief waren geweest. De Commissie heeft dus een forfaitaire correctie van 10 % toegepast, dat wil zeggen een bedrag van 316 280 755 GRD.
78 Voorts blijkt uit het syntheseverslag, dat, ondanks de bekendmaking van verordening nr. 1197/92 in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 9 mei 1992 pas op 3 september 1992 een decreet werd uitgevaardigd waarbij de in deze verordening voorziene controles werden toegestaan. Aangezien de controles voor het merendeel na de oogst, tussen eind september en begin november 1992, hebben plaatsgevonden, hoewel zij volgens verordening nr. 1197/92 moesten plaatsvinden op het tijdstip waarop de tabak nog op het veld stond, heeft de Commissie een forfaitaire correctie van 2 % toegepast, dat wil zeggen een bedrag van 1 929 330 791 GRD.
79 Hoewel de verslagen van de controles in de regio Naonplif data tussen 10 en 26 september 1992 als dagtekening vermelden - hetgeen de Commissie heeft uitgelegd als bewijs van het tijdstip waarop de controles ter plaatse zijn uitgevoerd - hebben de controles volgens de Griekse regering op regelmatige wijze plaatsgevonden overeenkomstig circulaire F109/1989/A.4126 van 27 mei 1992. De controleverslagen zijn na 10 september 1992 ondertekend, omdat op 3 september 1992 besluit nr. 378988 van de minister van Landbouw van kracht werd, dat voorzag in een rechtsgrondslag voor eventuele aansprakelijkstellingen na de controles. Volgens haar waren de controles in de regio Naonplif eerder gepland, omdat in die regio de tabak het eerst wordt geoogst, dat wil zeggen voor eind augustus. De toegepaste correcties zijn haars inziens dus onrechtmatig en ongerechtvaardigd.
80 De Griekse regering stelt voorts, dat het Griekse Bureau voor tabak (EOK) onmiddellijk na de vaststelling en bekendmaking van verordening nr. 1197/92 in mei 1992 de eerste uitvoeringsinstructies heeft vastgesteld in zijn circulaire F109/1989/A.4126 van 27 mei 1992, terwijl ministerieel besluit nr. 378988/92, dat de rechtsgrondslag voor sancties na de controles bevat, in feite op 3 september 1992 is vastgesteld. Met uitzondering van de regio Naonplif, zijn de controles op 9 september 1992 begonnen en begin november 1992 beëindigd.
81 In dat verband betoogt de Griekse regering, dat de verrichte controles volledig in overeenstemming waren met artikel 2 quater van verordening nr. 1726/70, ingelast bij verordening nr. 1197/92. De Griekse autoriteiten hebben immers het bewijs geleverd, dat bij de controles ten minste 5 % van de teeltcontracten of -aangiften zijn gecontroleerd. Voorts is het merendeel van de controles niet te laat uitgevoerd. Hoewel de producenten alle geschikte bladeren hadden geoogst, hadden de controleurs gemakkelijk zowel de beteelde oppervlakte als de tabakssoort kunnen controleren door de op de velden achtergebleven stengels met bladeren aan een onderzoek te onderwerpen. Behalve met het feit, dat het om het eerste jaar van toepassing ging, moet rekening worden gehouden met de vertraging waarmee verordening nr. 1197/92 is vastgesteld - de tabaksteelt was reeds begonnen - en met het grote aantal geregistreerde contracten (73 462). Ook al zijn bepaalde controles met enige vertraging uitgevoerd, dat wil zeggen na de oogst, toch zijn ze op betrouwbare wijze verlopen.
82 Er zij aan herinnerd, dat de lidstaten overeenkomstig artikel 2 quater, lid 1, van verordening nr. 1726/70, ingelast bij verordening nr. 1197/92, onaangekondigde controles ter plaatse uitvoeren teneinde te verifiëren, of de in de contracten of aangiften vermelde gegevens, en met name de beteelde oppervlakte en de geteelde tabakssoort, juist zijn. Voor elk verwerkend bedrijf moeten ten minste 5 % van de geregistreerde teeltcontracten of -aangiften per tabakssoort of groep tabakssoorten worden gecontroleerd. Ingevolge artikel 2 quater, lid 4, van verordening nr. 1726/70, ingelast bij verordening nr. 1197/92, stellen de lidstaten de voor de toepassing van deze verordening vereiste aanvullende maatregelen vast.
83 De Griekse regering erkent, dat de in artikel 2 quater, lid 1, van verordening nr. 1726/70, ingelast bij verordening nr. 1197/92, bedoelde onaangekondigde controles ter plaatse grotendeels eerst vanaf september 1992, dat wil zeggen na de tabaksoogst, hebben plaatsgevonden, ofschoon de Griekse autoriteiten volgens deze verordening die controles reeds vanaf de inwerkingtreding ervan op 12 mei 1992 behoorden te verrichten. De doeltreffendheid van die controles is derhalve door de houding van de Griekse autoriteiten verminderd.
84 Overigens heeft de Commissie bij beschikking van 13 januari 1995 de uiterste termijn voor de mededeling van aanvullende gegevens in het kader van de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1992 vastgesteld op 28 februari 1995. Ondanks verschillende verzoeken aan de Griekse autoriteiten om bewijs te leveren van de regelmatigheid van de controles, hebben zij niet binnen de gestelde termijn geantwoord.
85 In die omstandigheden kan de door de Commissie toegepaste financiële correctie niet worden aangetast.
De tabaksteelt in niet in aanmerking komende gemeenten in de zin van verordening (EEG) nr. 2267/88 van de Raad van 19 juli 1988 tot wijziging van verordening nr. 727/70 (PB L 199, blz. 18)
86 Het syntheseverslag verwijst naar speciaal verslag nr. 8/93 van de Rekenkamer inzake de gemeenschappelijke ordening van de tabaksmarkt, volgens hetwelk de in 61 Griekse gemeenten geteelde tabak op grond van verordening nr. 2267/88 niet voor premies in aanmerking kwam. Op basis van dit speciaal verslag paste de Commissie een financiële correctie toe van 1 098 436 000 GRD, dat wil zeggen het bedrag van de ten onrechte betaalde premies.
87 De Griekse regering betoogt, dat de regio's waarin de betrokken gemeenten zijn gelegen, in beginsel teeltgebieden voor tabak zijn met homogene bodemgesteldheid en klimatologische omstandigheden. Om deze reden zijn die regio's door de Gemeenschap erkend en zij worden sinds meer dan tien jaar meegeteld bij de vaststelling van de teeltgebieden voor interventietabak. In die dorpen werden andere tabakssoorten geteeld, die zijn vervangen door de soort Virginia. Die vervanging vond plaats op grond van structuurprogramma's van de Gemeenschap, die de omschakeling van minder gevraagde tabakssoorten naar de soort Virginia beoogden te stimuleren. Alle producenten die de soort Virginia verbouwden, hadden tevoren goedkeuring gekregen voor hun investeringsprojecten voor de aanleg van een infrastructuur van droogkamers die noodzakelijk is voor de teelt van deze soort.
88 De producenten die aan die programma's hebben deelgenomen, hebben de teelt van de tabakssoorten Tsebelia en Mavra onmiddellijk gestaakt. Indien zij zich gedurende een jaar met experimentele teelt moesten bezighouden zonder premie te ontvangen, zou de Gemeenschap hun inkomstenderving" moeten compenseren, zoals is gebeurd in andere gevallen van herstructurering. Het is hoe dan ook ongerijmd, dat thans een correctie wordt toegepast voor een activiteit die de Gemeenschap zelf heeft aangemoedigd.
89 In dit verband zij eraan herinnerd, dat de Raad bij verordening (EEG) nr. 2062/92 van 30 juni 1992 (PB L 215, blz. 22) de voor de oogst 1992 geldende streefprijzen, interventieprijzen, premiebedragen voor kopers van tabaksbladeren, afgeleide interventieprijzen voor verpakte tabak, referentiekwaliteiten en productiegebieden heeft vastgesteld. Deze gebieden worden vermeld in bijlage III bij die verordening. Tot de erkende productiegebieden voor de soort Virginia behoren onder meer de regio's Sterea Hellas en Macedonië, waarin volgens de Griekse regering de 61 in het syntheseverslag bedoelde gemeenten zijn gelegen.
90 Overeenkomstig artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2062/92 zijn de prijzen en premies voor kopers van tabak van toepassing op de soorten die worden geteeld in de in bijlage III bedoelde gebieden, evenwel onverminderd artikel 7 bis van verordening nr. 727/70. Volgens laatstgenoemde bepaling, die is ingelast bij verordening nr. 2267/88, gelden de prijzen en premies alleen voor tabakssoorten die afkomstig zijn uit gemeenten waar die soort ten minste eenmaal is verbouwd in de vijf jaren voorafgaand aan de betrokken oogst.
91 In casu staat vast, dat de betrokken tabak weliswaar is geteeld in een bij verordening nr. 2062/92 erkend gebied, doch geen recht geeft op de gevraagde premies, aangezien die soort niet afkomstig is uit gemeenten waar die soort reeds tevoren is verbouwd.
92 De Raad heeft overigens geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid van artikel 7 bis, lid 2, van verordening nr. 727/70, ingelast bij verordening nr. 2267/88, om [b]ij de vaststelling van de prijzen en de premies en volgens de daarvoor gevolgde procedure [te] beslissen op welke soorten lid 1 niet van toepassing is".
93 Dat ten slotte de producenten van de soort Virginia de teelt van andere tabakssoorten in het kader van structuurprogramma's van de Gemeenschap hebben gestaakt, is niet van invloed op het recht op de in het kader van verordening nr. 727/70 toegekende premies.
94 Uit een en ander volgt, dat de uitgaven ter zake van de tabaksteelt in niet in aanmerking komende gemeenten in de zin van verordening nr. 2267/88 niet kunnen worden erkend. Derhalve kan de desbetreffende financiële correctie niet worden aangetast.
Reeds lang geleden gestelde en nog niet vrijgegeven zekerheden
95 Volgens het syntheseverslag is de lijst geanalyseerd met de vóór 16 april 1991 gestelde zekerheden die op 15 oktober 1992 nog steeds openstonden. Blijkens de bevindingen van de Commissie heeft het bevoegde orgaan Didagep deze zekerheden inmiddels allemaal vrijgegeven en de juiste bewijsstukken betreffende het beheer ervan aan de Commissie overgelegd, behalve wat dossier nr. 30277/24.02.92 betreft, waarover geen specifieke gegevens beschikbaar zijn met betrekking tot de erkenning van overmacht. Om die reden heeft de Commissie een financiële correctie van 10 853 000 GRD toegepast.
96 Volgens de Griekse regering is de financiële correctie onjuist, omdat zij twee tabakexporten betreft, waarvoor bij de ene recht op volledige restitutie had bestaan, die heeft plaatsgevonden overeenkomstig verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1), en bij de andere recht op gedeeltelijke restitutie. Het bedrag dat met betrekking tot laatstbedoelde restitutie voor rekening van de Helleense Republiek zou moeten komen, bedraagt 1 043 387 GRD en niet 10 853 000 GRD, zoals de Commissie heeft berekend.
97 Zoals in herinnering is gebracht in punt 84 van dit arrest, heeft de Commissie de uiterste termijn voor de mededeling van aanvullende gegevens in het kader van de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1992 vastgesteld op 28 februari 1995. De Griekse regering betwist de verklaring van de Commissie niet, dat de in het verzoekschrift overgelegde gegevens niet binnen de gestelde termijn zijn meegedeeld. In die omstandigheden kan de Griekse regering de financiële correctie niet aantasten.
De negatieve reserve met betrekking tot het begrotingsjaar 1990
98 Tot slot stelt de Griekse regering, dat de Commissie bij de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen voor het begrotingsjaar 1990 4,5 miljard GRD heeft ingehouden wegens in strijd met de gemeenschapsregeling verleende subsidies voor tabak, meer bepaald tabak die naar Albanië en Bulgarije was uitgevoerd zonder een eerste bewerking te hebben ondergaan en te zijn verpakt, zoals wordt vereist door artikel 3 van verordening nr. 727/70, en zonder dat het gewicht van de tabak die niet aan de minimale kwaliteitskenmerken beantwoordde, overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 1726/70 was afgetrokken. Gelet op het in samenwerking met de Gemeenschap gehouden onderzoek heeft de Commissie een negatieve reserve tot bovengenoemd bedrag geboekt.
99 Aangezien het onderzoek op dat punt inmiddels was afgerond en de uitkomsten ervan aan de Commissie waren meegedeeld, had de Commissie haars inziens die financiële correctie ten tijde van de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1992 onmiddellijk definitief moeten afsluiten ingevolge de artikelen 5, lid 2, sub b, en 9, lid 1, van verordening nr. 729/70.
100 In dat verband kan worden volstaan met erop te wijzen, dat de door de Griekse regering bedoelde correctie in het kader van de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1991 definitief is geworden. Zij kan dus in het kader van het onderhavige begrotingsjaar niet in heroverweging worden genomen.
101 Aangezien geen van de door de Griekse regering aangevoerde middelen is geslaagd, moet het beroep worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
102 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst de Helleense Republiek in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy