Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Oliën en vetten - Olijfolie - Consumptiesteun - Voorschot op steun tegen stellen van zekerheid - Vrijgifte van zekerheid - Voorwaarde - Voorafgaande erkenning van recht op steun - Zekerheid door nationale autoriteiten in strijd met deze voorwaarde vrijgegeven - Stellen van nieuwe zekerheden na vrijgifte van zekerheid - Geen invloed op schending
(Verordening nr. 2677/85 van de Commissie, art. 11, lid 3, zoals gewijzigd bij verordening nr. 571/91, art. 1, punt 19)
2 Landbouw - EOGFL - Goedkeuring van rekeningen - Weigering uitgaven ten laste te brengen die gevolg zijn van onregelmatigheden bij toepassing van gemeenschapsregeling - Betwisting door betrokken lidstaat - Bewijslast
Samenvatting
1 Uit artikel 11, lid 3, van verordening nr. 2677/85 houdende uitvoeringsbepalingen van de consumptiesteunregeling voor olijfolie, zoals gewijzigd bij artikel 1, punt 19, van verordening nr. 571/91, blijkt, dat indien de bevoegde nationale instantie op basis van de inlichtingen betreffende de erkenning van een dergelijk recht van ieder erkend bedrijf, die het met de controle op het recht op steun belaste nationale orgaan heeft verstrekt, onregelmatigheden vaststelt, het recht op steun niet kan worden erkend en de zekerheid die is gesteld om voor het voorschot in aanmerking te komen, verbeurd wordt verklaard naar evenredigheid van de hoeveelheden waarvoor de voorwaarden die recht geven op de steun, niet zijn nagekomen. Wanneer er ernstige twijfels bestaan omtrent de regelmatigheid van de praktijken van een onderneming die de steun heeft aangevraagd, is niet voldaan aan de voorwaarden waarvan het recht op steun afhankelijk is gesteld, en kan de zekerheid die de onderneming heeft gesteld om voor het voorschot in aanmerking te komen, niet worden vrijgegeven.
Ingevolge genoemde bepaling moeten de uitgekeerde steunvoorschotten door een waarborg gedekt blijven zolang het recht op de steun niet is erkend. Wanneer de bevoegde nationale autoriteiten, niettegenstaande het bestaan van ernstige twijfels omtrent de regelmatigheden van de praktijken van de betrokken onderneming, de oorspronkelijk door die onderneming gestelde zekerheid in strijd met bedoelde bepaling vrijgeven, doet derhalve de omstandigheid dat na het vrijgeven van de oorspronkelijke gestelde zekerheid nieuwe zekerheden zijn gesteld, niet af aan de schending waaraan die autoriteiten zich schuldig hebben gemaakt.
2 Wanneer de Commissie weigert bepaalde uitgaven ten laste van het EOGFL te brengen, op grond dat deze het gevolg waren van aan een lidstaat toe te rekenen overtredingen van communautaire voorschriften, moet deze lidstaat bewijzen, dat voldaan is aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de geweigerde financiering. De Commissie behoeft de onregelmatigheid van de door de lidstaten toegezonden gegevens niet aan te tonen; zij behoeft enkel een bewijs te leveren voor de ernstige en gerede twijfels die zij koestert. Deze verlichting van de bewijslast voor de Commissie is te verklaren door het feit dat de lidstaat zelf het best in staat is de voor de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen benodigde gegevens te verzamelen en te verifiëren, zodat dus de lidstaat zo gedetailleerd en volledig mogelijk dient te bewijzen dat zijn cijfers juist zijn en, in voorkomend geval, de berekeningen van de Commissie onjuist. In geval van betwisting staat het aan de Commissie, aan te tonen dat de voorschriften van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten zijn overtreden. Wanneer de Commissie een dergelijke schending heeft vastgesteld, dient de lidstaat in voorkomend geval aan te tonen, dat de Commissie een vergissing heeft begaan met betrekking tot de aan die schending te verbinden financiële consequenties.
Partijen
In zaak C-59/97,
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door G. De Bellis, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Italiaanse ambassade, Rue Marie-Adélaïde 5,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. de March, juridisch adviseur, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 96/701/EG van de Commissie van 20 november 1996 tot wijziging van beschikking 96/311/EG betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1992 hebben ingediend in verband met door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven alsook voor bepaalde uitgaven voor het begrotingsjaar 1993 (PB L 323, blz. 26),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, C. Gulmann, D. A. O. Edward, L. Sevón en M. Wathelet (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: S. Alber
griffier: L. Hewlett, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 18 juni 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 september 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 11 februari 1997, heeft de Italiaanse Republiek krachtens artikel 173, eerste alinea, EG-Verdrag verzocht om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 96/701/EG van de Commissie van 20 november 1996 tot wijziging van beschikking 96/311/EG betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1992 hebben ingediend in verband met door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven alsook voor bepaalde uitgaven voor het begrotingsjaar 1993 (PB L 323, blz. 26; hierna: "bestreden beschikking").
2 Het beroep strekt tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, voor zover daarin voor het begrotingsjaar 1992 een bedrag van 11 934 331 913 LIT aan steun voor de consumptie van olijfolie niet ten laste van het EOGFL is gebracht. Deze financiële correctie betreft 82 dossiers inzake steunvoorschotten die volgens de Commissie ten onrechte aan ondernemingen waren uitgekeerd, en die niet langer door geldige zekerheden waren gedekt en nog niet door de nationale autoriteiten waren teruggevorderd.
De gemeenschapsregeling
3 De basisregels van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten zijn neergelegd in verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB 1966, 172, blz. 3025).
4 Artikel 11 van verordening nr. 136/66 vormt de grondslag van de steunregeling waarmee wordt beoogd, de consumptie van in de Gemeenschap geproduceerde en op de markt gebrachte olijfolie te bevorderen. In de bij 's Raads verordeningen (EEG) nrs. 1917/80 van 15 juli 1980 (PB L 186, blz. 1) en 2210/88 van 19 juli 1988 (PB L 197, blz. 1) gewijzigde versie, die ten tijde van de feiten van de onderhavige zaak van toepassing was, bepaalt dit artikel:
"1. Wanneer de met de productiesteun verminderde productierichtprijs hoger is dan de representatieve marktprijs voor olijfolie, wordt consumptiesteun toegekend voor in de Gemeenschap geproduceerde en op de markt gebrachte olijfolie. Deze steun is gelijk aan het verschil tussen deze twee bedragen.
(...)"
5 De algemene voorschriften voor de toekenning van consumptiesteun voor olijfolie, van toepassing op het verkoopseizoen 1991/1992, zijn door de Raad vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 3089/78 van 19 december 1978 (PB L 369, blz. 12), laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3461/87 van de Raad van 17 november 1987 (PB L 329, blz. 1).
6 Volgens artikel 1 van verordening nr. 3089/87 wordt de consumptiesteun slechts verleend aan erkende bedrijven voor de verpakking van olijfolie. De voorwaarden voor erkenning zijn vastgesteld in artikel 2. Luidens de artikelen 5 en 6, lid 2, van de verordening ontstaat het recht op consumptiesteun op het ogenblik dat de olijfolie het verpakkingsbedrijf verlaat, dat volgens een nader te bepalen frequentie een aanvraag moet indienen.
7 Artikel 7 van verordening nr. 3089/78 preciseert de aard van de controles die de lidstaten moeten verrichten:
"De lidstaten stellen een controlesysteem in om te waarborgen dat het product waarvoor steun wordt aangevraagd, voldoet aan de voorschriften om ervoor in aanmerking te komen.
(...)"
8 Artikel 8 van deze verordening bepaalt:
"De steun wordt uitbetaald wanneer de controle-instantie die is aangewezen door de lidstaat waar de verpakking plaatsvindt, heeft vastgesteld dat voldaan is aan de voorwaarden voor de toekenning van de steun.
Vanaf de indiening van de steunaanvraag kan echter een voorschot op de steun worden verleend op voorwaarde dat een toereikende waarborg wordt gesteld."
9 De uitvoeringsbepalingen van de consumptiesteunregeling voor olijfolie, die aan het begin van het verkoopseizoen 1991/1992 van toepassing waren, zijn vervat in verordening (EEG) nr. 2677/85 van de Commissie van 24 september 1985 (PB L 254, blz. 5), laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 571/91 van de Commissie van 8 maart 1991 (PB L 63, blz. 19).
10 Volgens artikel 9, lid 3, van verordening nr. 2677/85 wordt de steun in beginsel door de lidstaat uitgekeerd binnen 150 dagen volgende op de dag van de indiening van de aanvraag. Artikel 11 van deze verordening, zoals gewijzigd bij artikel 1, punt 19, van verordening nr. 571/91, bepaalt evenwel, dat onder bepaalde voorwaarden het steunbedrag kan worden voorgeschoten:
"1. Het steunbedrag wordt voorgeschoten zodra de belanghebbende tegelijk met de steunaanvraag een verklaring overlegt waaruit blijkt dat een met het steunbedrag overeenkomende zekerheid is gesteld.
2. De zekerheid wordt gesteld door een instelling die voldoet aan de criteria welke zijn vastgesteld door de lidstaat waar de steunaanvraag wordt ingediend. De zekerheid heeft een geldigheidsduur van ten minste zes maanden.
3. De zekerheid wordt vrijgegeven zodra de bevoegde instantie van de lidstaat voor de in de aanvraag opgegeven hoeveelheden het recht op steun heeft erkend.
Indien het recht op steun niet wordt erkend voor de in de aanvraag opgegeven hoeveelheden of voor een deel daarvan, wordt de zekerheid verbeurd naar evenredigheid van de hoeveelheden waarvoor de voorwaarden die recht geven op de steun, niet zijn nagekomen.
De instantie die met de controle op het recht op steun is belast, houdt het betaalorgaan maandelijks op de hoogte van haar werkzaamheden in verband met de erkenning van het recht op steun van ieder erkend bedrijf.
(...)"
11 Artikel 12, lid 1, van verordening nr. 2677/85 preciseert de aard en de modaliteiten van de in artikel 7 van verordening nr. 3089/78 bedoelde controles die moeten waarborgen, dat het product voldoet aan de voorwaarden om voor de aangevraagde steun in aanmerking te komen. Het bepaalt voorts:
"2. In geval van twijfel over de juistheid van de in de steunaanvraag vermelde gegevens schorst de betrokken lidstaat de betaling van de steun voor de hoeveelheid olijfolie waarop de controle betrekking heeft en neemt hij alle nodige maatregelen om te waarborgen dat eventueel ten onrechte uitgekeerde steun wordt teruggevorderd en dat eventuele boetes worden betaald (...)
3. (...)
Het door de betrokken lidstaat geïnde bedrag wordt door de betaaldiensten van die lidstaat in mindering gebracht op de uitgaven van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw."
12 Ten slotte bepaalt artikel 29 van verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwproducten (PB L 205, blz. 5):
"Wanneer de bevoegde autoriteit kennis draagt van de elementen die tot volledige of gedeeltelijke verbeurte van de zekerheid leiden, eist zij onverwijld betaling van betrokkene van het bedrag van de verbeurde zekerheid, welke betaling dient te geschieden binnen een maximumtermijn van 30 dagen te rekenen vanaf de dag waarop de eis tot betaling is gedaan.
Wanneer de betaling niet heeft plaatsgevonden binnen de voorgeschreven termijn moet de bevoegde autoriteit:
(...)
b) onverwijld van de (...) borg betaling eisen (...)"
13 Bij verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 94, blz. 13), is het systeem van communautaire financiering van de interventies ter regulering van de landbouwmarkten ingevoerd. Artikel 3 van deze verordening bepaalt, dat de afdeling Garantie van het EOGFL de interventies ter regulering van de landbouwmarkten financiert, waartoe volgens de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten wordt overgegaan. Luidens artikel 5, lid 2, sub b, van deze verordening keurt de Commissie de rekeningen inzake de uitgaven van de nationale diensten en organen goed aan de hand van de door de lidstaten verstrekte jaarrekeningen, vergezeld van de stukken die nodig zijn voor die goedkeuring.
14 Verordening (EEG) nr. 1723/72 van de Commissie van 26 juli 1972 inzake de goedkeuring van de rekeningen betreffende het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie (PB L 186, blz. 1), bepaalt in artikel 1, lid 3, dat is toegevoegd bij verordening (EEG) nr. 422/86 van de Commissie van 25 februari 1986 (PB L 48, blz. 31):
"Aanvullende inlichtingen kunnen aan de Commissie worden toegezonden tot een uiterste datum die door deze laatste zal worden vastgesteld en waarbij onder meer rekening zal worden gehouden met de omvang van het werk dat nodig is om de betrokken inlichtingen te verstrekken. Wanneer de genoemde inlichtingen niet binnen de vastgestelde termijn worden toegezonden zal de Commissie haar beslissing nemen op grond van de gegevens waarover zij beschikt op de vastgestelde uiterste datum, behoudens indien de te late toezending van de inlichtingen door uitzonderlijke omstandigheden is gerechtvaardigd."
Het geschil
15 In het kader van de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1992 stelde de Commissie vast, dat de Italiaanse autoriteiten de controles veel te laat uitvoerden en nalieten de waarborgen betreffende de ten onrechte uitgekeerde voorschotten verbeurd te verklaren. Derhalve verzocht zij de Italiaanse autoriteiten op 24 september 1993 om toezending van de volgende documenten betreffende de consumptiesteun voor olijfolie uit hoofde van het begrotingsjaar 1992: de lijst van de gedane betalingen, uitgesplitst naar verkoopseizoen en naar onderneming, met vermelding van de desbetreffende hoeveelheden; de lijst van de teruggevorderde bedragen; de lijst van de ondernemingen waartegen een gerechtelijke procedure was ingeleid, en de lijst van de door de Guardia di Finanza gecontroleerde ondernemingen.
16 De bevoegde nationale instantie, Azienda di Stato per gli Interventi nel Mercato Agricolo (hierna: "AIMA"), later gewijzigd in Ente per gli Interventi nel Mercato Agricolo (het Italiaanse interventieorgaan; hierna: "EIMA"), zond in reactie op dat verzoek op 19 november 1993 de volgende documenten toe: de lijst van de gedane betalingen, uitgesplitst naar verkoopseizoen en naar onderneming, met vermelding van de desbetreffende hoeveelheden; de lijst van de teruggevorderde bedragen; de lijst van de ondernemingen waartegen Agecontrol (het nationale orgaan dat belast is met de controle op het recht op steun) en de Guardia di Finanza een procesverbaal van bezwaren hadden opgemaakt; de lijst van de ondernemingen waar Agecontrol de controles niet had kunnen uitvoeren, en de lijst van de ondernemingen die nog door dat orgaan werden gecontroleerd.
17 Bij brief van 29 juli 1994 deelden de diensten van het EOGFL de Italiaanse autoriteiten mee dat zij, op basis van de door dezen in de brief van 19 november 1993 verstrekte gegevens, voor het begrotingsjaar 1992 een negatieve financiële correctie hadden voorgesteld van 17 149 929 372 LIT: het bedrag van de steun die volgens de vaststellingen van Agecontrol ten onrechte was ontvangen.
18 Op 30 september 1994 zonden de Italiaanse autoriteiten een lijst van de bedragen die inmiddels aan hen waren terugbetaald en die naar hun mening op de door de diensten van het EOGFL voorgestelde financiële correctie in mindering moesten worden gebracht.
19 Op basis van artikel 1, lid 3, van verordening nr. 1723/72, volgens hetwelk de Commissie een uiterste datum kan vaststellen voor de toezending van aanvullende inlichtingen door de lidstaten, bepaalde de Commissie in haar beschikking van 13 januari 1995, aan de Italiaanse Republiek ter kennis gebracht op 16 januari daaraanvolgend, dat de lidstaten alle aanvullende inlichtingen die nodig mochten blijken voor de vaststelling van de beschikking tot goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1992, uiterlijk op 28 februari 1995 aan haar moesten doen toekomen.
20 Aangezien de diensten van het EOGFL op die uiterste datum geen andere aanvullende inlichtingen hadden ontvangen dan die welke hun op 30 september 1994 door de Italiaanse autoriteiten waren meegedeeld, lieten zij die autoriteiten bij brief van 15 juni 1995 weten, dat zij op basis van de gevoerde correspondentie en de beschikbare documenten de financiële correctie betreffende de consumptiesteun voor olijfolie voor het begrotingsjaar 1992 hadden vastgesteld op 11 934 331 913 LIT, overeenkomend met de ten onrechte uitgekeerde en nog niet teruggevorderde bedragen. Dit bedrag werd verkregen door de bedragen die volgens de brief van EIMA van 30 september 1994 inmiddels waren teruggevorderd (5 215 597 519 LIT), in mindering te brengen op het totaal van de in de brief van AIMA van 19 november 1993 meegedeelde bedragen (17 149 929 432 LIT).
21 Bij brief van 6 juli 1995 ex artikel 1, lid 1, sub a, van beschikking 94/442/EG van de Commissie van 1 juli 1994 inzake de instelling van een bemiddelingsprocedure in het kader van de goedkeuring van de rekeningen betreffende het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie (PB L 182, blz. 45), deelde de Commissie de Italiaanse autoriteiten formeel mee, dat het bedrag aan uitgaven van 11 934 331 913 LIT dat de Italiaanse Republiek had gedeclareerd uit hoofde van begrotingspost 1220 (steun voor de consumptie van olijfolie), voor het begrotingsjaar 1992 niet in aanmerking kwam voor financiering door het EOGFL, afdeling Garantie.
22 Bij brief van 18 september 1995 legden de Italiaanse autoriteiten die financiële correctie aan het bemiddelingsorgaan voor. Zij betwistten de correctie, onder meer op grond dat bepaalde bedragen inmiddels waren teruggevorderd en aan het EOGFL waren gecrediteerd.
23 In een nota van 9 november 1995 maakte de Commissie haar opmerkingen betreffende het bemiddelingsverzoek kenbaar aan de voorzitter van het bemiddelingsorgaan. Zij betoogde, dat bij de goedkeuring van de rekeningen over het begrotingsjaar 1992 rekening was gehouden met de bedragen die volgens de brief van de Italiaanse autoriteiten van 30 september 1994 op die datum reeds waren teruggevorderd. Zij preciseerde, dat elke latere terugvordering van bedragen ten aanzien waarvan de diensten van het EOGFL voor het begrotingsjaar 1992 financiële correcties hadden toegepast, op de creditzijde van de nationale begroting diende te worden geboekt, daar de diensten van het EOGFL niet over de noodzakelijke middelen beschikten om dit werk in de plaats van de boekhoudkundige diensten van AIMA te doen.
24 Bij brief van 17 januari 1996 deelde de Commissie de Italiaanse autoriteiten mee, dat zij bereid was voor het begrotingsjaar 1995 rekening te houden met de bedragen die, hoewel ten aanzien daarvan voor de jaren 1991 en 1992 financiële correcties waren toegepast, inmiddels door AIMA waren teruggevorderd en vóór 15 oktober 1995 aan het EOGFL waren overgeboekt. Tot slot preciseerde zij:
- dat de gevraagde informatie en stukken uiterlijk op 29 februari 1996 aan de diensten van het EOGFL moesten worden toegestuurd;
- dat indien de gevraagde preciseringen en bewijzen niet werden verstrekt, of indien deze ontoereikend zouden blijken te zijn om de diensten van het EOGFL in staat te stellen, zich ervan te vergewissen dat de betrokken bedragen daadwerkelijk aan het Fonds waren overgeboekt, die bedragen niet in aanmerking zouden kunnen worden genomen;
- dat elke andere terugvordering van bedragen ten aanzien waarvan voor de begrotingsjaren 1991 en 1992 financiële correcties waren toegepast, op de creditzijde van de nationale begroting moest worden geboekt, daar de diensten van het EOGFL niet meer bereid waren, dit werk in de plaats van de boekhoudkundige dienst van AIMA te doen.
25 Het bemiddelingsorgaan bracht op 19 januari 1996 zijn eindrapport in zaak 95/IT/021 uit, waarin het in herinnering bracht dat de diensten van de Commissie zich bereid hadden verklaard, rekening te houden met de bedragen die vóór 15 oktober 1995 aan het EOGFL waren overgeboekt, en verzocht partijen om het overleg voort te zetten teneinde samen een oplossing te vinden voor de vragen die nog onbeslist waren.
26 De Italiaanse autoriteiten lieten de Commissie op 29 februari 1996 weten, dat wegens de ingewikkelde boekhoudkundige berekeningen en controles die moesten worden uitgevoerd, de in de brief van 17 januari 1996 aangegeven datum van 29 februari 1996 voor hen niet haalbaar was, en zij vroegen om verlenging van de termijn tot en met 31 maart 1996.
27 Bij brief van 11 maart 1996 stond de Commissie de gevraagde termijnverlenging toe, waarbij zij echter preciseerde dat na 31 maart 1996 overgelegde documenten in geen geval in aanmerking zouden worden genomen.
28 De Commissie stelt, dat zij vervolgens verscheidene versies van een faxbericht van de Italiaanse autoriteiten van 29 maart 1996 ontving, waaruit bleek dat slechts voor bepaalde bedragen kon worden aangegeven, op welke datum het EOGFL daarvoor was gecrediteerd.
29 Bij schrijven van 2 mei 1996 lieten de diensten van het EOGFL weten, dat op basis van de meegedeelde gegevens in het kader van het begrotingsjaar 1995 ten gunste van Italië een positieve financiële correctie van 743 129 209 LIT, betreffende zes dossiers, in aanmerking zou worden genomen, zodra de diensten van de Commissie zich ervan hadden vergewist, dat het EOGFL daadwerkelijk voor de betrokken bedragen was gecrediteerd.
30 Op 20 november 1996 stelde de Commissie de bestreden beschikking vast, waarin zij op basis van de gegevens die vóór 28 februari 1995 - de in haar beschikking van 13 januari 1995 vastgestelde uiterste datum - waren meegedeeld, voor het begrotingsjaar 1992 een financiële correctie van 11 934 331 913 LIT betreffende steun voor de consumptie van olijfolie toepaste, zoals vermeld in punt 4.7.3.1 van het syntheseverslag over de resultaten van de controles voor de goedkeuring van de rekeningen betreffende het EOGFL, afdeling Garantie (document VI/6355/95 def. van de Commissie van 27 maart 1996).
31 Met haar beroep van 11 februari 1997 vordert de Italiaanse Republiek gedeeltelijke nietigverklaring van die beschikking, meer bepaald van het op voormelde financiële correctie betrekking hebbende gedeelte ervan.
Het beroep
32 De Italiaanse regering is het niet eens met de verklaring in punt 4.7.3.1 van het syntheseverslag van de Commissie, dat de financiële correctie van 11 934 331 913 LIT betrekking heeft op 82 dossiers inzake consumptiesteun voor olijfolie, die ten onrechte aan Italiaanse ondernemingen is uitgekeerd, niet langer door geldige zekerheden wordt gedekt en nog niet door de nationale autoriteiten van die ondernemingen is teruggevorderd. Anders dan de Commissie stelt, zijn volgens de Italiaanse regering in de bedoelde gevallen de uitgekeerde steunvoorschotten ofwel reeds teruggevorderd en overgeboekt aan het EOGFL, ofwel nog steeds door waarborgen gedekt, aangezien AIMA steeds heeft gehandeld met inachtneming van de in artikel 11 van verordening nr. 2677/85 vervatte bepalingen inzake waarborgen. Dit betekent volgens de Italiaanse regering, dat de litigieuze bedragen in overeenstemming met de in de betrokken sector vastgestelde voorschriften zijn uitgekeerd en overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 729/70 door de Commissie ten laste van het EOGFL hadden moeten worden gebracht.
33 Het eerste middel van de Italiaanse regering bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft de ondernemingen waarop 7 van de 82 in het syntheseverslag bedoelde dossiers betrekking hebben. Volgens de Italiaanse regering zijn de bedragen die deze ondernemingen bij wijze van voorschot op de consumptiesteun voor olijfolie hebben ontvangen, anders dan de Commissie stelt, reeds door de nationale autoriteiten teruggevorderd om aan het EOGFL te worden overgeboekt. Het zou hierbij gaan om de volgende bedragen: 75 808 299 LIT voor de onderneming Valdolio; 37 632 125 LIT voor de onderneming P. I. O.; 533 877 675 LIT voor de onderneming Certo C.; 90 938 022 LIT voor de onderneming Ol. F.lli di Sensi (die zouden zijn teruggevorderd op een steunbedrag van in totaal 177 863 937 LIT); 119 593 700 LIT voor de onderneming Perilli; 55 989 901 LIT voor de onderneming Vizzari, en 7 923 300 LIT + 52 130 522 LIT voor de onderneming Ol. Albanese.
34 Gelijk de advocaat-generaal in punt 36 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft de Italiaanse regering ter terechtzitting met betrekking tot vier van deze ondernemingen, te weten Valdolio, Ol. F.lli di Sensi, Vizzari en Ol. Albanese, erkend dat het beroep zonder voorwerp is geraakt, daar de in het kader van het beroep betwiste bedragen door de Commissie in aanmerking zijn genomen voor het begrotingsjaar 1995. Derhalve zijn enkel nog in geschil de voorschotten die zijn uitgekeerd aan de drie overige door de Italiaanse regering genoemde ondernemingen, te weten P. I. O., Certo C. en Perilli.
35 De Commissie heeft geweigerd die voorschotten voor het begrotingsjaar 1992 als ten laste van het EOGFL te erkennen, aangezien de op genoemde voorschotten betrekking hebbende stukken niet waren overgelegd vóór 28 februari 1995, de datum die overeenkomstig artikel 1, lid 3, van verordening nr. 1723/72 als uiterste datum voor de indiening van de bewijsstukken was vastgesteld.
36 De Commissie stelt bovendien, dat de door de Italiaanse autoriteiten na 28 februari 1995 toegezonden gegevens betreffende de ondernemingen P. I. O., Certo C. en Perilli onduidelijkheden en tegenstrijdigheden vertoonden wat de verstrekte cijfers betreft, zodat zij niet kon vaststellen, dat overboeking had plaatsgevonden, noch een positieve correctie ten gunste van Italië kon toepassen bij de goedkeuring van de rekeningen over de volgende begrotingsjaren. De Italiaanse regering heeft het bestaan van tegenstrijdigheden of onduidelijkheden in de stukken betreffende de ondernemingen P. I. O., Certo C. en Perilli betwist. Zij heeft echter geen bewijzen aangedragen op grond waarvan de juistheid van de door de Commissie bereikte conclusies en van de juridische consequenties die deze daaraan heeft verbonden, in twijfel zou moeten worden getrokken.
37 Vaststaat dat de Commissie in casu de in artikel 1, lid 3, van verordening nr. 1723/72 bedoelde uiterste datum had bepaald op 28 februari 1995. Nu de Italiaanse regering geen uitzonderlijke omstandigheden heeft aangevoerd, moeten de na die datum verstrekte aanvullende inlichtingen bijgevolg als tardief worden beschouwd (zie in dezelfde zin, met betrekking tot de mededeling van gegevens na het verstrijken van de vastgestelde termijn zonder dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, arresten van 8 januari 1992, Italië/Commissie, C-197/90, Jurispr. blz. I-1, punt 9; 22 juni 1993, Duitsland/Commissie, C-54/91, Jurispr. blz. I-3399, punt 14, en 3 oktober 1996, Duitsland/Commissie, C-41/94, Jurispr. blz. I-4733, punt 23).
38 Het eerste onderdeel van het middel inzake de niet-inaanmerkingneming van de door de Italiaanse autoriteiten voor het begrotingsjaar 1992 verstrekte gegevens, betreffende de ondernemingen Valdolio, P. I. O., Certo C., Ol. F.lli di Sensi, Perilli, Vizzari en Ol. Albanese, moet mitsdien worden afgewezen.
39 Het tweede onderdeel van het eerste middel van de Italiaanse regering heeft betrekking op het bedrag van 32 113 434 LIT dat de onderneming Luccisano bij wijze van voorschot op de consumptiesteun voor olijfolie heeft ontvangen. Volgens de Italiaanse regering moest dit bedrag voor het begrotingsjaar 1992 ten laste van het EOGFL worden gebracht, daar het met andere schuldvorderingen was verrekend.
40 De Commissie betoogt, dat uit de documenten die de bevoegde nationale instantie vóór 28 februari 1995 met betrekking tot de onderneming Luccisano had toegezonden, niet kon worden opgemaakt, dat het gedeclareerde bedrag aan het EOGFL was overgeboekt. Zij preciseert, dat haar pas in de brief van de Italiaanse autoriteiten van 18 september 1995 werd meegedeeld, dat die onderneming had verzocht om de terug te betalen steun met opeisbare schuldvorderingen te verrekenen, en dat die verrekening zelf eerst ingevolge een besluit van 15 december 1995 heeft plaatsgevonden. De Commissie merkt bovendien op, dat zij de inlichtingen die werden verstrekt na het verstrijken van de termijn waarbinnen de bewijsstukken betreffende het begrotingsjaar 1992 moesten worden toegezonden, in aanmerking heeft genomen voor het begrotingsjaar 1995, althans voor zover die inlichtingen haar hadden bereikt vóór 15 oktober 1995, de uiterste datum voor de toezending van de bewijsstukken betreffende het begrotingsjaar 1995.
41 Gelijk in punt 37 van dit arrest reeds is vastgesteld, hebben de Italiaanse autoriteiten de betrokken documenten na het verstrijken van de door de Commissie bepaalde termijn aan deze instelling toegezonden en heeft de Italiaanse regering geen uitzonderlijke omstandigheden aangevoerd die deze vertraging kunnen rechtvaardigen.
42 Mitsdien moet ook het tweede onderdeel van het middel inzake de niet-inaanmerkingneming van de door de Italiaanse autoriteiten voor het begrotingsjaar 1992 verstrekte inlichtingen, betreffende de onderneming Luccisano, worden afgewezen.
43 Het tweede middel van de Italiaanse regering betreft het aan de vennootschap Valle Picentino uitgekeerde steunvoorschot van 175 839 700 LIT. De Italiaanse regering betoogt, dat de oorspronkelijk door die vennootschap gestelde zekerheid terecht door AIMA is vrijgegeven op basis van de door Agecontrol verstrekte gegevens. Zij is het dan ook niet eens met de bewering van de Commissie, dat die handelwijze in strijd was met artikel 11, lid 3, van verordening nr. 2677/85.
44 Dienaangaande moet worden gepreciseerd, dat de Italiaanse regering in eerste instantie in haar schriftelijke opmerkingen had verwezen naar een rapport van Agecontrol van 8 november 1990, waarin werd vastgesteld dat er geen onregelmatigheden of tekortkomingen waren die een beletsel vormden voor de vrijgifte van de zekerheid of de toekenning van de gevraagde voorschotten. Daaruit had zij afgeleid, dat de zekerheid was vrijgegeven overeenkomstig artikel 11, lid 3, van verordening nr. 2677/85.
45 Ter terechtzitting heeft de Italiaanse regering haar standpunt herzien en erkend, dat niet het rapport van Agecontrol van 1990 betreffende het verkoopseizoen voor olijfolie 1988/1989 relevant was, maar het rapport van 26 januari 1993 betreffende het verkoopseizoen 1991/1992. Zij betoogt dat Agecontrol in laatstgenoemd rapport uitsluitend met betrekking tot een bedrag van 759 300 LIT onregelmatigheden heeft vastgesteld, terwijl het voor het resterende bedrag enkel een vermoeden van fraude heeft geuit. Zij merkt op, dat AIMA dit rapport van Agecontrol had ontvangen nadat de oorspronkelijk gestelde zekerheid was vrijgegeven, daar de minimale geldigheidsduur van die zekerheid, die volgens artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2677/85 zes maanden bedraagt, was verstreken.
46 Ten slotte heeft de Italiaanse regering ook aangevoerd, dat in september 1993, toen tegen de vertegenwoordigers van de vennootschap Valle Picentino een strafrechtelijke procedure aanhangig werd gemaakt omdat de Guardia di Finanza vermoedde, dat in totaal meer dan 7 miljard LIT aan steun ten onrechte aan deze onderneming was uitbetaald, op verzoek van AIMA nieuwe zekerheden werden gesteld. Het door de diensten van het EOGFL gevorderde bedrag van 175 839 700 LIT zou bijgevolg nog altijd door een waarborg zijn gedekt, daar deze schuldvordering begrepen zou zijn in de vordering die wordt gedekt door de hypotheek op de onroerende zaken van de vennootschap voor een bedrag van 5 900 000 000 LIT, en door de bankgarantie voor een aanvullend bedrag van 1 531 926 352 LIT. De Italiaanse regering concludeert dan ook, dat de bevoegde nationale instantie de voorschriften van verordening nr. 2677/85 in acht heeft genomen.
47 De Commissie betoogt, dat volgens artikel 11, lid 3, van verordening nr. 2677/85 de zekerheid enkel kan worden vrijgegeven, indien de bevoegde nationale autoriteiten het bestaan van een recht op steun hebben erkend. Blijkens het rapport van Agecontrol van 1993 nu bestonden er ernstige twijfels omtrent de regelmatigheid van de praktijken van de onderneming. In het rapport spreekt Agecontrol in het bijzonder van vermoedens van fraude in de vorm van fictieve aankopen van olijfolie. Volgens de Commissie had AIMA bij ontvangst van een dergelijk rapport om een aanvullend onderzoek moeten vragen en het vrijgeven van de zekerheid moeten opschorten; zij had de erkenning van het recht op steun - volgens artikel 11, lid 3, van verordening nr. 2677/85 een noodzakelijke voorwaarde voor het vrijgeven van de zekerheden - achterwege moeten laten. De oorspronkelijk gestelde zekerheid had dus niet mogen worden vrijgegeven en de omstandigheid dat in een later stadium nieuwe zekerheden zijn gesteld, kan in geen enkel opzicht aan deze conclusie afdoen.
48 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat overeenkomstig het algemene beginsel van artikel 8 van verordening nr. 3089/78 de steun slechts kan worden uitbetaald, wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de verpakking van de olijfolie plaatsvindt, hebben vastgesteld dat voldaan is aan de voorwaarden voor de toekenning van de steun. Volgens artikel 11, lid 1, van verordening nr. 2677/85 kan het steunbedrag evenwel worden voorgeschoten wanneer tegelijk met de steunaanvraag een verklaring wordt overgelegd waaruit blijkt, dat een met dat bedrag overeenkomende zekerheid is gesteld. Uit artikel 11, lid 3, van dezelfde verordening blijkt, dat indien de bevoegde nationale instantie op basis van de inlichtingen betreffende de erkenning van een dergelijk recht van ieder erkend bedrijf, die het met de controle op het recht op steun belaste nationale orgaan heeft verstrekt, onregelmatigheden vaststelt, het recht op steun niet kan worden erkend en de zekerheid verbeurd wordt verklaard naar evenredigheid van de hoeveelheden waarvoor de voorwaarden die recht geven op de steun, niet zijn nagekomen.
49 In casu moet worden vastgesteld, dat de Commissie terecht heeft geconcludeerd, dat de oorspronkelijk door deze onderneming gestelde zekerheid wegens het bestaan van ernstige twijfels omtrent de regelmatigheid van de praktijken van de onderneming Valle Picentino door de bevoegde nationale autoriteiten niet had mogen worden vrijgeven.
50 Bovendien doet, zoals de advocaat-generaal in punt 51 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de omstandigheid dat na het vrijgeven van de oorspronkelijk gestelde zekerheid nieuwe zekerheden zijn gesteld, niet af aan de schending van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 2677/85 door de Italiaanse autoriteiten. Ingevolge deze bepaling moeten namelijk de uitgekeerde steunvoorschotten door een waarborg gedekt blijven zolang het recht op de steun voor de consumptie van olijfolie niet is erkend.
51 Het middel waarmee wordt betoogd, dat het besluit om de oorspronkelijk door de vennootschap Valle Picentino gestelde zekerheid vrij te geven, niet in strijd was met de bepalingen van verordening nr. 2677/85, moet bijgevolg worden afgewezen.
52 Met haar derde middel bestrijdt de Italiaanse regering het oordeel van de Commissie, dat een totaalbedrag van 8 530 112 463 LIT aan voorschotten op de steun voor de consumptie van olijfolie, die ten onrechte aan dertig ondernemingen zouden zijn uitbetaald, niet ten laste van het EOGFL zou dienen te komen. De Italiaanse regering voert aan, dat de procedures inzake de terugvordering van de betrokken bedragen nog niet waren beëindigd en dat de voorgeschoten steunbedragen nog steeds door zekerheden werden gedekt. Zij heeft zich het recht voorbehouden, het bestaan van die zekerheden aan te tonen, doch heeft ter zake geen enkel bewijs aangedragen.
53 De Commissie betoogt, dat de financiële correctie betreffende genoemd bedrag wettig was, aangezien de Italiaanse regering zelf heeft erkend dat het bedrag nog niet was teruggevorderd, en zij, ook in het kader van haar beroep tot nietigverklaring, niet in staat is geweest het bewijs van het bestaan van de door haar genoemde zekerheden te leveren. Overigens hadden die zekerheden volgens de Commissie overeenkomstig artikel 11, lid 3, van verordening nr. 2677/85 door de bevoegde nationale autoriteiten verbeurd moeten worden verklaard.
54 Dienaangaande moet worden herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof betreffende de verdeling van de bewijslast in het kader van een door een lidstaat ingesteld beroep tot nietigverklaring van een beschikking van de Commissie op het gebied van de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen.
55 Wanneer de Commissie weigert bepaalde uitgaven ten laste van het EOGFL te brengen, op grond dat deze het gevolg waren van aan een lidstaat toe te rekenen overtredingen van communautaire voorschriften, moet deze lidstaat bewijzen, dat voldaan is aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de geweigerde financiering (zie arresten van 24 maart 1988, Verenigd Koninkrijk/Commissie, 347/85, Jurispr. blz. 1749, punt 14, en 10 november 1993, Nederland/Commissie, C-48/91, Jurispr. blz. I-5611, punt 16). De Commissie behoeft de onregelmatigheid van de door de lidstaten toegezonden gegevens niet aan te tonen; zij behoeft enkel een bewijs te leveren voor de ernstige en gerede twijfels die zij koestert. Deze verlichting van de bewijslast voor de Commissie is te verklaren door het feit dat de lidstaat zelf het best in staat is de voor de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen benodigde gegevens te verzamelen en te verifiëren, zodat dus de lidstaat zo gedetailleerd en volledig mogelijk dient te bewijzen dat zijn cijfers juist zijn en, in voorkomend geval, de berekeningen van de Commissie onjuist (arrest Nederland/Commissie, reeds aangehaald, punt 17). In geval van betwisting staat het aan de Commissie, aan te tonen dat de voorschriften van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten zijn overtreden. Wanneer de Commissie een dergelijke schending heeft vastgesteld, dient de lidstaat in voorkomend geval aan te tonen, dat de Commissie een vergissing heeft begaan met betrekking tot de aan die schending te verbinden financiële consequenties (arrest van 19 februari 1991, Italië/Commissie, C-281/89, Jurispr. blz. I-347, punt 19, en arrest Nederland/Commissie, reeds aangehaald, punt 18).
56 In casu heeft de Italiaanse regering erkend, dat de betrokken steunbedragen nog niet waren teruggevorderd, aangezien de procedures nog niet waren beëindigd. Bovendien heeft zij gesteld dat er zekerheden bestaan die hun geldigheid nog niet hebben verloren, zonder dat zij dit bestaan heeft bewezen. De Italiaanse regering heeft derhalve niet aangetoond, dat de Commissie een vergissing heeft begaan door zich op het standpunt te stellen, dat de steunbedragen ten onrechte waren uitgekeerd, zodat haar derde middel moet worden afgewezen.
57 Het laatste middel van de Italiaanse regering betreft het aan de onderneming Caruso Rosa uitgekeerde steunvoorschot ten bedrage van 98 827 000 LIT. De Italiaanse regering betoogt, dat het vrijgeven van de door die onderneming gestelde zekerheden in overeenstemming was met de voorschriften van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 2677/85. In zijn rapport van 26 april 1993 zou Agecontrol weliswaar met betrekking tot die onderneming onregelmatigheden hebben vastgesteld, maar er niet in zijn geslaagd, het precieze bedrag van de ten onrechte ontvangen steun te bepalen. Bij ontbreken van exacte gegevens hadden de nationale autoriteiten verbeurdverklaring van de betrokken zekerheden niet mogelijk geacht, zodat deze waren vrijgegeven. Bovendien hadden de door de Guardia di Finanza ingestelde aanvullende onderzoeken geen nieuwe feiten aan het licht gebracht, zodat de door de Commissie voorgestane verlenging van de zekerheid zinloos was geweest.
58 De Commissie brengt hiertegen in, dat zolang de controles niet waren afgerond, de zekerheden niet hadden mogen worden vrijgegeven, en dat de Italiaanse autoriteiten overeenkomstig artikel 12, lid 2, van verordening nr. 2677/85 de geldigheidsduur van de zekerheden hadden moeten verlengen.
59 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat uit artikel 11, lid 3, van verordening nr. 2677/85 volgt, dat wanneer er ernstig twijfel bestaat omtrent de regelmatigheid van de praktijken van een onderneming die steun voor de consumptie van olijfolie heeft aangevraagd, niet is voldaan aan de voorwaarden waarvan het recht op steun afhankelijk is gesteld, en de zekerheid die de onderneming heeft gesteld om voor het voorschot in aanmerking te komen, niet kan worden vrijgegeven.
60 Het middel volgens hetwelk de door de Commissie toegepaste correctie, voor zover betrekking hebbend op het door de onderneming Caruso Rosa ontvangen bedrag, onjuist was, moet mitsdien worden afgewezen.
61 Gelet op alle voorgaande overwegingen moet het beroep van de Italiaanse Republiek derhalve in zijn geheel worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
62 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer)
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst de Italiaanse Republiek in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy