Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Ambtenaren - Vergoeding van kosten - Inrichtingsvergoeding - Voorwerp - Ambtenaar die bij gemeenschapsinstelling gedetacheerd nationaal deskundige is geweest
(Ambtenarenstatuut, bijlage VII, art. 5, leden 1 en 3, tweede alinea)
Samenvatting
Uit artikel 5, leden 1 en 3, tweede alinea, van bijlage VII bij het Statuut blijkt, dat de forfaitaire en ondeelbare inrichtingsvergoeding automatisch aan de ambtenaar verschuldigd is bij zijn aanstelling in vaste dienst, op voorwaarde dat hij recht heeft op de ontheemdingstoelage en dat vaststaat dat hij zich in zijn standplaats heeft ingericht, zonder dat de belanghebbende in dit verband het bestaan van daadwerkelijke uitgaven moet aantonen.
De inrichtingsvergoeding heeft immers tot doel, de onvermijdelijke lasten te compenseren die voor de betrokkene voortvloeien uit de overgang van een onzekere situatie, in de regel die van ambtenaar op proef, naar de stabiele situatie van ambtenaar in vaste dienst, die vereist dat de betrokkene zich inspant om zich voor een onbepaalde maar langere periode in zijn standplaats te integreren. Die vergoeding is echter verschuldigd los van het feit, dat de ambtenaar in vaste dienst meestal op dezelfde plaats als tevoren gevestigd blijft. Dat is ook de reden waarom op het moment waarop een ambtenaar wordt aangesteld in vaste dienst en de inrichtingsvergoeding ontvangt, er een einde komt aan de eventuele betaling van de dagvergoeding, die de nadelen verbonden aan de onzekere situatie van een ambtenaar op proef beoogt te compenseren.
Partijen
In zaak C-62/97 P,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Currall, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door D. Waelbroeck, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Tweede kamer) van 12 december 1996, Lozano Palacios/Commissie (T-33/95, JurAmbt. blz. II-1535), en strekkende tot vernietiging van dat arrest, andere partij bij de procedure: M. L. Lozano Palacios, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue de Cessange 30,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vierde kamer),
samengesteld als volgt: H. Ragnemalm, kamerpresident, P. J. G. Kapteyn en K. M. Ioannou (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 januari 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 12 februari 1997, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van de Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 12 december 1996, Lozano Palacios/Commissie (T-33/95, JurAmbt. blz. II-1535; hierna: "bestreden arrest"), voor zover daarbij is geoordeeld, dat Lozano Palacios, door het enkele feit dat zij de ontheemdingstoelage genoot, recht had op de in artikel 5, lid 1, eerste alinea, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut bedoelde inrichtingsvergoeding.
De feiten en het procesverloop voor het Gerecht
2 Blijkens het bestreden arrest was Lozano Palacios, van Spaanse nationaliteit, ambtenaar bij het Spaanse Ministerie van Sociale zaken, toen zij voor een periode van twee jaar, van 1 mei 1991 tot en met 30 april 1993, bij de Commissie werd gedetacheerd, overeenkomstig besluit PEE/894/88 van de Commissie van 26 juli 1988 tot vaststelling van de regeling van toepassing op de bij de diensten van de Commissie gedetacheerde nationale deskundigen (hierna: "regeling GND"). Later werd haar detachering verlengd tot en met 15 februari 1994.
3 Tijdens haar detachering werd verweerster in hogere voorziening verder betaald door het Spaanse Ministerie van Sociale zaken en bleef zij haar fiscale verplichtingen in Spanje vervullen. Overeenkomstig artikel 7, lid 7, van de regeling GND was zij echter verplicht in haar standplaats te verblijven. Zij woonde dus te Brussel, waar zij een flat huurde.
4 Verweerster in hogere voorziening werd in juni 1993 ingeschreven op de lijst van geschikte kandidaten, opgesteld na algemeen vergelijkend onderzoek COM/A/757. Op 10 maart 1994 werd zij per 16 februari 1994 aangesteld als ambtenaar op proef bij de Commissie, met standplaats Brussel.
5 Bij besluit van 12 april 1994 wees de Commissie Brussel aan als plaats van aanwerving en van herkomst van verweerster in hogere voorziening, en weigerde zij haar bijgevolg de in artikel 5, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut bedoelde inrichtingsvergoeding, de in de artikelen 7, lid 1, sub a, en 8, lid 1, van die bijlage bedoelde vergoeding van de reiskosten, de in artikel 9, lid 1, ervan bedoelde vergoeding van de verhuiskosten, en de in artikel 10, lid 1, bedoelde dagvergoeding. De in artikel 4, lid 1, van bijlage VII bedoelde ontheemdingstoelage werd haar wel toegekend.
6 Verweerster in hogere voorziening diende krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in tegen dat besluit. Zij verlangde, dat Madrid zou worden aangewezen als haar plaats van aanwerving en Albacete (Spanje) als centrum van haar belangen, in de zin van artikel 7, lid 3, van bijlage VII, en dat haar dus de inrichtingsvergoeding, de dagvergoeding en de vergoeding van de verhuis- en reiskosten zouden worden toegekend.
7 Bij besluit van 11 november 1994 (hierna: "omstreden besluit") wees de Commissie die klacht uitdrukkelijk af.
8 Bij besluit van 7 februari 1995, dat terugwerkende kracht had tot 16 februari 1994, wees de Commissie Albacete, de woonplaats van haar ouders, aan als plaats van herkomst van verweerster in hogere voorziening.
9 Bij besluit van de Commissie van 8 december 1994 werd verweerster in hogere voorziening met ingang van 16 november 1994 aangesteld in vaste dienst.
10 Op 16 februari 1995 stelde verweerster in hogere voorziening bij het Gerecht beroep in tegen het omstreden besluit.
Het bestreden arrest
11 In het bestreden arrest overwoog het Gerecht, dat betrokkene bij haar aanwerving door de Commissie geen andere woonplaats had dan Brussel. Het bevestigde derhalve het omstreden besluit, waarbij Brussel als haar plaats van aanwerving was aangewezen, en verwierp haar verzoeken tot toekenning van de dagvergoeding (punten 52-55 van het bestreden arrest), vergoeding van de verhuiskosten (punt 71 van het bestreden arrest) en de reiskosten (punt 76 van het bestreden arrest).
12 Het Gerecht verklaarde het omstreden besluit daarentegen nietig, voor zover daarbij was geweigerd betrokkene de in artikel 5, lid 1, eerste alinea, van bijlage VII bij het Statuut bedoelde inrichtingsvergoeding toe te kennen (punt 66 van het bestreden arrest). Dat artikel bepaalt:
"1. De ambtenaar in vaste dienst die voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van de ontheemdingstoelage, of die aantoont verplicht te zijn geweest van woonplaats te veranderen teneinde de in artikel 20 van het Statuut vermelde verplichtingen na te komen, heeft recht op een inrichtingsvergoeding ten bedrage van twee maanden basissalaris indien hij recht heeft op de kostwinnerstoelage en van één maand basissalaris indien dit niet het geval is.
(...)
2. De inrichtingsvergoeding wordt eveneens uitbetaald aan de ambtenaar die in een andere standplaats wordt tewerkgesteld en daardoor genoodzaakt is van woonplaats te veranderen teneinde de in artikel 20 van het Statuut vermelde verplichting na te komen.
3. De inrichtingsvergoeding wordt berekend volgens de burgerlijke staat en het salaris van de ambtenaar op het tijdstip van aanstelling in vaste dienst of van tewerkstelling in de nieuwe standplaats.
De inrichtingsvergoeding wordt uitbetaald na overlegging van bewijsstukken waaruit blijkt dat de ambtenaar zich (...) in zijn standplaats heeft gevestigd."
13 Het Gerecht overwoog, dat volgens artikel 5, lid 1, eerste alinea, van bijlage VII bij het Statuut een ambtenaar recht heeft op de inrichtingsvergoeding wanneer hij een van de twee navolgende voorwaarden vervult: voldoen aan de voorwaarden voor toekenning van de ontheemdingstoelage, ofwel aantonen verplicht te zijn geweest van woonplaats te veranderen teneinde de in artikel 20 van het Statuut vermelde verplichtingen na te komen (punt 58 van het bestreden arrest).
14 Na eraan te hebben herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de inrichtingsvergoeding onder meer beoogt de lasten te compenseren die het gevolg zijn van het feit dat een ambtenaar door zijn aanstelling in vaste dienst van een onzeker statuut overgaat naar een definitief statuut en derhalve in staat moet zijn, voor een onbepaalde maar langere periode blijvend in zijn standplaats te wonen en zich aldaar te integreren (arrest van 9 november 1978, Verhaaf/Commissie, 140/77, Jurispr. blz. 2117, punt 18), en na erop te hebben gewezen, dat de belanghebbende in casu de ontheemdingstoelage ontving, kwam het Gerecht tot de slotsom, dat uit de bewoordingen zelf van artikel 5, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut voortvloeide, dat zij recht had op de inrichtingsvergoeding (punten 61, 63 en 64 van het bestreden arrest).
15 Het Gerecht verwierp het argument van de Commissie, dat de ambtenaar, om dit recht te genieten, bovendien moest aantonen dat hij verplicht was geweest van woonplaats te veranderen, want dat zou ertoe leiden, dat het door de gemeenschapswetgever in die bepaling neergelegde alternatief tot een enkel geval werd beperkt (punt 61 van het bestreden arrest).
16 Het Gerecht verwierp ook het argument van de Commissie, dat de belanghebbende, om de inrichtingsvergoeding te verkrijgen, bovendien het bestaan van "echte kosten" moest aantonen. Het wees erop, dat artikel 5, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut voorziet in een forfaitaire uitkering, en dat wanneer vaststaat dat de ambtenaar zich heeft ingericht, hij niet het bestaan van daadwerkelijke uitgaven moet aantonen (punt 62 van het bestreden arrest).
De hogere voorziening
17 In hogere voorziening betoogt de Commissie, dat het Gerecht artikel 5, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut, betreffende de voorwaarden voor toekenning van de inrichtingsvergoeding, verkeerd heeft uitgelegd.
18 Dienaangaande wijst zij in de eerste plaats op het kader waarin genoemde bepaling moet worden gelezen, en betoogt zij, dat artikel 71 van het Statuut, dat naar bijlage VII verwijst, voorziet in het recht van de ambtenaar "op vergoeding van de kosten door hem gemaakt bij indiensttreding". Voorts omvat afdeling 3 van bijlage VII bij het Statuut, getiteld "Vergoeding van kosten", ook de inrichtingsvergoeding. Evenals de andere in die afdeling 3 vermelde vergoedingen, zou deze dus bestemd zijn om daadwerkelijk gedane of mogelijke uitgaven te dekken. Alleen deze uitlegging zou verenigbaar zijn met het verbod van ongegronde verrijking en met de verplichting tot goed beheer van de openbare middelen.
19 In de tweede plaats zou ook het doel van de inrichtingsvergoeding voor die uitlegging pleiten. Volgens vaste rechtspraak bestaat dat doel erin, "de ambtenaar in staat te stellen de onvermijdelijke lasten te dragen die het gevolg zijn van zijn integratie gedurende een onbepaalde maar langere periode in een nieuwe omgeving" (arrest Verhaaf/Commissie, reeds aangehaald). Verweerster in hogere voorziening zou zich echter reeds bijna drie jaar vóór haar aanstelling als ambtenaar op proef te Brussel hebben ingericht en dus reeds in haar standplaats zijn geïntegreerd.
Beoordeling door het Hof
20 Zoals de advocaat-generaal in punt 13 van zijn conclusie terecht heeft opgemerkt, blijkt duidelijk uit de letter van artikel 5, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut, dat de inrichtingsvergoeding verschuldigd is aan de ambtenaar die voldoet aan de voorwaarden om de ontheemdingstoelage te ontvangen.
21 De forfaitaire en ondeelbare inrichtingsvergoeding is dus automatisch aan de ambtenaar verschuldigd bij zijn aanstelling in vaste dienst, op voorwaarde dat hij recht heeft op de ontheemdingstoelage en dat vaststaat dat hij zich in zijn standplaats heeft ingericht, zonder dat de belanghebbende in dit verband het bestaan van daadwerkelijke uitgaven moet aantonen. Dit volgt onbetwistbaar ook uit artikel 5, lid 3, tweede alinea, van bijlage VII bij het Statuut.
22 Deze uitlegging wordt bevestigd door het doel van de inrichtingsvergoeding, te weten de onvermijdelijke lasten te compenseren die voor de betrokkene voortvloeien uit de overgang van een onzekere situatie, in de regel die van ambtenaar op proef, naar de stabiele situatie van ambtenaar in vaste dienst, die vereist dat de betrokkene zich inspant om zich voor een onbepaalde maar langere periode in zijn standplaats te integreren. Die vergoeding is echter verschuldigd los van het feit, dat de ambtenaar in vaste dienst meestal op dezelfde plaats als tevoren gevestigd blijft. Dat is ook de reden waarom op het moment waarop een ambtenaar wordt aangesteld in vaste dienst en de inrichtingsvergoeding ontvangt, er een einde komt aan de eventuele betaling van de dagvergoeding, die de nadelen verbonden aan de onzekere situatie van een ambtenaar op proef beoogt te compenseren.
23 Uit een en ander volgt, dat het Gerecht op goede gronden heeft geoordeeld, dat de inrichtingsvergoeding aan verweerster in hogere voorziening verschuldigd was. De hogere voorziening moet dus worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
24 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van toepassing is op de procedure van hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst de Commissie in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy