Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Openbare aanbestedingen van de Europese Gemeenschappen - Arbitragebeding houdende bevoegdverklaring Hof - Eenzijdige opzegging krachtens bedingen van overeenkomst - Verzoek om teruggave van voorschotten en betaling van schadevergoeding
(EG-Verdrag, art. 181)
Partijen
In zaak C-65/97,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Stancanelli, lid van haar juridische dienst, en J.-F. Pasquier, bij die dienst gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat te Vicenza, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
verzoekster,
tegen
Cascina Laura Sas di arch. Aldo Delbò e C., in gedwongen administratieve vereffening, gevestigd te Casaleggio Novara (Italië), in de persoon van haar voorlopige wettelijke vertegenwoordiger,
en
Gariboldi Engineering Company Srl, in liquidatie, gevestigd te Milaan (Italië), in de persoon van haar vereffenaar E. Dallarosa, vertegenwoordigd door A. Croze, R. Radice en C. Ravelli, advocaten te Milaan,
verweersters,
betreffende een beroep, ingesteld krachtens artikel 181 EG-Verdrag en strekkende tot verkrijging van terugbetaling van de bedragen die zijn betaald in het kader van overeenkomst nr. BM 5/89 IT, die door verzoekster wegens niet-uitvoering door verweersters is opgezegd,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Derde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet (rapporteur), kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en C. Gulmann, rechters,
advocaat-generaal: A. Saggio
griffier: L. Hewlett, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 15 oktober 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 november 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 14 februari 1997, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens een op basis van artikel 181 EG-Verdrag tot stand gekomen arbitragebeding, tegen Cascina Laura Sas di arch. Aldo Delbò e C. (hierna: "Cascina Laura"), gevestigd te Casaleggio Novara (Italië), en Gariboldi Engineering Company Srl (hierna: "Gariboldi"), gevestigd te Milaan (Italië), beroep ingesteld, in de eerste plaats strekkende tot verkrijging van terugbetaling van twee voorschotten ten bedrage van 479 134 ECU, die de Commissie Cascina Laura heeft betaald voor de verwezenlijking van een project voor stroom- en warmteopwekking uit de biomassa van afvallen van de rijstproductie (stro en kaf), vermeerderd met interessen ter hoogte van 1 742 ECU per maand vanaf 31 juli 1990 tot de datum van daadwerkelijke betaling, plus 2 464 ECU per maand vanaf 20 april 1991 tot de datum van daadwerkelijke betaling, en in de tweede plaats tot veroordeling van verweersters, de Commissie ter vergoeding van geleden schade een bedrag van 100 000 ECU te betalen.
2 Bij akte, ingeschreven ter griffie van het Hof op 23 april 1998, heeft de Commissie afstand van instantie gedaan ten aanzien van Cascina Laura, die bij vonnis van 23 juni 1997 failliet is verklaard, met handhaving van al haar vorderingen tegen Gariboldi en met het verzoek aan het Hof, Cascina Laura in de aan haar toerekenbare kosten te veroordelen.
3 Op 1 juni 1990 sloot de Europese Economische Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, met de hoofdelijk handelende vennootschappen Cascina Laura, Gariboldi en Servizi Agroalimentare ed Ambiente Srl (hierna: "SAA") (hierna: "contractpartij") een overeenkomst, nr. BM 5/89 IT, uit hoofde van verordening (EEG) nr. 3640/85 van de Raad van 20 december 1985 ter bevordering, door financiële steun, van demonstratieprojecten en industriële proefprojecten op energiegebied (PB L 350, blz. 29; hierna: "overeenkomst"). Als tegenprestatie voor de verlening van financiële steun door de Europese Economische Gemeenschap, nam de contractpartij in de overeenkomst de verbintenis op zich, tussen december 1989 en juli 1991 een aantal werkzaamheden te verrichten waarvan de omschrijving in bijlage bij het document is opgenomen.
4 Artikel 4.3 van de overeenkomst bepaalt, dat de contractpartij binnen drie maanden na de ondertekening van de overeenkomst, en vervolgens ieder half jaar, verslag uitbrengt over de voortgang der werkzaamheden en daarbij opgave verstrekt van de gedane uitgaven.
5 Artikel 8 van de overeenkomst bepaalt, dat deze "door de Commissie zonder rechterlijke tussenkomst kan worden opgezegd indien de contractpartij een van de krachtens de onderhavige overeenkomst op haar rustende verplichtingen niet nakomt, inzonderheid ingeval zij de in artikel 4.3 vervatte bepalingen niet in acht neemt. Deze opzegging gaat in dertig dagen na een per aangetekende brief met ontvangstbewijs ter kennis gebrachte ingebrekestelling waaraan geen gevolg is gegeven." Volgens hetzelfde artikel moeten "in dat geval de als financiële bijdrage uitgekeerde bedragen door de contractpartij onmiddellijk aan de Commissie worden terugbetaald, vermeerderd met interessen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van die bijdrage (...)". "De rentevoet is die welke het Europees Fonds voor monetaire samenwerking toepast voor zijn handelingen in ECU, bekendgemaakt op de eerste werkdag van iedere maand."
6 In artikel 13 van de overeenkomst zijn partijen overeengekomen, "elk eventueel geschil over de geldigheid, de uitlegging en de uitvoering van de overeenkomst", die ingevolge artikel 14 door Italiaans recht wordt beheerst, "aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor te leggen".
7 Op 5 juli 1990, en vervolgens op 20 februari 1991, stortte de Commissie bedragen ter hoogte van respectievelijk 204 031 ECU en 275 103 ECU op een rekening op naam van Cascina Laura bij de Banca Popolare di Intra (sede di Novara). Deze stortingen waren voorschotten op de communautaire steun aan het project.
8 Blijkens een inspectie die de Commissie ter plaatse verrichtte op 21 en 22 juni 1993, is het project niet tot een goed einde gebracht, ondanks een aantal door Gariboldi aangebrachte technische uitrustingen, die niet volstonden om de installatie te doen functioneren.
9 Op 26 november 1993 zond de Commissie aan Cascina Laura en Gariboldi krachtens artikel 8 van de overeenkomst een aanmaningsbrief, waarmee de opzeggingsprocedure werd ingeleid.
10 Alleen Gariboldi beantwoordde deze brief. Zij gaf te kennen, van haar kant aan al haar contractuele verplichtingen te hebben voldaan.
11 Op 18 januari 1994 werd SAA failliet verklaard.
12 In een brief van 27 april 1994, gericht aan Cascina Laura en aan Gariboldi, bevestigde de Commissie de opzegging van de overeenkomst en vorderde zij terugbetaling van de gestorte bedragen, vermeerderd met interessen. Ondanks verschillende herinneringen vond die terugbetaling niet plaats.
Terugbetaling van de gestorte bedragen
13 De Commissie, die, in de laatste stand van haar conclusies, vordert dat alleen Gariboldi wordt veroordeeld tot terugbetaling van het gestorte bedrag, vermeerderd met de in de overeenkomst vastgelegde interessen, is van oordeel dat zij zich, wegens de hoofdelijke aansprakelijkheid van de drie vennootschappen, die volgens de bewoordingen van de overeenkomst één contractpartij vormen, om het even tot de ene of de andere vennootschap kan wenden om uitvoering van de overeenkomst en, bij gebreke daarvan, terugbetaling van de gestorte voorschotten te vorderen. De hoofdelijkheid tussen de vennootschappen heeft immers tot doel, de rechten van de crediteur te beschermen tegen iedere betwisting die kan ontstaan naar aanleiding van de betrekkingen tussen de debiteuren onderling.
14 Gariboldi betwist niet dat de overeenkomst niet is uitgevoerd, maar betoogt dat zij niet aansprakelijk is omdat zij de uitrustingen heeft geleverd die van haar verwacht werden. De niet-uitvoering zou uitsluitend zijn toe te schrijven aan de houding van de vertegenwoordiger van Cascina Laura. Zij zou de Commissie meerdere malen - vergeefs - van die houding in kennis hebben gesteld, waardoor zij zich volledig van haar verplichtingen heeft gekweten.
15 Gariboldi betoogt voorts, dat op haar geen hoofdelijke verplichting tot terugbetaling van de aan Cascina Laura uitgekeerde bedragen rust, daar aan haar nooit enig bedrag door de Commissie is betaald en zij door deze laatste nooit in kennis is gesteld van betalingen ten gunste van Cascina Laura. Deze laatste zou uit hoofde van de overeenkomst of anderszins overigens geen bevoegdheid hebben haar te vertegenwoordigen of namens haar te handelen.
16 Volgens Gariboldi kan haar handtekening op de overeenkomst derhalve niet meer betekenen dan dat zij zich borg heeft gesteld voor Cascina Laura in haar contractuele betrekkingen met de Gemeenschap. In dat kader is de verplichting om in te staan voor de hoofddebiteur, tenietgegaan door de handelwijze van de crediteur, die niet heeft voldaan aan zijn wettelijke verplichting toe te zien op het gebruik van de gestorte gelden, waardoor ieder regres op de hoofddebiteur onmogelijk wordt.
17 In de eerste plaats zij opgemerkt, dat in punt 1, sub a, van bijlage II bij de overeenkomst is bedongen, dat een bedrag van 204 031 ECU binnen een termijn van 60 dagen te rekenen vanaf de ondertekening van de overeenkomst als voorschot wordt gestort op een daartoe door de contractpartij geopende rekening.
18 Gelijk in punt 7 van het onderhavige arrest is vermeld, is dat bedrag gestort op een op naam van Cascina Laura bij de Banca Popolare di Intra geopende rekening.
19 Gariboldi, die dit in haar verweerschrift overigens erkent, heeft er geen bezwaar tegen gemaakt dat A. Delbò, wettelijk vertegenwoordiger van Cascina Laura en van SAA, in dat stadium de enige gesprekspartner van de Commissie was. Voor het overige heeft Cascina Laura, na van de Commissie het voorschot van 204 031 ECU, gelijk aan 309 012 068 LIT, te hebben ontvangen, een bedrag van 297 038 483 LIT overgemaakt aan Gariboldi, die dit zonder voorbehoud heeft aanvaard. Ten slotte heeft deze laatste uitrustingen geleverd voor de uitvoering van het project waarop de overeenkomst betrekking heeft.
20 Hieruit volgt, dat Gariboldi hoe dan ook kan worden geacht feitelijk te hebben aanvaard, dat de Commissie de uit hoofde van de overeenkomst verschuldigde bedragen zou storten op de op naam van Cascina Laura geopende bankrekening.
21 In de tweede plaats moet worden vastgesteld, dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van meerder vennootschappen die tezamen één contractpartij vormen in de met de Gemeenschap aangegane contractuele band, juridisch verschilt van een eenvoudige uit borgstelling voortvloeiende betrekking tussen onderscheiden rechtspersonen.
22 Elk der vennootschappen die de enige contractpartij vormen, is, wegens de hoofdelijkheid van de betrekking die zij met de in dezelfde positie geplaatste overige vennootschappen is aangegaan, individueel gehouden, in geval van verzuim van de overige vennootschappen alle contractuele verplichtingen na te komen. De taakverdeling die, buiten het contractuele document, zou kunnen zijn overeengekomen tussen de vennootschappen die de contractpartij vormen, kan door een van hen niet rechtsgeldig aan de crediteur worden tegengeworpen om zich aan haar hoofdelijke verplichting tot terugbetaling van de gestorte bedragen te onttrekken ingeval de overeenkomst niet wordt uitgevoerd. Om dezelfde redenen kan de vennootschap waarvan de contractuele aansprakelijkheid in geding is, voor haar verweer niet aanvoeren, dat haar ter zake van die niet-uitvoering individueel geen verwijt kan worden gemaakt.
23 In die omstandigheden doet de betaling van voorschotten aan een van de vennootschappen die de enige contractpartij vormen, voor elk van hen een verplichting ontstaan, die voorschotten terug te betalen ingeval aan de als tegenprestatie aangegane verplichtingen niet wordt voldaan.
24 Zonder dat hoeft te worden onderzocht, of er sprake is van eventuele schuld van de crediteur - die verweerster hoe dan ook niet van haar contractuele aansprakelijkheid zou ontheffen - is de vordering van de Commissie, strekkende tot veroordeling van Gariboldi tot terugbetaling van de gestorte bedragen, vermeerderd met de in de overeenkomst vastgelegde interessen, derhalve gegrond.
25 Het totaalbedrag van de voorschotten wordt niet betwist en bedraagt 479 134 ECU.
De interessen
26 Ingevolge artikel 8 van de overeenkomst zijn interessen verschuldigd vanaf de datum van de ontvangst van de voorschotten, tegen het door het Europees Fonds voor monetaire samenwerking voor zijn handelingen in ECU toegepaste, op de eerste werkdag van iedere maand bekendgemaakte tarief.
27 Volgens de Commissie zijn derhalve vanaf 31 juli 1990 interessen van 10,25 % per jaar verschuldigd over het bedrag van 204 031 ECU en vanaf 20 april 1991 interessen van 10,75 % per jaar over het bedrag van 275 103 ECU. Daardoor zouden de interessen 1 742 ECU per maand bedragen vanaf 31 juli 1990, vermeerderd met 2 464 ECU per maand vanaf 20 april 1991, zulks tot de datum van daadwerkelijke betaling.
28 Bij gebreke van enigerlei betwisting door Gariboldi dienaangaande, moet de vordering van de Commissie wat het bedrag van de interessen betreft worden toegewezen, nu het dossier evenmin enig element bevat dat de gegrondheid ervan in twijfel zou kunnen trekken.
De vergoeding van de schade
29 Met een beroep op artikel 1453 van de Italiaanse Codice civile, vordert de Commissie voorts veroordeling van verweerster tot betaling van een bedrag van 100 000 ECU, ter vergoeding van de schade die zij ingevolge de niet-uitvoering van de overeenkomst stelt te hebben geleden doordat communautaire gelden die aan andere projecten ten goede hadden kunnen komen, ten onrechte zijn geblokkeerd, personeel onnodig is ingezet en het aanzien van de instelling is geschaad.
30 Om de gegrondheid van deze vordering te onderzoeken, moet onderscheid worden gemaakt tussen het tijdvak vóór de opzegging van de overeenkomst en dat daarna.
31 Wat eerstbedoeld tijdvak betreft, de gezamenlijke bepalingen van de artikelen 4.3 en 8 van de overeenkomst boden de Commissie de mogelijkheid, tijdig de consequenties te trekken uit de niet-inachtneming door de contractpartij van de door haar aangegane verbintenissen en de contractuele band voortijdig eenzijdig te beëindigen. De Commissie kan derhalve van verweerster niet verwachten, dat deze de verantwoordelijkheid op zich neemt voor schade die het gevolg is van haar eigen beslissingen of haar eigen lijdelijkheid.
32 Voor het tijdvak na de opzegging van de overeenkomst ligt de situatie anders, aangezien de contractpartij schuld treft ter zake van de weigering, gevolg te geven aan de verzoeken om terugbetaling. Wat echter in de eerste plaats de omstandigheid betreft, dat communautaire gelden ten onrechte zijn geblokkeerd, moet worden opgemerkt, dat de aan verweerster opgelegde vertragingsrente de financiële schade moet vergoeden die de Gemeenschap door de vertraagde betaling zou hebben kunnen lijden, en dat, voor zover andere potentiële contractpartijen geen financiering hebben ontvangen, de Commissie zich niet in haar voordeel op door derden eventueel geleden schade kan beroepen.
33 Voor zover vervolgens in het gerechtelijke stadium van het geschil onnodig personeel van de Commissie is ingezet, moet worden opgemerkt, dat de kosten die partijen in verband met de procedure hebben gemaakt, hoe dan ook niet kunnen worden beschouwd als van de proceskosten te onderscheiden schade.
34 Wat ten slotte de overige beweerde schade betreft, de Commissie heeft deze niet op nauwkeurige en overtuigende wijze aannemelijk gemaakt.
35 Derhalve moet de schadevordering van de Commissie worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
36 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien verweerster op de voornaamste punten in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
37 Wat Cascina Laura betreft moet worden opgemerkt, dat volgens artikel 69, lid 5, eerste alinea, eerste volzin, van het Reglement voor de procesvoering, de partij die afstand doet van instantie in de proceskosten wordt veroordeeld, voor zover dit door de wederpartij in haar opmerkingen over de afstand is gevorderd. Op vordering van de partij die afstand doet, wordt evenwel de wederpartij in de kosten veroordeeld, indien dit op grond van de houding van deze partij gerechtvaardigd lijkt.
38 In casu heeft Cascina Laura geen opmerkingen over de afstand van instantie ingediend; bovendien waren het beroep en de daarop gevolgde gedeeltelijke afstand van instantie het gevolg van de houding van Cascina Laura. Bijgevolg moet zij hoofdelijk met Gariboldi in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
rechtdoende:
1) Verleent de Commissie van de Europese Gemeenschappen akte, dat zij afziet van haar vorderingen tegen Cascina Laura Sas di arch. Aldo Delbò e C.
2) Veroordeelt Gariboldi Engineering Company Srl tot betaling aan verzoekster van het bedrag van 479 134 ECU, vermeerderd met interessen ten bedrage van 1 742 ECU per maand vanaf 31 juli 1990 tot de datum van daadwerkelijke betaling, plus 2 464 ECU per maand vanaf 20 april 1991 tot de datum van daadwerkelijke betaling.
3) Verwerpt het beroep voor het overige.
4) Verwijst Gariboldi Engineering Company Srl en Cascina Laura Sas di arch. Aldo Delbò e C. hoofdelijk in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy