Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Procedure - Indiening van vordering bij Hof op basis van arbitragebeding - Toepassing van nationaal recht dat op overeenkomst van toepassing is - Uitlegging van overeenkomst met inachtneming van haar context - Overeenkomst waarbij communautaire financiële steun van Gemeenschap wordt verleend als tegenprestatie voor verplichtingen van ontvanger - Ontbindende voorwaarde - Mogelijkheid van partijen om van gemene regeling van toepasselijke wetgeving af te wijken
(EG-Verdrag, art. 181; verordening nr. 3640/85 van de Raad)
Samenvatting
Wanneer bij het Hof een geschil aanhangig is gemaakt krachtens een arbitragebeding in een overeenkomst, dient het dit geschil te beslechten op basis van het nationale recht dat op de overeenkomst van toepassing is en de overeenkomst in zijn context uit te leggen.
Wanneer derhalve een overeenkomst is gesloten uit hoofde van verordening nr. 3640/85 ter bevordering, door financiële steun, van demonstratieprojecten en industriële proefprojecten op energiegebied, waarin is bepaald dat de steun wordt verleend als tegenprestatie voor verplichtingen van de ontvangers, en het op de overeenkomst toepasselijke recht partijen in het kader van de contractvrijheid het recht verleent, binnen de bij de wet gestelde grenzen de inhoud van hun overeenkomst vrijelijk te bepalen, kunnen partijen daarin, in afwijking van het gewone verbintenissenrecht, een ontbindende voorwaarde opnemen waarvoor niet het vereiste geldt, dat de niet-nakoming aan de contractpartij kan worden verweten, met name gezien de bijzondere aard van de betrekkingen tussen de Gemeenschap en de onderneming waaraan deze op de grondslag van eerdergenoemde verordening steun verleent.
Partijen
In zaak C-69/97,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Stancanelli, lid van haar juridische dienst, en J.-F. Pasquier, bij die dienst gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat te Vicenza, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
verzoekster,
tegen
SNUA Srl, gevestigd te Pordenone (Italië), vertegenwoordigd door A. Guarino, advocaat te Rome, en E. Trampus, advocaat te Triëst, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Lorang, advocaat aldaar, Rue Albert 1er 51,
verweerster,
betreffende een beroep, door de Commissie ingesteld krachtens artikel 181 EG-Verdrag en strekkende tot verkrijging van terugbetaling van een voorschot van 195 397 ECU dat zij heeft verstrekt voor de verwezenlijking van een systeem voor de inzameling en recycling van vaste afvalstoffen in een particuliere onderneming, vermeerderd met vertragingsrente van 43,09 ECU per dag, te rekenen vanaf 1 april 1988, en veroordeling van SNUA Srl haar een bedrag van 60 000 ECU wegens schadevergoeding te betalen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet (rapporteur), kamerpresident, P. Jann, C. Gulmann, D. A. O. Edward en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 25 juni 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 oktober 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 februari 1997, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens een op basis van artikel 181 EG-Verdrag tot stand gekomen arbitragebeding, tegen de vennootschap SNUA Srl (hierna: "SNUA") beroep ingesteld, strekkende tot verkrijging van terugbetaling van een voorschot van 195 397 ECU, dat zij heeft verstrekt voor de verwezenlijking van een systeem voor de inzameling en recycling van vaste afvalstoffen in een particuliere onderneming, vermeerderd met vertragingsrente van 43,09 ECU per dag, te rekenen vanaf 1 april 1988, en veroordeling van SNUA haar een bedrag van 60 000 ECU wegens schadevergoeding te betalen.
2 Op 8 januari 1988 sloot de Europese Economische Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, met SNUA overeenkomst nr. BM 441/86 (hierna: "overeenkomst"), uit hoofde van verordening (EEG) nr. 3640/85 van de Raad van 20 december 1985 ter bevordering, door financiële steun, van demonstratieprojecten en industriële proefprojecten op energiegebied (PB L 350, blz. 29). Als tegenprestatie voor de verlening van financiële steun door de Europese Economische Gemeenschap verbond SNUA zich er in de overeenkomst toe, tussen juni 1987 en augustus 1988 een aantal werkzaamheden te verrichten waarvan de omschrijving in bijlage bij de overeenkomst is opgenomen.
3 Ingeval de werkzaamheden niet op de geplande datum van start konden gaan, was SNUA ingevolge artikel 4.3.1 van de overeenkomst verplicht de Commissie daarvan ten minste twee weken van tevoren op de hoogte te stellen en een nieuwe datum voor te stellen, die binnen dertig dagen door de Commissie kon worden aanvaard of afgewezen. In geval van afwijzing was de overeenkomst van rechtswege ontbonden en moesten de ontvangen voorschotten worden terugbetaald.
4 Ingevolge artikel 4.3.2 van de overeenkomst moest SNUA bij de Commissie tevens binnen drie maanden na de ondertekening van de overeenkomst, en vervolgens ieder halfjaar, verslag uitbrengen over de voortgang van de werkzaamheden en opgave verstrekken van de gedane uitgaven.
5 Artikel 8 van de overeenkomst bepaalt, dat deze "door de Commissie zonder rechterlijke tussenkomst kan worden opgezegd indien de contractpartij een van de krachtens de onderhavige overeenkomst op haar rustende verplichtingen niet nakomt, inzonderheid in geval van niet-eerbiediging van de in artikel 4.3 vervatte bepalingen. Deze ontbinding gaat in na een per aangetekende brief met ontvangstbewijs ter kennis gebrachte ingebrekestelling waaraan niet binnen een maand gevolg is gegeven." Volgens hetzelfde artikel moeten "in dat geval de als financiële bijdrage uitgekeerde bedragen door de contractpartij onmiddellijk aan de Commissie worden terugbetaald, vermeerderd met rente vanaf de datum van ontvangst van die bijdrage. De rentevoet is die van de Europese Investeringsbank welke geldt op de datum van de beschikking van de Commissie tot toekenning van de financiële bijdrage aan het project."
6 In artikel 13 van de overeenkomst zijn partijen overeengekomen, "elk eventueel geschil over de geldigheid, de uitlegging en de uitvoering van de overeenkomst", die ingevolge artikel 14 door Italiaans recht wordt beheerst, "aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor te leggen".
7 Op 26 januari 1988 betaalde de Commissie SNUA een bedrag van 195 397 ECU als voorschot van 30 % op het maximumbedrag van de communautaire steun aan het project.
8 Vaststaat, dat SNUA tot 7 december 1994, dus gedurende bijna zeven jaar na de ondertekening van de overeenkomst, geen werkzaamheden heeft verricht als tegenprestatie voor deze betaling.
9 Intussen had de Commissie SNUA tot viermaal toe aangemaand haar op de hoogte te stellen van de aanvang van de werkzaamheden, bij gebreke waarvan de overeenkomst van rechtswege ontbonden zou zijn: op 15 maart 1989, met een uiterste datum op 10 april 1989, op 12 juli 1990, met verstrijken van de termijn op 30 september 1990, op 10 juli 1991, waarbij de uiterste termijn was vastgesteld op 15 augustus 1991, en ten slotte op 18 september 1991, waarbij de werkzaamheden van start moesten zijn gegaan op 31 december 1991, op straffe van ontbinding van de overeenkomst per die datum. Eerst op 5 november 1992, nadat de laatste aanmaning door SNUA onbeantwoord was gelaten, deelde de Commissie haar mee dat de overeenkomst ontbonden was en dat zij verplicht was het voorschot terug te betalen.
10 SNUA verzocht tot driemaal toe om verlenging van de uitvoeringstermijn, namelijk op 6 maart 1989, 24 september 1990 en 22 augustus 1991, waarbij zij telkens stelde dat de vertraging niet aan haar te wijten was, maar aan "heftige tegenstand ter plaatse" tegen de oorspronkelijk voor het project gekozen locatie, die enkel kon worden overwonnen door een besluit van de autonome regio Friuli-Venetië Giulia om toe te staan dat met de werkzaamheden werd begonnen. Het besluit waarbij toestemming voor het project op een andere dan de oorspronkelijk gekozen locatie werd verleend, werd eerst op 15 juli 1993 genomen.
11 Na de aanzegging van de Commissie dat de overeenkomst van rechtswege ontbonden was, gaf SNUA geen gehoor aan de verzoeken van 25 januari 1994, 2 juni 1994 en 15 februari 1995 om terugbetaling van het voorschot.
De ontbinding van de overeenkomst
12 Volgens de Commissie is de ontbinding krachtens artikel 8 van de overeenkomst ingegaan op 31 december 1991, daar SNUA ondanks verscheidene verlengingen van de termijn haar in artikel 4.3 genoemde verplichtingen niet is nagekomen ofschoon zij daartoe herhaaldelijk is aangemaand. Het uitstel van de aanvangsdatum van de werkzaamheden dat zij achtereenvolgens heeft gekregen, om rekening te houden met een patstelling waar zij niets aan kon doen, betekent niet dat de Commissie moet afzien van haar beroep op de clausule betreffende de ontbinding van rechtswege, waaraan nochtans in alle brieven aan SNUA is gerappelleerd.
13 SNUA stelt in de eerste plaats, dat het bepaalde in artikel 8 van de overeenkomst naar Italiaans recht een dode letter is, aangezien ingevolge artikel 1456 van het Italiaanse burgerlijk wetboek, in de uitlegging van de Corte suprema di cassazione, ontbinding van rechtswege uitsluitend mogelijk is indien zij door partijen uitdrukkelijk is overeengekomen voor het geval een bepaalde verbintenis niet wordt nagekomen. Artikel 8, dat, zoals uit punt 5 van het onderhavige arrest blijkt, het geval betreft van niet-nakoming door een contractpartij van "een van de verplichtingen", "inzonderheid ingeval zij de in artikel 4.3 vervatte bepalingen niet in acht neemt", is echter dermate algemeen dat het niet aan dit criterium voldoet.
14 In de tweede plaats zet SNUA uiteen, dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van omstandigheden waarop zij geen enkele invloed kon uitoefenen. In dit verband beroept zij zich op de verklaring van de autonome regio Friuli-Venetië Giulia, dat de voortvarendheid van de onderneming niet in geding was, en dat de vertraging te wijten was aan de politieke oppositie ter plaatse tegen het project, waardoor de autoriteiten uiteindelijk een nieuwe locatie moesten kiezen. De Commissie zou zelf hebben toegegeven, dat er overmacht in het spel was, zodat SNUA niets te verwijten viel en er hoe dan ook geen uitdrukkelijke ontbindingsclausule tegen haar kon worden toegepast, aangezien daarvoor de niet-nakoming aan een van de contractpartijen moet kunnen worden toegerekend.
15 Volgens SNUA kon de overeenkomst dan ook enkel worden ontbonden volgens de procedure van de artikelen 1453 en 1454 van het Italiaanse burgerlijk wetboek. De aanmaningen van de Commissie aan SNUA konden op deze grondslag slechts ontbindende werking hebben, indien een nauwkeurig bepaalde vordering tot ontbinding aan de rechter was voorgelegd om deze in staat te stellen te beoordelen of de aan de gebrekige partij gestelde termijn voldoende was, alsmede of de niet-nakoming voldoende ernstig was. Ook stond het in dit kader aan de Commissie om aan te tonen dat de contractpartij voor de niet-nakoming aansprakelijk was.
16 Aangezien er geen regelmatige vordering tot ontbinding van de overeenkomst is ingediend, aldus SNUA, kan de Commissie zich niet beroepen op de gevolgen van de ontbinding, te weten terugbetaling van de gestorte bedragen.
17 In dit verband moet worden vastgesteld, dat aangezien de mogelijkheid van eenzijdige ontbinding waarover de Commissie beschikt, is neergelegd in de artikelen 4.3 en 8 van de overeenkomst, in onderlinge samenhang gelezen, de beslechting van het geschil afhangt van de aan die artikelen te verbinden rechtsgevolgen.
18 Wanneer bij het Hof een geschil krachtens een arbitragebeding aanhangig is gemaakt, dient het dit geschil te beslechten op basis van het nationale recht dat op de overeenkomst van toepassing is (zie met name arrest van 18 december 1986, Commissie/Zoubek, 426/85, Jurispr. blz. 4057, punt 4). Zoals in punt 6 van het onderhavige arrest is opgemerkt, is in casu Italiaans recht van toepassing.
19 Voorts moet eraan worden herinnerd, dat een tekst, zoals de in geding zijnde overeenkomst, in zijn context moet worden uitgelegd. In casu is tot de verstrekking van financiële steun aan SNUA besloten op basis van verordening nr. 3640/85, die, met name in artikel 7, lid 2, bepaalt, dat de steun wordt verleend als tegenprestatie voor verplichtingen van de ontvanger van die steun, die de Commissie regelmatig ervan op de hoogte moet houden, hoe het met de uitvoering van die verplichtingen staat.
20 In dit kader blijkt, dat artikel 8 van de overeenkomst duidelijk is bedoeld als een mogelijkheid voor de Commissie om op basis van een objectief criterium eenzijdig de band met haar contractpartij te verbreken, in het bijzonder wanneer deze de in artikel 4.3 van de overeenkomst genoemde verplichtingen niet nakomt.
21 Italiaans verbintenissenrecht noopt niet tot de conclusie, dat een dergelijk beding ongeldig is. Artikel 1456 van het Italiaanse burgerlijk wetboek staat de contractpartijen immers toe, uitdrukkelijk overeen te komen dat de overeenkomst van rechtswege ontbonden zal zijn wanneer een bepaalde verplichting niet wordt nagekomen. Aan de eis dat het daarbij om een specifieke verplichting gaat, die de Corte suprema di cassazione voor toepasselijkheid van deze bepaling stelt, kan worden geacht te zijn voldaan door de verwijzing in artikel 8 naar de verplichtingen genoemd in artikel 4.3 van de overeenkomst, betreffende de verslagen die de contractpartij aan de Commissie moet uitbrengen ingevolge artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3640/85. Wat de schending van de in artikel 4.3 van de overeenkomst bedoelde verplichtingen betreft, heeft het feit dat deze overeenkomst door Italiaans recht wordt beheerst derhalve niet tot gevolg, dat artikel 8 geen ontbindende werking heeft.
22 Met betrekking tot het argument van SNUA, dat de niet-nakoming van de contractuele verplichtingen haar niet kan worden verweten, behoeft blijkens artikel 8 van de overeenkomst voor ontbinding van de overeenkomst van rechtswege geen sprake te zijn van schuld van de contractpartij, maar is daartoe niet-nakoming van bepaalde contractuele verplichtingen, ongeacht de oorzaak of de oorsprong daarvan, voldoende.
23 Weliswaar verlangt de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione voor een beroep op onder artikel 1456 van het Italiaanse burgerlijk wetboek vallende uitdrukkelijke ontbindende voorwaarden, dat de niet-nakoming aan de gebrekige contractpartij kan worden verweten, maar artikel 1322 van dit wetboek verleent partijen in het kader van de contractvrijheid het recht, binnen de bij de wet gestelde grenzen de inhoud van hun overeenkomst vrijelijk te bepalen. Het staat er derhalve niet aan in de weg, dat partijen bij een overeenkomst, in afwijking van het gewone Italiaanse verbintenissenrecht, besluiten daarin een ontbindende voorwaarde op te nemen waarvoor niet het vereiste geldt, dat de niet-nakoming aan de contractpartij kan worden verweten.
24 In casu hadden partijen duidelijk de bedoeling, specifieke ontbindende voorwaarden in de overeenkomst op te nemen, met name gezien de bijzondere aard van de betrekkingen tussen de Gemeenschap en de onderneming waaraan deze steun verleent op de grondslag van verordening nr. 3640/85 en de praktische mogelijkheden voor de Commissie om de uitvoering van het project te volgen, die sterk afhangen van de verslagen die de contractpartij haar overeenkomstig artikel 4.3 moet uitbrengen.
25 De Commissie heeft zich derhalve terecht op artikel 8 van de overeenkomst beroepen om deze van rechtswege ontbonden te verklaren.
26 Daartoe voldoet de brief van de Commissie van 18 september 1991 aan SNUA aan de voorwaarden die artikel 8 van de overeenkomst stelt aan de ingebrekestelling die tot ontbinding kan leiden, ook al verwijst hij niet uitdrukkelijk naar artikel 8 en verleent hij SNUA een termijn van meer dan een maand om zich van haar verbintenis te kwijten.
De terugbetaling van het voorschot
27 Blijkens artikel 8.3 van de overeenkomst is SNUA gehouden het gestorte voorschot, waarvan het bedrag van 195 397 ECU niet wordt betwist, terug te betalen.
De rente
28 Volgens artikel 8.3 van de overeenkomst is rente verschuldigd vanaf de datum van ontvangst van het voorschot, tegen het tarief dat door de Europese Investeringsbank wordt toegepast op de datum van de beschikking van de Commissie waarbij de financiële bijdrage wordt toegekend.
29 Volgens de Commissie is derhalve vanaf 1 april 1988 rente verschuldigd. Zij wijst erop, dat tot de toekenning is besloten op 11 november 1986, toen de rentevoet 8,05 % bedroeg, zodat de rente 43,09 ECU per dag vertraging tot de datum van volledige betaling van de schuld bedraagt.
30 Aangezien SNUA hiertegen niets heeft ingebracht en ook het dossier geen aanwijzingen bevat voor de onjuistheid van deze opvatting, moet de vordering van de Commissie met betrekking tot het bedrag van de rente worden toegewezen.
31 Overeenkomstig artikel 2, lid 1, van verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro (PB L 162, blz. 1), dient, wat het bedrag van de hoofdsom en dat van de rente betreft, de verwijzing naar de ecu te worden vervangen door een verwijzing naar de euro (koers één ecu = één euro).
De vergoeding van de schade
32 Met een beroep op artikel 1453 van het Italiaanse burgerlijk wetboek vordert de Commissie voorts veroordeling van SNUA tot betaling van een bedrag van 60 000 ECU ter vergoeding van de schade die zij door de niet-nakoming van de overeenkomst stelt te hebben geleden, doordat communautaire gelden die aan andere projecten ten goede hadden kunnen komen, ten onrechte zijn geblokkeerd, personeel onnodig is ingezet en het aanzien van de instelling is geschaad.
33 SNUA werpt tegen, dat haar geen schuld treft en zij dus niet aansprakelijk kan worden gesteld.
34 De Commissie betwist de afwezigheid van schuld en verklaart, dat SNUA haar bij een normale zorgvuldigheid in de uitvoering van het contract ten minste had moeten waarschuwen, dat het gevaar van niet-nakoming bestond.
35 In dit verband moet worden opgemerkt, dat de bevoegdheid van het Hof, die op een arbitragebeding berust, beperkt is tot vorderingen die voortvloeien uit de door de Gemeenschap gesloten overeenkomst of die rechtstreeks verband houden met de verbintenissen uit deze overeenkomst (zie arrest Commissie/Zoubek, reeds aangehaald, punt 11).
36 Artikel 1453 van het Italiaanse burgerlijk wetboek, op grond waarvan de contractpartij hoe dan ook van de gebrekige partij vergoeding van haar schade kan vorderen, is reeds op grond van zijn formulering toepasselijk, ongeacht via welke procedure de ontbinding is verkregen. De Commissie kan zich dus beroepen op deze bepaling, die op de overeenkomst van toepassing is ingevolge artikel 14 daarvan.
37 Om de gegrondheid van deze vordering te onderzoeken, moet onderscheid worden gemaakt tussen het tijdvak vóór de opzegging van de overeenkomst en dat daarna.
38 Wat eerstbedoeld tijdvak betreft, boden de gezamenlijke bepalingen van de artikelen 4.3 en 8 van de overeenkomst de Commissie de mogelijkheid, tijdig de consequenties te trekken uit de niet-nakoming door de contractpartij van de door haar aangegane verbintenissen en de contractuele band voortijdig eenzijdig te beëindigen. De Commissie herinnert er trouwens zelf aan dat zij niet verplicht was, termijnen te verlengen. In die omstandigheden kan de Commissie van verweerster niet verwachten, dat deze de verantwoordelijkheid op zich neemt voor schade die het gevolg is van haar eigen beslissingen of haar eigen lijdelijkheid.
39 Voor het tijdvak na de opzegging van de overeenkomst ligt de situatie anders, aangezien de contractpartij schuld treft ter zake van de weigering, gevolg te geven aan de verzoeken om terugbetaling. Wat echter in de eerste plaats de omstandigheid betreft, dat communautaire gelden ten onrechte zijn geblokkeerd, moet worden opgemerkt, dat de ten laste van verweerster gebrachte vertragingsrente de financiële schade moet vergoeden die de Gemeenschap door de vertraagde betaling zou hebben kunnen lijden, en dat, voor zover andere potentiële contractpartijen geen financiering hebben ontvangen, de Commissie zich niet in haar voordeel op door derden eventueel geleden schade kan beroepen.
40 Voor zover vervolgens in het gerechtelijk stadium van het geschil onnodig personeel van de Commissie zou zijn ingezet, moet worden opgemerkt, dat de kosten die partijen in verband met de procedure hebben gemaakt, hoe dan ook niet kunnen worden beschouwd als van de proceskosten te onderscheiden schade.
41 De overige beweerde schade ten slotte is door de Commissie niet op nauwkeurige en overtuigende wijze aannemelijk gemaakt.
42 Derhalve moet de schadevordering van de Commissie worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
43 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen indien dit is gevorderd. Aangezien SNUA op de voornaamste punten in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Veroordeelt SNUA Srl tot betaling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van een bedrag van 195 397 euro, vermeerderd met vertragingsrente van 43,09 euro per dag, te rekenen vanaf 1 april 1988 tot de dag van volledige betaling van de schuld.
2) Verwerpt het beroep voor het overige.
3) Verwijst SNUA Srl in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy