Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Beroep wegens niet-nakoming - Objectief karakter - Oorzaak van niet-nakoming - Geen invloed
(EG-Verdrag, art. 169)
2 Handelingen van de instellingen - Richtlijnen - Uitvoeringstermijnen - Verlenging van termijn die te kort is gebleken - Procedure
(EG-Verdrag, art. 189, derde alinea)
3 Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-nakoming - Rechtvaardiging - Ontoelaatbaarheid
(EG-Verdrag, art. 169)
4 Beroep wegens niet-nakoming - Maatregelen die betrokken lidstaat heeft getroffen nadat beroep is ingesteld - Niet relevant
(EG-Verdrag, art. 169)
Samenvatting
1 De in artikel 169 van het Verdrag bedoelde procedure berust op de objectieve vaststelling van de niet-nakoming door een lidstaat van de verplichtingen die het Verdrag of een handeling van afgeleid recht hem oplegt. Wanneer een dergelijke vaststelling is gedaan, is het irrelevant, of de niet-nakoming voortvloeit uit de wil van de lidstaat waaraan zij is toe te rekenen, uit zijn nalatigheid of uit technische moeilijkheden die hij zou hebben ondervonden.
2 Indien de aan een lidstaat verleende termijn binnen welke aan een richtlijn uitvoering moet zijn gegeven, te kort blijkt te zijn, bestaat de enige mogelijkheid welke gemeenschapsrechtelijk gezien de betrokken lidstaat openblijft, daarin dat hij op communautair niveau passende stappen neemt teneinde de bevoegde instelling tot de eventuele verlenging van de termijn te bewegen.
3 Een lidstaat kan zich niet ten exceptieve op nationale bepalingen, praktijken of situaties beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen.
4 In het kader van een beroep wegens niet-nakoming kunnen de maatregelen die de betrokken lidstaat ter voldoening aan zijn verplichtingen heeft getroffen nadat het beroep is ingesteld, door het Hof niet in aanmerking worden genomen.
Partijen
In zaak C-71/97,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door S. Ortiz Vaamonde, abogado del Estado, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Spaanse ambassade, Boulevard E. Servais 4-6,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door enerzijds niet de als kwetsbaar beschouwde zones aan te wijzen en die aanwijzingen niet aan de Commissie mee te delen, en door anderzijds geen codes van goede landbouwpraktijken op te stellen en ze niet aan de Commissie mee te delen, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 3 en 4 van richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 375, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: H. Ragnemalm, kamerpresident, G. F. Mancini, J. L. Murray (rapporteur), G. Hirsch en K. M. Ioannou, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 maart 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 19 februari 1997, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door enerzijds niet de als kwetsbaar beschouwde zones aan te wijzen en haar die aanwijzingen niet mee te delen, en door anderzijds geen codes van goede landbouwpraktijken op te stellen en ze haar niet mee te delen, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 3 en 4 van richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 375, blz. 1; hierna: "richtlijn").
2 Artikel 3, lid 2, van de richtlijn bepaalt, dat de lidstaten binnen twee jaar na kennisgeving ervan alle hun bekende stukken land op hun grondgebied die afwateren in de overeenkomstig artikel 3, lid 1, vastgestelde wateren en die tot verontreiniging bijdragen, als kwetsbare zones aanwijzen, en dat zij binnen zes maanden mededeling van deze eerste aanwijzing doen aan de Commissie.
3 Volgens artikel 4, leden 1, sub a, en 2, van de richtlijn moeten de lidstaten binnen twee jaar na kennisgeving van de richtlijn een code of codes van goede landbouwpraktijken opstellen en de Commissie nadere gegevens erover verstrekken.
4 Artikel 12 van de richtlijn bepaalt enerzijds, dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf de kennisgeving aan de richtlijn te voldoen, en anderzijds, dat zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
5 Daar de Commissie van het Koninkrijk Spanje geen kennisgeving van de door hem vastgestelde omzettingsbepalingen had ontvangen en over geen enkel ander gegeven beschikte waaruit zij kon opmaken dat het Koninkrijk Spanje daadwerkelijk de nodige bepalingen had vastgesteld, maande zij de Spaanse regering bij brief van 10 mei 1995 overeenkomstig artikel 169 EG-Verdrag aan om binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen te maken. In die aanmaningsbrief wijst de Commissie erop, dat het Koninkrijk Spanje niet enkel had verzuimd de nationale maatregelen tot uitvoering van de richtlijn mee te delen, maar ook de artikelen 3, lid 2, en 4 van de richtlijn had geschonden.
6 Bij brief van 26 juni 1995 zonden de Spaanse autoriteiten de Commissie een verslag over de situatie toe, alsook een ontwerp van koninklijk decreet, dat ertoe strekte de richtlijn in nationaal recht om te zetten. Bij brief van 14 maart 1996 deelden zij haar koninklijk decreet nr. 261/1996 van 16 februari 1996 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen mee, dat ertoe strekte de richtlijn om te zetten. Dat decreet is gepubliceerd in het Boletín Oficial del Estado nr. 61, van 11 maart 1996.
7 Daar de Commissie van het Koninkrijk Spanje nog steeds geen kennisgeving van de in artikel 3 van de richtlijn bedoelde aanwijzingen en de in artikel 4 bedoelde codes van goede landbouwpraktijken had ontvangen, deed zij het op 26 september 1996 een met redenen omkleed advies toekomen met het verzoek, binnen twee maanden aan zijn verplichtingen te voldoen.
8 Bij brief van 26 november 1996 deelden de Spaanse autoriteiten de Commissie mee, dat zij weldra de in het met redenen omkleed advies gevraagde maatregelen zouden nemen.
9 Omdat de Commissie geen kennisgeving van dergelijke maatregelen ontving, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
10 In haar memorie van repliek heeft de Commissie erkend, dat zij zes codes van goede landbouwpraktijken op een totaal van zeventien heeft ontvangen, zodat het Hof zich naar haar mening niet behoefde uit te spreken over de grief ontleend aan de niet-nakoming van de verplichting om de codes van goede landbouwpraktijken op te stellen en mee te delen, voor zover zij de autonome gemeenschappen Madrid, Navarra, Andalusië, Murcia, Valencia en Cantabrië betrof.
11 In zijn verweerschrift stelde het Koninkrijk Spanje in de eerste plaats, dat er, wat hem betreft, geen niet-nakoming is. Volgens hem impliceert dat begrip immers de bedoeling zijn verplichtingen niet na te komen, waarvan in casu geen sprake zou zijn. De vertraging in de uitvoering van de richtlijn zou enerzijds te wijten zijn aan de technische moeilijkheden die de uitvoering ervan zou meebrengen, en anderzijds aan de concurrerende bevoegdheden waarover de staat en de autonome gemeenschappen op de door de richtlijn bestreken gebieden zouden beschikken.
12 In de tweede plaats beklemtoonde het Koninkrijk Spanje in zijn memorie van dupliek, dat acht autonome gemeenschappen waarvoor de grief betreffende artikel 4 van de richtlijn is gehandhaafd, namelijk Castilië-Leon, Galicië, Baskenland, La Rioja, Aragon, Extremadura, Asturië en de Balearen, codes van goede landbouwpraktijken hebben vastgesteld, en dat die codes aan de Commissie zijn toegezonden. Bovendien zouden zeven autonome gemeenschappen, namelijk Aragon, de Balearen, de Canarische Eilanden, Castilië-Leon, Navarra, Valencia en Castilië-La Mancha, overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de richtlijn kwetsbare zones hebben aangewezen, terwijl vijf andere, namelijk Asturië, Galicië, Madrid, Murcia en Cantabrië zouden hebben verklaard, dat op hun grondgebied geen dergelijke zone bestond. Ten slotte zou de autonome gemeenschap Andalusië ook kwetsbare zones hebben aangewezen, maar de coördinaten ervan nog niet hebben meegedeeld.
13 Het Koninkrijk Spanje is dus van mening, dat het Hof zich niet behoeft uit te spreken over de niet-nakoming van de verplichtingen om de codes van goede landbouwpraktijken op te stellen en de kwetsbare zones aan te wijzen, voor de autonome gemeenschappen die zich van hun plichten hebben gekweten.
14 Wat de opmerking betreft, dat het Koninkrijk Spanje niet de bedoeling had de krachtens de artikelen 3 en 4 van de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet na te komen, zij erop gewezen, dat de in artikel 169 van het Verdrag bedoelde procedure berust op de objectieve vaststelling van de niet-nakoming door een lidstaat van de verplichtingen die het Verdrag of een handeling van afgeleid recht hem oplegt (zie, in die zin, arrest van 1 maart 1983, Commissie/België, 301/81, Jurispr. blz. 467, punt 8).
15 Wanneer, zoals in de onderhavige zaak, een dergelijke vaststelling is gedaan, is het irrelevant, of de niet-nakoming voortvloeit uit de wil van de lidstaat waaraan zij is toe te rekenen, uit zijn nalatigheid of uit technische moeilijkheden die hij zou hebben ondervonden.
16 Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld, dat indien de termijn binnen welke aan een richtlijn uitvoering moet zijn gegeven, te kort blijkt te zijn, de enige mogelijkheid welke gemeenschapsrechtelijk gezien de betrokken lidstaat openblijft, daarin bestaat dat hij op communautair niveau passende stappen neemt teneinde de bevoegde instelling tot de eventuele verlenging van de termijn te bewegen (zie arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 11).
17 Wat meer bepaald het argument betreft, dat de betrokken vertraging onder meer zou voortvloeien uit het feit dat de staat en de autonome gemeenschappen over concurrerende bevoegdheden beschikken, zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een staat zich niet ten exceptieve op nationale bepalingen, praktijken of situaties kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen (arrest van 6 juli 1995, Commissie/Griekenland, C-259/94, Jurispr. blz. I-1947, punt 5).
18 Wat de verklaring van het Koninkrijk Spanje betreft, dat het Hof zich niet behoeft uit te spreken over de niet-nakoming van de verplichtingen om de codes van goede landbouwpraktijken op te stellen en de kwetsbare zones aan te wijzen, voor zover deze de voor het eerst in zijn memorie van dupliek vermelde autonome regio's betreft, zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de maatregelen die een lidstaat ter voldoening aan zijn verplichtingen heeft getroffen nadat het beroep wegens niet-nakoming is ingesteld, door het Hof niet in aanmerking kunnen worden genomen (arrest van 17 september 1987, Commissie/Nederland, 291/84, Jurispr. blz. 3483, punt 15).
19 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk Spanje, door enerzijds niet de als kwetsbaar beschouwde zones aan te wijzen en die aanwijzingen niet aan de Commissie mee te delen, en door anderzijds voor de andere autonome gemeenschappen dan Andalusië, Cantabrië, Madrid, Murcia, Navarra en Valencia geen codes van goede landbouwpraktijken op te stellen en ze niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens de artikelen 3 en 4 van de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
20 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien het Koninkrijk Spanje in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door enerzijds niet de als kwetsbaar beschouwde zones aan te wijzen en die aanwijzingen niet aan de Commissie mee te delen, en door anderzijds voor de andere autonome gemeenschappen dan Andalusië, Cantabrië, Madrid, Murcia, Navarra en Valencia geen codes van goede landbouwpraktijken op te stellen en ze niet aan de Commissie mee te delen, is het Koninkrijk Spanje de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 3 en 4 van richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen.
2) Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy