Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Vrij verrichten van diensten - Artsen - Richtlijn 93/16 - Specifieke opleiding in huisartsgeneeskunde - Voorwaarden voor toegang - Reeds in bezit van diploma, bedoeld in artikel 3 van richtlijn - Geen voorwaarde
(Richtlijn 93/16 van de Raad, art. 3 en 31)
Samenvatting
Artikel 31 van richtlijn 93/16 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels, stelt niet als voorwaarde voor de toegang tot de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde, dat de betrokkene reeds in het bezit is van een diploma, certificaat of andere titel, als bedoeld in artikel 3 van de richtlijn.
De tekst van artikel 31 noch de geest van richtlijn 93/16, en evenmin de aard van de werkzaamheden die de kandidaat in het kader van de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde moet uitoefenen, verlangen dat de betrokkene in het bezit is van een basisdiploma als bedoeld in artikel 3 van de richtlijn om te kunnen worden toegelaten tot de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde.
Het staat aan de lidstaten om te bepalen of, en in welke mate, de deelneming van de kandidaat-huisarts aan de beroepsactiviteiten en de verantwoordelijkheden van degenen met wie hij tijdens zijn opleiding samenwerkt, het bezit van een diploma, certificaat of andere titel als bedoeld in artikel 3 van de richtlijn noodzakelijk maakt.
Partijen
In zaak C-93/97,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Arbitragehof van België, in het aldaar aanhangig geding tussen
Belgisch Verbond der Syndicale Artsenkamers VZW
en
Vlaamse regering,
Regering van de Franse Gemeenschap,
Ministerraad,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 31 van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels (PB L 165, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida, D. A. O. Edward (rapporteur), J.-P. Puissochet en P. Jann, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Belgisch Verbond der Syndicale Artsenkamers VZW, vertegenwoordigd door E. Thiry, advocaat te Brussel,
- de Vlaamse regering, vertegenwoordigd door P. Devers, advocaat te Gent,
- de regering van de Franse Gemeenschap, vertegenwoordigd door J. Bourtembourg, advocaat te Brussel,
- de Belgische regering, vertegenwoordigd door J. Devadder, adviseur- generaal bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, en T. Balthazar, advocaat te Gent,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. J. Drijber, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van het Belgisch Verbond der Syndicale Artsenkamers VZW, vertegenwoordigd door E. Thiry; de Vlaamse regering, vertegenwoordigd door P. Devers, en de Commissie, vertegenwoordigd door P. van Nuffel, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, ter terechtzitting van 22 januari 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 maart 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 19 februari 1997, ingekomen bij het Hof op 3 maart daaraanvolgend, heeft het Arbitragehof van België krachtens artikel 177 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld betreffende de uitlegging van artikel 31 van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels (PB L 165, blz. 1).
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een beroep dat op 26 januari 1996 voor het Arbitragehof is ingesteld door het Belgisch Verbond der Syndicale Artsenkamers VZW (hierna: "Verbond"), een vereniging die de belangen vertegenwoordigt van de personen die in België het beroep van arts uitoefenen, en strekkende tot nietigverklaring van artikel 4, § 2, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 tot wijziging van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap om de organisatie van een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde te organiseren, en andere bepalingen betreffende de universiteiten (Belgisch Staatsblad van 29 juli 1995; hierna: "decreet van 1995").
Het gemeenschapsrecht
3 Richtlijn 93/16 is een codificatie van de richtlijnen 75/362/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van de arts, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB L 167, blz. 1), en 75/363/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts (PB L 167, blz. 14); voorts is daarin ook opgenomen richtlijn 86/457/EEG van de Raad van 15 september 1986 inzake een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde (PB L 267, blz. 26). Deze drie richtlijnen zijn ingetrokken bij artikel 44 van richtlijn 93/16.
4 Ingevolge artikel 2 van richtlijn 93/16 erkent elke lidstaat de door de overige lidstaten aan onderdanen van lidstaten overeenkomstig artikel 23 afgegeven en in artikel 3 vermelde diploma's, certificaten en andere titels, door daaraan, met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van arts, op zijn grondgebied hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hem zelf uitgereikte diploma's, certificaten en andere titels.
5 Artikel 3 van richtlijn 93/16 geeft voor alle lidstaten de lijst van diploma's als bedoeld in artikel 2. Wat het Koninkrijk België betreft, gaat het om het "wettelijk diploma van doctor in de genees-, heel- en verloskunde/diplôme légal de docteur en médecine, chirurgie et accouchements, uitgereikt door de medische faculteiten van de universiteiten, door de centrale examencommissie of door de examencommissies van de Staat voor universitair onderwijs".
6 Artikel 23, lid 1, van richtlijn 93/16 bepaalt, dat de lidstaten de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van de arts afhankelijk stellen van het bezit van een in artikel 3 genoemd diploma, certificaat of andere titel van arts, waardoor wordt gewaarborgd dat de betrokkene gedurende de totale opleidingstijd de kennis en ervaring heeft verworven die ingevolge dit artikel, sub a tot en met d, zijn vereist. Artikel 23, lid 2, bepaalt, dat deze totale geneeskundige opleiding ten minste zes studiejaren of 5 500 uren theoretisch en praktisch onderwijs omvat, dat aan een universiteit respectievelijk onder toezicht van een universiteit wordt gegeven.
7 Titel IV van richtlijn 93/16 betreft de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde.
8 Artikel 30 bepaalt: "Iedere lidstaat op het grondgebied waarvan de volledige in artikel 23 bedoelde opleidingscyclus wordt gegeven, voert een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde in, welke ten minste aan de in de artikelen 31 en 32 gestelde voorwaarden voldoet, en wel zodanig dat de eerste diploma's of certificaten of andere titels waarmee deze opleiding wordt afgesloten, uiterlijk op 1 januari 1990 worden afgegeven."
9 De artikelen 31 en 32 van richtlijn 93/16 betreffen de minimumvoorwaarden waaraan deze opleiding moet voldoen.
10 Artikel 31 bepaalt:
"1. De in artikel 30 bedoelde specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde moet ten minste aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) alleen toegankelijk zijn nadat ten minste zes studiejaren in het kader van de in artikel 23 bedoelde opleidingscyclus met goed gevolg zijn voltooid;
b) bij voltijds onderwijs ten minste twee jaar duren en onder toezicht van de bevoegde autoriteiten of instellingen worden gegeven;
c) meer van praktische dan theoretische aard zijn; de praktische opleiding dient enerzijds te worden gegeven gedurende ten minste zes maanden in een erkend ziekenhuis dat over de nodige uitrusting en diensten beschikt, en anderzijds gedurende ten minste zes maanden in een erkende huisartsenpraktijk of een erkend centrum waar artsen eerstelijnszorg verstrekken; in het kader van deze specifieke opleiding moeten contacten worden onderhouden met andere instellingen of organisaties voor gezondheidszorg die zich bezighouden met de huisartsgeneeskunde; onverminderd deze minimumperioden mag de praktische opleiding evenwel gedurende ten hoogste zes maanden worden vervangen door een opleiding in andere erkende instellingen of organisaties voor gezondheidszorg die zich met huisartsgeneeskunde bezighouden;
d) de kandidaat dient persoonlijk aan de beroepsactiviteiten deel te nemen en in de verantwoordelijkheden van degenen met wie hij werkt, te delen.
(...)
3. De lidstaten stellen het afgeven van de diploma's, certificaten en andere titels waarmee de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde wordt afgesloten, afhankelijk van het bezit van een van de diploma's, certificaten of andere titels, als bedoeld in artikel 3."
11 Artikel 32 van richtlijn 93/16 bepaalt:
"Indien een lidstaat op 22 september 1986 een opleiding in de huisartsgeneeskunde verstrekt door middel van een ervaring in de huisartsgeneeskunde die door de arts in zijn eigen praktijk onder toezicht van een erkend stagebegeleider is opgedaan, kan die lidstaat deze opleiding bij wijze van proef handhaven op voorwaarde dat:
- deze voldoet aan artikel 31, lid 1, onder a en b, alsmede aan lid 3;
- de duur ervan overeenkomt met het dubbele van het verschil tussen de periode als bedoeld in artikel 31, lid 1, onder b, en het totaal van de perioden bedoeld in het derde streepje van dit artikel;
- deze ten minste een periode omvat in een erkend ziekenhuis dat over de nodige uitrusting en diensten beschikt, alsmede een periode in een erkende huisartsenpraktijk of een erkend centrum waar artsen eerstelijnszorg verstrekken; vanaf 1 januari 1995 bedraagt de duur van elk van deze perioden ten minste zes maanden."
12 Artikel 34 van richtlijn 93/16 voorziet in de mogelijkheid voor de lidstaten om onder bepaalde voorwaarden een deeltijdse specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde te organiseren.
De Belgische regeling
13 Artikel 2, § 1, van koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de geneeskunst, de uitoefening van de daaraan verbonden beroepen en de geneeskundige commissies (Belgisch Staatsblad van 14 november 1967) bepaalt: "Niemand mag de geneeskunde uitoefenen die niet het wettelijk diploma bezit van doctor in de genees-, heel- en verloskunde, dat werd behaald in overeenstemming met de wetgeving op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, of die niet wettelijk ervan vrijgesteld is (...)"
14 Het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap (Belgisch Staatsblad van 4 juli 1991) regelt onder meer de organisatie van het academisch onderwijs.
15 Het decreet van 1995 strekt ertoe een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde te organiseren. Artikel 2 ervan voegt aan artikel 7 van het decreet van 12 juni 1991 de volgende alinea toe:
"De specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde is een academische opleiding volgend op de academische opleiding tot arts en wordt bekrachtigd met een academische graad van huisarts."
16 Voorts zijn bij artikel 3 van het decreet van 1995 aan artikel 11 van het decreet van 12 juni 1991 de volgende bepalingen toegevoegd:
"Het gezamenlijke onderwijsprogramma van de eerste cyclus van de opleiding tot arts en van de eerste drie studiejaren van de tweede cyclus van deze opleiding, moet voldoen aan de vereisten bepaald in (...) richtlijn 93/16/EEG, titel IV, (...) De geslaagden voor het jaarexamen van het derde studiejaar van de tweede cyclus krijgen van het universiteitsbestuur een certificaat dat bevestigt dat zij met goed gevolg de opleidingscyclus, bedoeld in artikel 23 van de hiervoor vermelde richtlijn hebben voltooid (...)
In het vierde studiejaar van de tweede cyclus van de opleiding tot arts kan het universiteitsbestuur meerdere zwaartepunten aanbieden waaronder ten minste het zwaartepunt $huisartsgeneeskunde'. Dit vierde studiejaar met het zwaartepunt huisartsgeneeskunde is het eerste studiejaar van de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde zoals bedoeld in titel IV van (...) richtlijn (...) 93/16/EEG."
17 Bij artikel 4, § 2, van het decreet van 1995 is aan artikel 14 van het decreet van 12 juni 1991 een vierde alinea toegevoegd die luidt als volgt:
"De totale studieomvang van de opleiding in de huisartsgeneeskunde bedraagt drie studiejaren, namelijk het vierde studiejaar van de tweede cyclus van de opleiding tot arts en de twee studiejaren van de opleiding in de huisartsgeneeskunde."
18 De volledige opleidingscyclus van de kandidaat-huisarts in Vlaanderen omvat dus eerst zes jaar, namelijk de twee cycli van de basisopleiding tot arts; dan een zevende jaar, dat overeenkomt met het vierde en laatste jaar van de tweede cyclus van de artsenopleiding en dat tezelfdertijd het eerste jaar is van de specifieke opleidingscyclus tot huisarts, en ten slotte een achtste en een negende jaar, die deel uitmaken van de derde cyclus betreffende de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde.
19 Het Verbond stelt zich op het standpunt, dat artikel 4, § 2, van het decreet van 1995 een afwijking van richtlijn 93/16 invoert, door aan studenten die niet gemachtigd zijn medische verantwoordelijkheden op zich te nemen, toegang tot de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde te verlenen, waarmee een discriminatie in het leven wordt geroepen tussen de kandidaten die worden toegelaten tot die specifieke opleiding in de Vlaamse Gemeenschap, en de kandidaten in de andere Gemeenschappen.
20 Van oordeel dat het geding betrekking heeft op de vaststelling van het jaar vanaf hetwelk de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde kan beginnen, en meer in het bijzonder op de vraag of de toegang tot deze opleiding impliceert dat de betrokkene houder is van een diploma, certificaat of andere titel als bedoeld in artikel 3 van richtlijn 93/16 (hierna: "basisdiploma als bedoeld in artikel 3"), heeft het Arbitragehof besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
"1) Moet artikel 31, lid 1, sub a, van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels, in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 23 en met de overige bepalingen van titel IV van die richtlijn, in die zin worden geïnterpreteerd dat de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde pas kan worden aangevat nadat de betrokkene, na ten minste zes studiejaren, het in artikel 3 bedoelde diploma heeft behaald?
2) Moet artikel 31, lid 1, sub d, van dezelfde richtlijn in die zin worden geïnterpreteerd dat het feit dat $de kandidaat (...) persoonlijk aan beroepsactiviteiten [dient] deel te nemen en in de verantwoordelijkheden van degenen met wie hij werkt, te delen' impliceert dat die kandidaat werkzaamheden van arts uitoefent die voorbehouden zijn aan de houders van de diploma's vereist door de artikelen 2 en 3 van de richtlijn?
3) Zo ja, moet diezelfde bepaling in die zin worden geïnterpreteerd dat de kandidaat reeds bij het begin van de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde werkzaamheden van arts zou moeten uitoefenen, ongeacht of het gaat om de voltijdse opleiding waarin artikel 31 van de richtlijn voorziet, of om de deeltijdse opleiding waarin artikel 34 voorziet?"
21 Vooraf zij eraan herinnerd, dat richtlijn 93/16, naar luid van de eenentwintigste overweging van de considerans ervan, uitsluitend bedoeld is om een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde in te voeren, die zowel kwalitatief als kwantitatief aan bepaalde minimumeisen voldoet en de krachtens de richtlijn vereiste minimale basisopleiding van de arts aanvult. De lidstaten kunnen dus hogere eisen stellen, doch zijn ingevolge artikel 2 van richtlijn 93/16 verplicht wederzijds de overeenkomstig de minimumeisen van richtlijn 93/16 afgegeven diploma's, certificaten en andere titels te erkennen.
De eerste vraag
22 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 31, lid 1, sub a, van richtlijn 93/16 als voorwaarde voor toegang tot de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde stelt, dat de betrokkene eerst een diploma als bedoeld in artikel 3 heeft behaald.
23 Het Verbond stelt, dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Alleen het basisdiploma als bedoeld in artikel 3 verleent het recht om de geneeskunde te beoefenen, en garandeert dat de betrokkene gedurende de volledige duur van zijn opleiding de vereiste kennis en ervaring heeft opgedaan.
24 De Vlaamse regering en de regering van de Franse Gemeenschap, de Belgische regering alsmede de Commissie stellen zich daarentegen op het standpunt, dat het de lidstaten vrijstaat te bepalen dat de opleiding begint zodra overeenkomstig artikel 31, lid 1, sub a, van richtlijn 93/16 zes studiejaren met goed gevolg zijn voltooid, zodat niet vereist is dat de kandidaat het basisdiploma als bedoeld in artikel 3 heeft behaald. De lidstaten kunnen, doch zonder enige verplichting in die zin, de toegang tot de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde afhankelijk stellen van het behalen van een dergelijk diploma.
25 Blijkens de tekst ervan maakt artikel 31 van richtlijn 93/16 onderscheid tussen de voorwaarde dat zes studiejaren geneeskunde met goed gevolg zijn voltooid, en de voorwaarde van het bezit van een basisdiploma als bedoeld in artikel 3. De eerste voorwaarde, waarover het gaat in artikel 31, lid 1, sub a, betreft de toegang tot de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde, terwijl de tweede voorwaarde, waarover het gaat in lid 3 van hetzelfde artikel, betrekking heeft op de afgifte van de diploma's, certificaten en andere titels waarmee de specifieke opleiding in de huisarstgeneeskunde wordt afgesloten.
26 Vastgesteld moet dus worden, dat de twee voorwaarden van artikel 31 van richtlijn 93/16 een verschillende strekking hebben en niet op één lijn kunnen worden gesteld.
27 Wat de voorwaarden betreft voor toegang tot de opleiding voor het behalen van een diploma, certificaat of andere titel van specialist, maakt artikel 24 van richtlijn 93/16 hetzelfde onderscheid als artikel 31 tussen het met goed gevolg volbrengen van ten minste zes studiejaren in de geneeskunde, en daarnaast het bezit van een basisdiploma als bedoeld in artikel 3.
28 Anders dan het Verbond stelt, volgt hieruit, dat de tekst noch de geest van richtlijn 93/16 verlangen, dat de betrokkene in het bezit is van een basisdiploma als bedoeld in artikel 3 om te kunnen worden toegelaten tot de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde.
29 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 31, lid 1, sub a, van richtlijn 93/16 als voorwaarde voor de toegang tot de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde niet stelt, dat de betrokkene reeds in het bezit is van een basisdiploma als bedoeld in artikel 3.
De tweede en de derde vraag
30 Met zijn tweede en zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de aard van de werkzaamheden die de kandidaat in de loop van zijn specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde overeenkomstig artikel 31, lid 1, sub d, moet uitoefenen, impliceert dat hij vóór het begin van deze opleiding een basisdiploma als bedoeld in artikel 3 heeft behaald.
31 Volgens het Verbond impliceert artikel 31, lid 1, sub d, van richtlijn 93/16, waar het de persoonlijke deelneming van de kandidaat aan de beroepsactiviteiten en in de verantwoordelijkheden van degeen met wie hij werkt, voorschrijft, dat handelingen worden gesteld die tot de uitsluitende bevoegdheid behoren van de houders van een basisdiploma als bedoeld in artikel 3.
32 Tot staving van haar zienswijze beroept het Verbond zich in de eerste plaats op het gebruik van de term "arts" in artikel 32, betreffende lidstaten die op 22 september 1986 een opleiding in de huisartsgeneeskunde verstrekken door middel van een ervaring in de huisartsgeneeskunde "die door de arts is opgedaan" in zijn eigen praktijk onder toezicht van een erkend stagebegeleider.
33 Er zij evenwel aan herinnerd, dat het geval van de "arts" bedoeld in artikel 32 van richtlijn 93/16, die in zijn eigen praktijk werkt onder toezicht van een stagebegeleider en dus houder dient te zijn van een basisdiploma als bedoeld in artikel 3, verschilt van dat van de kandidaat in de zin van artikel 31, lid 1, sub d, die deelneemt in "de verantwoordelijkheden van degenen met wie hij werkt", waarbij het gaat om personen die bevoegd zijn de geneeskunde te beoefenen. Anders dan in artikel 32, is in deze bepaling geen sprake van ervaring "door de arts in zijn eigen praktijk opgedaan".
34 In de tweede plaats voert het Verbond aan, dat de in artikel 31, lid 1, sub c en d, beschreven aspecten van de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde eveneens impliceren, dat de betrokkene de hoedanigheid van "arts" heeft bij de aanvang van de specifieke opleiding en dus houder is van een basisdiploma als bedoeld in artikel 3.
35 Zoals de Commissie terecht opmerkt, houdt de opleiding in de huisartsgeneeskunde niet de zelfstandige beoefening van de geneeskunde in, met inbegrip van de vrijheid om diagnoses te stellen en een behandeling voor te schrijven; artikel 31, lid 1, sub d, verlangt namelijk uitsluitend de deelneming aan de activiteiten van een volwaardig arts. Artikel 31, lid 1, sub b, van richtlijn 93/16 bepaalt, dat de opleiding dient te geschieden "onder toezicht van de bevoegde autoriteiten of instellingen".
36 Wat de deelneming aan de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 31, lid 1, sub d, betreft, schrijft richtlijn 93/16 dus niet het bezit van een basisdiploma als bedoeld in artikel 3 voor.
37 Nu richtlijn 93/16 niet het bezit van een basisdiploma als bedoeld in artikel 3 voorschrijft bij de aanvang van de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde, doch uitsluitend op het tijdstip van afgifte van het diploma, certificaat of andere titel waarmee de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde wordt afgesloten, en het hierbij om een minimumvereiste gaat, laat richtlijn 93/16 de lidstaten vrij om te bepalen of de kandidaat op een vroeger tijdstip reeds houder dient te zijn van een basisdiploma als bedoeld in artikel 3.
38 Mitsdien moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord, dat de aard van de werkzaamheden die de kandidaat in het kader van de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde overeenkomstig artikel 31, lid 1, sub d, van richtlijn 93/16 moet uitoefenen, niet noodzakelijkerwijs impliceert, dat hij vóór het begin van deze opleiding een basisdiploma als bedoeld in artikel 3 heeft behaald. Het staat aan de lidstaten om te bepalen of, en in welke mate, de deelneming van de kandidaat-huisarts aan de beroepsactiviteiten en de verantwoordelijkheden van degenen met wie hij tijdens zijn opleiding samenwerkt, het bezit van een basisdiploma als bedoeld in artikel 3 noodzakelijk maakt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
39 De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Arbitragehof van België bij arrest van 19 februari 1997 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 31, lid 1, sub a, van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels, stelt niet als voorwaarde voor de toegang tot de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde, dat de betrokkene reeds in het bezit is van een diploma, certificaat of andere titel, als bedoeld in artikel 3 van de richtlijn.
2) De aard van de werkzaamheden die de kandidaat in het kader van de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde overeenkomstig artikel 31, lid 1, sub d, van richtlijn 93/16 moet uitoefenen, impliceert niet noodzakelijkerwijs, dat hij vóór het begin van deze opleiding een diploma, certificaat of andere titel als bedoeld in artikel 3 van de richtlijn heeft behaald. Het staat aan de lidstaten om te bepalen of, en in welke mate, de deelneming van de kandidaat-huisarts aan de beroepsactiviteiten en de verantwoordelijkheden van degenen met wie hij tijdens zijn opleiding samenwerkt, het bezit van een diploma, certificaat of andere titel als bedoeld in artikel 3 van de richtlijn noodzakelijk maakt.
Full & Egal Universal Law Academy