Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Sociale politiek - Harmonisatie van wetgeving - Bescherming van werknemers bij insolventie van werkgever - Richtlijn 80/987 - Waarborg voor loonvordering gedurende referentieperiode - Bestaan van onvervulde aanspraken, ontstaan vóór referentieperiode - Toerekening van door werkgever in referentieperiode verrichte loonbetalingen bij voorrang aan vóór die periode ontstane aanspraken
(Richtlijn 80/987 van de Raad, art. 4, lid 2)
Samenvatting
Artikel 4, lid 2, van richtlijn 80/987 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, moet aldus worden uitgelegd, dat indien een werknemer jegens zijn werkgever vorderingen heeft die betrekking hebben op perioden van arbeid, gelegen vóór de in die bepaling bedoelde referentieperiode, en tegelijkertijd vorderingen over de referentieperiode zelf, de door de werkgever in laatstgenoemde periode verrichte loonbetalingen bij voorrang moeten worden toegerekend aan daarvóór ontstane aanspraken.
Het zou immers ingaan tegen de bedoeling van de richtlijn, namelijk een minimum aan bescherming te verzekeren aan alle werknemers, om artikel 4, lid 2, zodanig uit te leggen, dat de werknemer geen aanspraak kan maken op de waarborg voor de loonderving die hij in de referentieperiode daadwerkelijk heeft ondervonden.
Partijen
In zaak C-125/97,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar (Nederland), in het aldaar aanhangig geding tussen
A. G. R. Regeling
en
Bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 4 van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 283, blz. 23),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, M. Wathelet (rapporteur), D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet en P. Jann, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- A. G. R. Regeling, vertegenwoordigd door R. Polderman, advocaat te Alkmaar,
- het Bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid, vertegenwoordigd door het Bestuur van het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, dit op zijn beurt vertegenwoordigd door C. R. J. A. M. Brent, manager productcluster Bezwaar en Beroep van de uitvoeringsinstelling Gak Nederland BV, en A. I. van der Kris, juridisch medewerker van deze instelling, als gemachtigden,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door C. Lewis, Barrister,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur P. J. Kuijper en door M. Patakia, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van het Bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid en van de Commissie ter terechtzitting van 5 maart 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 mei 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij bevel van 18 maart 1997, ingekomen bij het Hof op 26 maart 1997, heeft de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 4 van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 283, blz. 23; hierna: "richtlijn").
2 Deze vraag is gerezen in een geschil tussen Regeling en het Bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid (hierna: "waarborgfonds"), ter zake van de berekening van de in de richtlijn geboden waarborg.
3 De richtlijn beoogt aan werknemers van gemeenschapswege een minimum aan bescherming te bieden in geval van insolvabiliteit van hun werkgever, onverminderd in de lidstaten bestaande gunstiger bepalingen.
4 Te dien einde verplicht artikel 3, lid 1, van de richtlijn de lidstaten, de nodige maatregelen te treffen opdat waarborgfondsen de onvervulde aanspraken van de werknemers honoreren die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen en die betrekking hebben op het loon over de vóór een bepaalde datum vallende periode; deze datum is overeenkomstig artikel 3, lid 2, naar keuze van de lidstaten, hetzij die van het intreden van de insolventie van de werkgever (eerste streepje), hetzij die van de aanzegging van het ontslag wegens insolventie (tweede streepje), hetzij die van het intreden van de insolventie of die van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding wegens insolventie van de werkgever (derde streepje).
5 Luidens artikel 4, leden 1 en 2, van de richtlijn kan de betaling evenwel worden beperkt tot de onvervulde aanspraken die betrekking hebben op het loon over bepaalde perioden, volgens de door de lidstaten krachtens artikel 3, lid 2, gemaakte keuze, te weten:
- in het in artikel 3, lid 2, eerste streepje, bedoelde geval, de laatste drie maanden van de arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding binnen een periode van zes maanden vóór de datum van het intreden van de insolventie van de werkgever (eerste streepje);
- in het in artikel 3, lid 2, tweede streepje, bedoelde geval, de laatste drie maanden van de arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding vóór de datum van de aanzegging van het ontslag van de werknemer wegens insolventie van de werkgever (tweede streepje);
- in het in artikel 3, lid 2, derde streepje, bedoelde geval, de laatste achttien maanden van de arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding vóór de datum van het intreden van de insolventie van de werkgever of vóór de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding van de werknemer wegens deze insolventie, waarbij de lidstaten de betalingsverplichting kunnen beperken tot het loon over een periode van acht weken, of over verschillende perioden die in totaal een periode van acht weken bedragen (derde streepje).
6 Aan de waarborg dat onvervulde aanspraken van de werknemers zullen worden gehonoreerd, kan door de lidstaten bovendien overeenkomstig artikel 4, lid 3, een plafond worden gesteld, "teneinde te voorkomen dat er bedragen worden uitgekeerd die voorbijschieten aan het sociale doel" van de richtlijn.
7 Volgens artikel 2, lid 2, doet de richtlijn "geen afbreuk aan het nationale recht met betrekking tot de definitie van de termen $werknemer', $werkgever', $bezoldiging', $verkregen recht' of $recht in wording'".
8 Ingevolge artikel 9 van de richtlijn ten slotte mogen de lidstaten bepalingen toepassen of invoeren die voor de werknemers gunstiger zijn.
9 De richtlijn is in Nederlands recht omgezet bij de Werkloosheidswet. Volgens het bepaalde in hoofdstuk IV van deze wet, betreffende de overneming van de uit een dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij onmacht van de werkgever te betalen, heeft de werknemer wiens werkgever failliet is verklaard en die loon of vakantiegeld te vorderen heeft, recht op uitkering ten bedrage van:
- het loon over ten hoogste dertien weken onmiddellijk voorafgaande aan de dag van opzegging van de dienstbetrekking, hetgeen overeenkomt met de referentieperiode van drie maanden vóór de datum van de aanzegging van het ontslag bedoeld in artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de richtlijn;
- het loon over de geldende opzegtermijn (tot ten hoogste de in artikel 40 Faillissementswet bedoelde termijn);
- het vakantiegeld, de vakantiebijslag en de bedragen die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, over ten hoogste een jaar (artikelen 61, lid 1, en 64 Werkloosheidswet).
10 Op 29 oktober 1990 trad Regeling als lasser in dienst van Moojen. Het dienstverband werd op 14 juni 1991 ingaande 1 augustus 1991 opgezegd. De werkgever werd failliet verklaard op 21 april 1992; enkele maanden nadien werd het faillissement wegens gebrek aan baten opgeheven.
11 Tot en met december 1990 ontving Regeling zijn salaris op tijd. Tussen 1 januari en 1 augustus 1991 betaalde zijn werkgever hem daarentegen bij tijd en wijle gedeelten van zijn loon. Terwijl Regeling volgens zijn berekening over de betrokken periode recht had op een salaris van 21 892 HFL netto (basisloon, overwerktoeslag en vakantiegeld), zou de werkgever in die periode met onregelmatige tussenpozen een bedrag van in totaal 18 136 HFL hebben betaald. Volgens Regeling was Moojen hem derhalve nog 3 756 HFL aan achterstallig salaris cum annexis verschuldigd.
12 Op 1 juli 1992 verzocht Regeling het waarborgfonds uit hoofde van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet om uitkering van zijn achterstallig salaris.
13 Op 11 november 1993 wees het waarborgfonds deze aanvraag af op grond dat Regeling geen loonvordering had over de referentieperiode, dat wil zeggen de periode van 15 maart tot 25 juli 1991, aangezien het totaalbedrag dat de werkgever hem in die periode had betaald, hoger was dan het loon dat hij over die periode te vorderen had.
14 Naar uit de stukken blijkt, bepaalt artikel 43 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, dat in werking is getreden op 1 januari 1992, maar dezelfde strekking heeft als de artikelen 1432 en 1435 van het oude Burgerlijk Wetboek, dat indien een schuldenaar een betaling verricht die aan twee of meer verbintenissen kan worden toegerekend, deze betaling in de eerste plaats wordt toegerekend aan de door de schuldenaar aangewezen verbintenis; in de tweede plaats, wanneer een dergelijke aanwijzing ontbreekt, aan de opeisbare verbintenissen; in de derde plaats aan de meest bezwarende van de opeisbare verbintenissen; ten slotte, indien alle verbintenissen opeisbaar en even bezwarend zijn, aan de oudste. Op grond van deze bepalingen hadden de door Moojen in de referentieperiode verrichte betalingen in de eerste plaats moeten worden toegerekend aan de oudste schulden, zodat Regeling nog onvervulde aanspraken zou hebben waarvoor hij recht zou hebben op de in de richtlijn geboden waarborg.
15 Volgens de Nederlandse administratieve rechtspraak, in het bijzonder van de Centrale Raad van Beroep, moet evenwel iedere loonbetaling die in de referentieperiode heeft plaatsgevonden, in mindering worden gebracht op het over die periode verschuldigde loon en is het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing op vorderingen ingevolge de wettelijke regeling betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever. Volgens deze rechtspraak zou Regeling wegens de in de referentieperiode verrichte betalingen geen onvervulde aanspraken in de zin van artikel 4, lid 2, van de richtlijn hebben en derhalve niet in aanmerking komen voor de waarborg.
16 Daarop heeft de verwijzende rechter het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Is aan de verplichtingen van richtlijn 80/987 geheel voldaan met een nationale wettelijke regeling welke ertoe kan leiden dat de in die richtlijn voorgeschreven honorering van een loonaanspraak slechts plaatsvindt indien en voor zover die loonaanspraak over de in die richtlijn vermelde periode een groter bedrag betreft dan het bedrag aan loon dat de werknemer in diezelfde periode heeft ontvangen doch dat, volgens het nationale civiele recht, toegerekend wordt aan een loonaanspraak, ontstaan in een vóór die periode gelegen tijdvak?"
17 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 4, lid 2, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat indien een werknemer jegens zijn werkgever vorderingen heeft die betrekking hebben op perioden van arbeid, gelegen vóór de in die bepaling bedoelde referentieperiode, en tegelijkertijd vorderingen over de referentieperiode zelf, de door de werkgever in laatstgenoemde periode verrichte loonbetalingen moeten worden geacht uitsluitend de in de referentieperiode ontstane aanspraken van de werknemer te dekken, dan wel bij voorrang moeten worden toegerekend aan daarvóór ontstane aanspraken.
18 Het waarborgfonds en de regering van het Verenigd Koninkrijk betogen, dat aangezien de richtlijn streeft naar een gedeeltelijke harmonisatie van de wetgeving van de lidstaten en in artikel 2, lid 2, de lidstaten uitdrukkelijk de bevoegdheid verleent om met name het begrip "bezoldiging" te definiëren, laatstgenoemden vrij blijven om in geval van opeenvolgende aanspraken de methode van toerekening van betalingen vast te stellen en dus ook om te bepalen, of door de werkgever in de referentieperiode verrichte betalingen de in die periode ontstane aanspraken van de werknemer dan wel de daarvóór ontstane aanspraken dekken.
19 Deze stelling moet worden verworpen. De richtlijn beoogt weliswaar slechts een gedeeltelijke harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten op het gebied van de bescherming van werknemers die het slachtoffer zijn van insolventie van hun werkgever, maar dit neemt niet weg, dat de verwijzende rechter vraagt om uitlegging van de woorden "onvervulde aanspraken (...) die betrekking hebben op het loon over de laatste drie maanden" van de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding vóór de datum van de aanzegging van het ontslag, in de zin van artikel 4, lid 2, tweede streepje, van de richtlijn. Daar juist met deze woorden wordt vastgelegd, wat de communautaire waarborg minimaal inhoudt, moeten zij eenvormig worden uitgelegd opdat de, zij het gedeeltelijke, harmonisatie die binnen de Gemeenschap wordt nagestreefd, niet van haar effect wordt beroofd.
20 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat de waarborgfondsen ingevolge artikel 3, lid 1, van de richtlijn in beginsel gehouden zijn de onvervulde aanspraken te honoreren die betrekking hebben op het loon over de vóór een bepaalde datum vallende periode. Slechts bij wijze van uitzondering hebben de lidstaten op grond van artikel 4, lid 1, de bevoegdheid deze betalingsverplichting te beperken tot een bepaalde, overeenkomstig artikel 4, lid 2, vastgestelde periode. Zoals de advocaat-generaal in punt 45 van zijn conclusie beklemtoont, moet deze bepaling eng worden uitgelegd en in overeenstemming met het sociale doel van de richtlijn, dat erin bestaat een minimum aan bescherming te verzekeren aan alle werknemers.
21 Heeft een werknemer, zoals in het in het hoofdgeding aan de orde zijnde geval, onvervulde aanspraken over perioden van arbeid gelegen vóór de referentieperiode, dan zou, indien door de werkgever in die periode verrichte betalingen aan de in die periode ontstane aanspraken werden toegerekend ondanks het bestaan van oudere, onbetaald gebleven aanspraken, de door de richtlijn gewaarborgde minimumbescherming rechtstreeks wordt aangetast; de verlening van deze bescherming zou dan afhangen van de toevallige dan wel weloverwogen beslissing van de werkgever om al dan niet bepaalde betalingen te verrichten gedurende de referentieperiode.
22 Het zou immers tegen de bedoeling van de richtlijn ingaan om artikel 4, lid 2, zodanig uit te leggen, dat de werknemer in dat laatste geval geen aanspraak kan maken op de waarborg voor de loonderving die hij in de referentieperiode daadwerkelijk heeft ondervonden.
23 Mitsdien moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat artikel 4, lid 2, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat indien een werknemer jegens zijn werkgever vorderingen heeft die betrekking hebben op perioden van arbeid, gelegen vóór de in die bepaling bedoelde referentieperiode, en tegelijkertijd vorderingen over de referentieperiode zelf, de door de werkgever in laatstgenoemde periode verrichte loonbetalingen bij voorrang moeten worden toegerekend aan daarvóór ontstane aanspraken.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
24 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door Arrondissementsrechtbank te Alkmaar bij bevel van 18 maart 1997 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 4, lid 2, van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, moet aldus worden uitgelegd, dat indien een werknemer jegens zijn werkgever vorderingen heeft die betrekking hebben op perioden van arbeid, gelegen vóór de in die bepaling bedoelde referentieperiode, en tegelijkertijd vorderingen over de referentieperiode zelf, de door de werkgever in laatstgenoemde periode verrichte loonbetalingen bij voorrang moeten worden toegerekend aan daarvóór ontstane aanspraken.
Full & Egal Universal Law Academy