Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Uitkeringen - Nationale anticumulatiebepalingen - Onmogelijkheid deze tegen te werpen aan rechthebbenden op gelijksoortige uitkeringen, vastgesteld overeenkomstig bepalingen van verordening nr. 1408/71 - Vermindering van toeslag op pensioen op basis van uitkeringen die krachtens regeling van andere lidstaat aan betrokkene verschuldigd zijn - Ontoelaatbaarheid
(Verordeningen van de Raad nr. 1408/71, art. 12, leden 2 en 12, 46, lid 3, en 46 ter, en nr. 1248/92)
Samenvatting
Een nationale regel moet als bepaling inzake vermindering in de zin van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71, in de versie van verordening nr. 2001/83, en in de zin van de artikelen 12, lid 2, 46, lid 3, en 46 ter van deze versie van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/92, worden aangemerkt, indien de daarbij voorgeschreven berekening tot gevolg heeft dat het bedrag van het pensioen waarop de betrokkene aanspraak kan maken, wordt verminderd omdat hij een uitkering in een andere lidstaat geniet. Een nationale regel volgens welke de toeslag op het rustpensioen wordt verminderd met het bedrag van een rustpensioen waarop de betrokkene aanspraak kan maken krachtens een regeling van een andere lidstaat, is dus een bepaling inzake vermindering in de zin van voormelde bepalingen.
Partijen
In zaak C-143/97,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Arbeidshof te Luik (België), in het aldaar aanhangig geding tussen
Rijksdienst voor Pensioenen (RVP)
en
F. Conti,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 12, lid 2, 46, lid 3, en 46 ter van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB L 136, blz. 7),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, D. A. O. Edward (rapporteur) en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Rijksdienst voor Pensioenen (RVP), vertegenwoordigd door G. Perl, administrateur-generaal, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Hillenkamp, juridisch adviseur, en M. Patakia, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,$
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Rijksdienst voor Pensioenen (RVP), vertegenwoordigd door J. C. A. De Clerck, adviseur, als gemachtigde; de Zweedse regering, vertegenwoordigd door E. Brattgård, departementsråd bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door M. Patakia, ter terechtzitting van 11 december 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 februari 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 28 maart 1997, ingekomen bij het Hof op 16 april daaraanvolgend, heeft het Arbeidshof te Luik krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 12, lid 2, 46, lid 3, en 46 ter van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2), in de bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6) gewijzigde en bijgewerkte versie, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB L 136, blz. 7).
2 Die vraag is gerezen in een geding tussen F. Conti en de Rijksdienst voor Pensioenen (hierna: "RVP"), over de vaststelling van een ouderdomspensioen.
Het gemeenschapsrecht
3 Artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2001/83, bepaalde:
"De bepalingen inzake vermindering, (...) waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet in geval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen van sociale zekerheid of met andere inkomsten, zijn op de rechthebbende van toepassing, zelfs indien het gaat om uitkeringen welke op grond van de wetgeving van een andere lidstaat zijn verkregen of om inkomsten welke op het grondgebied van een andere lidstaat zijn verworven. Deze regel is evenwel niet van toepassing indien de betrokkene gelijksoortige uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom, overlijden (pensioenen) of beroepsziekte geniet, welke door de organen van twee of meer lidstaten overeenkomstig de artikelen 46, 50 en 51 of 60, lid 1, sub b, worden vastgesteld."
4 Dit artikel is gewijzigd bij verordening nr. 1248/92, die op 1 juni 1992 in werking is getreden. Het luidt thans als volgt:
"Tenzij in deze verordening anders bepaald, zijn de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet in geval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen van sociale zekerheid of met andere inkomsten van welke aard ook, op de rechthebbende van toepassing, zelfs indien het gaat om uitkeringen welke op grond van de wetgeving van een andere lidstaat zijn verkregen of om inkomsten welke op het grondgebied van een andere lidstaat zijn verworven."
5 In de versie van verordening nr. 2001/83 bepaalde artikel 46 van verordening nr. 1408/71, dat de methode voor de vaststelling van de uitkeringen vaststelt, in lid 3 het volgende:
"De betrokkene heeft recht op de som van de uitkeringen welke overeenkomstig de leden 1 en 2 zijn berekend tot maximaal het hoogste van de volgens lid 2, sub a, berekende theoretische uitkeringsbedragen.
Voor zover het in de vorige alinea bedoelde bedrag wordt overschreden, corrigeert ieder orgaan dat lid 1 toepast, zijn uitkering met een bedrag dat overeenkomt met de verhouding tussen het bedrag van de betrokken uitkering en de som van de overeenkomstig lid 1 vastgestelde uitkeringen."
6 Ingevolge de wijziging bij verordening nr. 1248/92 bepaalt artikel 46, lid 3, het volgende:
"De betrokkene heeft van het bevoegde orgaan van elke lidstaat recht op het overeenkomstig de leden 1 en 2 berekende hoogste bedrag, onverminderd de eventuele toepassing van de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving krachtens welke deze uitkering verschuldigd is, voorziet.
Wanneer zulks het geval is, heeft de uit te voeren vergelijking betrekking op de na de toepassing van bedoelde bepalingen vastgestelde bedragen."
7 Bovendien heeft verordening nr. 1248/92 aan verordening nr. 1408/71, in de versie van verordening nr. 2001/83, een artikel 46 ter toegevoegd. Dit nieuwe artikel bevat bijzondere bepalingen die van toepassing zijn in geval van samenloop van uitkeringen van dezelfde aard, verschuldigd krachtens de wetgeving van twee of meer lidstaten. Het luidt als volgt:
"1. De bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet, zijn niet van toepassing op uitkeringen berekend overeenkomstig artikel 46, lid 2 [pro rata].
2. De bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet, zijn alleen op een overeenkomstig artikel 46, lid 1, onder a-i, berekende uitkering van toepassing, indien het een uitkering betreft:
a) als bedoeld in bijlage IV, deel D, waarvan het bedrag niet afhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen,
of
b) waarvan het bedrag wordt bepaald op basis van een fictief tijdvak dat geacht wordt te zijn vervuld tussen de datum waarop de verzekerde gebeurtenis is ingetreden en een latere datum. In laatstbedoeld geval zijn bedoelde bepalingen van toepassing bij samenloop van een dergelijke uitkering:
i) ofwel met een uitkering van hetzelfde type, behoudens indien tussen twee of meer lidstaten een overeenkomst is gesloten teneinde te voorkomen dat hetzelfde fictieve tijdvak meermaals in aanmerking wordt genomen;
ii) ofwel met een uitkering van het onder a bedoelde type.
De onder b bedoelde uitkeringen en de onder b bedoelde overeenkomsten zijn vermeld in bijlage IV, deel D."
De Belgische wetgeving
8 De Belgische wet van 20 juli 1990 heeft een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers ingesteld en de werknemerspensioenen aangepast aan de evolutie van het algemeen welzijn (Belgisch Staatsblad van 15 augustus 1990). Ingevolge artikel 3, § 2, van deze wet "kan de werknemer die ten minste twintig jaar gewoonlijk en hoofdzakelijk als mijnwerker tewerkgesteld is geweest een rustpensioen verkrijgen dat verworven is naar rata van een dertigste per kalenderjaar tewerkstelling als mijnwerker".
9 Artikel 3, § 6, eerste alinea, bepaalt: "Het bedrag van het rustpensioen van de werknemer die geen dertig, doch ten minste vijfentwintig kalenderjaren gewoonlijk en hoofdzakelijk als mijnwerker in de ondergrond van de mijnen of van steengroeven met ondergrondse winning tewerkgesteld is geweest, wordt met een supplement verhoogd."
10 Volgens artikel 3, § 6, tweede alinea, van deze wet is dat supplement "gelijk aan het verschil tussen het bedrag van het rustpensioen dat hij zou bekomen hebben indien hij daadwerkelijk gedurende dertig kalenderjaren (...) zou hebben gewerkt en het globale bedrag van de rustpensioenen of als zodanig geldende uitkeringen waarop hij krachtens een of meer van de in § 1, eerste lid, a, bedoelde regelingen aanspraak kan maken". Artikel 3, § 1, lid 1, sub a, doelt onder meer op Belgische en buitenlandse wettelijke regelingen.
Het hoofdgeding
11 Conti, in Italië geboren op 26 oktober 1934, heeft achtereenvolgens in Italië, Duitsland en België gewerkt. In dit laatste land heeft hij gedurende de 26 jaar tussen 1965 en 1990 gewoonlijk en hoofdzakelijk als ondergronds mijnwerker gewerkt.
12 Bij op 23 augustus 1994 aan Conti betekende administratieve beschikking kende de RVP hem met ingang van 1 januari 1991 een jaarlijks rustpensioen voor mijnwerkers toe ten belope van 449 417 BFR, indexcijfer 360,12 van de verbruikersprijzen, berekend op basis van een loopbaan van 26/30.
13 Naar luid van deze beschikking had betrokkene bovendien recht op een jaarlijkse toeslag van 40 591 BFR, zelfde indexcijfer, met dien verstande dat "deze toeslag zal worden verminderd met het bedrag van de andere rustpensioenen of als zodanig geldende uitkeringen waarop [hij] nog aanspraak kan maken krachtens een Belgische of buitenlandse regeling".
14 Deze toeslag werd tot nul gereduceerd op grond dat Conti twee rustpensioenen, een in Italië sinds 1 november 1989 ten belope van 101 619 LIT per maand, en een ander in Duitsland sinds 1 januari 1991 ten belope van 3 208,80 DM per jaar, genoot.
15 Bij akte van 22 september 1994 betwistte Conti deze beschikking voor de Arbeidsrechtbank te Luik, hoofdzakelijk op grond dat de RVP "geen rekening houdt met de Europese verordeningen". Deze rechterlijke instantie stelde Conti in het gelijk met de overweging, dat artikel 3, § 6, van de wet van 20 juli 1990 een bepaling inzake vermindering in de zin van artikel 12 van verordening nr. 1408/71 was.
16 Op 26 april 1996 ging de RVP van deze beschikking in beroep bij het Arbeidshof te Luik, betogende dat, wil er sprake zijn van vermindering, schorsing of intrekking van een uitkering in geval van samenloop met een in een andere lidstaat ontvangen uitkering, eerst de eerste uitkering overeenkomstig de Belgische wetgeving moet worden vastgesteld, en dat de bepalingen inzake vermindering van artikel 46 ter van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, betrekking hebben op een vooraf toegekende uitkering.
De prejudiciële vraag
17 Wegens twijfel omtrent de uitlegging van de artikelen 12, lid 2, 46, lid 3, en 46 ter van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, heeft het Arbeidshof te Luik de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Moet het begrip bepaling inzake vermindering in de artikelen 12, lid 2, 46, lid 3, en 46 ter van verordening nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat het een nationale wettelijke bepaling omvat die voorziet in een toeslag op het bedrag van het rustpensioen van de werknemer die in totaal geen dertig, doch ten minste vijfentwintig kalenderjaren heeft gewerkt, met dien verstande dat deze toeslag gelijk is aan het verschil tussen het bedrag van het rustpensioen dat de werknemer zou hebben ontvangen indien hij daadwerkelijk gedurende dertig kalenderjaren zou hebben gewerkt, en het totale bedrag van de rustpensioenen waarop hij krachtens een nationale wettelijke regeling of een wettelijke regeling van een andere lidstaat aanspraak kan maken?"
18 De aldus gestelde vraag strekt er alleen toe te vernemen, of een nationale regel die bepaalt, dat de toeslag op het rustpensioen van een ondergronds mijnwerker wordt verminderd met het bedrag van een rustpensioen waarop de betrokkene krachtens een wettelijke regeling van een andere lidstaat aanspraak kan maken, een bepaling inzake vermindering is in de zin van vordering nr. 1408/71, zoals gewijzigd.
19 In de eerste plaats zij vastgesteld, dat het begrip "bepaling inzake vermindering" in artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71, in de versie van verordening nr. 2001/83, niet is gewijzigd bij verordening nr. 1248/92. De bij deze verordening in deze bepaling aangebrachte wijzigingen betreffen de grenzen van de toepassing van de nationale anticumulatiebepalingen, doch laten het beginsel ervan onverlet (zie in deze zin arrest van 12 februari 1998, Cordelle, C-366/96, Jurispr. blz. I-583, punt 12). Derhalve moet voor de beantwoording van de prejudiciële vraag geen onderscheid worden gemaakt tussen het tijdvak vóór en dat na 1 juni 1992.
20 Vervolgens zij eraan herinnerd, dat het Hof in het arrest van 4 juni 1985, Romano (58/84, Jurispr. blz. 1679), voor recht heeft verklaard, dat een nationale regel volgens welke de bijkomende fictieve jaren van tewerkstelling die aan een werknemer kunnen worden toegekend, worden verminderd met het aantal jaren waarvoor de werknemer aanspraak kan maken op een pensioen in een andere lidstaat, een bepaling inzake vermindering in de zin van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 is.
21 De RVP betoogt, dat de in het hoofdgeding toepasselijke nationale bepaling fundamenteel verschilt van die welke ten tijde van de zaak Romano (reeds aangehaald) van toepassing was, daar zij niet een vooraf vastgestelde uitkering vermindert, doch het pensioenbedrag met een toeslag verhoogt. Bovendien volgt uit deze bepaling, dat het bedrag van de toeslag, dat afhangt van het totaalbedrag van de Belgische en de buitenlandse rustpensioenen, vóór de toepassing van een eventuele regel inzake vermindering wordt berekend. Het gaat hier dus om een bepaling inzake de berekening van de uitkering en niet om een bepaling inzake vermindering van een nationale uitkering. De bepalingen inzake vermindering, bedoeld in artikel 46 ter van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, hebben daarentegen tot gevolg, dat vooraf toegekende uitkeringen worden verminderd.
22 De Zweedse regering sluit zich bij deze uitlegging aan en voegt hieraan toe, dat de inaanmerkingneming van andere rustpensioenen voor de bepaling van de toeslag, een noodzakelijke etappe is voor de berekening ervan. Subsidiair stelt zij, dat ingeval de Belgische bepaling mocht worden beschouwd als een regel inzake vermindering in de zin van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, de coördinatieregeling waarin deze verordening voorziet, tot derhalve negatieve resultaten voor de Belgische aanvullende uitkeringen zou leiden, dat toepassing ervan op dit soort uitkeringen ingevolge het gemeenschapsrecht achterwege kan worden gelaten.
23 Volgens de Commissie daarentegen is de ten tijde van de zaak Romano (reeds aangehaald) bestaande rechtssituatie vergelijkbaar met die in het hoofdgeding. Zij betwist het argument dat artikel 46 ter van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, bepalingen inzake vermindering van een vooraf toegekende uitkering betreft. Artikel 46, lid 3, bepaalt namelijk uitdrukkelijk, dat de uitkering die voortvloeit uit de vergelijking van de volgens de procedure van artikel 46, leden 1 en 2, berekende bedragen "na de toepassing van bedoelde bepalingen" wordt vastgesteld. De RVP zou dus de uitkering volgens de procedure van artikel 46, lid 3, moeten berekenen.
24 Het is van belang te beklemtonen, dat nationale bepalingen inzake vermindering niet aan de in verordening nr. 1408/71 gestelde voorwaarden en toepassingsbeperkingen kunnen worden onttrokken door ze aan te merken als bepalingen inzake berekening.
25 Een nationale regel moet als bepaling inzake vermindering worden aangemerkt, indien de daarbij voorgeschreven berekening tot gevolg heeft dat het bedrag van het pensioen waarop betrokkene aanspraak kan maken, wordt verminderd omdat hij een uitkering in een andere lidstaat geniet.
26 Dienaangaande zij opgemerkt, dat een regeling als de Belgische regeling betreffende mijnwerkerspensioenen - zowel in haar versie ten tijde van de zaak Romano (reeds aangehaald) als in de op het onderhavige geval toepasselijke versie - voorziet in bijzondere voordelen voor de werknemers van deze sector. Aan het einde van een tijdvak van ten minste vijfentwintig jaar daadwerkelijke tewerkstelling, wordt het pensioenbedrag namelijk gerevaloriseerd op het niveau van een op basis van een tijdvak van tewerkstelling van dertig jaar berekend pensioen. Het aldus gerevaloriseerde pensioen wordt vervolgens verminderd met de pensioenuitkeringen waarop de betrokkene uit hoofde van andere regelingen aanspraak kan maken.
27 Terwijl volgens de ten tijde van de zaak Romano (reeds aangehaald) toepasselijke regeling de tijdvakken van daadwerkelijke tewerkstelling werden aangevuld door de toekenning van fictieve tijdvakken, die werden verminderd met het aantal jaren waarvoor de werknemer aanspraak kon maken op een ander pensioen, voorziet de nieuwe regeling in de toekenning van een toeslag, die eveneens wordt verminderd met andere pensioenuitkeringen.
28 De twee regelingen leiden dus tot hetzelfde resultaat: zoals de advocaat-generaal in de punten 22 en 23 van zijn conclusie opmerkt, verschilt alleen de techniek voor de revalorisatie van het pensioen.
29 Uit het voorgaande volgt, dat een regeling als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde, evenals in de zaak Romano (reeds aangehaald), een bepaling inzake vermindering is in de zin van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd.
30 Op de gestelde vraag moet dus worden geantwoord, dat een nationale regel volgens welke de toeslag op het rustpensioen van een ondergronds mijnwerker wordt verminderd met het bedrag van een rustpensioen waarop de betrokkene aanspraak kan maken krachtens een regeling van een andere lidstaat, een bepaling inzake vermindering is in de zin van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71, in de versie van verordening nr. 2001/83, en in de zin van de artikelen 12, lid 2, 46, lid 3, en 46 ter van deze versie van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/92.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
31 De kosten door de Zweedse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door het Arbeidshof te Luik bij arrest van 28 maart 1997 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Een nationale regel volgens welke de toeslag op het rustpensioen van een ondergronds mijnwerker wordt verminderd met het bedrag van een rustpensioen waarop de betrokkene aanspraak kan maken krachtens een regeling van een andere lidstaat, is een bepaling inzake vermindering in de zin van artikel 12, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, en in de zin van de artikelen 12, lid 2, 46, lid 3, en 46 ter van deze versie van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992.
Full & Egal Universal Law Academy