Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Mededinging - Openbare bedrijven en ondernemingen waaraan lidstaten bijzondere of uitsluitende rechten verlenen - Ondernemingen belast met beheer van diensten van algemeen economisch belang - Postdienst - Toepassing van binnenlandse tarieven ter compensatie van kosten van verzending en bestelling van massale afgiften van internationale zendingen bij posterijen van andere lidstaat - Verenigbaarheid met verdragsregels - Grenzen
[EG-Verdrag, art. 59 (thans, na wijziging, artikel 49 EG) en art. 86 en 90, lid 1 (thans artikel 82 EG en 86, lid 1, EG)]
Samenvatting
$$Wanneer een lichaam als de Deutsche Post bij gebreke van een overeenkomst tussen de posterijen van de betrokken lidstaten waarbij de eindkosten worden vastgesteld in verhouding tot de werkelijke kosten voor behandeling en distributie van de inkomende grensoverschrijdende post, het in artikel 25, lid 3, van het Wereldpostverdrag, in de versie van 14 december 1989, bepaalde recht uitoefent om in de in de leden 1, tweede zin, en 2 van dat artikel bedoelde gevallen op massale afgiften bij de posterijen van een andere lidstaat dan die van dat lichaam zijn binnenlandse tarieven toe te passen, druist dit niet in tegen artikel 90 van het Verdrag (thans artikel 86 EG), junctis de artikelen 86 van het Verdrag (thans artikel 82 EG) en 59 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 49 EG). Daarentegen druist de uitoefening van dat recht wel in tegen artikel 90, lid 1, juncto artikel 86, van het Verdrag, voorzover een dergelijk lichaam het volledige binnenlandse posttarief kan eisen dat geldt in de lidstaat van dat lichaam, zonder de door die posterijen voor die zendingen betaalde eindkosten in mindering te brengen.
(cf. punt 61 en dictum)
Partijen
In de gevoegde zaken C-147/97 en C-148/97,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Oberlandesgericht Frankfurt am Main (Duitsland), in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Deutsche Post AG
en
Gesellschaft für Zahlungssysteme mbH (GZS) (C-147/97),
Citicorp Kartenservice GmbH (C-148/97),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 5, tweede alinea, EG-Verdrag (thans artikel 10, tweede alinea, EG), 30 en 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 28 EG en 49 EG), 85, 86 en 90, leden 1 en 2, EG-Verdrag (thans de artikelen 81 EG, 82 EG en 86, leden 1 en 2, EG),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, J. C. Moitinho de Almeida, L. Sevón en R. Schintgen, kamerpresidenten, P. J. G. Kapteyn (rapporteur), C. Gulmann, J.-P. Puissochet, G. Hirsch, P. Jann, H. Ragnemalm en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Deutsche Post AG, vertegenwoordigd door D. Schroeder, advocaat te Keulen,
- Gesellschaft für Zahlungssysteme mbH (GZS), vertegenwoordigd door M. Bechtold, advocaat te Frankfurt am Main,
- Citicorp Kartenservice GmbH, vertegenwoordigd door P. Mailänder en U. Schnelle, advocaten te Stuttgart,
- de Deense regering, vertegenwoordigd door P. Biering, afdelingshoofd bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door O. Fiumara, avvocato dello Stato,
- de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. G. Lammers, waarnemend juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Stix-Hackl, Gesandte bij het Bondsministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Rotkirch, ambassadeur, hoofd van de dienst juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Schmidt, F. Mascardi en K. Wiedner, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Deutsche Post AG, vertegenwoordigd door D. Schroeder; Gesellschaft für Zahlungssysteme mbH (GZS), vertegenwoordigd door M. Bechtold en A. Wagner, advocaat te Frankfurt am Main; Citicorp Kartenservice GmbH, vertegenwoordigd door P. Mailänder en U. Schnelle; de Deense regering, vertegenwoordigd door J. Molde, afdelingshoofd bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde; de Griekse regering, vertegenwoordigd door M. Apessos, procesgemachtigde van de juridische dienst van de staat, en N. Zemperis, juridisch adviseur van de Griekse post, als gemachtigden; de Franse regering, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en F. Million, chargé de mission bij die directie, als gemachtigden; de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door O. Fiumara; de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Fierstra, assistent juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door K. Wiedner, ter terechtzitting van 29 september 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 juni 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij twee beschikkingen van 25 maart 1997, ingekomen bij het Hof op 17 april daaraanvolgend, heeft het Oberlandesgericht Frankfurt am Main krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) vijf prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 5, tweede alinea, EG-Verdrag (thans artikel 10, tweede alinea, EG), 30 en 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 28 EG en 49 EG), 85, 86 en 90, leden 1 en 2, EG-Verdrag (thans de artikelen 81 EG, 82 EG en 86, leden 1 en 2, EG).
2 Die vragen zijn gerezen in twee gedingen tussen Deutsche Post AG (hierna: Deutsche Post") enerzijds en Gesellschaft für Zahlungssysteme mbh (GZS) (hierna: GZS") en Citicorp Kartenservice GmbH (hierna: CKG") anderzijds, betreffende de bestelling van post uit het buitenland die het voorwerp is van niet-fysieke remailing.
Rechtskader
Het Wereldpostverdrag
3 Krachtens het Wereldpostverdrag, waarvan de eerste versie van 1874 dateert, zijn de posterijen van een verdragsluitende staat verplicht de hun door de posterijen van andere verdragsluitende staten doorgegeven internationale brievenpost voor op het grondgebied van die staat gedomicilieerde geadresseerden te verzenden en aan de betrokken geadresseerden te bestellen.
4 In de hoofdgedingen is het Wereldpostverdrag aan de orde in de versie van Washington van 14 december 1989 (hierna: WPV"). In Duitsland is het WPV goedgekeurd bij het Gesetz zu den Verträgen vom 14. Dezember 1989 des Weltpostvereins (wet betreffende de verdragen van de Wereldpostunie van 14 december 1989) van 31 augustus 1992 (BGBl. II, blz. 749).
5 Aanvankelijk bestelden de posterijen internationale post zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. Eén van de beginselen waar het WPV van uitging was, dat op elke brief wordt geantwoord, zodat het postverkeer tussen twee verdragsluitende staten in evenwicht moest zijn. Toen evenwel bleek, dat de posterijen van de verschillende staten sterk uiteenlopende hoeveelheden internationale post moesten afhandelen, zijn daarvoor vanaf 1924 bijzondere bepalingen ingevoerd.
6 Artikel 25 WPV bepaalt:
1. Geen enkel land-lid is verplicht brievenpostzendingen die door om het even welke op zijn grondgebied gedomicilieerde afzenders in het buitenland persoonlijk of via anderen worden afgegeven met het oog op het genot van aldaar geldende lagere tarieven, te verzenden of bij de geadresseerden af te leveren. Hetzelfde geldt voor massale afgiften van dergelijke zendingen, ongeacht of zij al dan niet worden verricht om lagere tarieven te genieten.
2. Lid 1 is zonder onderscheid van toepassing op zendingen die in het land van de afzender worden klaargemaakt en nadien over de grens worden gevoerd en voor zendingen die in het buitenland werden klaargemaakt.
3. Het betrokken bestuur heeft het recht de zendingen terug te sturen naar hun plaats van verzending of er zijn binnenlandse tarieven op toe te passen. Weigert de afzender deze portokosten te betalen, dan mag het overeenkomstig zijn binnenlandse wetgeving over de zendingen beschikken.
4. Geen enkel land-lid hoeft brievenpostzendingen te aanvaarden, te verzenden of bij de geadresseerden af te leveren, die door eender welke afzender persoonlijk of via anderen, massaal werden gepost in een ander land dan dat waar hij gedomicilieerd is. De betrokken besturen hebben het recht dergelijke zendingen terug te sturen naar hun plaats van verzending of ze zonder terugbetaling van portokosten terug te bezorgen aan de afzenders."
Eindkosten
7 Eindkosten zijn de kosten die de ene postadministratie aan een andere aanrekent voor de bestelling van haar internationale zendingen. De regeling voor die kosten is voor het eerst ingevoerd in het Wereldpostverdrag van 1969. Die regeling volstond evenwel niet om de kosten te dekken van de posterijen van het land van bestemming van die zendingen, vooral omdat zonder instemming van de ontwikkelingslanden geen hogere eindkosten konden worden voorgeschreven.
8 In 1987 sloten openbare postbedrijven van sommige lidstaten van de Europese Gemeenschap en van derde landen in het kader van de Europese Conferentie voor Post en Telecommunicatie te Bern (Zwitserland) een overeenkomst tot invoering van een nieuwe formule voor de berekening van de tarieven van de eindkosten.
9 Op 13 december 1995 sloten zestien posterijen, waaronder die van alle lidstaten van de Europese Unie behalve Spanje, en die van Noorwegen en IJsland de Reims I-overeenkomst". Volgens die overeenkomst moesten de eindkosten geleidelijk worden verhoogd gedurende een periode van zes jaar. In 2001 moesten deze kosten 80 % van de binnenlandse posttarieven bereiken. Op grond van een ontbindend beding betreffende de toetreding van de Spaanse posterijen is die overeenkomst op 30 september 1997 verstreken.
10 Op 9 juli 1997 ondertekenden de posterijen van tien staten, namelijk Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, IJsland, Italië, Noorwegen, Oostenrijk en Spanje de Reims II-overeenkomst", die op 1 oktober 1997 in werking trad. Deze overeenkomst voorziet in een kortere overgangsperiode. Na afloop van die periode zal artikel 25 WPV niet meer van toepassing zijn tussen de overeenkomstsluitende partijen.
Remailing
11 Blijkens de stukken wordt met betrekking tot remailingdiensten gewoonlijk onderscheid gemaakt tussen fysieke remailing en niet-fysieke remailing, ook immateriële remailing" genoemd.
12 Fysieke remailing omvat de volgende gevallen:
- remailing ABA": brieven uit staat A worden in staat B ter post gebracht teneinde in staat A te worden besteld;
- remailing ABB": brieven uit staat A worden in staat B ter post gebracht om aldaar te worden besteld;
- remailing ABC": brieven uit staat A worden in staat B ter post gebracht om in staat C te worden besteld.
13 Bij niet-fysieke remailing wordt de inhoud van brieven langs elektronische weg overgebracht van staat A naar staat B, waar de informatie wordt afgedrukt om in de staten A, B of C te worden besteld.
Zaak C-148/97
Het hoofdgeding
14 De Europese kredietkaartactiviteiten van de Citibankgroep worden geleid vanuit de European Headquarters van Citibank NA te Brussel. De Citibankgroep heeft in de verschillende lidstaten dochterondernemingen of bijkantoren die actief zijn op de markt van bankdiensten, zoals in Duitsland Citibank Privatkunden AG en Diners Club Deutschland GmbH. Ook CKG, gevestigd te Frankfurt am Main, is één van de ondernemingen van de Citibankgroep. Dit is een dienstverlenend bedrijf dat zich bezighoudt met het verzendgereedmaken en het verzenden van rekeningafschriften, bevestigingen, afrekeningen en verzoeken om betaling of verrekening voor klanten met een Visakaart of andere kaarten.
15 In 1993 besloot de Citibankgroep een centraal bureau op te richten voor het verzendgereedmaken en verzenden van rekeningafschriften en andere uniforme bankafschriften, het Citicorp European Service Center BV (hierna: CESC"), gevestigd te Arnhem (Nederland).
16 Tot en met 30 juni 1995 vond de elektronische verwerking plaats in het rekencentrum van CKG te Frankfurt am Main. De gegevens betreffende klanten met een Visakaart werden eerst via elektronische weg naar het CESC verzonden voor het opstellen van de rekeningafschriften of -bevestigingen, de afrekeningen en de verzoeken om betaling of verrekening. Het CESC drukte deze vervolgens af op standaardformulieren, die daarna voor verzending van een enveloppe werden voorzien en werden gefrankeerd. Die poststukken werden ten slotte voor verzending afgegeven aan PTT Post BV (de Nederlandse posterijen; hierna: PTT Post") te Arnhem. Deze laatste zond de poststukken door aan Deutsche Post voor bezorging aan de geadresseerden in Duitsland.
17 Behalve CKG staan ook nog andere ondernemingen en netwerken van bijkantoren van de Citibankgroep in Frankrijk, België, Spanje, Portugal en Griekenland in verbinding met het centrale bureau van het CESC voor de ontvangst, de verwerking en het afdrukken van gegevens en de verzending per post. Bij CESC werken thans 22 personen voor de verzending van brievenpost naar geadresseerden in de lidstaten van de Europese Unie.
18 Blijkens de stukken worden de gegevens sinds 1 juli 1995 niet meer in de vestigingen van de Citibankgroep in verschillende staten verwerkt, maar centraal voor de gehele wereld door de computers van het gegevensverwerkingscentrum van de Citibankgroep in Sioux Falls (Zuid-Dakota, Verenigde Staten). De aangesloten ondernemingen leveren eerst de klantenstrookjes van de kredietkaarten in bij CKG, waar de gegevens van de aangesloten onderneming, het bedrag van de met de kaart verrichte transactie en de gegevens van de klant worden ingevoerd. Die gegevens worden daarna via satelliet aan het gegevensverwerkingscentrum in Sioux Falls doorgegeven. Daar worden de gegevens verder verwerkt door creditering en overeenkomstige debitering van de rekening van de klant. De aldus verkregen gegevens worden ten slotte via satelliet doorgegeven aan CESC, waar zij worden afgedrukt en verstuurd.
19 Voor de brievenpost voor in Duitsland gedomicilieerde geadresseerden ontvangt PTT Post in Nederland het gebruikelijke port voor internationale post van ongeveer 0,55 DEM. Zij betaalt aan Deutsche Post de eindkosten, die ten tijde van de feiten van het hoofdgeding tussen 0,37 en 0,40 DEM per brief bedroegen.
20 Krachtens artikel 25, lid 3, WPV en § 9 Postgesetz (Postwet) vorderde Deutsche Post voor elke in Duitsland bezorgde brief van CKG het binnenlandse tarief van 1 DEM per brief. Voor de periode tussen 24 februari en 9 juli 1995 vorderde Deutsche Post betaling van 3 668 916 DEM voor de bezorging van brieven waarop als afzender Citicorp European Service Center, P.O. Box 5411, 6802 EK Arnhem, The Netherlands" of Citicorp European Service Center BV, P.O. Box 5200, 7570 GE Oldenzaal, The Netherlands" stond vermeld, en die waren binnengekomen op het postkantoor voor post uit Nederland.
21 Daar CKG weigerde het gevraagde bedrag te betalen, diende Deutsche Post een rechtsvordering in bij het Landgericht Frankfurt am Main. Bij vonnis van 8 mei 1996 wees het Landgericht de vordering af met de motivering, dat Deutsche Post geen contractueel recht kon ontlenen aan artikel 25, lid 3, WPV, omdat deze bepaling enkel een grondslag biedt om in een publiekrechtelijke exploitatieverhouding tarieven na te vorderen. Ook kon het drukken van de brieven in Nederland volgens dit Landgericht niet als een verzendgereedmaken" in de zin van artikel 25 WPV worden aangemerkt. In het kader van de interne markt van de Gemeenschap was het immers niet beslissend dat het drukken en van een enveloppe voorzien van brieven naar het buitenland was overgebracht.
De prejudiciële vragen
22 Op 20 juni 1996 stelde Deutsche Post tegen dat vonnis hoger beroep in bij het Oberlandesgericht Frankfurt am Main, dat de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen heeft gesteld:
1) Moet artikel 90 EG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat een wet tot goedkeuring van de verdragen van de Wereldpostunie van 14 december 1989 een overheidsmaatregel vormt, waarmee in strijd met artikel 90, lid 1, EG-Verdrag een met artikel 86 EG-Verdrag strijdige maatregel is getroffen die niet onder de uitzondering van artikel 90, lid 2, EG-Verdrag valt, voor zover bij die wet de postdienst van lidstaat A het recht wordt verleend, binnenlandse tarieven te vragen voor de bestelling van in lidstaat B afgegeven post, of de bestelling te weigeren ingeval de binnenlandse tarieven niet worden betaald, wanneer de inhoud van de brieven wordt vastgesteld door een onderneming in lidstaat A en via elektronische datatransmissie wordt doorgezonden aan een in lidstaat B gevestigde onderneming, alwaar zij worden gedrukt, verzendklaar worden gemaakt en bij de plaatselijke postdienst aldaar worden afgegeven?
2) Dienen de artikelen 30 en volgende en 59 en volgende EG-Verdrag aldus te worden uitgelegd, dat de bevoegdheid van de postdienst van lidstaat A om binnenlandse port te vragen voor de bestelling van in lidstaat B afgegeven post aan in lidstaat A woonachtige ontvangers, of de bestelling te weigeren ingeval de binnenlandse tarieven niet worden betaald, in strijd is met de waarborg van het vrije verkeer van goederen, wanneer de inhoud van de brieven wordt vastgesteld door een onderneming in lidstaat A en via elektronische datatransmissie wordt doorgezonden aan een in lidstaat B gevestigde onderneming, alwaar zij worden gedrukt, verzendklaar worden gemaakt en bij de plaatselijke postdienst aldaar worden afgegeven?
3) Voor het geval dat uit het antwoord op bovenstaande prejudiciële vragen volgt, dat er sprake is van schending van het gemeenschapsrecht enkel op grond dat de postdienst van lidstaat A boven de in lidstaat B betaalde posttarieven of boven de op grond van het Wereldpostverdrag en/of de CEPT-overeenkomst ontvangen eindkosten binnenlandse port ontvangt of door weigering van de bestelling kan afdwingen:
Moet artikel 5, tweede alinea, EG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat een wet van lidstaat A tot goedkeuring van de verdragen van de Wereldpostunie van 14 december 1989 in haar geheel buiten toepassing blijft, of enkel voor zover betaling van binnenlandse port boven de in lidstaat B betaalde posttarieven en/of boven de op grond van het Wereldpostverdrag of de CEPT-overeenkomst ontvangen eindkosten kan worden gevraagd of door weigering van de bestelling kan worden afgedwongen?
4) Maakt het voor het antwoord op de prejudiciële vragen 1 tot en met 3 verschil, of de in lidstaat B gevestigde onderneming die de brieven drukt, verzendklaar maakt en bij de plaatselijke postdienst afgeeft, deel uitmaakt van hetzelfde concern als de onderneming in lidstaat A die de inhoud van de poststukken vaststelt?
5) Is het antwoord op de prejudiciële vragen 1 tot en met 3 ervan afhankelijk, of de in lidstaat B gevestigde onderneming die de brieven drukt, verzendklaar maakt en bij de plaatselijke postdienst afgeeft, enkel werkzaam is voor de onderneming in lidstaat A die de inhoud van de poststukken vaststelt, dan wel ook voor meerdere soortgelijke opdrachtgevers?"
Zaak C-147/97
Het hoofdgeding
23 GZS, waarvan de aandeelhouders kredietinstellingen zijn die de Eurocardkredietkaarten uitgeven, is de belangrijkste processor" van transacties met Eurocardkredietkaarten in Duitsland. In het kader van haar processing-werkzaamheden stelt GZS voor de houders van die kaarten en voor de aangesloten ondernemingen de maandelijkse afrekeningen op, die als brievenpost worden verstuurd.
24 Aanvankelijk verzorgde GZS zelf het afdrukken van de afrekeningen en voorzag zij deze van een envelop en gaf zij de brieven ter bestelling af bij Deutsche Post. Sinds de zomer van 1995 zendt GZS de noodzakelijke gegevens via elektronische weg naar haar Deense contractpartner voor het opstellen van de afrekeningen. De afrekeningen worden aldaar opgesteld, afgedrukt, van een enveloppe voorzien en vervolgens afgegeven bij de Deense post. Deze geeft ze door aan Deutsche Post voor verdere verzending in Duitsland en bezorging aan in die lidstaat gedomicilieerde geadresseerden. Voor de verzending van de brievenpost voor die geadresseerden ontvangen de Deense posterijen het in Denemarken gebruikelijke port voor internationale post, dat lager is dan het binnenlandse tarief in Duitsland. Zij betalen Deutsche Post de eindkosten, die ten tijde van de feiten van het hoofdgeding 0,36 DEM per brief bedroegen.
25 Krachtens artikel 25, lid 3, WPV en § 9 Postgesetz vorderde Deutsche Post van GZS betaling van 623 984 DEM. Daar GZS weigerde het gevorderde bedrag te betalen, diende Deutsche Post een rechtsvordering in bij het Landgericht Frankfurt am Main, dat de vordering met dezelfde motivering als in punt 21 van dit arrest is vermeld, afwees.
De prejudiciële vragen
26 Op 8 september 1996 stelde Deutsche Post tegen dat vonnis hoger beroep in bij het Oberlandesgericht Frankfurt am Main, dat de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof drie prejudiciële vragen heeft gesteld die identiek zijn met de eerste drie vragen in zaak C-148/97.
27 Bij beschikking van 8 juli 1997 heeft de president van het Hof besloten de zaken te voegen voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en het arrest.
28 Om te beginnen moet worden vastgesteld, dat artikel 25, lid 1, WPV twee gevallen noemt waarin de posterijen van de verdragsluitende staten niet verplicht zijn brievenpostzendingen die om het even welke op zijn grondgebied gedomicilieerde afzender in een andere verdragsluitende staat persoonlijk of via anderen ter post bezorgt of laat bezorgen, te verzenden of bij de geadresseerden af te leveren. Het in artikel 25, lid 1, eerste zin, bedoelde geval betreft brieven die in een andere verdragsluitende staat worden afgegeven om te profiteren van aldaar geldende lagere posttarieven. Artikel 25, lid 1, tweede zin, betreft massale afgiften, ongeacht of zij al dan niet worden verricht om van lagere posttarieven te profiteren.
29 Krachtens artikel 25, lid 2, WPV is lid 1 zonder onderscheid van toepassing op zendingen die worden klaargemaakt in de verdragsluitende staat waar de afzender is gedomicilieerd en nadien naar een andere verdragsluitende staat worden vervoerd, en op zendingen die in die staat verzendklaar werden gemaakt.
30 Volgens artikel 25, lid 3, WPV hebben de posterijen in de in lid 1 bedoelde gevallen het recht de zendingen terug te sturen naar hun plaats van verzending of daarop hun binnenlandse tarieven toe te passen.
31 Blijkens de stukken van zaak C-148/97 drukt CESC op basis van door CKG verwerkte en via telecommunicatiemiddelen doorgestuurde gegevens jaarlijks ongeveer tweeënveertig miljoen poststukken af, die zij vanuit Nederland naar geadresseerden in de lidstaten van de Europese Unie verzendt. Volgens de stukken van zaak C-147/97 zendt GZS op dezelfde wijze aan haar Deense contractpartner de gegevens betreffende ongeveer zeven miljoen kredietkaarthouders door voor verzending door de Deense post.
32 Uit de stukken en de verwijzingsbeschikkingen blijkt ook dat de nationale wettelijke regeling Deutsche Post overeenkomstig artikel 25, lid 3, WPV machtigt om voor elke door CKG en GZS verzonden brief die zij in Duitsland bestelt, het binnenlandse tarief te vorderen.
33 Ten slotte blijkt daaruit, dat voor de beantwoording van de vragen geen rekening behoeft te worden gehouden met het specifieke feit dat de inhoud van de poststukken in casu langs elektronische weg is meegedeeld (niet-fysieke remailing).
34 Daaruit volgt, dat de prejudiciële vragen betrekking hebben op het geval bedoeld in artikel 25, lid 1, tweede zin, WPV, juncto lid 2 van dat artikel, namelijk de massale afgifte bij de posterijen van andere lidstaten van in die lidstaten klaargemaakte of verzendklaargemaakte poststukken. Voor een nuttig antwoord voor de beslechting van de hoofdgedingen behoeft dus niet te worden onderzocht, of CKG en GZS hun zendingen bij de posterijen van andere lidstaten afgeven om van de aldaar geldende lagere tarieven te profiteren.
35 Met betrekking tot de uitlegging van artikel 30 van het Verdrag waarom de verwijzende rechter verzoekt, volstaat de opmerking, dat deze bepaling niet van toepassing is in de hoofdgedingen. De internationale brievenpost is immers een grensoverschrijdende vorm van de universele postdienst die voor de posterijen van de verdragsluitende staat van bestemming de verplichting meebrengt, die poststukken te verzenden en te bestellen.
36 Gelet op de voorgaande overwegingen, moeten de eerste drie vragen aldus worden begrepen, dat de nationale rechter in wezen wenst te vernemen, of de uitoefening door een lichaam als Deutsche Post van het recht uit hoofde van artikel 25, lid 3, WPV om in de in de leden 1, tweede zin, en 2 van dat artikel bedoelde gevallen op massale afgiften bij de posterijen van een andere lidstaat dan die waartoe dat lichaam behoort, zijn binnenlandse posttarieven toe te passen, indruist tegen artikel 90, junctis de artikelen 86 en 59, van het Verdrag.
37 Voor het antwoord op deze vraag, zoals zij is geherformuleerd, moet allereerst worden opgemerkt, dat een lichaam als Deutsche Post, waaraan het alleenrecht op het inzamelen, vervoeren en bestellen van poststukken is verleend, moet worden beschouwd als een onderneming waaraan de betrokken lidstaat uitsluitende rechten heeft verleend, in de zin van artikel 90, lid 1, van het Verdrag (arrest van 19 mei 1993, Corbeau, C-320/91, Jurispr. blz. I-2533, punt 8).
38 Vervolgens zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een onderneming die op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt een wettelijk monopolie bezit, kan worden geacht een machtspositie in de zin van artikel 86 van het Verdrag in te nemen (zie arresten van 10 december 1991, Merci convenzionali porto di Genova, C-179/90, Jurispr. blz. I-5889, punt 14; 13 december 1991, GB-Inno-BM, C-18/88, Jurispr. blz. I-5941, punt 17, en arrest Corbeau, reeds aangehaald, punt 9).
39 Dienaangaande heeft het Hof reeds gepreciseerd, dat ofschoon het enkele feit dat een lidstaat door het verlenen van alleenrechten een machtspositie creëert, als zodanig niet onverenigbaar is met artikel 86, het Verdrag de lidstaten desalniettemin verbiedt maatregelen te nemen of te handhaven welke die bepaling haar nuttig effect kunnen ontnemen (zie arrest van 18 juni 1991, ERT, C-260/89, Jurispr. blz. I-2925, punt 35, en arrest Corbeau, reeds aangehaald, punt 11).
40 Zo bepaalt artikel 90, lid 1, van het Verdrag, dat de lidstaten met betrekking tot de ondernemingen waaraan zij bijzondere of uitsluitende rechten verlenen, geen enkele maatregel nemen of handhaven welke in strijd is met onder meer de mededingingsregels van het Verdrag (zie arrest Corbeau, reeds aangehaald, punt 12).
41 Deze bepaling moet worden gelezen in samenhang met lid 2 van dit artikel, volgens hetwelk de ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang onder de verdragsregels vallen, voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert.
42 Ten slotte moet worden opgemerkt, dat het WPV uitgaat van de hypothese van een markt voor brievenpost waarop de posterijen van de verschillende verdragsluitende staten van de Wereldpostunie niet met elkaar concurreren.
43 In dat verband stelt het WPV regels betreffende het verzenden en bestellen van internationale zendingen aan geadresseerden die zijn gedomicilieerd op het grondgebied van een verdragsluitende staat, welke door de posterijen van andere verdragsluitende staten worden doorgezonden. Een van de basisbeginselen van het WPV, genoemd in artikel 1 daarvan, is de verplichting van de posterijen van de verdragsluitende staat van bestemming om internationale post aan de geadresseerden op hun grondgebied te verzenden en te bestellen en daartoe de snelste middelen van hun brievenpost te gebruiken. In dat opzicht vormen de bij het verdrag van de Wereldpostunie aangesloten staten één enkel postgebied waarbinnen de vrije doorvoer van internationale zendingen in beginsel verzekerd is.
44 De nakoming van de verplichtingen uit het WPV vormt voor de posterijen van de lidstaten als zodanig dus een dienst van algemeen economisch belang in de zin van artikel 90, lid 2, van het Verdrag.
45 In casu is krachtens de Duitse wettelijke regeling Deutsche Post met het beheer van die dienst belast.
46 In punt 5 van dit arrest is eraan herinnerd, dat de posterijen internationale post aanvankelijk bestelden zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. Toen evenwel bleek, dat het postverkeer tussen twee verdragsluitende staten vaak niet in evenwicht was, zodat de posterijen van de verschillende verdragsluitende staten sterk uiteenlopende hoeveelheden internationale post moesten afhandelen, zijn daarvoor specifieke bepalingen ingevoerd, waaronder artikel 25 WPV.
47 Krachtens artikel 25, lid 3, WPV hebben de posterijen van de verdragsluitende staten in het bijzonder het recht, in de in de leden 1 en 2 van die bepaling bedoelde gevallen op de zendingen hun binnenlandse posttarieven toe te passen.
48 Wordt aan een lichaam als Deutsche Post het recht toegekend om in dergelijke gevallen internationale zendingen als binnenlandse post te behandelen, dan schept zulks een situatie waarin dat lichaam ten nadele van de gebruikers van de postdienst misbruik zou kunnen maken van de machtspositie die voortvloeit uit het haar verleende alleenrecht om die zendingen aan de betrokken geadresseerden te verzenden en te bestellen.
49 Derhalve moet worden onderzocht, in hoeverre de uitoefening van een dergelijk recht noodzakelijk is om een dergelijk lichaam in staat te stellen om zijn taak van algemeen belang op grond van de verplichtingen uit het WPV te vervullen en in het bijzonder om dit onder economisch aanvaardbare omstandigheden te doen.
50 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat de verplichting van een lichaam als Deutsche Post om aan geadresseerden op Duits grondgebied zendingen te verzenden en te bestellen, die massaal bij de posterijen van andere lidstaten zijn afgegeven door eveneens op dat grondgebied gedomicilieerde afzenders, zonder dat dit lichaam de mogelijkheid wordt geboden om een vergoeding te verkrijgen voor alle door die verplichting veroorzaakte kosten, de vervulling van die taak van algemeen belang onder evenwichtige economische omstandigheden in gevaar kan brengen.
51 De posterijen van een lidstaat kunnen immers niet tegelijk zowel de kosten dragen die verbonden zijn met de vervulling van de dienst van algemeen economisch belang van verzending en bestelling van internationale zendingen, waartoe zij krachtens het WPV verplicht zijn, als de inkomstenderving als gevolg van het feit dat massale zendingen niet langer worden afgegeven bij de posterijen van de lidstaat waar de geadresseerden zijn gedomicilieerd, maar bij die van andere lidstaten.
52 In dat geval moet de behandeling van grensoverschrijdende post als binnenlandse post, en bijgevolg de heffing van de binnenlandse posttarieven, als een maatregel worden beschouwd die gerechtvaardigd is om Deutsche Post de haar door het WPV opgedragen taak van algemeen belang onder evenwichtige economische omstandigheden te laten vervullen.
53 Dit zou anders zijn, indien de eindkosten voor het inkomende intracommunautaire grensoverschrijdende postverkeer bij overeenkomsten tussen de betrokken posterijen werden vastgesteld in verhouding tot de werkelijke kosten voor behandeling en distributie van die post, zoals bepaald in artikel 13 van richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PB 1998, L 15, blz. 14).
54 Bij gebreke van een overeenkomst tussen de posterijen van de betrokken lidstaten waarbij de eindkosten worden vastgesteld in verhouding tot de werkelijke kosten voor behandeling en distributie van de inkomende grensoverschrijdende post, is het ingevolge artikel 90, lid 2, van het Verdrag dus gerechtvaardigd, dat de wettelijke regeling van een lidstaat zijn posterijen het recht verleent om op zendingen het binnenlandse posttarief toe te passen wanneer in die staat gedomicilieerde afzenders massaal zendingen bij de posterijen van een andere lidstaat afgeven of laten afgeven voor verzending naar de eerste lidstaat.
55 Zelfs indien artikel 25, lid 3, WPV, gelet op de gevolgen daarvan wanneer het wordt toegepast door een lichaam als Deutsche Post, als een belemmering van het vrije verkeer van diensten kan worden beschouwd, staat artikel 90 van het Verdrag dus evenmin aan een dergelijke bepaling in de weg.
56 Voor zover een deel van de kosten voor verzending en bestelling wordt gecompenseerd door de betaling van eindkosten door de posterijen van andere lidstaten, vereist de nakoming van de uit het WPV voortvloeiende verplichtingen door een lichaam als Deutsche Post daarentegen niet, dat op de massaal bij die posterijen afgegeven zendingen het volledige binnenlandse posttarief wordt toegepast.
57 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat een lichaam als Deutsche Post, dat een wettelijk monopolie heeft op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt, kan worden geacht een machtspositie in te nemen in de zin van artikel 86 van het Verdrag.
58 Oefent een dergelijk lichaam het recht uit om het volledige binnenlandse posttarief te eisen, zonder in aanmerking te nemen, in hoeverre de kosten voor verzending en bestelling van zendingen die massaal worden afgegeven bij de posterijen van een andere lidstaat dan die waar zowel de afzenders als de geadresseerden van die zendingen zijn gedomicilieerd, door de door die posterijen betaalde eindkosten worden gecompenseerd, kan zulks derhalve als misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 86 van het Verdrag worden beschouwd.
59 Teneinde te voorkomen dat een lichaam als Deutsche Post het in artikel 25, lid 3, WPV bedoelde recht uitoefent om de zendingen terug te sturen naar hun plaats van verzending, hebben de afzenders immers geen andere keuze dan het volledige binnenlandse tarief te betalen.
60 Zoals het Hof heeft opgemerkt met betrekking tot een verkoopweigering door een onderneming met een machtspositie in de zin van artikel 86 van het Verdrag, zou een dergelijke handelwijze in strijd zijn met het doel van artikel 3, sub g, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, sub g, EG), dat nader is uitgewerkt in artikel 86, met name sub b en c (arrest van 14 februari 1978, United Brands/Commissie, 27/76, Jurispr. blz. 207, punt 183).
61 Uit een en ander volgt dat wanneer een lichaam als Deutsche Post bij gebreke van een overeenkomst tussen de posterijen van de betrokken lidstaten waarbij de eindkosten worden vastgesteld in verhouding tot de werkelijke kosten voor behandeling en distributie van de inkomende grensoverschrijdende post, het recht uit hoofde van artikel 25, lid 3, WPV, in de versie van 14 december 1989, uitoefent om in de in de leden 1, tweede zin, en 2 van dat artikel bedoelde gevallen op massale afgiften bij de posterijen van een andere lidstaat dan die van dat lichaam zijn binnenlandse posttarieven toe te passen, zulks niet indruist tegen artikel 90, junctis de artikelen 86 en 59, van het Verdrag. Daarentegen druist de uitoefening van dat recht wel in tegen artikel 90, lid 1, juncto artikel 86, van het Verdrag, voor zover een dergelijk lichaam het volledige binnenlandse posttarief kan eisen dat geldt in de lidstaat van dat lichaam, zonder de door die posterijen voor die zendingen betaalde eindkosten in mindering te brengen.
62 Gelet op het antwoord op de eerste drie vragen, behoeven de andere prejudiciële vragen niet meer te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
63 De kosten door de Deense, de Griekse, de Franse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Oostenrijkse en de Finse regering alsmede door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Oberlandesgericht Frankfurt am Main bij beschikkingen van 25 maart 1997 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Wanneer een lichaam als Deutsche Post AG bij gebreke van een overeenkomst tussen de posterijen van de betrokken lidstaten waarbij de eindkosten worden vastgesteld in verhouding tot de werkelijke kosten voor behandeling en distributie van de inkomende grensoverschrijdende post, het recht uit hoofde van artikel 25, lid 3, van het Wereldpostverdrag, in de versie van 14 december 1989, uitoefent om in de in de leden 1, tweede zin, en 2 van dat artikel bedoelde gevallen op massale afgiften bij de posterijen van een andere lidstaat dan die van dat lichaam zijn binnenlandse tarieven toe te passen, druist zulks niet in tegen artikel 90 EG-Verdrag (thans artikel 86 EG), junctis de artikelen 86 EG-Verdrag (thans artikel 82 EG) en 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 49 EG). Daarentegen druist de uitoefening van dat recht wel in tegen artikel 90, lid 1, juncto artikel 86, van het Verdrag, voor zover een dergelijk lichaam het volledige binnenlandse posttarief kan eisen dat geldt in de lidstaat van dat lichaam, zonder de door die posterijen voor die zendingen betaalde eindkosten in mindering te brengen.
Full & Egal Universal Law Academy