Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Ouderdoms- en overlijdensverzekering - Berekening van uitkeringen - Nationale wettelijke regeling die uitkering vaststelt op basis van gemiddelde bijdrage of premie gedurende referentieperiode - Voorwaarden voor toepassing op werknemer die werkzaamheden beëindigt in lidstaat waar andere wettelijke regeling wordt toegepast, en die geen bijdragen heeft betaald krachtens wettelijke regeling die van toepassing was tijdens referentieperiode - Berekening van gemiddelde bijdrage of premie op basis van bijdragen die werkelijk zijn betaald krachtens toepasselijke wettelijke regeling en aanpassing van pensioenbedrag - Schending van beginselen van gemeenschapsrecht - Geen
(EG-Verdrag, art. 51; verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 47, lid 1, sub e, en bijlage VI, D, punt 4)
Samenvatting
Artikel 47, lid 1, sub g, van verordening nr. 1408/71 impliceert enerzijds, dat bij de vaststelling van de ouderdoms- en invaliditeitspensioenen krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat, volgens welke het bedrag van de pensioenen wordt berekend op basis van een gemiddelde bijdragegrondslag, die gelijk is aan het loon gedurende een bepaald aantal jaren voorafgaande aan de pensionering of het intreden van de invaliditeit, in het geval van werknemers die, na aan de wettelijke regeling van die lidstaat onderworpen te zijn geweest, werkzaamheden in loondienst in een andere lidstaat hebben hervat en tot het einde van hun loopbaan zijn blijven uitoefenen, voor de berekening van de gemiddelde bijdragegrondslag alleen wordt uitgegaan van het bedrag van de krachtens de betrokken wettelijke regeling betaalde premies, en anderzijds, dat dit bedrag moet worden geactualiseerd en aangepast opdat het overeenstemt met het bedrag dat de betrokkenen daadwerkelijk zouden hebben betaald indien zij hun werkzaamheden onder dezelfde voorwaarden in de betrokken lidstaat hadden voortgezet.
De modaliteiten van toepassing van artikel 47 op Spanje, die bij verordening nr. 1248/92 in bijlage VI, D, punt 4, bij verordening nr. 1408/71 zijn ingevoegd, komen overeen met die uitlegging. Deze bepalingen verduidelijken immers slechts de modaliteiten van de verordening, volgens welke de gemiddelde bijdrage uitsluitend wordt vastgesteld op basis van de tijdvakken van verzekering die krachtens de betrokken wetgeving zijn vervuld, zonder dat zij de inhoud van artikel 47, lid 1, sub g, van verordening nr. 1408/71 wijzigen, en hebben slechts tot doel, de verenigbaarheid van deze regel met de beginselen van artikel 51 van het Verdrag te verzekeren.
Dienaangaande hoeft in het licht van de beginselen van gemeenschapsrecht niet te worden onderscheiden tussen actualisering van de bijdrage en herwaardering van het pensioenbedrag. In beide gevallen is het nagestreefde doel hetzelfde: het moet het met name mogelijk maken, dat op basis van de werkelijke premies of bijdragen van de verzekerde vóór zijn vertrek naar het buitenland en middels een echte actualisering, waarbij rekening wordt gehouden met de evolutie van de consumptieprijzen en de verhogingen van uitkeringen van dezelfde aard, uiteindelijk een pensioenbedrag wordt verkregen dat overeenstemt met het bedrag dat de migrerende werknemer zou hebben ontvangen indien hij zijn werkzaamheden onder dezelfde voorwaarden in de betrokken lidstaat had voortgezet.
Partijen
In zaak C-153/97,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Tribunal Supremo (Spanje), in het aldaar aanhangig geding tussen
A. Grajera Rodríguez
en
Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS),
Tesorería General de la Seguridad Social (TGSS),
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van bijlage VI, D, punt 4, bij verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6), aangepast bij bijlage I, deel VIII, bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 23), en vervolgens gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB L 136, blz. 7), en over de uitlegging van voornoemde verordening,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet (rapporteur), kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida, C. Gulmann, D. A. O. Edward en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- A. Grajera Rodríguez, vertegenwoordigd door R. Méndez Robleda en B. Mayo Martínez, advocaten te Orense,
- de Spaanse regering, vertegenwoordigd door R. Silva de Lapuerta, abogado del Estado, als gemachtigde,
- de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door D. Canga Fano en A. Lo Monaco, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Hillenkamp, juridisch adviseur, en I. Martínez del Peral, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van A. Grajera Rodríguez, de Spaanse regering, de Raad en de Commissie ter terechtzitting van 16 juli 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 oktober 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 17 maart 1997, ingekomen bij het Hof op 23 april daaraanvolgend, heeft het Tribunal Supremo krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de geldigheid van bijlage VI, D, punt 4, bij verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6), aangepast bij bijlage I, deel VIII, bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 23), en vervolgens gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB L 136, blz. 7; hierna: "verordening"), en over de uitlegging van voornoemde verordening.
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen A. Grajera Rodríguez enerzijds en het Instituto Nacional de la Seguridad Social (hierna: "INSS") en de Tesorería General de la Seguridad Social anderzijds, betreffende de berekening van het ouderdomspensioen van Grajera Rodríguez.
3 Artikel 46 van de verordening bevat de regels voor vaststelling van de uitkeringen bedoeld in het hoofdstuk betreffende de ouderdoms- en overlijdenspensioenen. Artikel 46, lid 2, bevat onder meer de volgende regel:
"a) het bevoegde orgaan berekent het theoretische bedrag van de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en van wonen, welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de lidstaten waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, in de betrokken staat en krachtens de op de datum van vaststelling van de uitkering door dit orgaan toegepaste wetgeving zouden zijn vervuld. Indien het bedrag van de uitkering volgens deze wetgeving onafhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken, wordt dit bedrag beschouwd als het in deze alinea bedoelde theoretische bedrag."
4 Artikel 47 geeft aanvullende regels voor de berekening van de uitkeringen. Artikel 47, lid 1, bevat bijzondere bepalingen voor de berekening van het in artikel 46, lid 2, sub a, bedoelde theoretische bedrag, waaronder met name de volgende:
"g) het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wetgeving bepaalt dat bij de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van een gemiddelde premie of bijdrage, stelt deze premie of bijdrage uitsluitend vast aan de hand van de tijdvakken van verzekering die krachtens de wetgeving van bedoelde lidstaat zijn vervuld".
5 Ten slotte bevat bijlage VI bij de verordening, waarin volgens artikel 89 van de verordening de bijzonderheden inzake de toepassing van de wetgevingen van bepaalde lidstaten worden vermeld, in deel "D. Spanje", punt 4, de twee volgende alinea's:
"a) Op grond van artikel 47 van de verordening geschiedt de berekening van de Spaanse theoretische uitkering op basis van de werkelijke premies of bijdragen van de verzekerde gedurende de jaren onmiddellijk voorafgaande aan de betaling van de laatste premie of bijdrage aan de Spaanse sociale zekerheid.
b) Het bedrag van het verkregen pensioen zal worden verhoogd met het bedrag van de verhogingen en aanpassingen, berekend voor de pensioenen van dezelfde aard voor elk jaar daarna en tot het jaar dat aan de intreding van de verzekerde gebeurtenis voorafgaat."
6 Uit de stukken blijkt, dat volgens de Spaanse wetgeving het bedrag van de ouderdomspensioenen en de pensioenen wegens blijvende invaliditeit voor werknemers niet varieert naar gelang van het aantal tijdvakken van premiebetaling of de lengte van de loopbaan van de betrokkenen, maar wordt berekend aan de hand van een gemiddelde bijdragegrondslag, die gelijk is aan het loon gedurende een bepaald aantal jaren voorafgaande aan de pensionering of het intreden van de invaliditeit. Meer in het bijzonder bepaalt artikel 3 van wet 26/85 van 31 juli 1985, die ten tijde van de feiten van het hoofdgeding van toepassing was en waarvan de bepalingen voor het grootste deel zijn overgenomen in de artikelen 140 en 162 van de herziene tekst van de Ley General de Seguridad Social, goedgekeurd bij wetgevend koninklijk decreet 1/1994 van 20 juni 1994, dat de berekeningsgrondslag van pensioenen wordt vastgesteld op basis van de premies of bijdragen die de betrokkene in de 96 maanden onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van de verzekerde gebeurtenis (aanvraag van pensioen of aangifte van blijvende invaliditeit) heeft betaald, gedeeld door 112. Volgens deze bepalingen wordt met betrekking tot de bijdragen die zijn betaald in de 24 maanden voorafgaand aan het intreden van de verzekerde gebeurtenis, uitgegaan van de nominale waarde, terwijl op de overige bijdragen het stijgingspercentage van de prijsindex wordt toegepast. Indien er gedurende de betrokken periode of een deel daarvan geen bijdrageplicht bestond, worden de leemtes opgevuld door toepassing van de minimumgrondslagen voor werknemers ouder dan 18 jaar. Ten slotte mag de premiegrondslag hoe dan ook niet lager zijn dan de minimumgrondslag en niet hoger dan de maximumgrondslag waarin de geldende wettelijke regeling voorziet.
7 Grajera Rodríguez, een werknemer van Spaanse nationaliteit, werkte in Spanje in loondienst van 1953 tot 1961 en van 1967 tot 1969, en in Duitsland van 1961 tot 1967 en van 1969 tot 1993.
8 In 1993 kende het INSS hem een maandelijks rustpensioen toe van 5 141 PTA, berekend op basis van de bijdragen die hij vóór 1969 in Spanje had betaald, met aanpassing, overeenkomstig de regels die voortvloeien uit bijlage VI, D, punt 4, bij de verordening. De betrokkene betwistte het bedrag van dit pensioen met het betoog, dat het in aanmerking te nemen referentietijdvak het tijdvak tussen 1985 en 1992 was, dat wil zeggen de acht jaren vóór zijn pensionering.
9 De Juzgado de lo Social nr. 30 van Madrid wees het beroep van Grajera Rodríguez bij vonnis van 24 januari 1995 toe, en veroordeelde het INSS tot betaling aan laatstgenoemde van een pensioen berekend op basis van de maximumbijdragen die gedurende die periode van toepassing waren op arbeiders in Spanje, dat wil zeggen, rekening houdend met bepaalde aanvullingen, een pensioen van 18 517 PTA per maand.
10 In het door het INSS ingestelde hoger beroep vernietigde het Tribunal Superior de Madrid op 9 april 1996 voormeld vonnis, en verklaarde het, dat het ouderdomspensioen van verzoeker moest worden berekend op basis van de bijdragen gedurende de laatste acht jaar vóór 1969, het laatste jaar van bijdragebetaling aan de Spaanse sociale zekerheid, met de vanaf dat tijdstip tot aan zijn pensionering toepasselijke aanpassingen.
11 Het Tribunal Supremo, waarbij het beroep tot cassatie aanhangig werd gemaakt, twijfelt aan de geldigheid van de uit bijlage VI, D, punt 4, bij de verordening voortvloeiende berekeningsmethode, gelet op de artikelen 48 en 51 EG-Verdrag. Hoewel de hoogste Spaanse rechterlijke instantie erkent, dat het Hof zich in het arrest van 12 september 1996, Lafuente Nieto (C-251/94, Jurispr. blz. I-4187), reeds over een soortgelijke vraag heeft uitgesproken, is het van oordeel, dat bepaalde onzekerheden blijven bestaan. Het heeft dan ook besloten het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
"1) Is de in bijlage VI, D, punt 4, bij verordening (EEG) nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92, neergelegde berekeningsmethode in strijd met de artikelen 48 en 51 EG-Verdrag, wanneer deze methode voor de bepaling van het Spaanse theoretische pensioen uitgaat van de grondslagen op basis waarvan de werknemer gedurende de in aanmerking te nemen periode onmiddellijk voorafgaand aan de betaling van de laatste premie aan de Spaanse sociale zekerheid premies heeft betaald, en het daaruit voortvloeiende theoretische pensioen op dezelfde wijze wordt aangepast als overeenkomstig de Spaanse wetgeving een pensioen zou zijn aangepast, dat is ontstaan op het tijdstip waarop in Spanje de laatste premie werd betaald?
2) Dient, teneinde de gelijke behandeling van de migrerende werknemer voor de sociale zekerheid te waarborgen, de berekeningsgrondslag van het Spaanse pensioen te worden vastgesteld aan de hand van de grondslagen op basis waarvan de migrerende werknemer premie zou hebben betaald indien hij in Spanje was gebleven gedurende de vóór de intreding van de verzekerde gebeurtenis in aanmerking te nemen periode, die in de Spaanse wetgeving algemeen is vastgelegd?"
12 Met zijn twee vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de uit bijlage VI, D, punt 4, bij de verordening (hierna: "de litigieuze bijlage") voortvloeiende berekeningsmethode in strijd is met de artikelen 48 en 51 van het Verdrag, en of de berekeningsgrondslag van het Spaanse pensioen moet worden vastgesteld aan de hand van de theoretische grondslagen waarop de migrerende werknemer bijdragen zou hebben moeten betalen indien hij in Spanje was gebleven tijdens de periode onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van de verzekerde gebeurtenis.
13 Blijkens de verwijzingsbeschikking meent de nationale rechter, dat enkel de actualisering van de premiegrondslag in overeenstemming is met de beginselen van gemeenschapsrecht, en niet de in de litigieuze bijlage neergelegde herwaardering van het pensioenbedrag. Teneinde de migrerende werknemer die tijdens de referentieperiode van de nationale wettelijke regeling in Spanje geen bijdragen heeft betaald, te bestraffen noch te bevoordelen, moet volgens hem "als criterium voor de berekeningsgrondslag [worden] genomen, de gemiddelde grondslagen van het in aanmerking te nemen tijdvak voorafgaand aan het intreden van de verzekerde gebeurtenis, dat wil zeggen het gemiddelde van de minimum- en de maximumgrondslagen van de tariefgroep die geldt voor de beroepscategorie van de werknemer in de laatste acht jaar".
14 Volgens Grajera Rodríguez is de bij de litigieuze bijlage ingevoerde berekeningsmethode in strijd met de artikelen 48 en 51 van het Verdrag, met name omdat het in de praktijk onmogelijk is deze methode toe te passen aangezien gegevens over de werkelijke premies of bijdragen van de verzekerde ontbreken, en omdat zij kennelijk discriminerend is ten aanzien van de migrerende werknemer. Verzoeker in het hoofdgeding meent, dat voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag de bedragen die de werknemer werkelijk heeft ontvangen tijdens de acht jaar onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van de verzekerde gebeurtenis, in aanmerking moeten worden genomen (zelfs indien zij in een andere lidstaat zijn ontvangen), onder voorbehoud van de grenzen van de Spaanse wetgeving. Subsidiair stelt hij voor, dat de berekeningsgrondslag van het Spaanse pensioen wordt vastgesteld op basis van de premiegrondslagen waarop de migrerende werknemer bijdragen zou hebben betaald indien hij in Spanje was gebleven tijdens de in aanmerking te nemen periode voorafgaand aan het intreden van de verzekerde gebeurtenis, zoals op algemene wijze in de Spaanse wetgeving is bepaald.
15 Onder verwijzing naar met name het arrest Lafuente Nieto, reeds aangehaald, betoogt de Spaanse regering daarentegen, dat de litigieuze bijlage er juist naar streeft de verenigbaarheid van artikel 47, lid 1, sub g, met de doelstellingen van het Verdrag te verzekeren. Zij is van mening, dat de voorziene berekeningsmethode in overeenstemming is met de in Spanje geldende algemene beginselen inzake sociale zekerheid, en zij preciseert, dat zowel de premiegrondslagen als het daaruit voortvloeiende pensioen worden geactualiseerd om een correcte aanpassing van de in het verleden toegepaste premiegrondslagen te garanderen.
16 Ook de Raad en de Commissie stellen voor, de door het Hof in het arrest Lafuente Nieto (reeds aangehaald) neergelegde beginselen te volgen. Volgens die beginselen houden de litigieuze bepalingen in, dat het theoretische uitkeringsbedrag, berekend op basis van de door de verzekerde krachtens de Spaanse wetgeving werkelijk betaalde premies, naar behoren wordt aangepast en verhoogd alsof de betrokkene zijn werkzaamheden onder dezelfde voorwaarden in Spanje had voortgezet. Het is in het licht van die beginselen dat de problemen bij de uitlegging van de nationale wetgeving, zoals het door de verwijzende rechter opgeworpen probleem, moeten worden opgelost. De Raad en de Commissie sluiten bovendien niet uit, dat eventueel rekening moet worden gehouden met het verdrag inzake sociale zekerheid tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk Spanje van 4 december 1973, in werking getreden op 1 november 1977 (hierna: "verdrag"), voor zover toepassing daarvan voor de betrokkene werkelijk gunstiger is dan toepassing van de verordening.
17 Er zij aan herinnerd, dat artikel 47 van de verordening, waarvan de litigieuze bijlage de toepassingsvoorwaarden inzake Spanje preciseert, een aanvullende regel vormt voor de berekening van het in artikel 46, lid 2, sub a, van de verordening bedoelde theoretische bedrag van de uitkering. Zij moet dus worden uitgelegd in het licht van laatstgenoemde bepaling en, zoals het Hof in het arrest van 9 augustus 1994, Reichling (C-406/93, Jurispr. blz. I-4061), overwoog, in het licht van het doel van artikel 51 van het Verdrag, dat onder meer inhoudt, dat voor migrerende werknemers de uitoefening van hun recht van vrij verkeer niet tot vermindering van het bedrag van hun socialezekerheidsuitkeringen mag leiden.
18 Anders dan verzoeker in het hoofdgeding betoogt, betekent de verplichting om migrerende werknemers die hun recht op vrij verkeer hebben uitgeoefend, niet te benadelen, evenwel niet, dat de in geding zijnde bepaling noodzakelijkerwijze in strijd is met het in artikel 51 neergelegde doel, omdat het ingevolge deze bepaling niet mogelijk is om voor de berekening van de gemiddelde premiegrondslag uit te gaan van het bedrag van de in een andere lidstaat betaalde premies. Deze verplichting houdt enkel in, dat deze grondslag voor de migrerende werknemer dezelfde moet zijn als wanneer hij zijn recht op vrij verkeer niet had uitgeoefend (arrest van 9 oktober 1997, Naranjo Arjona e.a., C-31/96, C-32/96 en C-33/96, Jurispr. blz. I-5501, punt 21).
19 Wanneer dus in een situatie als in het hoofdgeding, overeenkomstig de bepalingen van artikel 47, lid 1, sub g, van de verordening alleen rekening moet worden gehouden met het bedrag van de krachtens de betrokken wettelijke regeling betaalde premies, moet dit bedrag worden geactualiseerd en aangepast opdat het overeenstemt met het bedrag dat de betrokkenen daadwerkelijk zouden hebben betaald indien zij hun werkzaamheden onder dezelfde voorwaarden in de betrokken lidstaat hadden voortgezet (arrest Lafuente Nieto, reeds aangehaald, punten 39 en 40).
20 Het Hof heeft reeds zowel in het arrest Lafuente Nieto, reeds aangehaald (punten 41 en 42), als in het arrest Naranja Arjona e.a., reeds aangehaald (punten 23 en 24), opgemerkt, dat de bij verordening nr. 1248/92 in bijlage VI, D, punt 4, in verordening nr. 1408/71 ingevoegde nieuwe bepalingen in overeenstemming zijn met deze uitlegging. Deze bepalingen verduidelijken immers slechts de modaliteiten van de verordening, volgens welke de gemiddelde bijdrage uitsluitend wordt vastgesteld aan de hand van de tijdvakken van verzekering die krachtens de betrokken wetgeving zijn vervuld, zonder dat zij de inhoud van artikel 47, lid 1, sub g, wijzigen, en hebben slechts tot doel, de verenigbaarheid van deze regel met de beginselen van artikel 51 van het Verdrag te verzekeren.
21 Gelet op een en ander, hoeft in het licht van de beginselen van gemeenschapsrecht niet te worden onderscheiden tussen actualisering van de bijdrage en herwaardering van het pensioenbedrag. In beide gevallen is het nagestreefde doel hetzelfde, en moet het met name mogelijk maken, dat op basis van de werkelijke premies of bijdragen van de verzekerde vóór zijn vertrek naar het buitenland en middels een echte actualisering, waarbij rekening wordt gehouden met de evolutie van de consumptieprijzen en de verhogingen van uitkeringen van dezelfde aard, uiteindelijk een pensioenbedrag wordt verkregen dat overeenstemt met het bedrag dat de migrerende werknemer zou hebben ontvangen indien hij zijn werkzaamheden onder dezelfde voorwaarden in de betrokken lidstaat had voortgezet.
22 Zoals de advocaat-generaal in punt 18 van zijn conclusie heeft beklemtoond, kunnen de praktische moeilijkheden bij de toepassing van de in de litigieuze bijlage neergelegde regels, die onder meer het gevolg kunnen zijn van het eventuele gebrek aan betrouwbare objectieve gegevens over de oudste premiegrondslagen, niet afdoen aan de geldigheid van die regels. Deze regels leggen immers geen bijzondere wijze van vaststelling van de premiegrondslagen op, noch een methode van actualisering van deze grondslagen of van het overeenkomstige pensioen. Zij streven enkel het in het voorgaande punt genoemde resultaat na, met inachtneming van de uit artikel 47, lid 1, sub g, van de verordening voortvloeiende verplichting om uitsluitend rekening te houden met de tijdvakken van verzekering die krachtens de betrokken wetgeving zijn vervuld.
23 Met een berekeningsmethode zoals die door de verwijzende rechter wordt voorgestaan, kan deze verplichting evenwel niet worden nagekomen, aangezien zij als referentietijdvak een tijdvak hanteert waarin de migrerende werknemer niet daadwerkelijk heeft bijgedragen aan de financiering van het nationale socialezekerheidsstelsel en dat overigens reeds in aanmerking wordt genomen op grond van de wetgeving van de andere lidstaat waarin de betrokkene heeft gewerkt.
24 De litigieuze bijlage houdt bijgevolg enkel in, dat voor de berekening van de premiegrondslag uitsluitend wordt uitgegaan van het bedrag van de krachtens de Spaanse wetgeving betaalde premies, en dat het theoretische uitkeringsbedrag wordt aangepast en verhoogd alsof de betrokkene zijn werkzaamheden onder dezelfde voorwaarden in Spanje had voortgezet. In het geval van een geding over de wijze van vaststelling van de in aanmerking te nemen oorspronkelijke premiegrondslagen en over de methode van actualisering van deze grondslagen en van herwaardering van het daaruit voortvloeiende pensioenbedrag, staat het derhalve aan de rechter bij wie het geding aanhangig is gemaakt, om te bepalen welke middelen naar nationaal recht het meest geschikt zijn om een dergelijk resultaat te bereiken.
25 Zoals de Raad ter terechtzitting heeft opgemerkt, moet er ten slotte op worden gewezen, dat de litigieuze bijlage is aangepast bij verordening (EG) nr. 1223/98 van de Raad van 4 juni 1998 (PB L 168, blz. 1), waarbij sub b de zinsnede "en tot het jaar dat aan de intreding van de verzekerde gebeurtenis voorafgaat" is geschrapt. Zoals de advocaat-generaal in punt 21 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgt uit de achtste overweging van die verordening, waarin uitdrukkelijk naar het arrest Lafuente Nieto (reeds aangehaald) wordt verwezen, dat deze aanpassing ertoe strekt, in alle gevallen een volledige actualisering van het theoretische uitkeringsbedrag mogelijk te maken.
26 Uit alleen deze aanpassing kan evenwel niet worden afgeleid, dat de beperking van het actualiseringstijdvak neergelegd in de voorgaande versie van de litigieuze bijlage, die op dat punt overigens noch door de verwijzende rechter noch door betrokkenen ter discussie is gesteld, ongeldig is in het licht van het in punt 21 van dit arrest in herinnering gebrachte doel. Deze vermelding, ook al was het weglaten ervan volgens de Raad meer in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof, heeft immers slechts een beperkte draagwijdte, voor zover zij volgens een tamelijk wijd verspreide praktijk van vereenvoudiging, enkel een actualisering "per volledig jaar" in aanmerking neemt, en deze actualisering bijgevolg beperkt tot het laatste jaar vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis. Gelet op de geringe invloed van een dergelijke keuze op het uiteindelijke pensioenbedrag, valt zij hoe dan ook binnen de normale beoordelingsvrijheid waarover de Raad bij de vaststelling van de regels ter coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van de verschillende lidstaten beschikt.
27 Afgezien daarvan mogen de in geding zijnde bepalingen van de verordening, zoals de Raad en de Commissie hebben opgemerkt, niet in de weg staan aan eventuele toepassing van het in punt 16 van dit arrest genoemde verdrag, voor zover de betrokkene daarop beroep zou kunnen doen zo dit gunstiger mocht blijken te zijn.
28 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het Hof in het arrest van 7 februari 1991, Rönfeldt (C-227/89, Jurispr. blz. I-323), voor recht heeft verklaard, dat de artikelen 48 en 51 van het Verdrag zich ertegen verzetten dat werknemers socialezekerheidsvoordelen verliezen doordat tussen twee of meer lidstaten geldende en in hun nationale recht opgenomen verdragen ingevolge de inwerkingtreding van verordening nr. 1408/71 van de Raad niet meer toepasselijk zijn. In het arrest van 9 november 1995, Thévenon (C-475/93, Jurispr. blz. I-3813), heeft het Hof gepreciseerd, dat dit beginsel evenwel niet geldt voor werknemers die pas na de inwerkingtreding van deze verordening van hun recht van vrij verkeer gebruik hebben gemaakt.
29 In het hoofdgeding staat vast, dat de betrokkene zijn werkzaamheden in loondienst in Duitsland reeds uitoefende vóór de inwerkingtreding in Spanje, op 1 januari 1986, van de verordening, waarvan de bepalingen die van het verdrag, behoudens uitzonderingen, hebben vervangen. Deze vervanging mag niet ertoe leiden, dat de betrokkene in voorkomend geval rechten en voordelen verliest die voor hem uit het verdrag voortvloeiden.
30 Gelijk het Hof in punt 28 van het arrest Naranjo Arjona e.a. (reeds aangehaald) opmerkte, heeft actualisering van de bijdragen overeenkomstig de bepalingen van de verordening, zoals zij door het Hof zijn uitgelegd, dezelfde doeleinden als het verdrag en zou zij normalerwijze de verwezenlijking van deze doeleinden mogelijk moeten maken. Het is evenwel niet uitgesloten, dat de toepassing van de regels van het verdrag, die het mogelijk maken rekening te houden met het niveau van de premiegrondslag dat de werknemer aan het einde van zijn loopbaan in Duitsland bereikt, ook al verwijzen zij naar de premiegrondslagen die in Spanje voor de betrokken beroepscategorie gelden, voor de betrokkene tot een gunstiger resultaat leidt dan toepassing van de in geding zijnde bepalingen.
31 Het staat derhalve aan de verwijzende rechter om te onderzoeken, of toepassing van dit verdrag voor de betrokken werknemer inderdaad gunstiger of minder gunstig blijkt te zijn dan toepassing van de verordening. In het eerste geval zullen, bij wijze van uitzondering en overeenkomstig het in het arrest Rönfeldt (reeds aangehaald) neergelegde beginsel, de regels van het verdrag moeten worden toegepast. In het andere geval zullen de regels van de verordening, zoals zij door het Hof zijn uitgelegd, moeten worden toegepast.
32 Op de vragen van de nationale rechter moet derhalve worden geantwoord, dat bij onderzoek van de prejudiciële vragen niet is gebleken van elementen waardoor de geldigheid van de litigieuze bijlage wordt aangetast.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
33 De kosten door de Spaanse regering, de Raad en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunal Supremo bij beschikking van 17 maart 1997 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Bij onderzoek van de prejudiciële vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van bijlage VI, D, punt 4, bij verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, aangepast bij bijlage I, deel VIII, bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen, en vervolgens gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992.
Full & Egal Universal Law Academy