Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Procedure - Mondelinge behandeling - Rapport ter terechtzitting van rechter-rapporteur - Doel
2 EGA - Voorzieningsregeling - Afwegen van vraag en aanbod - Vereenvoudigde procedure - Voorlegging van leveringscontract dat geografische oorsprong van materiaal niet vermeldt - Recht van Agentschap partijen te verzoeken dossier aan te vullen - Verplichting voor Agentschap, zijn besluit betreffende afsluiting van contract binnen gestelde termijn te nemen - Aanvang van termijn
(EGA-Verdrag, art. 2, sub d, en 60; verordening van het EGA-Voorzieningsagentschap waarbij de wijze wordt bepaald waarop vraag en aanbod voor ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen tegen elkaar worden afgewogen, art. 5 bis, sub f)
3 Hogere voorziening - Middelen - Loutere herhaling van reeds voor Gerecht aangevoerde middelen en argumenten - Niet-ontvankelijkheid
4 EGA - Voorzieningsregeling - Afwegen van vraag en aanbod - Exclusief recht om leveringscontracten af te sluiten - Verplichting voor Agentschap, aan alle bestellingen te voldoen - Levering van grondstoffen van buiten Gemeenschap - Daaronder begrepen - Grenzen - Inachtneming van doel van regelmatige en billijke voorziening van gebruikers in Gemeenschap - Vereenvoudigde procedure - Beslissingsbevoegdheid van Agentschap - Draagwijdte van rechterlijke toetsing
(EGA-Verdrag, art. 2, sub d, 52 en 61; verordening van het EGA-Voorzieningsagentschap waarbij de wijze wordt bepaald waarop vraag en aanbod voor ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen tegen elkaar worden afgewogen, art. 5 bis)
Samenvatting
1 Het is de bedoeling van het rapport van de rechter-rapporteur de gegevens van de zaak, rechtens en feitelijk, alsook de middelen en argumenten van partijen samengevat weer te geven. Eventueel kunnen de partijen vóór of tijdens de terechtzitting verzoeken daarin rectificaties aan te brengen, of voorbehoud maken.
2 Bij de toepassing van artikel 5 bis van de verordening van het Voorzieningsagentschap van Euratom waarbij de wijze wordt bepaald waarop vraag en aanbod voor ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen tegen elkaar worden afgewogen, volgens hetwelk elk leveringscontract in het kader van een "vereenvoudigde procedure" om het af te sluiten aan het Agentschap ter ondertekening moet worden voorgelegd en het Agentschap over een termijn van tien werkdagen beschikt om zich uit te spreken, hetzij door het contract af te sluiten hetzij door te weigeren het af te sluiten, neemt de geografische oorsprong van de te leveren stoffen een centrale plaats in onder de elementen die moeten worden meegedeeld, daar de kennis daarvan door het Agentschap onmisbaar is om de met de voorzieningspolitiek beoogde zekerheid van voorziening te garanderen.
Volgens artikel 2, sub d, EGA-Verdrag moet de Gemeenschap immers zorgen voor een regelmatige en billijke erts- en splijtstofvoorziening van alle gebruikers in de Gemeenschap. Een regelmatige voorziening is evenwel duidelijk nauw verbonden met diversificatie van de voorzieningsbronnen. Artikel 60 van dit Verdrag, waarin wordt gepreciseerd, dat de gebruikers van grondstoffen aan het Agentschap op gezette tijden de plaatsen van herkomst van de leveranties meedelen, bevestigt dat het voor het Agentschap van belang is de geografische oorsprong van de leveranties te kennen om het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid ten uitvoer te kunnen leggen.
Het Agentschap kon partijen dus enerzijds verzoeken, het dossier aan te vullen door de oorsprong van het te leveren materiaal mee te delen. Al is het Agentschap volgens artikel 5 bis, sub f, van de verordening verplicht zich binnen een termijn van tien dagen uit te spreken, toch is het het Agentschap niet verboden, bij onvolledigheid van het voorgelegde contract, met name bij ontbreken van de inlichtingen waarover partijen met betrekking tot de herkomst van de te leveren stoffen beschikken, een dergelijke maatregel van instructie te treffen wanneer het verzoek om inlichtingen binnen die termijn wordt gedaan.
Anderzijds bestaat de verplichting voor het Agentschap om snel te beslissen of een contract al dan niet wordt afgesloten, immers slechts indien dit contract alle inlichtingen bevat die het Agentschap nodig heeft om zijn toezicht op de voorzieningsbronnen te kunnen uitoefenen. De termijn van artikel 5 bis, sub f, van de verordening gaat derhalve pas in bij de ontvangst van het volledige dossier. Bij elke andere uitlegging zou het Agentschap in geval van ontbreken van toereikende inlichtingen de afsluiting van het contract van meet af aan moeten weigeren, hetgeen in bepaalde omstandigheden buitensporig kan zijn, met name wanneer de verwachte inlichtingen dit gevolg niet zouden rechtvaardigen.
3 Een hogere voorziening waarin slechts de in eerste aanleg aangevoerde middelen en argumenten worden herhaald of slechts naar de daarin aangevoerde middelen en argumenten wordt verwezen, is in werkelijkheid een verzoek om een heronderzoek van het voor het Gerecht ingediende verzoekschrift, iets waartoe het Hof niet bevoegd is, zodat deze middelen en argumenten niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
4 Volgens artikel 61, eerste alinea, EGA-Verdrag is het Voorzieningsagentschap van Euratom verplicht aan alle bestellingen te voldoen, tenzij juridische of materiële bezwaren zich daartegen verzetten. Het bestaan van een bezwaar moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de in de artikelen 2, sub d, en 52 van het Verdrag geformuleerde doelstellingen van het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid. Al staat dit artikel 61 in afdeling 2, "Ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen herkomstig uit de Gemeenschap", van hoofdstuk 6, betreffende de voorziening, en wordt met betrekking tot de levering van grondstoffen uit derde landen nergens in het Verdrag naar deze tekst verwezen, toch gelden voor het optreden van het Agentschap ten aanzien van deze laatstgenoemde grondstoffen soortgelijke vereisten als die van dit artikel, aangezien het Agentschap verplicht is aan de door de gebruikers geplaatste bestellingen te voldoen en er daarbij voor moet zorgen, dat bepaalde grenzen niet worden overschreden.
Een van die grenzen waarvan de overschrijding een juridisch bezwaar in de zin van dit artikel 61 kan opleveren, is ongetwijfeld de inachtneming van het door het Verdrag nagestreefde doel van regelmatige en billijke voorziening van de gebruikers in de Gemeenschap. Op grond daarvan is het Agentschap, dat daartoe het exclusieve recht heeft de leveringscontracten af te sluiten, verplicht om er onder het toezicht van de Commissie voor te zorgen, dat bepaalde bestellingen geen afbreuk doen aan de diversificatie van de voorziening en geen inbreuk maken op het non-discriminatiebeginsel, ongeacht of de leveranties van communautaire of van andere oorsprong zijn. Door deze taak vormt het Agentschap een essentieel instrument van het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid.
Anderzijds worden door de vereenvoudigde procedure van artikel 5 bis van de verordening van het Voorzieningsagentschap van Euratom waarbij de wijze wordt bepaald waarop vraag en aanbod voor ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen tegen elkaar worden afgewogen, het Agentschap niet zijn exclusieve rechten ontnomen, zodat het zelfs in dat kader het recht heeft, zich te verzetten tegen een contract dat de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar zou kunnen brengen. Met name spoort het niet met de doelstellingen van het Verdrag, de beslissingsbevoegdheid van het Agentschap te beperken wanneer het de herkomst van de leveranties niet kent of wanneer het gegronde redenen heeft om aan te nemen, dat de herkomst van de producten de zekerheid van de voorziening van de lidstaten van de Gemeenschap in gevaar kan brengen. Dienaangaande beschikt het Agentschap bij beslissingen op het gebied van het economisch, handels- en nucleair beleid waarbij ingewikkelde economische situaties moeten worden beoordeeld, over een ruime beoordelingsvrijheid en dient de rechterlijke controle beperkt te blijven tot gevallen van kennelijk verkeerde beoordeling of van misbruik van bevoegdheid.
Partijen
In zaak C-161/97 P,
Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbH, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Lingen (Duitsland), vertegenwoordigd door B. Kunth, G. Wiedemann en H. Nicolaus, advocaten te Düsseldorf, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Bonn, advocaat aldaar, Côte d'Eich 22,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Eerste kamer - uitgebreid) van 25 februari 1997, Kernkraftwerke Lippe-Ems/Commissie (T-149/94 en T-181/94, Jurispr. blz. II-161), strekkende tot vernietiging van dat arrest, andere partij bij de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Grunwald, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, D. A. O. Edward en M. Wathelet (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbH en de Commissie ter terechtzitting van 24 september 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 november 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij een op 25 april 1997 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de vennootschap Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbH (hierna: "KLE") krachtens artikel 50 van 's Hofs Statuut-EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 25 februari 1997, Kernkraftwerke Lippe-Ems/Commissie (T-149/94 en T-181/94, Jurispr. blz. II-161; hierna: "bestreden arrest"), waarbij haar verzoeken tot nietigverklaring van de beschikkingen 94/95/Euratom van de Commissie van 4 februari 1994 en 94/285/Euratom van de Commissie van 21 februari 1994 betreffende de toepassing van artikel 53, tweede alinea, van het EGA-Verdrag (PB L 48, blz. 45, respectievelijk L 122, blz. 30), werden afgewezen.
Rechtskader
2 Naar luid van artikel 1, tweede alinea, EGA-Verdrag heeft de Gemeenschap
"tot taak, door het scheppen van de voorwaarden noodzakelijk voor de snelle totstandkoming en groei van de industrie op het gebied van de kernenergie, bij te dragen tot de verhoging van de levensstandaard in de lidstaten en de ontwikkeling van de betrekkingen met andere landen".
3 Volgens artikel 2, sub d, EGA-Verdrag moet de Gemeenschap "waken voor een regelmatige en billijke erts- en splijtstofvoorziening van alle gebruikers in de Gemeenschap". De nakoming van deze verplichting is geregeld in titel II, hoofdstuk 6 (artikelen 52-76 van dit Verdrag), waarbij een gemeenschappelijk stelsel voor de voorziening van ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen is ingevoerd.
4 In artikel 52, lid 1, EGA-Verdrag wordt bepaald: "De voorziening van ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen geschiedt (...) volgens het beginsel van gelijke toegang tot de hulpbronnen en door middel van een gemeenschappelijk voorzieningsbeleid." Daarom bepaalt artikel 52, lid 2, sub a, dat "elke handelwijze, welke beoogt aan bepaalde gebruikers een bevoorrechte positie te verschaffen, verboden" is.
5 Om dit beleid uit te voeren voorziet artikel 52, lid 2, sub b, in de oprichting van een Voorzieningsagentschap van Euratom (hierna: "Agentschap"), dat volgens artikel 54 van het Verdrag rechtspersoonlijkheid en financiële zelfstandigheid bezit.
6 Artikel 53 EGA-Verdrag luidt als volgt:
"Het Agentschap staat onder toezicht van de Commissie; deze geeft richtlijnen aan het Agentschap, heeft het recht van veto over zijn beslissingen en benoemt zijn directeur-generaal, alsmede zijn adjunct-directeur-generaal.
Iedere stilzwijgende of uitdrukkelijke handeling door het Agentschap verricht in de uitoefening van zijn optierecht of van zijn uitsluitend recht om leveringscontracten te sluiten, kan door belanghebbenden aan de Commissie worden voorgelegd; de Commissie neemt binnen een maand een beschikking."
Uitsluitend recht van het Agentschap om leveringscontracten te sluiten
7 Volgens artikel 52, lid 2, sub b, beschikt het Agentschap om zijn voorzieningsopdracht te volbrengen, onder meer over "het uitsluitend recht om contracten te sluiten voor de levering van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, herkomstig uit landen binnen of buiten de Gemeenschap".
8 Volgens artikel 55 moeten de lidstaten aan het Agentschap alle inlichtingen verstrekken of doen verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van, onder meer, zijn uitsluitend recht om leveringscontracten te sluiten.
9 De voorziening van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen van buiten de Gemeenschap wordt in hoofdzaak beheerst door artikel 64 EGA-Verdrag, dat het Agentschap, eventueel optredend in het kader van de tussen de Gemeenschap en een derde staat of een internationale organisatie gesloten akkoorden, andermaal "het uitsluitend recht [verleent om], behoudens de in dit Verdrag bepaalde uitzonderingen, akkoorden of overeenkomsten te sluiten".
Procedure van afweging van vraag en aanbod
10 Ingevolge artikel 65, eerste alinea, EGA-Verdrag is de procedure van afweging van vraag en aanbod waarin artikel 60 voorziet voor de levering van materialen herkomstig uit de Gemeenschap, van toepassing op de levering van stoffen herkomstig van buiten de Gemeenschap.
11 Artikel 60 luidt als volgt:
"De eventuele gebruikers delen aan het Agentschap op gezette tijden hun behoeften aan materialen mede, onder opgave van de hoeveelheden, de natuurkundige en scheikundige aard, de plaatsen van herkomst, het gebruik, de leveringstermijnen en de prijzen, welke de bepalingen en voorwaarden zouden uitmaken van een leveringscontract, waarvan zij de afsluiting wensen.
Eveneens delen de producenten aan het Agentschap de aanbiedingen mede, welke zij kunnen doen, met alle specificaties die nodig zijn om hun productieprogramma's te kunnen opstellen en met name de duur der contracten. Deze duur mag, zonder toestemming van de Commissie, niet langer zijn dan tien jaar.
Het Agentschap brengt alle eventuele gebruikers op de hoogte van de aanbiedingen en van de omvang der ontvangen aanvragen en nodigt hen uit binnen een bepaalde termijn bestellingen in te dienen.
Wanneer het Agentschap al deze bestellingen ontvangen heeft, deelt het mede, onder welke voorwaarden het aan deze kan voldoen.
Indien het Agentschap niet in staat is aan alle ontvangen bestellingen volledig te voldoen, verdeelt het de leveringen naar evenredigheid van de bij elk der aanbiedingen passende bestellingen, behoudens de bepalingen van de artikelen 68 en 69.
Een reglement van het Agentschap, dat de goedkeuring van de Commissie behoeft, bepaalt de wijze waarop vraag en aanbod tegen elkaar worden afgewogen."
12 Artikel 65, tweede alinea, bepaalt evenwel:
"Het Agentschap kan echter bepalen, welke de geografische oorsprong van de te leveren goederen zal zijn, voor zover het daardoor aan de gebruiker ten minste even gunstige voorwaarden verzekert als die welke in de bestelling zijn neergelegd."
13 In deze context dient ook artikel 61, eerste alinea, EGA-Verdrag te worden aangehaald, dat deel uitmaakt van afdeling 2 betreffende stoffen herkomstig uit de Gemeenschap. Die alinea luidt als volgt:
"Het Agentschap is verplicht aan alle bestellingen te voldoen, tenzij juridische of materiële bezwaren zich daartegen verzetten."
14 Op 5 mei 1960 stelde het Agentschap overeenkomstig artikel 60, zesde alinea, van het Verdrag een verordening vast waarbij de wijze wordt bepaald waarop vraag en aanbod voor ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen tegen elkaar worden afgewogen (PB 1960, blz. 777; hierna: "verordening").
15 De verordening stelt vereenvoudigde procedures voor de afweging van vraag en aanbod voor ertsen in. Artikel 5, eerste alinea, luidt als volgt:
"Indien de Commissie, eventueel op initiatief van het Agentschap dat het advies inwint van het Raadgevend comité, vaststelt dat voor een bepaald product de marktsituatie wordt gekenmerkt door het feit dat het aanbod de vraag aanzienlijk overtreft, kan zij, door middel van daartoe strekkende richtlijnen, het Agentschap verzoeken de (...) vereenvoudigde procedure toe te passen (...)"
16 Volgens deze vereenvoudigde procedure zijn de gebruikers en de producenten gerechtigd om, nadat het Agentschap de algemene voorwaarden heeft vastgesteld waaraan de leveringscontracten moeten voldoen, rechtstreeks te onderhandelen en contracten te ondertekenen. De contracten worden vervolgens aan het Agentschap meegedeeld en worden geacht door het Agentschap te zijn gesloten, indien dit binnen acht dagen na de ontvangst van de contracten geen bezwaren aan de betrokkenen heeft kenbaar gemaakt.
17 Volgens artikel 5, laatste alinea, van deze verordening is die procedure evenwel niet van toepassing op leveringscontracten met betrekking tot bijzondere splijtstoffen.
18 Artikel 5 bis van de verordening, ingevoegd bij verordening van het Agentschap van 15 juli 1975 (PB L 193, blz. 37), voorziet in een nieuwe vereenvoudigde procedure, die waarborgt dat het Agentschap ten volle kennis heeft van de marktsituatie (sub b), maar de gebruikers machtigt "de producenten van hun keuze rechtstreeks te verzoeken om offerten en met hen leveringscontracten te sluiten" (sub a).
19 Artikel 5 bis van die verordening bepaalt evenwel:
"(...)
c) het leveringscontract moet ten minste de volgende gegevens bevatten:
1. aanduiding van de contracterende partijen, 2. te leveren hoeveelheden, 3. jaarlijkse leveringstermijnen, 4. aard van de te leveren stoffen,
5. land van oorsprong van de te leveren stoffen. Indien de leverancier deze gegevens niet kan verstrekken bij het afsluiten van het contract, moet hij zich jegens de gebruiker en het Agentschap schriftelijk verplichten hen later het land van oorsprong van elke gedeeltelijke levering mede te delen,
6. prijs en betalingsvoorwaarden, 7. looptijd van het contract;
d) teneinde het contract af te sluiten, moet het binnen een termijn van 10 werkdagen aan het Agentschap ter ondertekening worden voorgelegd;
(...)
f) het Agentschap moet binnen een termijn van 10 werkdagen na de ontvangst mededelen of het contract al dan niet wordt afgesloten;
g) een weigering om het contract af te sluiten moet bij een met redenen omkleed besluit ter kennis van de betrokkenen worden gebracht. Overeenkomstig het bepaalde in artikel VIII, lid 3, van de statuten van het Voorzieningsagentschap kan dit besluit aan de Commissie worden voorgelegd.
(...)"
Prijzen
20 Zowel voor de leveringen herkomstig uit de Gemeenschap als voor leveringen herkomstig van buiten de Gemeenschap bepaalt artikel 67 van het Verdrag:
"Behoudens de in dit Verdrag bepaalde uitzonderingen, komen de prijzen tot stand door afweging tegen elkaar van vraag en aanbod, volgens de bepalingen van artikel 60; hierop mogen de lidstaten geen inbreuk maken door middel van hun nationale regelingen."
21 Artikel 68, eerste alinea, van het Verdrag verbiedt "prijsmanipulaties die ten doel hebben, in strijd met het beginsel van gelijke toegang (...) aan bepaalde verbruikers een bevoorrechte positie te verschaffen".
22 Artikel 69 van het Verdrag bepaalt:
"De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie prijzen vaststellen", terwijl het Agentschap "aan de gebruikers, die een bestelling hebben gedaan, een prijsverevening [kan] voorstellen".
23 De Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken inzake handel en commerciële en economische samenwerking, ondertekend op 18 december 1989 en namens de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie gesloten bij besluit 90/117/Euratom van de Commissie van 27 februari 1990 (PB L 68, blz. 2; hierna: "handelsovereenkomst"), is volgens artikel 2, lid 1, ervan van toepassing op kernmateriaal. Artikel 14 van die overeenkomst bepaalt: "De uitwisseling van goederen tussen de overeenkomstsluitende partijen vindt plaats tegen op de markt afgestemde prijzen."
24 Ten slotte dient te worden verwezen naar de resolutie van de Raad van 16 september 1986 betreffende nieuwe doelstellingen inzake het energiebeleid van de Gemeenschap voor 1995 en de convergentie van het beleid van de lidstaten (PB C 241, blz. 1), in punt 5 waarvan wordt verklaard "dat het energiebeleid van de Gemeenschap en de lidstaten gericht moet zijn op (...):
a) meer stabiele voorzieningsvoorwaarden en vermindering van het risico van abrupte schommelingen van de energieprijzen door middel van:
- (...)
- de geografische diversificatie van de externe voorzieningsbronnen van de Gemeenschap,
- (...)".
Feiten en procesverloop voor het Gerecht
25 In het bestreden arrest deed het Gerecht de volgende vaststellingen:
"1 Verzoekster, (...) KLE, is eigenaar en exploitant van een kerncentrale in Niedersachsen (Duitsland). Volgens haar uiteenzetting van de feiten voert zij op het gebied van de brandstofvoorziening een beleid op middellange termijn en sluit zij op regelmatige tijdstippen leveringscontracten af die haar brandstoffenbehoefte voor ten hoogste vijf boekjaren dekken.
2 In juni 1993 vroeg zij offerte voor de levering van natuurlijk uraniumhexafluoride (hierna: $UF6'). Op 10 en 22 november 1993 sloot zij met de in Groot-Brittannië gevestigde vennootschap British Nuclear Fuels plc (hierna: $BNFL'), die de gunstigste offerte had ingediend, een leveringscontract af. Ter nakoming van dit contract moest uiterlijk op 31 maart 1995 400 ton natuurlijk UF6 worden geleverd aan een op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigd verrijkingsbedrijf. De overeengekomen koopprijs bedroeg 22 USD (zonder BTW) per kilogram. Het contract vermeldde de plaats van herkomst van het te leveren uranium niet, maar BNFL verplichtte zich ertoe, uiterlijk bij elke gedeeltelijke levering verzoekster en het (...) Agentschap de naam van het land van herkomst mee te delen. Volgens zijn bewoordingen zou het contract slechts rechtsgevolg hebben na toestemming van het Agentschap.
3 (...) Artikel 5 bis, sub d, van [de] verordening bepaalt in het kader van een $vereenvoudigde procedure', dat leveringscontracten ter ondertekening aan het Agentschap moeten worden voorgelegd. Ingevolge artikel 5 bis, sub f, beschikt het Agentschap dan over een termijn van tien werkdagen om zich uit te spreken, hetzij door het contract af te sluiten, hetzij door de afsluiting te weigeren.
4 Op 29 november 1993 ontving het Agentschap ter ondertekening het contract dat KLE en BNFL wensten af te sluiten.
5 Bij brief van 10 december 1993, ontvangen op 13 december daaraanvolgend, de laatste dag van de ondertekeningstermijn van tien werkdagen, verzocht het Agentschap verzoekster en BNFL om inlichtingen over de herkomst van het uranium waarop het contract betrekking had. Op 14 december 1993 deelde BNFL het Agentschap mee, dat het uranium afkomstig was uit het Gemenebest van onafhankelijke staten (hierna: $GOS'), waarschijnlijk uit Rusland.
6 Bij brief van 20 december 1993 deelde het Agentschap de partijen mee, dat zijn beleid erop gericht is, $de afhankelijkheid van de gebruikers van de Gemeenschap [Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna: "Gemeenschap" of "Euratom")] van één bepaalde voorzieningsbron binnen redelijke grenzen te houden en ervoor te zorgen, dat kernmateriaal van oorsprong uit de republieken van het GOS wordt aangekocht tegen aan de marktprijzen gerelateerde prijzen (dat wil zeggen prijzen die de productiekosten weerspiegelen en vergelijkbaar zijn met de in landen met een markteconomie gehanteerde prijzen)'. Het zette uiteen, dat zijn diversificatiebeleid erop gericht is, het aandeel van de leveranties uit het GOS te beperken tot 20 à 25 % van de behoefte van de particuliere gebruikers van de Gemeenschap. Volgens het Agentschap dreigde verzoekster door het door haar voorgelegde contract te zeer van uranium uit het GOS afhankelijk te worden. Volgens de berekeningen van het Agentschap, waarin alle leveranties aan KLE in de laatste drie jaar waren betrokken, had zij recht op aankoop van ongeveer 45 ton natuurlijk uranium uit het GOS per jaar. KLE had echter reeds hoeveelheden gekocht die de mate van redelijke afhankelijkheid aanzienlijk en voor meerdere jaren overschreden. Bovendien weerspiegelden de voorgestelde prijzen niet de normale productiekosten en waren zij niet vergelijkbaar met de prijzen in een markteconomie. Het Agentschap achtte het dan ook niet opportuun, het contract af te sluiten, maar verzocht de partijen nog wel, hun standpunten aan hem kenbaar te maken voordat een definitief besluit werd genomen.
7 Op 29 december 1993 legde verzoekster de zaak op grond van artikel 53, tweede alinea, van het Verdrag aan de Commissie voor, waarbij zij stelde dat het Agentschap in gebreke was gebleven.
8 Op 6 januari 1994 werd besluit nr. 1/94 van het Agentschap betreffende het op 29 november 1993 voorgelegde leveringscontract aan verzoekster betekend. Volgens dit besluit sloot het Agentschap het contract van 10 en 22 november 1993 tussen KLE en BNFL af, onder toevoeging van de voorwaarde dat het geleverde natuurlijke uranium niet rechtstreeks of indirect uit het GOS afkomstig zou zijn.
9 Op 10 januari 1994 deelde de Commissie de gemachtigden van verzoekster mee, dat het op 6 januari 1994 aan verzoekster meegedeelde besluit volgens haar binnen de termijn was genomen, zodat de voorleggingsprocedure zonder voorwerp was geworden.
10 Bij brief van 20 januari 1994 vulde verzoekster haar verzoek van 29 december 1993 aan teneinde besluit nr. 1/94 daarin te betrekken.
11 Bij een tweede brief van dezelfde datum legde zij voorts krachtens artikel 53, tweede alinea, van het Verdrag dit besluit aan de Commissie voor.
12 In de eerste procedure, betreffende de gestelde nalatigheid van het Agentschap, gaf de Commissie op 4 februari 1994 beschikking 94/95/Euratom betreffende een procedure voor de toepassing van artikel 53, tweede alinea, van het EGA-Verdrag (PB L 48, blz. 45; hierna: $beschikking 94/95'). Zij besliste afwijzend op de verzoeken van KLE, die waren gebaseerd op de stelling dat het Agentschap zich niet binnen de termijn had uitgesproken, en met name ertoe strekten, dat de Commissie het Agentschap zou gelasten het contract van 10 en 22 november 1993 af te sluiten. Volgens de Commissie was het Agentschap niet nalatig geweest, aangezien het gerechtigd was zijn dossier aan te vullen, zodat de termijn van tien werkdagen eerst was ingegaan op de datum van ontvangst van de gevraagde nadere inlichtingen, te weten 14 december 1993, en was verstreken op 6 januari 1994, de datum waarop besluit nr. 1/94 daadwerkelijk was genomen.
13 In de procedure betreffende besluit nr. 1/94 gaf de Commissie op 21 februari 1994 beschikking 94/285/Euratom betreffende de toepassing van artikel 53, tweede alinea, van het EGA-Verdrag (PB L 122, blz. 30; hierna: $beschikking 94/285'). Zij achtte het besluit van het Agentschap rechtmatig en wees de verzoeken van KLE derhalve af.
14 In die omstandigheden kon het leveringscontract volgens KLE niet worden nagekomen. BNFL en KLE zegden het op.
15 Op 8 en 14 maart 1994 sloten KLE en BNFL een nieuw contract af voor de levering van 400 ton UF6 tegen een prijs van 27 USD per kilogram, waarin de voorwaarde was opgenomen, dat het materiaal niet rechtstreeks of indirect uit het GOS afkomstig zou zijn. Dit contract werd door het Agentschap afgesloten op 30 maart 1994."
26 In deze omstandigheden zijn de beroepen T-149/94 en T-181/94 tot nietigverklaring van beschikkingen 94/95 respectievelijk 94/285 en, wat meer bepaald het tweede beroep betreft, tot veroordeling van Euratom om rekwirante een schadevergoeding van 3 511 279,30 DM vermeerderd met rente op de voet van 6 % per jaar vanaf 7 april 1994 te betalen, ingesteld.
Het bestreden arrest
Beroep T-149/94
27 Voor het Gerecht heeft rekwirante vijf middelen tot nietigverklaring van beschikking 94/95 voorgedragen.
28 In de eerste twee middelen, schending van artikel 5 bis, sub f, van de verordening en van het evenredigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel, verweet rekwirante het Agentschap, dat het zich de mogelijkheid had voorbehouden, enerzijds nadere inlichtingen te vragen en anderzijds geen definitieve beslissing te nemen voordat het dossier volledig is, dat wil zeggen voordat het ten minste de volgens artikel 5 bis, sub c, van de verordening vereiste gegevens bevat.
29 Dienaangaande heeft het Gerecht geoordeeld:
"35 De geografische oorsprong van de te leveren stoffen neemt derhalve een centrale plaats in onder de elementen van een leveringscontract die ter uitvoering van artikel 5 bis van de verordening aan het Agentschap moeten worden meegedeeld. De kennis van de geografische oorsprong van de leveranties is voor het Agentschap immers onmisbaar om de met de voorzieningspolitiek beoogde zekerheid van voorziening te garanderen, zoals zal blijken uit de behandeling van zaak T-181/94 (zie in het bijzonder punten 92-94 hierna).
36 Bovendien blijkt uit de hiervoor aangehaalde tekst van artikel 5 bis, sub c, van de verordening duidelijk, dat een mededeling achteraf van het land van oorsprong enkel toelaatbaar is indien de leverancier dit gegeven op het tijdstip van de afsluiting van het contract niet kon verstrekken.
37 In casu blijkt echter, dat verzoekster en haar leverancier, althans stilzwijgend, waren overeengekomen, dat de stoffen uit het GOS afkomstig zouden zijn. (...)
38 Door in het leveringscontract de geografische oorsprong van het uranium niet te vermelden, ofschoon deze, althans stilzwijgend, tussen de partijen was overeengekomen, heeft verzoekster de administratieve moeilijkheden die het Agentschap ondervond om een besluit te nemen, over zichzelf afgeroepen. In die omstandigheden kon verzoekster zich niet beroepen op artikel 5 bis, sub f, van de verordening, dat voorziet in een versnelde procedure, waarbij het Agentschap in gevallen die geen problemen opleveren, binnen een termijn van tien werkdagen uitspraak moet doen.
39 Integendeel, het Gerecht is van oordeel, dat het Agentschap in het onderhavige geval het recht had, partijen vóór het verstrijken van de in artikel 5 bis, sub f, van de verordening gestelde termijn te verzoeken, het dossier aan te vullen door de oorsprong van het te leveren materiaal mee te delen. Noch artikel 5 bis, sub f, van de verordening noch het Verdrag staan immers in de weg aan een dergelijk verzoek, dat door de omstandigheden van het geval juist gerechtvaardigd was.
40 Blijkens de stukken heeft het Agentschap zijn besluit genomen op 6 januari 1994, de tiende werkdag na 14 december 1993, de datum waarop het de gevraagde inlichtingen heeft ontvangen. Deze termijn was redelijk en leverde noch een schending van artikel 5 bis, sub f, van de verordening, noch een schending van de door verzoekster ingeroepen beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid op.
41 Mitsdien moeten het eerste en het tweede middel ongegrond worden verklaard."
30 Nadat het had vastgesteld, dat rekwirante haar derde middel, schending van de regels betreffende de bevoegdheidsverdeling, niet had uitgewerkt, heeft het Gerecht in punt 43 van het bestreden arrest geoordeeld, dat het zich over de gegrondheid van dit middel niet behoefde uit te spreken.
31 Vervolgens heeft het Gerecht in de punten 46 tot en met 51 van het bestreden arrest het vierde middel, ontoereikende motivering van beschikking 94/95, afgewezen op grond dat de beschikking zijns inziens de door de Commissie gevolgde redenering duidelijk en ondubbelzinnig deed uitkomen.
32 In haar vijfde middel, misbruik van bevoegdheid, ten slotte, stelde rekwirante, zakelijk weergegeven, dat het Agentschap en de Commissie geen discretionaire bevoegdheid hadden, maar tot afsluiting van het door rekwirante voorgelegde contract verplicht waren. Het Gerecht heeft geoordeeld, dat rekwirante niet aannemelijk had gemaakt, dat het Agentschap en de Commissie een ander doel hadden nagestreefd dan de uitvoering van de voorzieningspolitiek.
33 Het Gerecht heeft beroep T-149/94 derhalve verworpen.
Beroep T-181/94
De vordering tot nietigverklaring
34 Voor het Gerecht voerde rekwirante vijf middelen aan tegen beschikking 94/285.
35 Het eerste middel bestond uit vier onderdelen.
36 In het eerste onderdeel werd gesteld, dat het Agentschap zich niet had gehouden aan zijn verplichting om overeenkomstig artikel 5 bis van de verordening het contract af te sluiten, en in het tweede onderdeel, dat de artikelen 60, 61, eerste alinea, en 65, eerste alinea, alsook de artikelen 52, lid 2, en 64 van het Verdrag waren geschonden doordat de voorzieningspolitiek, zoals deze in casu is gedefinieerd en toegepast, voorzag in de mogelijkheid om bij de uitoefening van het uitsluitend recht om leveringscontracten voor uranium af te sluiten, van de werking van vraag en aanbod af te wijken.
37 Dienaangaande heeft het Gerecht geoordeeld:
"85 De door hoofdstuk 6 van het Verdrag opgezette voorzieningsregeling moet worden onderzocht in het licht van de aan de Gemeenschap gestelde doelen. Dienaangaande blijkt uit de opzet van het Verdrag, dat de taak van het Agentschap erin bestaat, de verwezenlijking te verzekeren van een van de belangrijkste doelstellingen die de Gemeenschap ingevolge artikel 2, sub d, van het Verdrag dient na te streven, te weten de zekerheid van de voorziening, volgens het in artikel 52, lid 1, van het Verdrag neergelegde beginsel van gelijke toegang tot de hulpbronnen. Dit blijkt duidelijk uit artikel 52, lid 2, sub b, van het Verdrag, waarbij dat gespecialiseerde orgaan uitdrukkelijk met dat doel is opgericht en waarbij daaraan, in beginsel, exclusieve rechten worden toegekend om te verzekeren, dat de gebruikers van de Gemeenschap op regelmatige en billijke wijze worden voorzien van nucleair materiaal, zowel afkomstig uit de Gemeenschap als uit derde landen. Ingevolge deze bepaling moet de voorzieningsregeling immers ten uitvoer worden gelegd door het Agentschap, dat ter vervulling van zijn taak het uitsluitend recht heeft om contracten te sluiten voor de levering van deze producten, herkomstig uit landen binnen of buiten de Gemeenschap (zie arrest Gerecht van 15 september 1995, ENU/Commissie, T-458/93 en T-523/93, Jurispr. blz. II-2459, punt 57).
86 Met name worden door de vereenvoudigde procedure van artikel 5 bis van de verordening het Agentschap zijn exclusieve rechten niet ontnomen (arrest ENU/Commissie, reeds aangehaald, punt 73). Zelfs in het kader van de vereenvoudigde procedure heeft het Agentschap derhalve het recht, zich te verzetten tegen een contract dat de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar zou kunnen brengen.
87 Bovendien moet het Agentschap in het algemeen het beginsel van de afweging van vraag en aanbod in acht nemen wanneer het gebruik maakt van zijn uitsluitend recht om leveringscontracten af te sluiten. Deze principeverplichting volgt met name uit de artikelen 60 en 65, eerste alinea, van het Verdrag, betreffende de afwegingsprocedure, uit artikel 67 van het Verdrag, volgens hetwelk de prijzen tot stand komen door deze afweging, alsook uit artikel 65, tweede alinea, volgens hetwelk het Agentschap bepaalt welke de geografische oorsprong van de te leveren goederen herkomstig van buiten de Gemeenschap zal zijn, voor zover het daardoor de gebruiker ten minste even gunstige voorwaarden verzekert als die welke in de bestelling zijn neergelegd.
88 Het Verdrag maakt evenwel een nauwkeurig omschreven uitzondering op de eerbiediging van de wet van vraag en aanbod. Ingevolge artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag is het Agentschap verplicht, aan alle bestellingen te voldoen, $tenzij juridische of materiële bezwaren zich daartegen verzetten'. Zoals verweerster terecht stelt, moet het Agentschap derhalve steeds nagaan, of de uitvoering van de bestelling op juridische of materiële bezwaren stuit.
89 In casu heeft verweerster drie dergelijke bezwaren aangevoerd, ten eerste het bezwaar dat het gevolg is van de vereisten van het beleid van spreiding van de voorzieningsbronnen van buiten de Gemeenschap, ten tweede het bezwaar betreffende het prijsniveau voortvloeiend uit de handelsovereenkomst, en ten derde het bezwaar voortvloeiend uit de verplichting een gelijke toegang tot de bronnen te verzekeren.
90 Dienaangaande moet er om te beginnen aan worden herinnerd, dat het Agentschap bij beslissingen op het gebied van het economisch, handels- en nucleair beleid, in het kader van de uitoefening van zijn bevoegdheden in ieder geval over een ruime beoordelingsmarge beschikt. Onder deze omstandigheden dient de controle van het Gerecht in elk geval beperkt te blijven tot gevallen van kennelijk verkeerde beoordeling of van misbruik van bevoegdheid (arrest ENU/Commissie, reeds aangehaald, punt 67).
91 Wat het eerste bezwaar betreft, is de Commissie van mening, dat de in het GOS gevraagde prijzen zo laag zijn, dat de gebruikers van de Gemeenschap geneigd zijn in een zo groot mogelijk deel van hun behoeften te voorzien met kernmateriaal van oorsprong uit het GOS. Indien onbeperkte invoer uit het GOS werd toegestaan, zouden de gemeenschapsondernemingen van deze voorzieningsbron afhankelijk worden. Dit zou om twee redenen bezwaarlijk zijn. In de eerste plaats zou de continuïteit op lange termijn niet kunnen worden gewaarborgd. In de tweede plaats zouden alternatieve bronnen dreigen te verdwijnen. De Commissie herinnert eraan, dat een spreidingsbeleid is bekrachtigd door de Raad in zijn resolutie van 16 september 1986. Aldus zou het risico, dat massale import van nucleair materiaal uit het GOS tegen aanzienlijk lagere prijzen dan de westerse de zekerheid van de voorziening in de Gemeenschap in gevaar brengt, een bezwaar in de zin van artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag vormen.
92 Het Gerecht is van oordeel, dat het Agentschap zich tegen invoer van nucleair materiaal mag verzetten, indien die invoer de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar kan brengen, met name door de invloed ervan op de bevoorradingsbronnen. Een dergelijk risico kan immers worden aangemerkt als een juridisch bezwaar dat zich verzet tegen het voldoen aan een bestelling, in de zin van artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag (arrest ENU/Commissie, reeds aangehaald, punt 64). Anders gezegd, het Agentschap heeft ter verzekering van een geografische spreiding van de bevoorradingsbronnen buiten de Gemeenschap de discretionaire bevoegdheid om zich - door middel van zijn uitsluitend recht om contracten te sluiten voor de levering van ertsen en andere splijtstoffen, teneinde aldus, overeenkomstig de hem door het Verdrag opgedragen taak, de zekerheid van de voorziening te waarborgen met inachtneming van het beginsel van gelijke toegang tot de hulpbronnen - te verzetten tegen bepaalde uraniumimporten die voor die spreiding nadelig zouden zijn (arrest ENU/Commissie, reeds aangehaald, punt 68).
93 In casu is, wat het bestaan van een gevaar voor de zekerheid van de voorziening betreft, niet betwist, dat de omvang van de leveranties uit het GOS in de Gemeenschap sinds 1990 aanzienlijk is toegenomen. Verweerster stelt, dat de wereldproductie ten opzichte van het gebruik van uranium een structureel tekort vertoont, maar verzoekster betwist dit. Volgens een door verzoekster overgelegde grafiek betreffende de productie en het verbruik van natuurlijk uranium in het Westen van 1994 tot en met 2004, zal de nominale productiecapaciteit in het jaar 2000 de vraag overtreffen. Er zij evenwel op gewezen, dat volgens deze grafiek de vraag in de periode van 1994 tot 2000 nog altijd groter zal zijn dan de productie.
94 In deze omstandigheden was het op het tijdstip dat de Commissie beschikking 94/285 gaf, niet uitgesloten, dat de zekerheid van een regelmatige en billijke voorziening van kernmateriaal als bedoeld in artikel 2, sub d, van het Verdrag, in gevaar kon worden gebracht indien zou worden toegestaan dat nucleair materiaal uit het GOS verder in onbeperkte hoeveelheden werd ingevoerd en gedurende enige tijd de leveranties van andere herkomst zou vervangen, zonder dat op lange termijn blijvende leveringen konden worden gewaarborgd.
95 Derhalve moet worden erkend, dat het eerste juridische bezwaar dat de Commissie aanvoert, reëel is.
96 Wat het tweede bezwaar betreft, stelt de Commissie, dat de door het Verdrag ingestelde voorzieningsregeling tot doel heeft, ervoor te zorgen dat de invoer van kernmateriaal in de Gemeenschap tegen aan de marktprijzen gerelateerde prijzen plaatsvindt. Dat dit beginsel geldt in de betrekkingen tussen de Gemeenschap en de Sovjet-Unie of vervolgens de landen van het GOS, is met name erkend in artikel 14 van de handelsovereenkomst.
97 Zoals verweerster opmerkt, heeft het Hof voor recht verklaard, dat een door de Gemeenschap gesloten internationale overeenkomst voor ondernemingen rechten en verplichtingen kan doen ontstaan.
98 Het Hof sprak zich in deze zin uit met betrekking tot de overeenkomst inzake de externe beveiliging van nucleaire stoffen, inrichtingen en transporten (uitspraak 1/78 van 14 november 1978, Jurispr. blz. 2151, punt 36):
$De taken die de Gemeenschap daarbij zal hebben te vervullen, houden voornamelijk verband met de voorzieningsregeling en het beheer van de gemeenschappelijke markt op het gebied van de kernenergie (...) De desbetreffende bepalingen van het Verdrag zullen tezamen met de overeenkomst - die, eenmaal door de Gemeenschap aangegaan, een integrerend bestanddeel van het gemeenschapsrecht zal vormen - een geëigende rechtsgrondslag voor de noodzakelijke uitvoeringsmaatregelen bieden.'
99 Artikel 14 van de handelsovereenkomst maakt derhalve deel uit van het gemeenschapsrecht. Ingevolge artikel 64 van het Verdrag is het Agentschap voorts gehouden, eventueel op te treden in het kader van de tussen de Gemeenschap en een derde staat gesloten akkoord.
100 Teneinde na te gaan, of artikel 14 van de handelsovereenkomst in casu door het Agentschap en de Commissie naar behoren is uitgevoerd, is evenwel een analyse van de beschikbare gegevens over de prijzen noodzakelijk. Volgens een tabel die als bijlage bij het jaarverslag van het Agentschap over 1993 is gevoegd, varieerde de gemiddelde prijs van meerjarige langetermijnleveranties tussen 1990 en 1993 van 29,39 tot 21,17 USD per pond U3O8 en voor leveranties op de spotmarkt van 9,68 tot 9,05 USD per pond U3O8. Volgens verzoekster bedroeg de werkelijke prijs in haar contract 8,02 USD per pond U3O8, doch volgens verweerster was dit slechts 6,93 USD per pond U3O8. Gezien het feit dat verzoekster luidens haar antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht met het leveringscontract geen kortetermijnbehoeften wilde dekken, maar haar basisbehoeften voor een periode van vijftien maanden, was dit contract, dat is afgesloten tegen een prijs die nog lager was dan de gemiddelde prijs op de spotmarkt, niet in overeenstemming met de regel dat de leveranties tegen aan de marktprijzen gerelateerde prijzen plaatsvinden.
101 In die omstandigheden moet een tweede juridisch bezwaar in de zin van artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag worden geacht te zijn aangetoond.
102 Het derde bezwaar tegen de sluiting van het contract vloeit voort uit de verplichting, een gelijke toegang tot de hulpbronnen te verzekeren en te voorkomen dat een verbruiker een bevoorrechte positie krijgt ten opzichte van zijn concurrenten. Indien de importen moeten worden beperkt, moet het hanteren van een maximaal toelaatbare afhankelijkheid die aan de hand van de situatie op de markt wordt bepaald op een percentage van het verbruik van particuliere verbruikers, gerechtvaardigd worden geacht om de gelijke toegang tot de hulpbronnen te verzekeren overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Verdrag.
103 Het Agentschap heeft binnen de grenzen van zijn ruime beoordelingsvrijheid de maximaal toelaatbare afhankelijkheid bepaald op 25 %, waarbij het met name rekening heeft gehouden met de bestaande productiecapaciteit op lange termijn van het GOS en met het feit dat deze ongeveer 25 % van de wereldproductie vertegenwoordigde.
104 In casu is niet betwist, dat verzoekster reeds uranium uit het GOS had aangekocht in hoeveelheden die dit maximum overschreden.
105 Terecht heeft de Commissie derhalve dienaangaande het bestaan van een juridisch bezwaar in de zin van artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag vastgesteld.
106 Bovendien kunnen de bijzondere verdragsbepalingen inzake de prijzen, dat wil zeggen de artikelen 67 tot en met 69, anders dan verzoekster stelt, niet aldus worden uitgelegd, dat zij de toepassing van artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag verhinderen op grond dat het Agentschap of de Commissie in de prijzen die in het kader van de vereenvoudigde procedure zijn onderhandeld, slechts zouden kunnen ingrijpen onder de voorwaarden neergelegd in de artikelen 68 of 69. Artikel 61 heeft immers juist tot doel, het Agentschap in staat te stellen, wanneer er tegen de uitvoering van een bestelling enig juridisch of materieel bezwaar bestaat, zich tegen die bestelling te verzetten en daarbij zo nodig af te wijken van het beginsel van de afweging van vraag en aanbod, dat krachtens artikel 67 met name geldt op het gebied van de prijzen. Het Agentschap is overigens, anders dan verzoekster stelt, niet overgegaan tot vaststelling van de prijs door aan het contract een voorwaarde betreffende de oorsprong van de te leveren materialen toe te voegen.
107 Om al de hierboven uiteengezette redenen heeft het Agentschap het recht niet verkeerd toegepast, noch een kennelijke beoordelingsfout begaan door te weigeren, het in geding zijnde leveringscontract zonder voorbehoud af te sluiten, en door aan dat contract de voorwaarde toe te voegen, dat het uranium niet uit het GOS afkomstig mag zijn.
108 De beschikking van de Commissie waarbij het besluit van het Agentschap werd bevestigd, kan derhalve niet onwettig worden verklaard.
109 Het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel zijn derhalve ongegrond en moeten worden afgewezen."
38 In het derde onderdeel van het eerste middel, schending van de doelstellingen van artikel 1 van het Verdrag, verweet rekwirante de Commissie en het Agentschap, dat zij zich uitsluitend hebben gericht naar de belangen van de producenten zonder rekening te houden met de belangen van de verbruikers, en het Agentschap, dat zijn beleid de binnen de Gemeenschap gevestigde producenten, die slechts 20 % van de communautaire behoeften aan uranium dekken, slechts matig beschermt, en de producenten van bepaalde derde landen begunstigt.
39 Het Gerecht heeft deze grief afgewezen op de volgende gronden:
"113 Het Agentschap streeft ernaar, de zekerheid van de voorziening te waarborgen en de continuïteit van de leveranties aan de verbruikers in de Gemeenschap te verzekeren. Het is met name in het belang van de nucleaire industrie in de Gemeenschap, dat een bepaalde bevoorradingsbron niet te belangrijk wordt in verhouding tot de andere bronnen. Ook is het in het belang van de gehele Gemeenschap en in overeenstemming met de doelstelling van de ontwikkeling van de handelsbetrekkingen met andere landen, dat de importen plaatsvinden tegen prijzen die aan de marktprijzen gerelateerd zijn, zoals met name blijkt uit artikel 14 van de handelsovereenkomst. Beschikking 94/285 voldoet derhalve, zoals het Gerecht hierboven reeds heeft vastgesteld, aan de vereisten van de voorzieningspolitiek. Zij is derhalve niet in strijd met de taak van de Gemeenschap."
40 Het vierde onderdeel van het eerste middel betrof schending van de regels betreffende de werking van de gemeenschappelijke markt van natuurlijk uranium, met name de artikelen 2, sub g, en 92 en volgende EGA-Verdrag, die de ondernemers de vrijheid verzekeren, zich te bevoorraden bij een in een andere lidstaat gevestigde leverancier van hun keuze.
41 Het Gerecht heeft deze grief afgewezen op de volgende gronden:
"117 De onderneming moet de vrijheid om zich bij een in een andere lidstaat gevestigde leverancier van haar keuze te bevoorraden, gebruiken binnen de door het Verdrag gestelde grenzen, die hierboven zijn uiteengezet, en wel met name aldus, dat de zekerheid van de voorziening niet in gevaar wordt gebracht. In casu is het contract van verzoekster op bepaalde juridische bezwaren gestuit, die volgens artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag deze vrijheid beperken. De leverancier van verzoekster was immers weliswaar een binnen de Gemeenschap gevestigde vennootschap, doch speelde slechts de rol van tussenpersoon en het te leveren materiaal was afkomstig uit het GOS."
42 Tot staving van haar tweede middel stelde rekwirante schending van het rechtszekerheidsbeginsel doordat het Agentschap onvoldoende doorzichtig is opgetreden, van het gelijkheidsbeginsel doordat het Agentschap er geen rekening mee heeft gehouden dat de productie van elektriciteit in Duitsland slechts voor een gering deel afhankelijk is van kernenergie, en ten slotte van het evenredigheidsbeginsel doordat de doelstelling van diversificatie ook had kunnen worden bereikt in het kader van artikel 65, tweede alinea, van het Verdrag of in het kader van de artikelen 70 en 72 van het Verdrag, betreffende de bevordering van de opsporing van delfstoffen en het aanleggen van handels- en veiligheidsvoorraden.
43 Dienaangaande heeft het Gerecht geoordeeld als volgt:
"125 Wat de grief inzake het beginsel van de rechtszekerheid betreft, moet worden vastgesteld, dat de grondslagen van de aanpak van het Agentschap, namelijk de resolutie van de Raad, in punt 5, sub a, tweede streepje, waarvan de doelstelling van geografische diversificatie van de bevoorradingsbronnen van buiten de Gemeenschap wordt geformuleerd, en de handelsovereenkomst, waarvan artikel 14 eist, dat de prijzen aan de marktprijzen gerelateerd zijn, beide zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Het beginsel van gelijke toegang tot de hulpbronnen is neergelegd in artikel 52, lid 1, van het Verdrag.
126 Bovendien werd in het jaarverslag van het Agentschap over 1992 (zie het algemeen overzicht van de bevoorradingssituatie in de Gemeenschap) geconstateerd, dat de import van natuurlijk uranium uit het GOS ongeveer 25 % van de nettobehoefte van de Gemeenschap dekte, en dat reeds contracten waren afgesloten voor de toekomstige levering van zeer grote hoeveelheden uit die bron afkomstig uranium. Het niveau van de leveranties van materiaal uit het GOS werd door de Commissie en het Agentschap gevaarlijk geacht omdat, indien de sinds 1990 geconstateerde tendens zou aanhouden, de toekomstige zekerheid van de voorziening in gevaar zou kunnen komen. In het verslag werd uiteengezet, dat een in het kader van het Raadgevend comité ingestelde werkgroep van deskundigen had geconcludeerd, dat de uit het GOS afkomstige materialen en diensten op de gemeenschapsmarkt werden aangeboden tegen prijzen die niet aan de in het Westen geconstateerde productiekosten waren gerelateerd. Volgens het verslag waren de Commissie en het Agentschap van mening, dat correctiemaatregelen gerechtvaardigd waren, waarbij zij zich hoofdzakelijk baseerden op het uitsluitend recht om contracten af te sluiten. Ook werd in dit verslag vastgesteld, dat het beleid van het Agentschap over het algemeen gunstig was ontvangen.
127 Gezien het bestaan van gemakkelijk toegankelijke informatiebronnen, die een redelijk zorgvuldige onderneming in deze zeer specifieke en duidelijk omlijnde sector moet worden geacht te kennen, kan derhalve niet worden gesteld, dat er sprake is van onvoldoende doorzichtigheid.
128 Mitsdien moet het middel, dat het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden, worden afgewezen.
129 Opgemerkt zij, dat het interne richtgetal voor de $maximaal toelaatbare afhankelijkheid', volgens welke elke in de Gemeenschap gevestigde onderneming ten hoogste ongeveer 25 % van haar behoeften met uit het GOS afkomstig materiaal mag dekken, door het Agentschap zelf is vastgesteld.
130 Ofschoon het Agentschap deze maximaal toelaatbare afhankelijkheid als zodanig niet heeft gepubliceerd, maakt dit beschikking 94/285 niet onwettig. Dit maximum was gewoon een intern beoordelingscriterium dat het Agentschap hanteerde om de gelijke toegang van de verbruikers in de Gemeenschap tot de bronnen te verzekeren. Het was geen strakke regel, daar de ontwikkeling van de situatie op de betrokken markt een flexibele aanpak vereiste. Bovendien had verzoekster in de omstandigheden van het concrete geval kunnen begrijpen, dat, gezien het feit dat zij reeds eerder grote hoeveelheden materiaal uit het GOS had aangekocht, een nieuwe import voor haar rekening als strijdig met de belangen van de Gemeenschap kon worden aangemerkt.
131 Wat het gelijkheidsbeginsel betreft, lijkt verzoekster in haar schriftelijke opmerkingen van mening te zijn, dat dit beginsel wordt geschonden wanneer bij de beoordeling van de situatie geen rekening wordt gehouden met de wisselende mate van afhankelijkheid van de in de verschillende lidstaten gevestigde ondernemingen van kernmateriaal uit het GOS. Ter terechtzitting heeft zij evenwel betoogd, dat het onrechtmatige verschil in behandeling is gelegen in het feit, dat de Commissie zich niet heeft gehouden aan haar verplichting erop toe te zien, dat alle ondernemingen hun contracten voor de levering van nucleair materiaal ter afsluiting aan het Agentschap voorleggen. Aangaande dit laatste punt heeft de Commissie ter terechtzitting verklaard, dat haar geen enkel geval bekend is waarin een contract niet aan het Agentschap is voorgelegd.
132 Verder moet nog worden opgemerkt, dat het Agentschap een maximaal toelaatbare afhankelijkheid hanteert om aan de in de Gemeenschap gevestigde ondernemingen de gelijke toegang tot de hulpbronnen te verzekeren. Een dergelijke aanpak is gerechtvaardigd op basis van artikel 52, lid 1, van het Verdrag. Van het Agentschap en de Commissie kan niet worden geëist, dat zij rekening houden met de bijzondere situatie in de verschillende lidstaten. Bovendien heeft verzoekster niet aangetoond, dat er gevallen zijn waarin het Agentschap en de Commissie zich niet tegen een schending van artikel 5 bis van de verordening hebben verzet.
133 In die omstandigheden kan het middel inzake schending van het gelijkheidsbeginsel niet worden aanvaard.
134 Wat ten slotte het evenredigheidsbeginsel betreft, (...)
135 [Had] de toepassing van [de artikelen 65, tweede alinea, 70 en 72 van het Verdrag] (...) het probleem (...) niet kunnen oplossen, daar het Agentschap zich met het oog op de doelstellingen van zijn voorzieningsbeleid moest verzetten tegen importen uit het GOS tegen niet aan de marktprijzen gerelateerde prijzen. Voorts is het contract goedgekeurd onder de voorwaarde, dat het materiaal niet uit het GOS komt. Een dergelijke voorwaarde kan om de hierboven, met name in de punten 92 tot en met 94, uiteengezette redenen niet onevenredig zijn.
136 Het middel inzake schending van het evenredigheidsbeginsel dient derhalve eveneens te worden afgewezen."
44 In haar derde middel, schending van de regels betreffende de bevoegdheidsverdeling, stelde rekwirante, dat noch het Agentschap noch het Raadgevend comité instellingen van de Gemeenschap in de zin van artikel 3, lid 1, EGA-Verdrag zijn, dat de formulering van het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid is voorbehouden aan de beleidsinstellingen van de Gemeenschap, te weten de Commissie en de Raad, en dat het Agentschap uitsluitend met het commerciële aspect van de voorziening is belast, doch niet bevoegd is tot het vaststellen van invoerquota.
45 Het Gerecht heeft dit middel afgewezen op de volgende gronden:
"140 Op basis van de hierboven (zie met name punten 85-109) gemaakte analyse kan ervan worden uitgegaan, dat het Agentschap de door de Raad en de Commissie uitgezette weg heeft gevolgd en heeft gehandeld binnen de ruime beoordelingsmarge waarover het beschikt voor het nemen van beslissingen op het gebied van het economisch, handels- en nucleair beleid (arrest ENU/Commissie, reeds aangehaald, punt 67). Voor zover verzoekster de bevoegdheden van het Agentschap betwist, moet in elk geval worden opgemerkt, dat beschikking 94/285 van de Commissie afkomstig is. In het kader van haar toezicht op de handeling van het Agentschap die haar door verzoekster krachtens artikel 53, tweede alinea, van het Verdrag was voorgelegd, heeft de Commissie de beoordeling van het Agentschap immers voor haar rekening genomen. Zij heeft daarmee de bestanddelen en de uitvoering van het voorzieningsbeleid van het Agentschap goedgekeurd overeenkomstig de bij het Verdrag ingestelde procedure."
46 Als het vierde middel stelde verzoekster niet-nakoming van de motiveringsplicht doordat beschikking 94/285 niet deed blijken van het systematisch verband tussen de bevoegdheden van het Agentschap en het Verdrag en daarin niet was uiteengezet, waarom verzoekster afhankelijk zou worden van uranium uit het GOS en waarin de in het leveringscontract overeengekomen aankoopprijs niet met de economische marktsituatie overeenstemde of niet aan de marktprijzen gerelateerd was.
47 Het Gerecht heeft dit middel afgewezen op de volgende gronden:
"144 Het Gerecht heeft er reeds aan herinnerd (zie punt 46), dat de motivering van een handeling de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig moet doen uitkomen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen om hun rechten te kunnen verdedigen en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen, en dat de omvang van de motiveringsplicht moet worden beoordeeld met inachtneming van de context waarin zij is gegeven.
145 De Commissie heeft in haar beschikking evenwel te verstaan gegeven, dat het Agentschap niet verplicht is aan bestellingen te voldoen wanneer juridische of materiële bezwaren zich daartegen verzetten (veertiende overweging van de considerans van beschikking 94/285). Vervolgens heeft zij melding gemaakt van de voorzieningspolitiek alsook van de algemene doelstelling en de grondslagen van een diversificatie van de voorzieningsbronnen, zoals de resolutie van de Raad (vijftiende en zestiende overweging). Vervolgens heeft zij zich enerzijds beroepen op artikel 64 van het Verdrag, volgens hetwelk het Agentschap eventueel optreedt in het kader van de tussen de Gemeenschap en een derde staat gesloten akkoorden, en anderzijds op de handelsovereenkomst, met name op artikel 14 daarvan (eenentwintigste overweging). Ten slotte heeft de Commissie uiteengezet, dat een verhoging van het aandeel van het GOS in de totale leveringen, dat thans is vastgesteld op 20 tot 25 %, moeilijk te verenigen zou zijn met de belangen van de Gemeenschap op het gebied van de voorziening op lange termijn (drieëndertigste overweging).
146 Gezien de context en het feit dat de beschikking was voorafgegaan door de hierboven in punt 6 genoemde brief van 20 december 1993 en door de beschikking waartegen het eerste beroep was gericht, blijken uit beschikking 94/285 duidelijk en ondubbelzinnig de belangrijkste redenen voor de weigering om het door verzoekster voorgelegde contract af te sluiten."
48 Ten slotte stelde rekwirante als vijfde middel misbruik van bevoegdheid. Zij betoogde, dat het Agentschap en de Commissie geen discretionaire bevoegdheid hadden, maar verplicht waren het door verzoekster voorgelegde contract af te sluiten.
49 Het Gerecht heeft dit middel afgewezen op de volgende gronden:
"149 Zoals hierboven (zie punt 53) reeds werd vastgesteld, heeft het begrip misbruik van bevoegdheid in het gemeenschapsrecht een welbepaalde omvang en ziet het op het geval dat een administratief gezag zijn bevoegdheden gebruikt met een ander doel dan dat waarvoor zij zijn verleend. In dit verband is het vaste rechtspraak, dat bij een besluit slechts sprake is van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan, dat het is genomen ter bereiking van andere doeleinden dan die welke de administratie stelt te hebben nagestreefd.
150 Verzoekster toont niet aan, dat het Agentschap en de Commissie een ander doel dan de uitvoering van het voorzieningsbeleid van Euratom hebben nagestreefd."
50 Het Gerecht heeft het beroep tot nietigverklaring dus in zijn geheel verworpen.
De vordering tot schadevergoeding
51 Van oordeel, dat de aan het Agentschap verweten handelwijze en de weigering van de Commissie om aan de haar door rekwirante voorgelegde verzoeken te voldoen, geen enkele onregelmatigheid vertoonden, heeft het Gerecht de vordering tot schadevergoeding ongegrond verklaard.
De hogere voorziening
De ontvankelijkheid van de hogere voorziening in haar geheel
52 De Commissie stelt, dat de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is, en verzoekt het Hof, deze krachtens artikel 119 van zijn Reglement voor de procesvoering af te wijzen op grond dat het verzoekschrift in hogere voorziening een herhaling is van het verzoekschrift in eerste aanleg en geen identificeerbare rechtsmiddelen bevat die specifiek tegen het bestreden arrest zijn gericht. De hogere voorziening is dus niet in overeenstemming met de bepalingen van artikel 52 van 's Hofs Statuut-EGA en evenmin met die van artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
53 Verder is de hogere voorziening haars inziens ook niet-ontvankelijk omdat het verzoekschrift in hogere voorziening, in strijd met artikel 112, lid 1, sub a, van het Reglement voor de procesvoering, niet de juiste woonplaats van rekwirante vermeldt. Volgens § 3, lid 1, van de Duitse wet inzake de besloten vennootschappen (GmbH) is verzoekster te Lingen (Ems) gevestigd, terwijl in het verzoekschrift in hogere voorziening "Rheinlanddamm 24, D-44139 Dortmund" als woonplaats is vermeld.
54 Ter beoordeling van de gegrondheid van het eerste door de Commissie tot staving van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid aangevoerde middel dienen de door rekwirante in haar hogere voorziening aangevoerde middelen grondig te worden onderzocht. Hiervoor wordt verwezen naar de behandeling ten gronde.
55 Wat de woonplaats van rekwirante betreft, vormt de omstandigheid dat het verzoekschrift in hogere voorziening de stad Dortmund, waar de administratieve diensten van KLE gevestigd zijn, in plaats van de stad Lingen als woonplaats vermeldt, ook al zou deze laatste naar Duits recht als plaats van de zetel van de vennootschap moeten worden beschouwd, als zodanig geen grond om de hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren. In de omstandigheden van de onderhavige zaak vormt dit namelijk geen wezenlijke onregelmatigheid op grond waarvan de hogere voorziening formeel niet-ontvankelijk kan worden verklaard aangezien uit het bestreden arrest, dat als bijlage bij het verzoekschrift in hogere voorziening was gevoegd, hoe dan ook blijkt dat rekwirante te Lingen is gevestigd.
56 Het tweede onderdeel van de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moet derhalve worden verworpen.
Ten gronde
57 In repliek stelt rekwirante, dat de leden van het Gerecht het volledige dossier niet persoonlijk hebben ingezien, doch het slechts kennen uit de zeer bondige en soms verwarde voorstelling die daarvan door de rechter-rapporteur in het rapport ter terechtzitting is gegeven. Daardoor zou inbreuk zijn gemaakt op het beginsel van het directe karakter van de procedure alsook op het recht om te worden gehoord.
58 Dit middel is niet alleen te laat aangevoerd, het is hoe dan ook kennelijk ongegrond. Het is immers juist de bedoeling van het rapport van de rechter-rapporteur de gegevens van de zaak, rechtens en feitelijk, alsook de middelen en argumenten van partijen samengevat weer te geven en partijen kunnen vóór of tijdens de terechtzitting verzoeken daarin rectificaties aan te brengen, of kunnen voorbehoud maken. Vaststaat overigens, dat de rechters van het Gerecht die aan de beraadslaging hebben deelgenomen, tijdens de gehele procedure toegang hadden tot alle processtukken en documenten van het dossier.
Beroep T-149/94
59 Rekwirante voert vier middelen aan tegen het gedeelte van het arrest van het Gerecht betreffende het beroep T-149/94.
a) Artikel 5 bis, sub f, van de verordening en de bepalingen van hoofdstuk 6 van het Verdrag, betreffende de voorziening
60 In haar eerste middel betoogt KLE, dat, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, artikel 5 bis, sub f, van de verordening het Agentschap niet toestaat, om inlichtingen te verzoeken, en evenmin de in deze tekst gestelde termijn van tien dagen waarbinnen het Agentschap het betrokken contract moet afsluiten of weigeren af te sluiten, later te laten ingaan. Zij voegt eraan toe, dat zijzelf noch BNFL bij de voorlegging van het contract aan het Agentschap op 29 november 1993 het "land van oorsprong" van de te leveren stoffen kenden. Het Agentschap had moeten aanvaarden, dat dit gegeven later werd meegedeeld zonder dat de termijn van artikel 5 bis, sub f, van de verordening door dit verzoek om inlichtingen later zou ingaan.
61 Dienaangaande zij vastgesteld, dat het Gerecht in punt 35 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld, dat "de geografische oorsprong van de te leveren stoffen (...) een centrale plaats [inneemt] onder de elementen van een leveringscontract die ter uitvoering van artikel 5 bis van de verordening aan het Agentschap moeten worden meegedeeld", daar de kennis van deze oorsprong " onmisbaar [is] om de met de voorzieningspolitiek beoogde zekerheid van voorziening te garanderen".
62 Volgens artikel 2, sub d, van het Verdrag moet de Gemeenschap immers zorgen "voor een regelmatige en billijke erts- en splijtstofvoorziening van alle gebruikers in de Gemeenschap". Een regelmatige voorziening is evenwel duidelijk nauw verbonden met diversificatie van de voorzieningsbronnen, zoals uit punt 5, sub a, tweede streepje, van bovengenoemde resolutie van de Raad van 16 september 1986 blijkt. Artikel 60 van het Verdrag, waarin wordt gepreciseerd, dat de gebruikers van grondstoffen aan het Agentschap op gezette tijden de plaatsen van herkomst van de leveranties meedelen, bevestigt dat het voor het Agentschap van belang is de geografische oorsprong van de leveranties te kennen om het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid ten uitvoer te kunnen leggen.
63 In deze omstandigheden heeft het Gerecht niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 39 van het bestreden arrest te oordelen, dat het Agentschap partijen kon verzoeken, het dossier aan te vullen door de oorsprong van het te leveren materiaal mee te delen. Al is het Agentschap volgens artikel 5 bis, sub f, van de verordening verplicht binnen een termijn van tien dagen mee te delen of het contract al dan niet wordt afgesloten, toch is het het Agentschap niet verboden, bij onvolledigheid van het voorgelegde contract, met name bij ontbreken van de inlichtingen waarover partijen met betrekking tot de herkomst van de te leveren stoffen beschikken, een maatregel van instructie, zoals de onderhavige, te treffen wanneer, zoals het Gerecht in dit punt 39 uitdrukkelijk heeft aangegeven, het verzoek om inlichtingen binnen die termijn van tien dagen wordt gedaan.
64 Gelet op het belang van de rol van het Agentschap bij de voorziening uit landen buiten de Gemeenschap mag immers, zoals de advocaat-generaal in punt 106 van zijn conclusie heeft opgemerkt, gerust worden aangenomen, dat het Agentschap over een instructiebevoegdheid beschikt voor zover het deze bevoegdheid aanwendt om zijn controletaak doeltreffender te kunnen uitoefenen, waarbij aan de contractpartijen een laatste mogelijkheid wordt geboden hun contract met het oog op de afsluiting aan te vullen.
65 In casu stelde het Gerecht vast, dat rekwirante en haar leverancier op het tijdstip van de voorlegging van het contract aan het Agentschap, althans stilzwijgend, waren overeengekomen, dat de stoffen uit het GOS afkomstig zouden zijn, zodat partijen de plaats van herkomst van het uranium in het contract zelf hadden kunnen vermelden; bijgevolg heeft het Gerecht in punt 36 geoordeeld, dat een mededeling achteraf - in de zin van artikel 5 bis, sub c, punt 5, van de verordening - van het land van oorsprong niet toelaatbaar was. Een dergelijke feitelijke vaststelling levert geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in geval van een verkeerde opvatting van dit bewijs, die in casu niet is aangetoond (zie met name arrest van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punten 47-49 en 66; beschikking van 17 september 1996, San Marco/Commissie, C-19/95 P, Jurispr. blz. I-4435, punten 36-40, en arrest van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C-7/95 P, Jurispr. blz. I-3111, punten 18-22).
66 Volgens KLE dekt het begrip "land van oorsprong" in artikel 5 bis, sub c, punt 5, van de verordening evenwel niet een geheel van landen zoals het GOS.
67 Dienaangaande behoeft slechts te worden opgemerkt, dat gelet op het belang dat het Agentschap bij kennis van de plaats van herkomst van de stoffen heeft om aan het vereiste van diversificatie van de voorziening te kunnen voldoen, partijen een, zij het op het tijdstip van de voorlegging van het contract onnauwkeurige inlichting over deze herkomst hadden moeten meedelen. Het stilzwijgen van partijen over deze herkomst was voor het Agentschap dus een wettige grond om nadere inlichtingen te vragen, zodat het Gerecht terecht kon oordelen, dat aangezien partijen deze herkomst niet hadden meegedeeld, ofschoon zij die kenden, het Agentschap gerechtigd was op dit punt om nadere inlichtingen te verzoeken, ook al vermoedde het, dat het ging om het GOS.
68 Rekwirante stelt ook, dat het Gerecht in punt 40 van het bestreden arrest de termijn van 29 werkdagen die wegens een gewoon verzoek om inlichtingen tussen de voorlegging van het contract op 29 november 1993 en de inwerkingtreding van het besluit op 7 januari 1994 is verlopen, een termijn die dus bijna drie keer zo lang was als de bindende termijn van de verordening, ten onrechte als "redelijk" heeft aangemerkt. Het Gerecht zou daardoor het evenredigheidsbeginsel hebben geschonden.
69 Deze grief kan niet worden aanvaard. De verplichting voor het Agentschap om snel te beslissen of een contract al dan niet wordt afgesloten, bestaat immers slechts indien dit contract alle inlichtingen bevat die het Agentschap nodig heeft om zijn toezicht op de voorzieningsbronnen te kunnen uitoefenen. De termijn van artikel 5 bis, sub f, van de verordening gaat derhalve pas in bij de ontvangst van het volledige dossier. Bij elke andere uitlegging zou het Agentschap in geval van ontbreken van toereikende inlichtingen de afsluiting van het contract van meet af aan moeten weigeren, hetgeen in bepaalde omstandigheden buitensporig kan zijn, met name wanneer de verwachte inlichtingen dit gevolg niet zouden rechtvaardigen.
70 In deze omstandigheden heeft het Gerecht in dat punt 40 terecht geoordeeld, dat de termijn van tien werkdagen inging op 14 december 1993, de datum waarop het Agentschap de gevraagde inlichting ontving, zodat besluit nr. 1/94, dat op 6 januari 1994 officieel ter kennis is gebracht, gelet op de weekend- en feestdagen, binnen de in artikel 5 bis, sub f, van de verordening gestelde termijn van tien werkdagen is genomen.
71 Ten slotte komt KLE op tegen de overweging van het Gerecht in punt 38 van het bestreden arrest, dat zij de administratieve moeilijkheden die het Agentschap ondervond om een besluit te nemen, over zichzelf had afgeroepen. Haars inziens kan het Gerecht niet op goede gronden stellen, dat de versnelde procedure van artikel 5 bis, sub f, van de verordening alleen geldt voor gevallen die geen problemen opleveren.
72 Zoals reeds uit punt 65 van het onderhavige arrest blijkt, is de vaststelling door het Gerecht dat de contractpartijen op het tijdstip van de voorlegging van het contract, althans stilzwijgend, waren overeengekomen dat de te leveren stoffen uit het GOS afkomstig zouden zijn, een feitenkwestie die niet vatbaar is voor toetsing door het Hof. Uit het voorgaande volgt, dat het Gerecht terecht heeft kunnen oordelen, dat het Agentschap in een dergelijk geval partijen om nadere inlichtingen mocht verzoeken alvorens te beslissen of het contract al dan niet zou worden afgesloten.
73 Bijgevolg heeft het Gerecht niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 40 te overwegen dat de "termijn [waarin het Agentschap zijn besluit heeft genomen] (...) [geen] schending van artikel 5 bis, sub f, van de verordening [opleverde]".
74 Het eerste middel moet dus ongegrond worden verklaard. b) De regels betreffende de bevoegdheidsverdeling
75 In haar tweede middel stelt rekwirante onder verwijzing naar het betoog in haar verzoekschrift voor het Gerecht, dat de bevoegdheid van het Agentschap ter zake van de afsluiting van leveringscontracten geen discretionaire bevoegdheid is, en dat deze bevoegdheid het Agentschap niet toestaat de wettelijke termijn waarbinnen het zich moet uitspreken, te verlengen.
76 Dienaangaande is het vaste rechtspraak, dat een hogere voorziening waarin slechts de in eerste aanleg aangevoerde middelen en argumenten worden herhaald, in werkelijkheid een verzoek om een heronderzoek van het in eerste aanleg ingediende verzoekschrift is, iets waartoe het Hof niet bevoegd is (zie met name beschikking van 26 april 1993, Kupka-Floridi/Economisch en Sociaal Comité, C-244/92 P, Jurispr. blz. I-2041, punt 10, en arrest Deere/Commissie, reeds aangehaald, punt 20). Deze overweging geldt eveneens wanneer eenvoudigweg wordt verwezen naar de middelen en argumenten die in eerste aanleg zijn aangevoerd (arrest van 22 december 1993, Eppe/Commissie, C-354/92 P, Jurispr. blz. I-7027, punt 8).
77 Het tweede middel moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard. c) De motiveringsplicht
78 In haar derde middel stelt rekwirante, dat het Gerecht in de punten 48 en 49 van het bestreden arrest alleen spreekt over de motivering van beschikking 94/95 van de Commissie en niet over die van besluit nr. 1/94 van het Agentschap. Aangezien de maatregel die aan het toezicht van de Commissie is onderworpen, door het Agentschap is genomen, zou de motiveringsplicht op het Agentschap als de gemeenschapsinstantie die de auteur van de handeling is, en niet op de Commissie rusten. Zowel het verzoek om inlichtingen als de verlenging van de termijn, twee door het Agentschap gestelde handelingen die de contractpartijen bezwaren, zouden in strijd met de artikelen 162 van het Verdrag en 5 bis, sub g, van de verordening ontoereikend zijn gemotiveerd.
79 Volgens rekwirante bevat de brief van de Commissie van 10 januari 1994 evenmin enige rechtvaardigingsgrond voor de verlenging van de aan het Agentschap verleende termijn om te beslissen of het contract al dan niet wordt afgesloten. In beschikking 94/95 zou de Commissie de kwestie van de herkomst van de grondstoffen bovendien in algemene bewoordingen hebben behandeld, terwijl de begrippen "land van oorsprong" en "voorzieningsbronnen" hadden moeten worden gehanteerd. Ten slotte zou zij in deze beschikking het GOS in zijn geheel hebben beschouwd als een "bijzondere voorzieningsbron" waarvan de Gemeenschap niet zonder gevaar afhankelijk kan zijn, een standpunt dat haars inziens in strijd is met de Interimovereenkomst betreffende de handel en aanverwante zaken tussen de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds, geparafeerd op 29 december 1994 en goedgekeurd bij besluit 95/414/EG van de Raad van 17 juli 1995 (PB L 247, blz. 1). Bij artikel 15 van die overeenkomst, aangevuld met een bij de overeenkomst gevoegde briefwisseling, heeft de Gemeenschap zich ertoe verbonden "Rusland vooral in het kader van haar voorzieningsbeleid op nucleair gebied [te beschouwen] als afzonderlijke leverancier die zich van andere leveranciers onderscheidt". Dienaangaande verzoekt KLE het Hof "de overlegging te gelasten van de onderhandelingsrichtsnoeren die de Raad aan de Commissie heeft gegeven, alsook van de andere documenten betreffende de onderhandelingen met Rusland over de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst".
80 Aangaande het eerste onderdeel van het middel, betreffende de motivering van besluit nr. 1/94 van het Agentschap, zij eraan herinnerd, dat beroep T-149/94 uitsluitend is gericht tegen beschikking 94/95 van de Commissie en tot nietigverklaring daarvan strekt. In deze omstandigheden kan het Gerecht niet worden verweten, dat het zich ertoe heeft beperkt de gegrondheid van het middel inzake ontoereikende motivering ten aanzien van beschikking 94/95, die juist tot doel heeft besluit nr. 1/94 van het Agentschap te bekrachtigen, te onderzoeken.
81 Aangaande het tweede onderdeel van het middel, betreffende de motivering van beschikking 94/95 en van de brief van de Commissie van 10 januari 1994, zij vastgesteld, dat rekwirante geen enkele duidelijke grief tegen het bestreden arrest formuleert. Zij beperkt zich ertoe, de in eerste aanleg aangevoerde middelen en argumenten uiteen te zetten en een middel inzake ontoereikende motivering van de brief van de Commissie van 10 januari 1994 aan te voeren, ofschoon het beroep T-149/94, zoals in het vorige punt in herinnering is gebracht, tegen beschikking 94/95 was gericht. Het Gerecht kan dus niet worden verweten, dat het geen uitspraak heeft gedaan over de motivering van deze brief, zonder dat behoeft te worden nagegaan, of deze brief een voor beroep vatbaar besluit is.
82 Het derde middel moet derhalve worden afgewezen. d) Misbruik van bevoegdheid door het Agentschap
83 In haar vierde middel verwijt rekwirante het Gerecht, niet te hebben geoordeeld dat het Agentschap zijn bevoegdheid heeft misbruikt, ofschoon een dergelijk misbruik haars inziens blijkt uit het feit dat het Agentschap is afgeweken van zijn eerdere praktijk, te aanvaarden dat alle uraniumbehoeften door leveringen uit het GOS worden gedekt, en dat het met zijn weigering om het litigieuze contract af te sluiten de westerse uraniumproducenten heeft willen beschermen, daarbij een ander doel nastrevend dan hetgeen waarvoor het zijn bevoegdheden heeft gekregen.
84 Vastgesteld zij, dat het Gerecht, na in punt 53 van het bestreden arrest eraan te hebben herinnerd, dat "het vaste rechtspraak [is], dat bij een besluit slechts sprake is van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan, dat het is genomen ter bereiking van andere doeleinden dan die welke de administratie stelt te hebben nagestreefd", in punt 54 heeft geoordeeld, dat "verzoekster (...) niet aannemelijk [heeft] gemaakt, dat het Agentschap en de Commissie een ander doel hebben nagestreefd dan de uitvoering van de voorzieningspolitiek".
85 Zoals in punt 65 van het onderhavige arrest is overwogen, is het Hof niet bevoegd zich uit te spreken over de waarde van het aan het Gerecht voorgelegde bewijs, behoudens in geval van een verkeerde opvatting van dit bewijs, hetgeen in casu niet is aangevoerd.
86 Het vierde middel moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beroep T-181/94
De vordering tot nietigverklaring
87 Rekwirante voert acht middelen aan tegen het gedeelte van het arrest van het Gerecht betreffende het beroep T-181/94.
a) De omvang van de bevoegdheden van het Agentschap en het bestaan van juridische bezwaren tegen de afsluiting van het contract
88 Volgens rekwirante staat het aan de gemeenschapsinstellingen en niet aan het Agentschap het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid te bepalen. Het Agentschap beschikt haars inziens niet over de ruime beoordelingsvrijheid die het volgens het Gerecht op het gebied van het voorzieningsbeleid heeft.
89 KLE voegt daaraan toe, dat het Agentschap volgens artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag en artikel 5 bis, sub f, van de verordening niet alleen het recht, maar ook de plicht heeft de afsluiting van een contract in zijn geheel te weigeren zonder daarin wijzigingen aan te brengen wanneer er zijns inziens een juridisch bezwaar is. Het zou daarentegen niet het recht hebben de inhoud van het contract te wijzigen door er voorwaarden aan toe te voegen.
90 De drie juridische bezwaren die volgens het Gerecht de uitvoering van de bestelling in de weg stonden, zouden geenszins zijn aangetoond. Volgens rekwirante bestaat er immers, anders dan het Gerecht in de punten 90 tot en met 105 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, geen juridisch bezwaar dat verband houdt met de vereisten van het beleid van diversificatie van de voorzieningsbronnen van buiten de Gemeenschap, het prijsniveau voortvloeiend uit de handelsovereenkomst, of het beginsel van gelijke toegang tot de bronnen.
91 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het Agentschap volgens artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag verplicht is aan alle bestellingen te voldoen, tenzij juridische of materiële bezwaren zich daartegen verzetten. Het bestaan van een bezwaar moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de in de artikelen 2, sub d, en 52 van het Verdrag geformuleerde doelstellingen van het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid.
92 Al staat dit artikel 61 in afdeling 2 "Ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen herkomstig uit de Gemeenschap" van hoofdstuk 6, betreffende de voorziening, en wordt met betrekking tot de levering van grondstoffen uit derde landen nergens in het Verdrag naar deze tekst verwezen, toch gelden voor het optreden van het Agentschap ten aanzien van deze laatstgenoemde grondstoffen, zoals de advocaat-generaal in punt 191 van zijn conclusie heeft opgemerkt, soortgelijke vereisten als die van artikel 61, aangezien het Agentschap verplicht is aan de door de gebruikers geplaatste bestellingen te voldoen en er daarbij voor moet zorgen, dat bepaalde grenzen niet worden overschreden.
93 Een van die grenzen waarvan de overschrijding een juridisch bezwaar in de zin van artikel 61 van het Verdrag kan opleveren, is ongetwijfeld de inachtneming van het door het Verdrag nagestreefde doel van regelmatige en billijke voorziening van de gebruikers in de Gemeenschap. Op grond daarvan is het Agentschap, dat daartoe het exclusieve recht heeft de leveringscontracten af te sluiten, verplicht om er onder het toezicht van de Commissie voor te zorgen, dat bepaalde bestellingen geen afbreuk doen aan de diversificatie van de voorziening en geen inbreuk maken op het non-discriminatiebeginsel, ongeacht of de leveranties van communautaire of van andere oorsprong zijn. Door deze taak vormt het Agentschap een essentieel instrument van het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid.
94 In punt 86 van het bestreden arrest heeft het Gerecht overigens terecht geoordeeld, dat "door de vereenvoudigde procedure van artikel 5 bis van de verordening het Agentschap zijn exclusieve rechten niet [worden] ontnomen", en dat zelfs in dat kader "het Agentschap (...) het recht [heeft], zich te verzetten tegen een contract dat de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar zou kunnen brengen".
95 Rekwirante kan dus niet op goede gronden stellen, dat het Agentschap zich de door het Verdrag aan de gemeenschapsinstellingen toegekende bevoegdheid om het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid te bepalen, heeft aangematigd.
96 Zoals in de punten 61 tot en met 64 van het onderhavige arrest reeds is uiteengezet, spoort het met name niet met de doelstellingen van het Verdrag, de beslissingsbevoegdheid van het Agentschap te beperken wanneer het de herkomst van de leveranties niet kent of wanneer het, zoals in casu, gegronde redenen heeft om aan te nemen, dat de herkomst van de producten de zekerheid van de voorziening van de lidstaten van de Gemeenschap in gevaar kan brengen. Het verzoek om nadere inlichtingen kan overigens niet worden gelijkgesteld met een wijziging van het contract, aangezien het tot doel had, het Agentschap in staat te stellen zijn dossier aan te vullen met een essentiële inlichting over de herkomst van de te leveren stoffen, over welke herkomst partijen, althans stilzwijgend, reeds overeenstemming hadden bereikt.
97 Verder heeft het Gerecht in punt 90 van het bestreden arrest ook terecht geoordeeld, dat het Agentschap bij beslissingen op het gebied van het economisch, handels- en nucleair beleid waarbij ingewikkelde economische situaties moeten worden beoordeeld, over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt en dat de rechterlijke controle beperkt dient te blijven tot gevallen van kennelijk verkeerde beoordeling of van misbruik van bevoegdheid.
98 Aangaande het eerste door het Gerecht aangenomen juridisch bezwaar in verband met de vereisten van het beleid van diversificatie van de voorzieningsbronnen stelt KLE, dat er op lange termijn geen afhankelijkheid van leveringen uit het GOS dreigt. Zij verwijt het Gerecht, dat het zich heeft aangesloten bij de analyse van de Commissie, die om het gevaar van afhankelijkheid op lange termijn van de Gemeenschap aan te tonen, het gehele GOS als één enkele voorzieningsbron heeft beschouwd, zonder onderscheid te maken tussen de zeer uiteenlopende productiecapaciteiten van de landen die de voormalige USSR zijn opgevolgd.
99 Rekwirante voegt eraan toe, dat de Commissie is uitgegaan van de huidige productiecapaciteit van de GOS-landen zonder raming van de productiecapaciteit op lange termijn, ofschoon zij van oordeel was dat die gegevens van essentieel belang waren voor de beoordeling van de afhankelijkheid van de Gemeenschap van het GOS. Volgens KLE viel evenwel te voorzien, dat de aanzienlijke voorraden in de betrokken landen in enkele jaren zouden verdwijnen ongeacht de uraniumvindplaatsen en de productiecapaciteit van het GOS. Aangezien deze landen volgens de Commissie ongeveer 25 % van de wereldproductie van uranium voor hun rekening namen en de toelaatbare afhankelijkheid van leveranties uit het GOS maximaal 25 % mocht bedragen, heeft de Commissie, door te stellen dat de overschrijding van dit percentage door een individuele voorzieningsonderneming op lange termijn tot een ontoelaatbare afhankelijkheid van de gehele Gemeenschap van leveringen uit het GOS zou kunnen leiden, een kennelijke beoordelingsfout begaan.
100 Volgens rekwirante kan niet worden aangenomen, zoals het Gerecht in punt 93 van het bestreden arrest heeft gedaan, dat de wereldproductie van uranium een "structureel tekort" vertoont ten opzichte van het gebruik ervan. Eigenlijk vertoont de productie van de Gemeenschap een "structureel deficit", aangezien de uraniumvindplaatsen in de Gemeenschap zeer weinig opleveren. Een diversificatiebeleid, hoe oordeelkundig ook, kan niets aan deze situatie veranderen daar de verdeling van de uraniumvindplaatsen over de wereld door de natuurwetten is bepaald en het "voorzieningsbeleid" van het Agentschap daar geen vat op heeft.
101 Volgens rekwirante heeft de Commissie ten onrechte in aanmerking genomen, dat zij in meer dan 150 % van haar jaarlijkse behoeften had voorzien door materiaal van oorsprong uit het GOS op de spotmarkt te kopen, terwijl de gebruikers gewoonlijk in hun basisbehoeften voorzien door middel van meerjarencontracten en in hun kortetermijnbehoeften, ten belope van ongeveer 10 % van hun jaarlijkse behoeften, door aankopen op de spotmarkt. Deze stelling van de Commissie, die is weergegeven in punt 83 van het bestreden arrest, is niet in overeenstemming met de in het Verdrag neergelegde bevoegdheidsverdeling en is in strijd met de door de Duitse Grondwet en de communautaire rechtsorde gegarandeerde contract- en ondernemingsvrijheid. In het door het Verdrag tot stand gebrachte rechtsstelsel legt geen enkele bepaling de ondernemingen een verplichting op om door middel van meerjarencontracten en niet door aankopen op de spotmarkt in het grootste deel van hun behoeften te voorzien. Het bepalen van de geldigheidsduur van de leveringscontracten blijft tot de uitsluitende bevoegdheid van de partijen behoren, ook al is het Agentschap bij uitsluiting bevoegd, deze contracten al dan niet af te sluiten. De in punt 84 weergegeven stelling van de Commissie, dat de aankopen die KLE heeft verricht op de spotmarkt, waar zij ten opzichte van haar concurrenten ontoelaatbare prijzen en mededingingsvoordelen kreeg, een schending van het beginsel van gelijke toegang tot de hulpbronnen of een bevoorrechte positie in de zin van artikel 52, lid 2, sub a, van het Verdrag opleveren, zou rechtens onjuist zijn. Ook om die reden zou het arrest moeten worden vernietigd.
102 In het kader van een vrije markteconomie is het, nog steeds volgens rekwirante, ondenkbaar dat een marktdeelnemer wordt bestraft voor het enkele feit dat hij op basis van een juistere beoordeling van de marktontwikkeling dan die van zijn concurrenten weigert langetermijncontracten af te sluiten.
103 Om twee redenen kan het betoog van rekwirante niet worden aanvaard.
104 In de eerste plaats komt zij op tegen de feiten zoals die door het Gerecht zijn vastgesteld, en tracht zij de soevereine beoordeling door het Gerecht van zowel deze feiten als het voorgelegde bewijs in geding te brengen. Behoudens in geval van een verkeerde opvatting van de bewijzen, hetgeen door rekwirante niet is aangetoond en zelfs niet is gesteld, is een dergelijke beoordeling van de feiten evenwel niet vatbaar voor toetsing door het Hof.
105 In de tweede plaats geeft rekwirante, door alleen de in eerste aanleg aangevoerde middelen en argumenten te herhalen, niet duidelijk aan, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij bezwaar heeft, en evenmin, welke argumenten rechtens die vordering met name staven: daardoor schendt zij artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof (zie in die zin arrest Deere/Commissie, reeds aangehaald, punten 18 en 19). De grieven zijn daarentegen hoofdzakelijk gericht tegen het Agentschap of de Commissie, zonder verwijzing naar het bestreden arrest.
106 Aangezien de grieven tegen de aanvaarding door het Gerecht van het juridisch bezwaar in verband met de vereisten van het beleid van diversificatie van de voorzieningsbronnen van buiten de Gemeenschap moeten worden verworpen, behoeft de gegrondheid van de grieven van rekwirante betreffende de andere door het Gerecht aanvaarde juridische bezwaren, niet te worden onderzocht. De gebreken die de motivering van het bestreden arrest op dit punt kan vertonen, laten het dictum ervan namelijk hoe dan ook onverlet, zodat de desbetreffende grieven geen doel treffen en moeten worden verworpen (zie met name beschikking van 25 maart 1996, SPO e.a./Commissie, C-137/95 P, Jurispr. blz. I-1611, punten 47-49).
107 Bijgevolg moet het eerste middel worden afgewezen. b) De doelstellingen van de artikelen 1 en 2 van het Verdrag
108 KLE verwijt het Gerecht, dat het in punt 113 van het bestreden arrest het GOS in zijn geheel als een voorzieningsbron heeft beschouwd. Alleen soevereine staten zouden evenwel voorzieningsbronnen kunnen vormen. Rekwirante voegt daaraan toe, dat de diversificatie van de voorzieningsbronnen niet voorkomt onder de in artikel 2 van het Verdrag genoemde doelstellingen.
109 Dienaangaande behoeft enkel te worden vastgesteld, dat rekwirante geen enkel voldoende nauwkeurig en uitgewerkt rechtsmiddel heeft aangevoerd tot staving van haar stelling, dat het begrip voorzieningsbron alleen doelt op de staten, met uitsluiting van een groep van staten of een bepaald gebied van de wereld. Integendeel, geen enkele verdragsbepaling staat eraan in de weg, dat het Agentschap of de Commissie bij de uitvoering van het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid, inzonderheid voor het bepalen van de "plaats van herkomst" van leveranties, rekening houdt met een groter of kleiner geografisch grondgebied dan dat van een specifieke staat.
110 De vereisten van zekerheid en van diversificatie van de voorzieningsbronnen vloeien rechtstreeks voort uit het beginsel van regelmatige en billijke voorziening van alle gebruikers van de Gemeenschap in de zin van artikel 2, sub d, van het Verdrag, zoals reeds in punt 62 van het onderhavige arrest is opgemerkt.
111 Het tweede middel moet derhalve worden afgewezen. c) Het rechtszekerheidsbeginsel
112 KLE stelt, dat het optreden van het Agentschap, dat aan geen enkele democratische controle is onderworpen, doorzichtigheid, samenhang en voorzienbaarheid mist.
113 Zij voert aan, dat in besluit nr. 1/94 van het Agentschap niet wordt aangegeven, dat het vereiste van aan marktprijzen gerelateerde prijzen voortvloeit uit artikel 14 van de handelsovereenkomst, met andere woorden uit een met een niet meer bestaande staat gesloten overeenkomst, waarnaar het Gerecht in punt 125 van het bestreden arrest nochtans verwijst.
114 Rekwirante stelt, dat zij niet gebonden kon zijn door de vaststellingen die in 1992 waren gedaan door een in het kader van het Raadgevend comité ingestelde werkgroep van deskundigen die met gesloten deuren bijeenkwam, en waarvan de conclusies alleen waren gebaseerd op de productiekosten in het Westen, die niet identiek waren met aan marktprijzen gerelateerde prijzen. Haars inziens was evenmin te voorzien, dat het Agentschap uit de in zijn jaarverslag over 1992 gedane vaststelling, dat de import van natuurlijk uranium uit het GOS ongeveer 25 % van de nettobehoefte van de Gemeenschap dekte, zou afleiden dat "de bestaande productiecapaciteiten op lange termijn" van het GOS en zijn aandeel in de wereldproductie eveneens 25 % bedroeg. Rekwirante zou evenmin hebben kunnen voorzien, dat het Agentschap en de Commissie zich niet zouden houden aan de met de GOS-landen gesloten internationale overeenkomsten, volgens welke elk van deze landen als een bijzondere voorzieningsbron moest worden beschouwd. Aangezien het Agentschap eerder reeds contracten met KLE en andere gebruikers tegen niet "aan marktprijzen gerelateerde" prijzen had afgesloten, liet niets vermoeden, dat het Agentschap uit een intern document een volledig verschillend "gemeenschappelijk voorzieningsbeleid" zou afleiden, voor de vaststelling waarvan het Agentschap volgens artikel 52, lid 1, overigens niet bevoegd is.
115 Rekwirante voegt daaraan toe, dat zelfs een zeer zorgvuldige ondernemer niet kon vermoeden, dat het Agentschap de zekerheid van voorziening van de Gemeenschap op middellange en lange termijn bedreigd zou achten wanneer één enkele kleine gebruiker, zoals zij, die geen langetermijncontracten heeft gesloten, in één jaar 150 % van zijn jaarlijkse behoeften dekt door aankopen op de spotmarkt.
116 In punt 125 van het bestreden arrest wordt overwogen, dat
"de grondslagen van de aanpak van het Agentschap, namelijk de resolutie van de Raad, in punt 5, sub a, tweede streepje, waarvan de doelstelling van de geografische diversificatie van de bevoorradingsbronnen van buiten de Gemeenschap wordt geformuleerd, en de handelsovereenkomst, waarvan artikel 14 eist, dat de prijzen aan de marktprijzen gerelateerd zijn, beide zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen".
117 Zoals de advocaat-generaal in punt 251 van zijn conclusie opmerkt, heeft het Gerecht in punt 126 de gegevens overgenomen die in het jaarverslag van het Agentschap over 1992 zijn verstrekt over de omvang van de import van natuurlijk uranium uit het GOS en van de contracten voor toekomstige leveringen, over de hoogte van de toegepaste prijzen "die niet aan de in het Westen geconstateerde productiekosten waren gerelateerd", alsook over de omstandigheid dat volgens de Commissie en het Agentschap correctiemaatregelen moesten worden genomen; het Gerecht kon in punt 127 derhalve terecht tot de slotsom komen, dat "gezien het bestaan van gemakkelijk toegankelijke informatiebronnen, die een redelijk zorgvuldige onderneming in deze zeer specifieke en duidelijk omlijnde sector moet worden geacht te kennen, (...) niet [kan] worden gesteld, dat er sprake is van onvoldoende doorzichtigheid".
118 Voor het overige heeft rekwirante niet duidelijk aangegeven, tegen welke elementen van het bestreden arrest zij bezwaar had, en heeft zij slechts een zuiver feitelijk betoog gevoerd en ontwikkeld, zonder enig juridisch element aan te dragen dat de beoordeling van het Gerecht kan ontkrachten.
119 Het derde middel moet derhalve worden afgewezen. d) De verplichting tot gelijke behandeling
120 Volgens rekwirante heeft het Gerecht haar grieven inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling niet naar behoren onderzocht.
121 Zij zet uiteen, dat het Agentschap volgens artikel 52, lid 2, tweede zin, van het Verdrag niet tussen gebruikers mag discrimineren op grond van het gebruik dat zij van de gevraagde leveranties wensen te maken. Door de toepassing van zijn "intern beoordelingscriterium" kent het Agentschap aan grote overheidsondernemingen dezelfde uraniumhoeveelheden uit de GOS-landen toe als aan de kleine juridisch zelfstandige particuliere ondernemingen, terwijl eerstgenoemden veel beter en op langere termijn kunnen plannen dan kleine ondernemingen zoals rekwirante. Een dergelijke handelwijze is haars inziens discriminerend.
122 Opnieuw dient te worden vastgesteld, dat rekwirante niet nader aangeeft, welke juridische bedenkingen zij heeft tegen het feit dat het Gerecht in punt 132 van het bestreden arrest instemt met de aanpak van het Agentschap, een maximaal toelaatbare afhankelijkheid per ondernemer te hanteren om aan de in de Gemeenschap gevestigde ondernemingen de gelijke toegang tot de hulpbronnen te verzekeren.
123 Het vierde middel moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard. e) Het evenredigheidsbeginsel
124 Rekwirante verwijt het Gerecht enerzijds, dat het over het hoofd heeft gezien, dat het Agentschap met overschrijding van zijn bevoegdheid zijn voorzieningsbeleid zelf heeft vastgesteld zonder de mogelijkheden van de artikelen 65, tweede alinea, 70 en 72 van het Verdrag te hebben onderzocht, en anderzijds, dat het niet heeft vastgesteld, dat het achteraf aan het leveringscontract toevoegen van een beding ook een ernstige inbreuk op de door de communautaire rechtsorde beschermde contractvrijheid is. Een dergelijke inbreuk behoefde een bijzondere rechtvaardiging ten aanzien van het evenredigheidsbeginsel.
125 Rekwirante stelt, dat het Agentschap volgens artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag, volgens zijn statuten en volgens artikel 5 bis, sub f, van de verordening, alleen bevoegd is om het hem voorgelegde contract in zijn geheel af te sluiten of zulks te weigeren, doch niet om daaraan een nieuw beding toe te voegen. Alleen artikel 65, tweede alinea, van het Verdrag verleent het Agentschap het recht in de contractuele betrekking in te grijpen om de geografische oorsprong van de leveringen te bepalen. Maar ook in dat geval kan het Agentschap slechts optreden voor zover het aan de gebruiker ten minste even gunstige voorwaarden verzekert als die welke in de bestelling zijn neergelegd. Een overeenkomstige toepassing van artikel 65, tweede alinea, is uitgesloten omdat de leveringsvoorwaarden in casu ten nadele van de contractpartijen zijn gewijzigd, zodat alleen de verplichting van artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag geldt. Aangezien er geen enkel juridisch of materieel bezwaar tegen de tenuitvoerlegging van het contract bestond, was het Agentschap dus verplicht dit contract af te sluiten. Ingeval er daadwerkelijk een juridisch bezwaar tegen de tenuitvoerlegging van het contract ware geweest, had het Agentschap ingevolge artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag moeten weigeren het contract af te sluiten. Door het toch af te sluiten en er een voorwaarde aan te verbinden, heeft het Agentschap zijn bevoegdheid overschreden.
126 Blijkens de punten 92 tot en met 94 van het bestreden arrest kon de voortzetting van de invoer van kernmateriaal uit het GOS afbreuk doen aan het vereiste van een regelmatige voorziening, hetgeen een feitelijke beoordeling is die niet vatbaar is voor toetsing door het Hof. In dit verband heeft het Gerecht de regelmatigheid van de door het Agentschap gestelde voorwaarde inzake herkomst afdoende gerechtvaardigd ten aanzien van het evenredigheidsbeginsel door erop te wijzen, dat het Agentschap bevoegd moet worden geacht zich tegen de invoer van uranium te verzetten wanneer deze afbreuk doet aan de geografische spreiding van de voorzieningsbronnen.
127 Aangaande het argument dat het Agentschap niet bevoegd was om een voorwaarde te stellen voor de afsluiting van het contract, en dat er geen bezwaren waren tegen de tenuitvoerlegging ervan, zij verwezen naar de punten 61 tot en met 64 van het onderhavige arrest.
128 Bijgevolg moet het vijfde middel van KLE worden afgewezen. f) De regels betreffende de bevoegdheidsverdeling
129 Volgens KLE is het Gerecht aan de in het Verdrag neergelegde bevoegdheidsverdeling voorbijgegaan, door aan te nemen dat het Agentschap het recht had het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid te bepalen, terwijl het Agentschap slechts een "schijnbaar notariële functie" uitoefent en slechts over zuiver commerciële bevoegdheden beschikt.
130 Om dezelfde redenen als die welke in de punten 63 en 91 tot en met 95 van het onderhavige arrest zijn genoemd, moet dit zesde middel worden afgewezen.
g) De motiveringsplicht
131 KLE stelt in de eerste plaats, dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen door geen uitspraak te doen over de grief dat de Commissie geen logisch verband heeft gelegd tussen de bevoegdheden van het Agentschap en het Verdrag, en door niet aan te geven om welke redenen rekwirante afhankelijk zou zijn geworden van leveringen uit het GOS en de in het contract overeengekomen aankoopprijs niet overeenstemde met de marktvoorwaarden.
132 In de tweede plaats expliciteert beschikking 94/285 niet wat onder bescherming van de belangen van de Gemeenschap "op lange termijn" moet worden verstaan, laat zij het "intern beoordelingscriterium" van het Agentschap tussen 20 en 25 % schommelen, en past zij dit criterium niet toe op de productiecapaciteit van de GOS-landen, maar op alle leveranties, met inbegrip van leveranties uit oude voorraden.
133 In de derde plaats stelt rekwirante, dat, anders dan het Gerecht in punt 146 van het bestreden arrest heeft aangenomen, het beroep niet betrekking heeft op de redenen waarom het Agentschap heeft geweigerd het contract af te sluiten, maar op die waarom de Commissie het haar bij artikel 53, tweede alinea, van het Verdrag verleende recht niet heeft uitgeoefend.
134 Om te beginnen moet het onderdeel van het middel inzake de onregelmatigheid van de motivering van beschikking 94/285 van de Commissie op het punt van het criterium in verband met de productiecapaciteit van de GOS-landen, niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van het betoog van KLE is namelijk, zoals de Commissie en de advocaat-generaal - in punt 275 van zijn conclusie - hebben opgemerkt, gericht tegen beschikking 94/285 en laat het bestreden arrest onverlet. Het betoog van rekwirante betreft bovendien zuiver feitelijke elementen van het dossier en bevat geen rechtsmiddelen.
135 Met betrekking tot de ontoereikende motivering van het bestreden arrest dient vervolgens te worden opgemerkt, dat het Gerecht in punt 145 heeft verklaard, dat "de Commissie (...) in haar beschikking evenwel te verstaan [heeft] gegeven, dat het Agentschap niet verplicht is aan bestellingen te voldoen wanneer juridische of materiële bezwaren zich daartegen verzetten (veertiende overweging van de considerans van beschikking 94/285)", en dat de Commissie zich had "beroepen op artikel 64 van het Verdrag, volgens hetwelk het Agentschap eventueel optreedt in het kader van de tussen de Gemeenschap en een derde staat gesloten akkoorden, (...) (eenentwintigste overweging)".
136 Met deze duidelijke verwijzing naar artikel 64 van het Verdrag, waarin het Agentschap hoofdzakelijk het uitsluitend recht wordt verleend om in het kader van de akkoorden met een derde land of een internationale organisatie contracten voor leveringen uit landen buiten de Gemeenschap af te sluiten, heeft het Gerecht het middel inzake de door het Verdrag aan dit Agentschap verleende bevoegdheid beantwoord. Bovendien vormt de in het bestreden arrest verrichte vermelding van juridische en materiële bezwaren op grond waarvan het Agentschap mag weigeren aan de bestellingen te voldoen, een andere stilzwijgende, doch duidelijke verwijzing naar artikel 61 van het Verdrag, waarvan de bepalingen, zoals uit punt 92 van het onderhavige arrest blijkt, ook op materiaal van oorsprong uit derde landen van toepassing zijn.
137 Met betrekking tot de vraag, of het Gerecht uitspraak heeft gedaan over de redenen waarom de Commissie van mening was dat KLE afhankelijk zou worden van leveringen uit het GOS, dient voorts te worden vastgesteld, dat het Gerecht, door in punt 145 van het bestreden arrest de belangrijkste overwegingen van de considerans van beschikking 94/285 samen te vatten en te herhalen, de motivering van de Commissie tot de zijne heeft gemaakt en aldus de grieven van rekwirante heeft afgewezen.
138 Het Gerecht heeft inderdaad niet uitdrukkelijk geantwoord op het argument van KLE, dat de Commissie niet heeft uiteengezet waarom de in het contract overeengekomen prijs niet overeenstemde met die welke in de markteconomie gold of niet aan de marktprijzen gerelateerd was. In punt 145 van het bestreden arrest heeft het Gerecht evenwel verwezen naar artikel 14 van de handelsovereenkomst, volgens hetwelke de uitwisseling van goederen tussen de Gemeenschap en de USSR zou plaatsvinden tegen op de markt afgestemde prijzen. Bovendien heeft het Gerecht in punt 146 geoordeeld, dat uit de motivering van de beschikking van de Commissie, zoals uiteengezet in punt 145 "(...) duidelijk en ondubbelzinnig de belangrijkste redenen [bleken] voor de weigering om het door verzoekster voorgelegde contract af te sluiten", waardoor het Gerecht, zoals de advocaat-generaal in punt 279 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de grief betreffende het prijsniveau niet uitdrukkelijk behoefde te behandelen.
139 Het zevende middel moet derhalve worden afgewezen. h) Misbruik van bevoegdheid
140 Rekwirante verwijt het Gerecht, dat het niet heeft nagegaan of de door het Agentschap genomen maatregelen pasten in het kader van de bevoegdheden die het volgens het Verdrag bezit, alvorens te onderzoeken of het Agentschap zijn bevoegdheden had gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn toegekend.
141 Rekwirante stelt dat, door geen onderscheid te maken tussen het Agentschap en de Commissie, het Gerecht met zijn verklaring dat KLE niet heeft aangetoond dat beiden een ander doel dan de tenuitvoerlegging van het voorzieningsbeleid hebben nagestreefd, heeft verhuld dat rekwirante de Commissie met dit middel wilde verwijten, dat zij niet overeenkomstig artikel 53, eerste alinea, haar vetorecht heeft uitgeoefend tegen de overschrijding door het Agentschap van de bevoegdheden die het krachtens het Verdrag bezit. Volgens rekwirante blijkt uit de in punt 6 van het bestreden arrest bedoelde brief van het Agentschap van 20 december 1993, dat het Agentschap in strijd met de bevoegdheden die het krachtens het Verdrag bezit, zijn besluit in werkelijkheid had genomen om de westerse producenten te beschermen. Uit de eigen vaststellingen van het Gerecht bleek derhalve, dat het Agentschap een misbruik van bevoegdheid had gemaakt waartegen de Commissie had moeten optreden.
142 De stelling, dat het Gerecht de wijze waarop het Agentschap zijn bevoegdheden heeft uitgeoefend, niet heeft getoetst, moet worden verworpen. Dienaangaande behoeft slechts te worden verwezen naar de punten 85 en 89 tot en met 106 van het bestreden arrest, waar het Gerecht zich over de aard en de omvang van de bevoegdheden van het Agentschap heeft uitgesproken en de regelmatigheid van de beschikking van de Commissie daaraan heeft getoetst, in het bijzonder door na te gaan, of de drie door de Commissie ter rechtvaardiging van de voorwaarde inzake de herkomst aangevoerde bezwaren gegrond waren.
143 Aangaande de stelling, dat het Gerecht in het gedeelte van het arrest betreffende de weerlegging van het middel inzake misbruik van bevoegdheid geen onderscheid heeft gemaakt tussen het Agentschap en de Commissie, kan worden volstaan met de vaststelling, dat rekwirante geen enkel juridisch argument heeft aangevoerd waardoor het oordeel van het Gerecht, dat zij niet heeft aangetoond dat het Agentschap en de Commissie een ander doel dan de tenuitvoerlegging van het voorzieningsbeleid hebben nagestreefd, kan worden ontkracht.
144 Wat ten slotte de verwijzing door het Gerecht naar de brief van het Agentschap van 20 december 1993 betreft, zij vastgesteld, dat deze brief in de punten 149 en 150 van het bestreden arrest geenszins ter sprake komt, en dat dit argument er bovendien toe strekt de door de rechter in eerste aanleg verrichte beoordeling van het bewijs te betwisten, hetgeen in het kader van een hogere voorziening niet kan worden toegestaan aangezien dit argument geen verkeerde opvatting over dit bewijs aannemelijk maakt.
145 Het achtste middel moet derhalve worden afgewezen.
De vordering tot schadevergoeding
146 Volgens KLE is het Gerecht, door de vordering tot schadevergoeding af te wijzen op grond dat de handelwijze van het Agentschap en de weigering van de Commissie om aan haar verzoeken te voldoen, geen enkele onregelmatigheid vertonen, eraan voorbijgegaan, dat de vorderingen tot nietigverklaring enkel betrekking hadden op de beschikkingen van de Commissie. De vordering tot schadevergoeding strekte evenwel tot vergoeding van de schade veroorzaakt door de onwettige handelwijze van het Agentschap en daarover had het Gerecht zich derhalve moeten uitspreken.
147 Zoals de Commissie heeft opgemerkt, kan dit middel niet worden aanvaard aangezien het Gerecht, door in het kader van het onderzoek van de vorderingen tot nietigverklaring van de beschikkingen van de Commissie te oordelen dat de handelwijze van het Agentschap en de Commissie in overeenstemming met het gemeenschapsrecht was, stilzwijgend doch noodzakelijkerwijs de regelmatigheid van de besluiten van het Agentschap heeft aanvaard.
148 Daar de Commissie of het Agentschap geen onwettigheid hebben begaan, moet de vordering tot schadevergoeding worden afgewezen.
149 Uit een en ander volgt, dat de door rekwirante tot staving van haar hogere voorziening aangevoerde middelen niet-ontvankelijk of ongegrond zijn. In deze omstandigheden kan de hogere voorziening enkel worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
150 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat volgens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie heeft gevorderd, rekwirante in de kosten te verwijzen, en deze in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbH in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy