Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Vervoer - Zeevervoer - Vrachtverdelingsovereenkomst tussen lidstaat en derde land - Toekomstige overeenkomst zonder toelating overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 4055/86 - Niet-nakoming
(Verordening nr. 4055/86 van de Raad, art. 5)
Samenvatting
Als een vrachtverdelingsregeling in een toekomstige overeenkomst in de zin van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 4055/86 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen, is te beschouwen een overeenkomst inzake zeevervoer tussen een lidstaat en een derde land die overeenkomstig de relevante bepalingen ervan pas in werking is getreden na 1 januari 1987, datum van inwerkingtreding van voormelde verordening, en die een regeling bevat inzake vrachtverdeling tussen de contracterende partijen. Voor zover voor deze regeling geen toelating was gegeven overeenkomstig artikel 5, lid 1, van verordening nr. 4055/86, is zij in strijd met laatstbedoelde bepaling.
Partijen
In de gevoegde zaken C-176/97 en C-177/97,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur F. Benyon als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door J. Devadder, adviseur-generaal bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4,
en
Groothertogdom Luxemburg, vertegenwoordigd door N. Schmit, directeur internationale economische betrekkingen en samenwerking bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter zetel van het ministerie, Rue Notre-Dame 5,
verweerders,
betreffende een verzoek om vast te stellen, dat het Koninkrijk België (C-176/97) en het Groothertogdom Luxemburg (C-177/97), door in het Akkoord tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en Maleisië inzake het zeevervoer, door het Koninkrijk België gesloten in eigen naam en in naam van het Groothertogdom Luxemburg, en in werking getreden na 1 januari 1987, vrachtverdelingsregels op te nemen en in stand te laten, de verplichtingen niet zijn nagekomen die op hen rusten ingevolge artikel 5 van verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen (PB L 378, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, M. Wathelet, J. C. Moitinho de Almeida, D. A. O. Edward (rapporteur) en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 29 januari 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 maart 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschriften neergelegd ter griffie van het Hof op 5 mei 1997, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag twee beroepen ingesteld, strekkende tot vaststelling dat het Koninkrijk België (C-176/97) en het Groothertogdom Luxemburg (C-177/97), door in het Akkoord tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en Maleisië inzake het zeevervoer, door het Koninkrijk België gesloten in eigen naam en in naam van het Groothertogdom Luxemburg, en in werking getreden na 1 januari 1987, vrachtverdelingsregels op te nemen en in stand te laten, de verplichtingen niet zijn nagekomen die op hen rusten ingevolge artikel 5 van verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen (PB L 378, blz. 1; hierna: "verordening").
Het toepasselijke recht
2 Artikel 5, lid 1, van de verordening bepaalt:
"Vrachtverdelingsregelingen in toekomstige overeenkomsten met derde landen zijn verboden, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, wanneer lijnvaartondernemingen van de Gemeenschap anders geen daadwerkelijke gelegenheid zouden hebben lijndiensten van en naar het betrokken derde land te onderhouden. In die omstandigheden kunnen overeenkomsten worden toegestaan overeenkomstig artikel 6."
3 Artikel 6 van de verordening bepaalt:
"1. Indien onderdanen of scheepvaartondernemingen van een lidstaat, als bedoeld in artikel 1, leden 1 en 2, zich in een situatie bevinden of dreigen te bevinden waarin zij geen daadwerkelijke gelegenheid hebben lijndiensten van en naar een bepaald derde land te onderhouden, stelt de betrokken lidstaat de andere lidstaten en de Commissie daarvan zo spoedig mogelijk in kennis.
2. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie over de stappen die moeten worden genomen. Deze stappen kunnen in de in artikel 5, lid 1, bedoelde omstandigheden het onderhandelen over en sluiten van vrachtverdelingsregelingen omvatten.
3. Indien de Raad binnen zes maanden nadat een lidstaat de informatie overeenkomstig lid 1 heeft verstrekt, geen besluit heeft genomen over de nodige stappen, mag de betrokken lidstaat de stappen nemen die voorshands noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat hij daadwerkelijk lijndiensten kan blijven onderhouden overeenkomstig artikel 5, lid 1.
4. Stappen die worden genomen krachtens lid 3, moeten in overeenstemming zijn met de communautaire wetgeving en voorzien in een billijke, vrije en niet-discriminerende toegang tot de betrokken vrachtaandelen voor onderdanen of scheepvaartondernemingen van de Gemeenschap, als omschreven in artikel 1, leden 1 en 2.
5. Nationale stappen uit hoofde van lid 3 dienen onmiddellijk aan de lidstaten en de Commissie te worden meegedeeld. De bij beschikking 77/587/EEG van de Raad ingestelde overlegprocedure is van toepassing."
4 Overeenkomstig artikel 12 ervan is deze verordening in werking getreden op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, dit wil zeggen op 1 januari 1987.
5 Volgens artikel 31, lid 1, van de Overeenkomst van 25 juli 1921 (hierna: "Overeenkomst") tot oprichting van de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie (hierna: "BLEU"), zijn de verdragen en akkoorden inzake tarieven en handel, alsmede de internationale betalingsakkoorden met betrekking tot de buitenlandse handel, gemeenschappelijk en worden zij door België in naam van de BLEU gesloten, onder voorbehoud van het recht van de Luxemburgse regering deze verdragen of akkoorden samen met de Belgische regering te ondertekenen.
6 Op 12 februari 1985 hebben de BLEU en de regering van Maleisië te Kuala Lumpur een Akkoord inzake het zeevervoer (hierna: "Akkoord") ondertekend. Volgens de aanhef ervan zijn de overeenkomstsluitende partijen "de regering van het Koninkrijk België, (...) mede uit naam van de regering van het Groothertogdom Luxemburg, en de regering van Maleisië".
7 Artikel 1, lid 1, van het Akkoord bepaalt:
"(...)
1. De uitdrukking $schepen van de overeenkomstsluitende partij' (betekent) koopvaardijschepen die zijn ingeschreven in Maleisië of in de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en die onder de vlag van een der betreffende landen varen.
Deze uitdrukking heeft echter geen betrekking op:
1) schepen die uitsluitend ten dienste van de krijgsmacht staan;
(...)"
8 Artikel 2, lid 1, van het Akkoord luidt:
"De schepen van de overeenkomstsluitende partijen mogen tussen de havens van beide landen die opengesteld zijn voor de buitenlandse handel varen en tussen beide landen passagiers- en vrachtdiensten (hierna te noemen $de overeengekomen diensten') onderhouden."
9 Artikel 3 van het Akkoord luidt:
"Gecharterde schepen die de vlag voeren van derde landen maar door nationale scheepvaartmaatschappijen van een der overeenkomstsluitende partijen geëxploiteerd worden, mogen eveneens deelnemen aan de overeengekomen diensten, tenzij een der overeenkomstsluitende partijen kennis geeft van het tegendeel."
10 Artikel 16 van de Overeenkomst luidt:
"1. De overeenkomstsluitende partijen geven uitdrukking aan hun wil om op het gebied van het vervoer over zee samen te werken in de geest van de VN-Gedragscode voor Lijnvaartconferences.
2. De nationale scheepvaartmaatschappijen van de overeenkomstsluitende partijen mogen deelnemen in de vrachten en de omvang van het handelsverkeer over zee tussen de overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig de beginselen van billijke verdeling en wederzijds voordeel.
3. Inzake het goederenverkeer over zee (lijnverkeer) hebben beide partijen gelijke rechten tot deelneming in het vervoer dat zijn oorsprong vindt in hun onderlinge buitenlandse handel. Scheepvaartmaatschappijen uit derde landen hebben het recht een aanmerkelijk deel te verwerven in dit verkeer, in overeenstemming met de beginselen van de VN-Gedragscode voor Lijnvaartconferences.
4. De controle op de vrachtverdeling voor het inkomend en uitgaand verkeer in de havens van de twee partijen wordt toevertrouwd aan hun nationale scheepvaartmaatschappijen."
11 Volgens artikel 21 ervan diende het Akkoord in werking te treden zodra de overeenkomstsluitende partijen elkaar langs diplomatieke weg ervan in kennis hadden gesteld dat aan hun onderscheiden grondwettelijk vereiste procedures was voldaan.
12 Op 15 juli 1987 stelde het Koninkrijk België de Maleisische autoriteiten in kennis van de wet van 29 juni 1987 houdende goedkeuring van het Akkoord.
De administratieve procedure
13 Bij brief van 23 juni 1992 heeft de Commissie de Belgische autoriteiten voorgesteld het Akkoord aan te passen, omdat volgens haar de artikelen 2, 3 en 16 ervan vrachtverdelingsregels behelzen die niet in overeenstemming zijn met de door de verordening opgelegde verplichtingen.
14 De Belgische autoriteiten hebben zich bij brief van 12 november 1992 akkoord verklaard met dit voorstel. Bij brief van 22 juli 1992 hebben de Luxemburgse autoriteiten de Commissie laten weten, dat zij zich aansloten bij de zienswijze van het Koninkrijk België in verband met hun bilaterale akkoorden.
15 Bij brief van 3 december 1992 heeft de Commissie de Belgische en de Luxemburgse autoriteiten herinnerd aan de voor hen uit de verordening voortvloeiende verplichtingen.
16 Bij brief van 19 februari 1993 hebben de Belgische autoriteiten geantwoord, dat zij met de Luxemburgse autoriteiten samenwerkten met het oog op een aanpassing van het Akkoord.
17 Toen het akkoord ongewijzigd bleef, heeft de Commissie op 28 maart 1994 het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg aangemaand binnen twee maanden opmerkingen te maken over de niet-nakoming van de voor hen uit de verordening voortvloeiende verplichtingen. In deze brieven voerde de Commissie aan, dat sedert de inwerkingtreding van het Akkoord de daarin neergelegde vrachtverdelingsregels een schending vormden van het beginsel van het vrij verrichten van diensten met betrekking tot het zeevervoer.
18 In hun antwoord van 11 juli 1994 gaven de Belgische autoriteiten te kennen, dat zij de Maleisische autoriteiten hadden voorgesteld het Akkoord aldus te wijzigen, dat het in overeenstemming was met het gemeenschapsrecht.
19 Bij brief van 15 juli 1994 hebben de Luxemburgse autoriteiten uiteengezet, dat de zaak binnen de bevoegdheidssfeer van de BLEU valt, en in overleg met de Belgische partner moest worden opgelost, waarvoor enige tijd nodig was. Omdat zij niet in het bezit waren van alle elementen van het dossier, verzochten de Luxemburgse autoriteiten evenwel om een verlenging van de termijn voor beantwoording van de schriftelijke aanmaning. Daarop heeft de Commissie hun een bijkomende termijn van één maand toegekend.
20 Bij brief van 25 januari 1995 hebben de Luxemburgse autoriteiten de Commissie er voorts aan herinnerd, dat zij handelden in overleg met de Belgische autoriteiten, dat het Koninkrijk België namens het Groothertogdom Luxemburg optreedt ten aanzien van de regering van Maleisië, en dat de dialoog met dit land actief werd voortgezet.
21 Bij brief van 6 juli 1995 heeft de Commissie geantwoord, dat het Groothertogdom Luxemburg niettemin verantwoordelijk bleef voor de juiste toepassing van de verordening.
22 Toen op 21 december 1995 de Belgische en de Luxemburgse autoriteiten aan het Akkoord nog steeds niet de wijzigingen hadden aangebracht die haar noodzakelijk voorkwamen, heeft de Commissie twee met redenen omklede adviezen uitgebracht, het ene gericht tot het Koninkrijk België, en het andere tot het Groothertogdom Luxemburg, waarin nogmaals de argumenten werden uiteengezet die zij in haar schriftelijke aanmaningen reeds had geformuleerd.
23 Bij brief van 21 maart 1996 hebben de Belgische autoriteiten op het met redenen omkleed advies geantwoord, dat de verschillende stappen die bij de Maleisische autoriteiten waren ondernomen, niet tot een gunstig resultaat hadden geleid. Bovendien voerden zij aan, dat de overeenkomstsluitende partijen het Akkoord hadden nageleefd vanaf de datum van ondertekening ervan, zodat het Akkoord, anders dan de Commissie stelt, geen "toekomstige overeenkomst" is in de zin van artikel 5, lid 1, van de verordening.
24 In hun antwoord van 14 maart 1996 hebben de Luxemburgse autoriteiten gepreciseerd, dat het Koninkrijk België overeenkomsten had gesloten namens de BLEU, zodat volgens een vaste praktijk deze overeenkomsten niet onderworpen waren aan de ratificatieprocedure van het Groothertogdom Luxemburg. Bovendien hebben zij erop gewezen, dat de Belgische autoriteiten zich hadden ingespannen om het Akkoord te doen aanpassen, en hebben zij gerefereerd aan de door de Belgische autoriteiten aangevoerde argumenten inzake de vraag of het Akkoord een "toekomstige overeenkomst" is. Tenslotte hebben zij de vraag aan de orde gesteld, of het Groothertogdom Luxemburg, in tegenstelling met de BLEU, een inbreuk heeft gemaakt.
25 Toen de Commissie geen enkele mededeling ontving over een daadwerkelijke wijziging van het Akkoord, heeft zij de onderhavige beroepen wegens niet-nakoming ingesteld.
26 Bij beschikking van 13 november 1997 heeft de President van het Hof de twee zaken gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.
Het beroep
27 De Commissie stelt zich op het standpunt, dat ingevolge de artikelen 2, 3 en 16 van het Akkoord alleen de nationale scheepvaartondernemingen van de overeenkomstsluitende partijen mogen deelnemen aan de vrachten en de omvang van het handelsverkeer over zee tussen deze staten, zodat door onderdanen van andere lidstaten geëxploiteerde schepen hiervan zijn uitgesloten.
28 Dit Akkoord zou dus in strijd zijn met artikel 5, lid 1, van de verordening, dat behalve in uitzonderlijke omstandigheden, elke vrachtverdelingsregeling in toekomstige overeenkomsten met derde landen verbiedt.
29 De Commissie voegt hieraan toe, dat het begrip "toekomstige overeenkomst" in die bepaling slaat op de overeenkomsten die voor de lidstaten geen verplichtingen inhielden op het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening, 1 januari 1987.
30 Dit geldt ook voor de onderhavige overeenkomst, die ingevolge artikel 21 ervan slechts in werking kon treden wanneer was voldaan aan de door de onderscheiden grondwettelijke voorschriften van de overeenkomstsluitende partijen gestelde voorwaarden. Eerst op 15 juli 1987 is Maleisië in kennis gesteld van de Belgische wet houdende goedkeuring van het Akkoord.
31 De Commissie preciseert, dat in casu tot de Raad geen enkel verzoek is gericht overeenkomstig de artikelen 5, lid 1, en 6, op grond waarvan deze instelling "in uitzonderlijke omstandigheden" toestemming kan verlenen voor dergelijke regelingen.
32 Tenslotte, aldus de Commissie, is ook het Groothertogdom Luxemburg partij bij dit Akkoord, nu het ingevolge artikel 31, lid 1, van de Overeenkomst door het Koninkrijk België is vertegenwoordigd bij het sluiten en de goedkeuring ervan.
33 Het Koninkrijk België erkent, dat het Akkoord moet worden aangemerkt als "toekomstige overeenkomst" in de zin van artikel 5, lid 1, van de verordening, en dat de bepalingen ervan moeten worden gewijzigd en in overeenstemming gebracht met de bepalingen van de verordening betreffende vrachtverdelingsregelingen.
34 Het Groothertogdom Luxemburg erkent, dat het partij is bij het Akkoord, en sluit zich voor het overige aan bij het standpunt van het Koninkrijk België.
35 Er zij in de eerste plaats op gewezen, dat de Belgische wet houdende goedkeuring van het Akkoord slechts ter kennis van de Maleisische autoriteiten is gebracht in juli 1987, en dus ingevolge artikel 21 ervan in werking is getreden na 1 januari 1987, datum van inwerkingtreding van de verordening. Het gaat derhalve om een "toekomstige overeenkomst" in de zin van artikel 5, lid 1, van de verordening.
36 In de tweede plaats hebben de verwerende regeringen zelf erkend, dat het Akkoord, dat zowel het Koninkrijk België als het Groothertogdom Luxemburg verbindt, in zijn artikelen 2, 3 en 16 vrachtverdelingsregels bevat, die bij ontbreken van een toelating overeenkomstig artikel 5, lid 1, van de verordening in strijd zijn met laatstbedoelde bepaling.
37 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg, door in het Akkoord tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en Maleisië inzake het zeevervoer, door het Koninkrijk België gesloten in eigen naam en in naam van het Groothertogdom Luxemburg, en in werking getreden na 1 januari 1987, vrachtverdelingsregels op te nemen en in stand te laten, de verplichtingen niet zijn nagekomen die op hen rusten ingevolge artikel 5 van de verordening.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
38 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg in het ongelijk zijn gesteld en de Commissie dit heeft gevorderd, dienen zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door in het Akkoord tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en Maleisië inzake het zeevervoer, door het Koninkrijk België gesloten in eigen naam en in naam van het Groothertogdom Luxemburg, en in werking getreden na 1 januari 1987, vrachtverdelingsregels op te nemen en in stand te laten, zijn het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg de verplichtingen niet nagekomen die op hen rusten ingevolge artikel 5 van verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen.
2) Het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg worden verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy