Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-betwiste niet-nakoming
(EG-Verdrag, art. 169)
Partijen
In zaak C-183/97,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. de Sousa Fialho, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,$
verzoekster,
tegen
Portugese Republiek, vertegenwoordigd door L. Fernandes, directeur van de juridische dienst van het directoraat-generaal Europese Gemeenschappen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en J. Lopes Fernandes, directeur van de juridische dienst van het Nationaal Waterinstituut, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Portugese ambassade, Allée Scheffer 33,$
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Portugese Republiek, door niet alle nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen voor een volledige en juiste uitvoering van richtlijn 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen (PB 1980, L 20, blz. 43), inzonderheid de artikelen 8, 9, 10, 11 en 15 ervan, en, subsidiair, door de Commissie niet onverwijld van die maatregelen in kennis te stellen, niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 21, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: H. Ragnemalm, kamerpresident, R. Schintgen, G. F. Mancini, G. Hirsch en K. M. Ioannou (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 31 maart 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 12 mei 1997, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen dat de Portugese Republiek, door niet alle nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen voor een volledige en juiste uitvoering van richtlijn 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen (PB 1980, L 20, blz. 43; hierna: "richtlijn"), inzonderheid de artikelen 8, 9, 10, 11 en 15 ervan, en, subsidiair, door de Commissie niet onverwijld van die maatregelen in kennis te stellen, niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 21, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen.
2 Doel van deze richtlijn is het voorkomen van verontreiniging van het grondwater door stoffen die behoren tot de families en groepen van stoffen die worden vermeld in lijst I of II van de bijlage daarbij.
3 Volgens artikel 3 treffen de lidstaten de nodige maatregelen om:
a) de inleiding van stoffen van lijst I in het grondwater te verhinderen, en
b) de inleiding van stoffen van lijst II in het grondwater te beperken teneinde de verontreiniging daarvan door deze stoffen te voorkomen.
4 Blijkens de artikelen 4 en 5 van de richtlijn kunnen de lidstaten, indien aan een aantal voorwaarden is voldaan, het direct of indirect lozen van stoffen van lijst I (artikel 4) of lijst II (artikel 5) toestaan.
5 Ingevolge artikel 6 moet, in afwijking van de artikelen 4 en 5, voor het kunstmatig aanvullen van het grondwater met het oog op het openbaar beheer van dit water per geval een bijzondere vergunning door de lidstaten worden verleend.
6 Artikel 8 bepaalt, dat de in de artikelen 4, 5 en 6 bedoelde vergunningen pas door de bevoegde instanties van de lidstaten mogen worden afgegeven wanneer zij zich ervan hebben vergewist, dat het grondwater, en met name de kwaliteit ervan, onder controle staat.
7 De artikelen 9 en 10 omschrijven de gegevens die in de in de artikelen 4 en 5 van de richtlijn bedoelde vergunningen met name moeten worden bepaald.
8 Artikel 11 schrijft voor, dat de in de artikelen 4 en 5 bedoelde vergunningen slechts voor een beperkte periode mogen worden verleend en ten minste om de vier jaar aan een onderzoek moeten worden onderworpen. Zij kunnen worden verlengd, gewijzigd of ingetrokken.
9 Artikel 15 luidt: "De bevoegde instanties van de lidstaten houden een inventaris bij van de in artikel 4 bedoelde vergunningen voor de lozingen van stoffen van lijst I, van de in artikel 5 bedoelde vergunningen voor de directe lozingen van stoffen van lijst II, alsmede van de in artikel 6 bedoelde vergunningen."
10 Ingevolge artikel 21, lid 1, moesten de lidstaten binnen twee jaar na kennisgeving van de richtlijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden die nodig zijn om aan de richtlijn te voldoen, en de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis stellen. Daar de richtlijn op 20 december 1979 ter kennis van de lidstaten is gebracht, is die termijn op 20 december 1981 verstreken.
11 Krachtens de artikelen 392 en 395 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 23), moest de Portugese Republiek de nodige maatregelen om aan de richtlijn te voldoen, op het tijdstip van haar toetreding tot de Europese Economische Gemeenschap, te weten 1 januari 1986, in werking doen treden.
12 Nadat de Portugese regering de Commissie ervan in kennis had gesteld, dat de richtlijn in nationaal recht was omgezet bij besluitwet nr. 74/90 van 7 maart 1990, verzocht de Commissie de Portugese autoriteiten bij schrijven van 12 augustus 1991 om aanvullende inlichtingen over deze bepalingen.
13 Toen antwoord uitbleef en van mening dat besluitwet nr. 74/90 geen volledige en juiste omzetting van de richtlijn waarborgde, leidde de Commissie tegen de Portugese Republiek de niet-nakomingsprocedure van artikel 169 van het Verdrag in door haar op 6 juli 1993 een aanmaningsbrief te zenden.
14 Bij brief van 9 juni 1994 antwoordde de Portugese regering, dat de uitvoering van de richtlijn niet alleen werd verzekerd door besluitwet nr. 74/90, maar ook door de besluitwetten nr. 488/85 van 25 november 1985 betreffende residuen van de verwerkende industrie, en nr. 446/91 van 22 november 1991 houdende vaststelling van de gebruiksregeling in de landbouw van bepaalde soorten slib afkomstig van waterzuiveringsinstallaties, welke besluitwetten dezelfde doelstellingen hebben als de richtlijn.
15 Van mening dat de door de Portugese regering aangevoerde bepalingen niet de conclusie wettigden, dat de richtlijn volledig en juist in Portugees recht was omgezet, deed de Commissie de Portugese Republiek bij brief van 5 september 1996 een met redenen omkleed advies toekomen, waarin zij haar uitnodigde de nodige maatregelen te treffen om twee maanden na de kennisgeving van dit advies aan de richtlijn, inzonderheid de artikelen 8, 9, 10, 11 en 15 ervan, te voldoen.
16 In haar antwoord van 9 december 1996 verklaarde de Portugese Republiek, dat zij bezig was met de behandeling van nieuwe ontwerpen tot omzetting van de richtlijn. Zij zond de Commissie tevens besluitwet nr. 45/94 van 22 februari 1994, een kaderwet betreffende de planificatie van de watervoorraden, alsmede de besluiten nrs. 176/96 en 177/96 tot aanvulling van de regeling van besluitwet nr. 446/91, waarvan eerder kennis was gegeven.
17 Van mening dat de door de Portugese autoriteiten meegedeelde maatregelen geen einde maakten aan de in het met redenen omkleed advies gestelde inbreuken, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
18 De Portugese regering betwist voor het Hof de verweten niet-nakoming niet, doch betoogt, dat een besluitwet ter aanvulling van de uitvoering van de richtlijn in nationaal recht in behandeling is.
19 Daar de richtlijn niet binnen de gestelde termijn is uitgevoerd, moet het beroep van de Commissie ter zake gegrond worden geacht.
20 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de Portugese Republiek, door niet alle nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen voor de volledige en juiste uitvoering van de richtlijn, inzonderheid de artikelen 8, 9, 10, 11 en 15 ervan, de krachtens artikel 21, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
21 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien de Portugese regering in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
22 Door niet binnen de gestelde termijn alle nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen voor een volledige en juiste uitvoering van richtlijn 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen, inzonderheid de artikelen 8, 9, 10, 11 en 15 ervan, heeft de Portugese Republiek niet voldaan aan de krachtens artikel 21, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen.
23 De Portugese Republiek wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy