Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Vrij verrichten van diensten - Voorwaarden voor toegang tot anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van be- en verwerkende nijverheid - Erkenning van daadwerkelijke uitoefening van werkzaamheid in andere lidstaat - Voorwaarden - Verzoek om toegang tot uitoefening van meerdere beroepen
(EG-Verdrag, art. 3, sub c, 52 en 59; richtlijn 64/427 van de Raad, art. 3)
Samenvatting
Artikel 3 van richtlijn 64/427 betreffende de overgangsmaatregelen op het gebied van de anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van de be- en verwerkende nijverheid behorende tot de klassen 23 tot en met 40 van de ISIC (Industrie en Ambacht), moet aldus worden uitgelegd, dat indien in een lidstaat de toegang tot en de uitoefening van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van de be- en verwerkende nijverheid, die tot de industrie en het ambacht behoren, afhankelijk zijn gesteld van het bezit van een bepaalde kennis en bekwaamheid, deze lidstaat niet kan verlangen, dat een gemeenschapsonderdaan die verschillende vergunningen aanvraagt om op het grondgebied van die staat de beroepswerkzaamheden uit te oefenen welke hij volgens een verklaring van de bevoegde instanties van de lidstaat van herkomst heeft uitgeoefend, de in dat artikel bedoelde tijdvakken van daadwerkelijke uitoefening heeft vervuld voor elk van de beroepen afzonderlijk waarvan het werkterrein door de wettelijke regeling van de ontvangende lidstaat wordt bepaald.
Zelfs indien de volgens de verklaring van de lidstaat van herkomst uitgeoefende werkzaamheden tot het werkterrein van meerdere beroepen behoren zoals die door de ontvangende lidstaat zijn gedefinieerd, is laatstgenoemde lidstaat gebonden aan de vaststellingen in de door de lidstaat van herkomst afgegeven verklaring en kan hij derhalve de voorwaarden voor toegang tot elk van de ambachten en het werkterrein daarvan bijgevolg niet aldus vaststellen, dat de afgifte van deze verklaring van geen nut meer is om de belanghebbende in staat te stellen het in de verklaring bedoelde beroep in de ontvangende lidstaat verder uit te oefenen.
Deze uitlegging is enerzijds in overeenstemming met artikel 3, tweede alinea, van de richtlijn, waarin wordt bepaald dat op de datum van indiening van het verzoek niet meer dan tien jaar verstreken mogen zijn sedert de beëindiging van de betrokken werkzaamheid. Zou de ontvangende lidstaat overeenkomstig artikel 3, sub a, van de richtlijn voor elk van de beroepen kunnen eisen dat het gedurende zes achtereenvolgende jaren als zelfstandige is uitgeoefend, dan zou de aanvrager onmogelijk op basis van de als gelijkwaardig erkende bewijsstukken kunnen aantonen, dat hij de nodige kennis en bekwaamheid bezit om vergunning te verkrijgen voor de uitoefening van meer dan twee werkzaamheden.
Deze uitlegging wordt bovendien gerechtvaardigd door de vereisten van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, die door de artikelen 3, sub c, 52 en 59 van het Verdrag zijn gewaarborgd. Deze vrijheden, die in het systeem van de Gemeenschap van fundamenteel belang zijn, zouden immers niet worden verwezenlijkt indien elk der lidstaten, met een beroep op de door hem gegeven beperkende definitie van het werkterrein van de verschillende ambachten, het voordeel van de bepalingen van het gemeenschapsrecht kon weigeren aan eenieder die de in de richtlijn bedoelde beroepservaring in een andere lidstaat heeft verworven.
Partijen
In de gevoegde zaken C-193/97 en C-194/97,
betreffende twee verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Luxemburgse Tribunal administratif, in de aldaar aanhangige gedingen tussen
M. de Castro Freitas (C-193/97),
R. Escallier (C-194/97),
en
Ministre des Classes moyennes et du Tourisme,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 52 EG-Verdrag en artikel 3 van richtlijn 64/427/EEG van de Raad van 7 juli 1964 betreffende de overgangsmaatregelen op het gebied van de anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van de be- en verwerkende nijverheid behorende tot de klassen 23 tot en met 40 van de ISIC (Industrie en Ambacht) (PB 1964, 117, blz. 1863),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, C. Gulmann, D. A. O. Edward (rapporteur), L. Sevón en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- M. de Castro Freitas, vertegenwoordigd door M. Baden, advocaat te Luxemburg,
- R. Escallier, vertegenwoordigd door A. Rodesch, advocaat te Luxemburg,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. J. Drijber, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van M. de Castro Freitas, vertegenwoordigd door R. Loos, advocaat te Luxemburg; R. Escallier, vertegenwoordigd door A. Rodesch; de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Fernandes, directeur van de juridische dienst van het directoraat-generaal Europese Gemeenschappen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en M. Telles Romão, jurist bij dit directoraat, als gemachtigden, en de Commissie, vertegenwoordigd door B. Mongin en J. Macdonald Flett, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, ter terechtzitting van 10 februari 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 maart 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij twee vonnissen van 7 mei 1997, ingekomen bij het Hof op 21 mei daaraanvolgend, heeft het Luxemburgse Tribunal administratif krachtens artikel 177 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 52 EG-Verdrag en artikel 3 van richtlijn 64/427/EEG van de Raad van 7 juli 1964 betreffende de overgangsmaatregelen op het gebied van de anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van de be- en verwerkende nijverheid behorende tot de klassen 23 tot en met 40 van de ISIC (Industrie en Ambacht) (PB 1964, 117, blz. 1863; hierna: "richtlijn").
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van twee beroepen, het ene ingesteld door de Castro Freitas, het andere door Escallier, tegen twee beschikkingen van de minister van Middenstand en Toerisme (hierna: "minister"), waarbij aan verzoekers een vestigingsvergunning werd geweigerd voor het uitoefenen van meerdere beroepen in Luxemburg.
De Luxemburgse regeling
3 Artikel 1, lid 1, eerste alinea, van de Luxemburgse wet van 28 december 1988 tot regeling van de toegang tot de beroepen van ambachtsman, handelaar en industrieel, alsmede tot bepaalde vrije beroepen, en tot wijziging van artikel 4 van de wet van 2 juli 1935 betreffende de voorwaarden voor het verkrijgen van de titel en het brevet van vakbekwaamheid (Mémorial A, 1988, blz. 1494), bepaalt onder meer, dat niemand als hoofd- of als nevenberoep de activiteit van industrieel, handelaar of ambachtsman mag uitoefenen zonder schriftelijke toestemming.
4 Overeenkomstig artikel 13, lid 1, van deze wet is bij groothertogelijke verordening van 19 februari 1990 (Mémorial A, 1990, blz. 186) een lijst van hoofd- en nevenberoepen van de ambachtelijke sector opgesteld. Volgens deze verordening zijn de beroepen "aannemer", "dakwerker", "plaat- en zinkwerker", "timmerman" en "stukadoor" hoofdberoepen, die de in de groothertogelijke verordening van 26 maart 1994 (Mémorial A, 1994, blz. 492) vastgestelde werkzaamheden omvatten.
5 De groothertogelijke verordening van 15 september 1989 (Mémorial A, 1989, blz. 1169) bevat de in artikel 13, lid 2, van de wet van 28 december 1988 bedoelde gelijkwaardigheidscriteria, op grond waarvan een kandidaat op basis van als gelijkwaardig erkende bewijsstukken kan worden geacht voldoende vakbekwaamheid te bezitten voor de uitoefening van een van de beroepen van voornoemde lijst.
6 Artikel 6 van de groothertogelijke verordening van 15 september 1989 bepaalt:
"De verklaringen die door de bevoegde organen van de lidstaten van de gemeenschappelijke markt op basis van de communautaire richtlijnen betreffende de ambachten worden afgegeven, moeten als gelijkwaardige stukken worden aangemerkt, wanneer de begunstigde van de verklaring voldoet aan de daarin gestelde voorwaarden voor vakbekwaamheid."
De richtlijn
7 Is in een lidstaat de toegang tot een anders dan in loondienst verrichte werkzaamheid van de be- en verwerkende nijverheid, die onder industrie en ambacht valt, of de uitoefening daarvan afhankelijk gesteld van het bezit van algemene, handels- of vakkennis en -bekwaamheid, dan beschouwt deze lidstaat volgens artikel 3 van de richtlijn "als voldoende bewijs van die kennis en die bekwaamheid de daadwerkelijke uitoefening van de betrokken werkzaamheid in een andere lidstaat:
a) hetzij als zelfstandige of met het beheer belaste bedrijfsleider gedurende zes achtereenvolgende jaren;
(...)
c) hetzij als zelfstandige gedurende drie achtereenvolgende jaren indien de begunstigde kan bewijzen dat hij het betrokken beroep gedurende ten minste vijf jaar als niet-zelfstandige heeft uitgeoefend;
(...)"
8 In de tweede alinea van dat artikel wordt bepaald, dat in de gevallen bedoeld sub a en c, op de datum van indiening van het verzoek als bedoeld in artikel 4, lid 3, niet meer dan tien jaar mogen zijn verstreken sedert de beëindiging van deze werkzaamheid.
9 Artikel 4 van de richtlijn luidt als volgt:
"Voor de toepassing van artikel 3 geldt het volgende:
1. De lidstaten waarin de toegang tot een in artikel 1, lid 2, genoemde werkzaamheid of de uitoefening daarvan afhankelijk is gesteld van het bezit van algemene, handels- of vakkennis en -bekwaamheid, brengen met medewerking van de Commissie de overige lidstaten op de hoogte van de wezenlijke kenmerken van het beroep (beroepsomschrijving).
2. De door het land van herkomst daartoe aangewezen bevoegde instantie verklaart welke beroepswerkzaamheden de begunstigde werkelijk heeft verricht en gedurende welke tijd. De verklaring dient te zijn afgestemd op de beroepsbeschrijving, medegedeeld door de lidstaat waarin de begunstigde het beroep tijdelijk of blijvend wil uitoefenen.
3. De ontvangende lidstaat verleent de vergunning tot uitoefening van de betrokken werkzaamheid op verzoek van de belanghebbende, indien de in de verklaring omschreven werkzaamheid overeenstemt met de punten die kenmerkend zijn voor de krachtens lid 1 medegedeelde beroepsbeschrijving, en de andere eventuele in zijn voorschriften bepaalde voorwaarden zijn vervuld."
De hoofdgedingen
10 Volgens de door de Confederaçao da Industria Portuguesa op 24 april, 27 september en 25 december 1994 afgegeven verklaringen, was de Castro Freitas van 6 januari 1981 tot en met 31 december 1989 in Portugal werkzaam in het "bouwbedrijf", de "buitenafwerking van gevels en daken" daaronder begrepen.
11 Volgens een door de Chambre du commerce et de l'industrie de la Moselle afgegeven verklaring oefende Escallier van 21 januari 1983 tot en met 5 februari 1990 in Frankrijk de werkzaamheden van dakwerker, plaat- en zinkwerker en timmerman uit, als met het beheer belaste bedrijfsleider.
12 De Castro Freitas en Escallier vroegen bij de minister de nodige vergunningen aan om hun werkzaamheden in het Groothertogdom Luxemburg uit te oefenen.
13 Op 15 juni 1994 kende de minister de Castro Freitas een vestigingsvergunning toe voor de werkzaamheid van "aannemer". Op 24 januari 1996 verleende hij Escallier een vergunning voor de uitoefening van het beroep van "dakwerker".
14 De minister weigerde daarentegen, de Castro Freitas respectievelijk Escallier een vergunning te geven voor het uitoefenen van de werkzaamheden van "stukadoor" respectievelijk "plaat- en zinkwerker" en "timmerman", op grond dat de belanghebbenden niet elk van de betrokken beroepen gedurende het aantal jaren dat volgens artikel 3, sub a en c, van de richtlijn vereist is, daadwerkelijk hadden uitgeoefend, aangezien de in dat artikel genoemde voorwaarden voor ieder van de betrokken beroepen afzonderlijk moesten zijn vervuld.
15 Op 19 april 1995 en 14 februari 1996 stelden de Castro Freitas en Escallier bij het Tribunal administratif beroepen tot herziening in.
16 Omdat zij van oordeel was, dat in de gedingen vragen van uitlegging van het gemeenschapsrecht rezen, heeft deze rechterlijke instantie besloten de behandeling van de zaken te schorsen en het Hof in zaak C-193/97 de volgende vragen te stellen:
"1) Ziet artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 64/427 van 7 juli 1964 betreffende de overgangsmaatregelen op het gebied van de anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van de be- en verwerkende nijverheid behorende tot de klassen 23 tot en met 40 van de ISIC (Industrie en Ambacht), waar het enerzijds spreekt van de toegang tot $een in artikel 1, lid 2, genoemde werkzaamheid' of de uitoefening $daarvan' en anderzijds in de slotzin spreekt van $de daadwerkelijke uitoefening van de betrokken werkzaamheid', eveneens op het geval van een gemeenschapsonderdaan die in de lidstaat van herkomst gelijktijdig meerdere werkzaamheden heeft uitgeoefend die onder de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, en die verzoekt om vestiging van zijn onderneming in een andere lidstaat om de gelijktijdige uitoefening van die werkzaamheden aldaar voort te zetten, gelet met name op het beginsel van de vrijheid van vestiging, neergelegd in artikel 52 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap?
2) Zo ja, wordt dan de door artikel 3, sub a, vereiste periode van uitoefening voor alle of voor sommige betrokken werkzaamheden gewijzigd wegens de gelijktijdige uitoefening daarvan?
3) In hoeverre kan van invloed zijn, dat de betrokken werkzaamheden al dan niet nauw met elkaar verband houden?"
17 In zaak C-194/97 heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak eveneens geschorst en heeft hij het Hof dezelfde prejudiciële vragen gesteld, met dien verstande dat in de eerste vraag de bewoordingen "de gelijktijdige uitoefening van die werkzaamheden" zijn vervangen door "de gelijktijdige uitoefening van die beroepen".
18 Met deze vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 3 van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat indien in een lidstaat de toegang tot en de uitoefening van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van de be- en verwerkende nijverheid, die onder industrie en ambacht vallen, afhankelijk zijn gesteld van het bezit van bepaalde kennis en bekwaamheid, deze lidstaat kan verlangen, dat een gemeenschapsonderdaan die verschillende vergunningen aanvraagt om op het grondgebied van die staat de beroepswerkzaamheden uit te oefenen welke hij volgens een verklaring van de bevoegde instanties van de lidstaat van herkomst heeft uitgeoefend, de in dat artikel bedoelde tijdvakken van daadwerkelijke uitoefening voor elk van de beroepen waarvan het werkterrein door de wettelijke regeling van de ontvangende lidstaat wordt bepaald, afzonderlijk heeft vervuld.
19 In de eerste plaats moet worden opgemerkt, dat de richtlijn de totstandkoming van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten beoogt te bevorderen in een ruime waaier van beroepswerkzaamheden in industrie en ambacht, in afwachting van de harmonisatie van de voorwaarden voor toegang tot de betrokken werkzaamheden in de verschillende lidstaten, hetgeen een onontbeerlijke voorwaarde is voor een volledige liberalisatie op dat vlak.
20 Vaststaat, dat nog geen maatregel is genomen betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de toegang tot en de uitoefening van de betrokken werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 6 van de richtlijn.
21 Bij gebreke van een dergelijke harmonisatie blijven de lidstaten in beginsel bevoegd om te bepalen, welke algemene, handels- of vakkennis en -bekwaamheid voor de uitoefening van de betrokken werkzaamheden noodzakelijk zijn, en om de overlegging te eisen van een diploma, attest of andere titel waaruit blijkt dat de belanghebbenden deze kennis en bekwaamheid bezitten.
22 Wat meer bepaald de beroepswerkzaamheden betreft die behoren tot de klassen 23 tot en met 40 van de ISIC (Industrie en Ambacht), kan dus niet worden uitgesloten, dat een lidstaat het werkterrein kan bepalen van meerdere beroepen van elk van de betrokken klassen, alsmede de voorwaarden voor toegang daartoe, rekening houdend met de objectieve verschillen tussen de werkzaamheden die tot één klasse behoren.
23 Evenwel moet worden beklemtoond, dat hoewel bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht de voorwaarden voor toegang tot de betrokken werkzaamheden en de uitoefening daarvan niet worden beheerst door een specifieke regeling, dit niet wegneemt dat de lidstaten hun bevoegdheden op dat vlak moeten uitoefenen met inachtneming van zowel de door de artikelen 52 en 59 van het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden als de nuttige werking van de bepalingen van een richtlijn houdende overgangsmaatregelen.
24 In de tweede plaats moet worden erkend, dat de verschillen tussen de definities die de lidstaten aan bepaalde beroepen van de betrokken beroepswerkzaamheden hebben gegeven, tot belemmeringen van de vrijheid van vestiging kunnen leiden.
25 Om dit probleem op te lossen, bepaalt artikel 3, eerste alinea, van de richtlijn, dat indien in een lidstaat de toegang tot een in de richtlijn genoemde werkzaamheid of de uitoefening daarvan afhankelijk is gesteld van het bezit van een bepaalde bekwaamheid, "deze lidstaat (...) als voldoende bewijs van die kennis en die bekwaamheid [beschouwt] de daadwerkelijke uitoefening van de betrokken werkzaamheid in een andere lidstaat".
26 Hoewel het gemeenschapsrecht de lidstaten een zekere beoordelingsvrijheid laat bij het vaststellen van de voorwaarden voor toegang tot de beroepswerkzaamheden en van het werkterrein van elk van de betrokken beroepen, wordt deze vrijheid derhalve begrensd door de in artikel 3 van de richtlijn neergelegde verplichting.
27 Volgens artikel 4, lid 3, van de richtlijn verleent de ontvangende lidstaat de vergunning tot uitoefening van een beroepswerkzaamheid op verzoek van de belanghebbende, indien de werkzaamheid waarvan de uitoefening door de bevoegde instantie van de lidstaat van herkomst is bevestigd, overeenstemt met de punten die kenmerkend zijn voor de beroepsbeschrijving die vooraf door de ontvangende lidstaat is meegedeeld, en de andere in de voorschriften van laatstgenoemde lidstaat eventueel bepaalde voorwaarden zijn vervuld.
28 Dienaangaande heeft het Hof reeds geoordeeld, dat de bevoegde instantie van de lidstaat van herkomst een verklaring moet afgeven, dat er sprake is van reële en daadwerkelijke uitoefening van de betrokken werkzaamheid door de belanghebbende gedurende een bepaald aantal achtereenvolgende jaren, dat wil zeggen zonder andere dan de in het dagelijks leven normale onderbrekingen (arrest van 27 september 1989, Van de Bijl, 130/88, Jurispr. blz. 3039, punt 18).
29 Het Hof oordeelde ook, dat de ontvangende lidstaat die bepaalde eisen van vakbekwaamheid stelt, in beginsel gebonden is aan de vaststellingen in de door de lidstaat van herkomst afgegeven verklaring, met name die betreffende de door de betrokkene aldaar verrichte werkzaamheden en de duur ervan, omdat de verklaring anders haar nuttig effect zou verliezen (arrest Van de Bijl, reeds aangehaald, punten 22 en 23).
30 Wanneer de ontvangende lidstaat evenwel op objectieve gronden meent, dat de overgelegde verklaring kennelijke onjuistheden bevat, staat het hem vrij de lidstaat van herkomst om aanvullende inlichtingen te vragen (arrest Van de Bijl, reeds aangehaald, punt 24).
31 Daaruit volgt, dat ook al behoren de volgens de verklaring uitgeoefende werkzaamheden tot het werkterrein van meerdere beroepen zoals die door de ontvangende lidstaat zijn gedefinieerd, deze lidstaat gebonden is aan de vaststellingen in de door de lidstaat van herkomst afgegeven verklaring alsmede, in voorkomend geval, aan de gevraagde aanvullende inlichtingen. Voor de afgifte van de verklaring betreffende de door de belanghebbende uitgeoefende werkzaamheden, baseren de bevoegde instanties van de lidstaat van herkomst zich immers op de punten die kenmerkend zijn voor de beroepsbeschrijving die vooraf door de ontvangende lidstaat is meegedeeld.
32 De ontvangende lidstaat mag de voorwaarden voor toegang tot elk van de ambachten en het werkterrein daarvan bijgevolg niet aldus vaststellen, dat de afgifte van een verklaring door de bevoegde instanties van de lidstaat van herkomst van geen nut meer is om de belanghebbende in staat te stellen het in de verklaring bedoelde beroep in de ontvangende lidstaat verder uit te oefenen.
33 Deze uitlegging is in overeenstemming met artikel 3, tweede alinea, van de richtlijn, waarin wordt bepaald dat op de datum van indiening van het verzoek niet meer dan tien jaar verstreken mogen zijn sedert de beëindiging van de betrokken werkzaamheid. Kon de ontvangende lidstaat overeenkomstig artikel 3, sub a, van de richtlijn voor elk van de beroepen uitoefening als zelfstandige gedurende zes achtereenvolgende jaren eisen, dan zou de aanvrager onmogelijk op basis van de als gelijkwaardig erkende bewijsstukken kunnen aantonen, dat hij de nodige kennis en bekwaamheid bezit om vergunning te krijgen voor de uitoefening van meer dan twee werkzaamheden.
34 Deze uitlegging wordt bovendien gerechtvaardigd door de vereisten van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, die door de artikelen 3, sub c, 52 en 59 van het Verdrag zijn gewaarborgd. Deze vrijheden, die in het systeem van de Gemeenschap van fundamenteel belang zijn, zouden immers niet worden verwezenlijkt indien elk der lidstaten, met een beroep op de door hem gegeven beperkende definitie van het werkterrein van de verschillende ambachten, het voordeel van de bepalingen van gemeenschapsrecht kon weigeren aan eenieder die de in de richtlijn bedoelde beroepservaring in een andere lidstaat heeft verworven.
35 In die omstandigheden moet op de gestelde vragen worden geantwoord, dat artikel 3 van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat indien in een lidstaat de toegang tot en de uitoefening van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van de be- en verwerkende nijverheid, die onder industrie en ambacht vallen, afhankelijk zijn gesteld van het bezit van bepaalde kennis en bekwaamheid, deze lidstaat niet kan verlangen, dat een gemeenschapsonderdaan die verschillende vergunningen aanvraagt om op het grondgebied van die staat de beroepswerkzaamheden uit te oefenen welke hij volgens een verklaring van de bevoegde instanties van de lidstaat van herkomst heeft uitgeoefend, de in dat artikel bedoelde tijdvakken van daadwerkelijke uitoefening voor elk van de beroepen waarvan het werkterrein door de wettelijke regeling van de ontvangende lidstaat wordt bepaald, afzonderlijk heeft vervuld.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
36 De kosten door de Portugese regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Luxemburgse Tribunal administratif bij vonnissen van 7 mei 1997 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 3 van richtlijn 64/427/EEG van de Raad van 7 juli 1964 betreffende de overgangsmaatregelen op het gebied van de anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van de be- en verwerkende nijverheid behorende tot de klassen 23 tot en met 40 van de ISIC (Industrie en Ambacht), moet aldus worden uitgelegd, dat indien in een lidstaat de toegang tot en de uitoefening van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van de be- en verwerkende nijverheid, die onder industrie en ambacht vallen, afhankelijk zijn gesteld van het bezit van bepaalde kennis en bekwaamheid, deze lidstaat niet kan verlangen, dat een gemeenschapsonderdaan die verschillende vergunningen aanvraagt om op het grondgebied van die staat de beroepswerkzaamheden uit te oefenen welke hij volgens een verklaring van de bevoegde instanties van de lidstaat van herkomst heeft uitgeoefend, de in dat artikel bedoelde tijdvakken van daadwerkelijke uitoefening voor elk van de beroepen waarvan het werkterrein door de wettelijke regeling van de ontvangende lidstaat wordt bepaald, afzonderlijk heeft vervuld.
Full & Egal Universal Law Academy