Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Prejudiciële vragen - Voorlegging aan Hof - Noodzaak van prejudiciële vraag - Beoordeling door nationale rechter
(EG-Verdrag, art. 177)
2 EGKS - Steun aan ijzer- en staalindustrie - Begrip - Toepassing van regeling die afwijkt van commuun faillissementsrecht, op grote ondernemingen in staat van insolventie - Daaronder begrepen - Voorwaarden
(EGKS-Verdrag, art. 4, sub c)
Samenvatting
1 Het is uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt.
2 Het begrip "hulp" in de zin van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag houdt noodzakelijkerwijze voordelen in, die rechtstreeks of zijdelings met staatsmiddelen worden bekostigd of die een extra last voor de staat of voor daartoe aangewezen of ingestelde instellingen meebrengen.
Het eventuele verlies van belastingontvangsten dat voor de staat uit de toepassing, bij ministerieel decreet, van een nationale, van het commune faillissementsrecht afwijkende regeling op grote ondernemingen in moeilijkheden voortvloeit wegens het absolute verbod van individuele executiehandelingen en de schorsing van de rente op alle schulden van de betrokken onderneming, alsmede de dienovereenkomstige vermindering van de voordelen van de schuldeisers, is op zichzelf geen grond om die regeling als steunmaatregel te kwalificeren. Die consequentie is immers inherent aan iedere wettelijke regeling die het kader vaststelt waarbinnen de betrekkingen tussen een insolvabele onderneming en al haar schuldeisers worden geregeld.
Daarentegen moet de toepassing op een onderneming in de zin van artikel 80 EGKS-Verdrag van een dergelijke regeling worden geacht een door artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag verboden, door de staat verleende steun in te houden, wanneer komt vast te staan dat die onderneming
- toestemming heeft gekregen om haar bedrijf voort te zetten onder omstandigheden waarin een dergelijke mogelijkheid uitgesloten zou zijn bij toepassing van de bepalingen van het commune faillissementsrecht, of
- een of meer voordelen heeft genoten, zoals een staatsgarantie, een verlaagd belastingtarief, vrijstelling van de verplichting tot betaling van geldboetes en andere financiële sancties of een feitelijke algehele of gedeeltelijke kwijtschelding van vorderingen van de overheid, waarop een andere insolvabele onderneming in het kader van de toepassing van de bepalingen van het commune faillissementsrecht geen aanspraak had kunnen maken.
In deze beide gevallen kan daaruit voor de overheid immers een extra last voortvloeien, vergeleken met de toepassing van de normale bepalingen van het faillissementsrecht.
Voorts beantwoordt de betrokken regeling, gelet op de categorie van ondernemingen die erdoor worden bestreken en de omvang van de discretionaire bevoegdheid die de nationale autoriteiten hebben wanneer zij een onder een dergelijke regeling geplaatste insolvabele onderneming toestaan haar bedrijf voort te zetten, aan de voorwaarde van specificiteit die een van de kenmerken van het begrip steunmaatregel van de staat is.
Partijen
In zaak C-200/97,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Corte suprema di cassazione (Italië), in het aldaar aanhangig geding tussen
Ecotrade Srl
en
Altiforni e Ferriere di Servola SpA (AFS),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 92 EG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida, C. Gulmann, D. A. O. Edward en M. Wathelet (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Fennelly
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Ecotrade Srl, vertegenwoordigd door G. Conte en A. M. Rossi, advocaten te Genua, en A. Picone, advocaat te Rome;
- Altiforni e Ferriere di Servola SpA (AFS), vertegenwoordigd door P. Vitucci en A. Guarino, advocaten te Rome;
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door O. Fiumara, avvocato dello Stato,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. F. Nemitz en P. Stancanelli, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Ecotrade Srl; Altiforni e Ferriere di Servola SpA (AFS); de Italiaanse regering, en de Commissie ter terechtzitting van 28 mei 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 juli 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 10 februari 1997, ingekomen bij het Hof op 26 mei daaraanvolgend, heeft de Corte suprema di cassazione krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 92 EG-Verdrag.
2 Die vraag is gerezen in het kader van een geschil tussen Ecotrade Srl (hierna: "Ecotrade"), een kapitaalvennootschap die staalproducten verhandelt, en de vennootschap Altiforni e Ferriere di Servola SpA (hierna: "AFS"), een staalproducent, ter zake van een bedrag van 149 108 190 LIT, die AFS aan Ecotrade verschuldigd is wegens geleverde slakken.
3 Omdat die schuld onbetaald was gebleven, cedeerde de Pretore di Trieste op 30 juli 1992 bij wege van executie een vordering van AFS op een bank ten belope van het verschuldigde bedrag aan Ecotrade.
4 Op 28 augustus 1992 deelde AFS aan Ecotrade mede, dat zij bij ministerieel decreet van 23 juli 1992 (hierna: "ministerieel decreet") onder buitengewoon beheer was geplaatst krachtens wet nr. 95/79 van 3 april 1979 (GURI nr. 94 van 4 april 1979; hierna: "wet nr. 95/79"), met toestemming om haar bedrijf voort te zetten, en vorderde zij terugbetaling van het voornoemde bedrag op grond dat de executie van de schuld in strijd was met artikel 4 van wet nr. 544/81 van 2 oktober 1981 (GURI nr. 272 van 3 oktober 1981; hierna: "wet nr. 544/81"), die individuele executiehandelingen verbiedt zodra een procedure van buitengewoon beheer is ingeleid.
5 Op 4 oktober 1992 stelde Ecotrade beroep in voor het Tribunale di Trieste, om de vordering van AFS tot terugbetaling ongegrond te doen verklaren, omdat zij steunde op een ministerieel decreet dat onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht ter zake van steunmaatregelen van de staten.
6 Bij vonnis van 23 oktober 1993 wees het Tribunale de vordering van Ecotrade af en wees het die van AFS tot terugbetaling toe.
7 Dit vonnis werd bevestigd bij arrest van 27 januari 1996 van de Corte d'appello di Trieste. Ecotrade stelde daarop cassatie in voor de Corte suprema di cassazione.
8 Wet nr. 95/79 regelt de procedure betreffende buitengewoon beheer van grote ondernemingen in moeilijkheden.
9 Ingevolge artikel 1, eerste alinea, van deze wet kan deze procedure worden toegepast op ondernemingen die sedert ten minste een jaar minstens 300 werknemers in dienst hebben en die jegens kredietinstellingen, socialezekerheidsinstellingen of aan vennootschappen waarin de staat meerderheidsaandeelhouder is, schulden hebben ten belope van ten minste 80,444 miljard LIT en meer dan het vijfvoud van het gestorte kapitaal van de vennootschap.
10 Ingevolge artikel 1 bis van dezelfde wet is de procedure eveneens van toepassing, wanneer de insolvabiliteit een gevolg is van de verplichting om een bedrag, gelijk aan ten minste 50 miljard LIT en ten minste 51 % van het gestorte kapitaal, terug te betalen aan de staat, aan openbare instellingen of aan vennootschappen waarin de staat meerderheidsaandeelhouder is, wanneer het gaat om de terugbetaling van onwettige of niet met het gemeenschapsrecht verenigbare steun of in het kader van financiering van technologische innovatie en research.
11 Ingevolge artikel 2, eerste alinea, van wet nr. 95/79 kan de procedure van buitengewoon beheer eerst op een onderneming worden toegepast, wanneer de rechter haar in staat van insolventie heeft verklaard op grond van hetzij de faillissementswet, hetzij het feit dat de salarissen gedurende ten minste drie maanden niet zijn betaald. De minister van Industrie kan de onderneming, na overleg met de minister van Financiën, bij decreet onder buitengewoon beheer plaatsen en machtigen om, rekening houdend met het belang van de schuldeisers, haar bedrijf voort te zetten gedurende een periode van ten hoogste twee jaar, welke termijn, na eensluidend advies van het interministeriële comité voor de coördinatie van het industriebeleid (hierna: "CIPI"), met nog eens ten hoogste twee jaar kan worden verlengd.
12 Op ondernemingen onder buitengewoon beheer zijn de algemene bepalingen van de faillissementswet van toepassing, behoudens uitzonderingen die in wet nr. 95/79 of in latere wetten uitdrukkelijk worden genoemd. Evenals bij de normale vereffeningsprocedure verliest de eigenaar van de insolvente onderneming onder buitengewoon beheer de beschikking over het vermogen daarvan, dat in beginsel is bestemd ter voldoening van de schuldeisers, wordt de rente over bestaande schulden opgeschort en kan geen individuele executie op goederen van de betrokken onderneming worden ingeleid of voortgezet. Evenwel strekt, anders dan bij de normale faillissementsprocedure, de opschorting van elke executie in geval van buitengewoon beheer zich ingevolge artikel 4 van wet nr. 544/81 ook uit tot belastingschulden, geldboetes, interessen en verhogingen wegens te late betaling van vennootschapsbelasting.
13 Krachtens artikel 2 bis van wet nr. 95/79 kan de staat een garantie verlenen voor de gehele schuld of een deel daarvan, die een onder buitengewoon beheer geplaatste vennootschap aangaat voor de financiering van het dagelijkse beheer of van de wederingebruikneming of voltooiing van installaties, gebouwen en bedrijfsuitrusting, overeenkomstig de voorwaarden en bijzonderheden die worden geregeld bij decreet van de minister van Financiën, na eensluidend advies van het CIPI.
14 In het kader van de sanering mogen alle inrichtingen van de insolvente onderneming worden verkocht overeenkomstig de in wet nr. 95/79 bepaalde voorwaarden. Ingevolge artikel 5 bis van deze wet is bij eigendomsoverdracht van de gehele onderneming of een gedeelte daarvan een forfaitair registratierecht van een miljoen LIT verschuldigd.
15 Voorts zijn onder buitengewoon beheer geplaatste ondernemingen ingevolge artikel 3, tweede alinea, van wet nr. 19/87 van 6 februari 1987 (GURI nr. 32 van 9 februari 1987; hierna: "wet nr. 19/87") ontslagen van de verplichting om geldboetes en financiële sancties wegens niet-betaling van de verplichte sociale bijdragen te betalen.
16 Artikel 2, tweede streepje, van wet nr. 95/79 bepaalt, dat wanneer een onderneming onder administratief beheer toestemming heeft om haar bedrijf voort te zetten, de aangestelde bewindvoerder een adequaat beheersplan moet opstellen, dat door het CIPI op zijn verenigbaarheid met de algemene lijnen van het nationale industriebeleid wordt onderzocht alvorens het door de minister van Industrie wordt goedgekeurd. Besluiten betreffende vraagstukken als restructurering, verkoop van activa, liquidatie of het einde van de periode van buitengewoon beheer moeten eveneens door deze minister worden goedgekeurd.
17 Eerst aan het einde van de periode van buitengewoon beheer kunnen de schuldeisers van de onder dit regime geplaatste onderneming geheel of gedeeltelijk worden voldaan door vereffening van de activa van de onderneming of uit haar nieuwe winst. Ingevolge de artikelen 111 en 212 van de faillissementswet worden de aan het buitengewoon beheer en de voortzetting van het bedrijf verbonden kosten, met inbegrip van de aangegane schulden, betaald door inhouding op de opbrengst van de boedel, met voorrang boven de schuldvorderingen die bestonden op de datum waarop de procedure van buitengewoon beheer werd ingeleid.
18 De procedure van buitengewoon beheer wordt afgesloten na het akkoord, de algehele verdeling van de activa, de gehele aflossing van de schulden of bij gebreke van voldoende baten, dan wel nadat de onderneming weer in staat is aan haar verplichtingen te voldoen en dus financieel weer in evenwicht is.
19 Voorts moet worden vermeld, dat over wet nr. 95/79 een aantal beschikkingen van de Commissie is vastgesteld.
20 Met betrekking tot wet nr. 95/79 in haar geheel heeft de Commissie de Italiaanse regering een brief uit hoofde van artikel 93, lid 1, EG-Verdrag gestuurd, waarin zij, na te hebben verklaard dat de daarin vervatte regeling haars inziens in verschillende opzichten binnen de werkingssfeer van artikel 92 en volgende van het Verdrag viel, heeft verzocht, dat zij vooraf in kennis zou worden gesteld van alle gevallen waarin die wet wordt toegepast, om deze te kunnen toetsen aan de regels inzake steun voor bedrijven in moeilijkheden (brief E 13/92 van 30 juli 1992, PB 1994, C 395, blz. 4).
21 De Italiaanse autoriteiten hebben de Commissie hierop geantwoord, alleen tot voorafgaande kennisgeving bereid te zijn in geval van verlening van een staatsgarantie als bedoeld in artikel 2 bis van de betrokken wet. De Commissie heeft daarop besloten, de procedure van artikel 93, lid 2, EG-Verdrag in te leiden.
22 Daarnaast heeft de Commissie verschillende beschikkingen vastgesteld betreffende een aantal bijzondere punten:
- beschikking 96/434/EG van 20 maart 1996 (PB L 180, blz. 31), waarin de Commissie als staatssteun heeft aangemerkt de bepalingen van wet nr. 80/93 betreffende de toepassing van de procedure van buitengewoon beheer op ondernemingen waarvan de staat van insolventie een gevolg is van de verplichting om aan de staat of aan overheidsondernemingen of overheidsinstellingen een bedrag terug te betalen, gelijk aan ten minste 51 % van het gestorte kapitaal en ten minste 50 miljard LIT, ter uitvoering van besluiten van gemeenschapsinstellingen op grond van de artikelen 92 en 93 EG-Verdrag. Bij deze beschikking heeft de Commissie de betrokken steunmaatregel onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en de werking van de EER-overeenkomst verklaard en de intrekking van de onverenigbare bepalingen verlangd;
- beschikking 96/515/EGKS van 27 maart 1996 (PB L 216, blz. 11), waarin de Commissie als staatssteun in de zin van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag heeft aangemerkt de verlening van een staatsgarantie ter dekking van een bedrag van 26,5 miljard LIT zonder dat daarvoor een premie was betaald, en wel juist ten gunste van AFS, op grond van artikel 2 van wet nr. 95/79. Bij deze beschikking verklaarde de Commissie de betrokken steunmaatregel onwettig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal, en verlangde zij van de Italiaanse Staat terugvordering van de steun;
- beschikking 97/754/EGKS van 30 april 1997 (PB L 306, blz. 25), waarin de Commissie als staatssteun in de zin van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag heeft aangemerkt een serie maatregelen ten behoeve van de vennootschap Ferdofin Siderurgica Srl - met name uitstel van betaling van hoge schulden aan bepaalde openbare instellingen - in het kader van de toepassing van wet nr. 95/79. Bij deze beschikking verklaarde de Commissie de betrokken steun onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal en gelastte zij de Italiaanse autoriteiten de betaalde steun terug te vorderen en de toepassing van wet nr. 95/79 te beëindigen ten aanzien van de niet door Ferdofin Siderurgica Srl betaalde schulden aan ondernemingen en openbare instellingen.
23 In die omstandigheden heeft de verwijzende rechter besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vragen te stellen:
"Bij deze Corte heerst onduidelijkheid omtrent de uitlegging van:
1) artikel 92 van het Verdrag: aangezien in deze bepaling $alternatief' wordt gesproken van $steunmaatregelen van de staten' of $met staatsmiddelen bekostigd', ligt het voor de hand om te denken, dat ook als steunmaatregelen moeten worden beschouwd maatregelen van de staat die, ofschoon zij niet voorzien in de uitbetaling van bedragen van staatswege, de mogelijkheid bieden om via bijzondere procedures hetzelfde resultaat te bereiken als met de betaling van staatsgelden;
2) genoemde beschikking [E 13/92]: voor zover de conclusie waartoe zij komt, is gebaseerd op de premisse, dat (...) wet nr. 95/1979 $in verschillende opzichten binnen de werkingssfeer van artikel 92 en volgende van het EG-Verdrag valt';
zodat er twijfel bestaat omtrent de vraag, of volgens de verdragsbepalingen en genoemde beschikking van de Commissie als steun kan worden beschouwd een krachtens genoemde wet nr. 95/1979 vastgestelde maatregel van de staat, ingevolge welke:
a) de gewone faillissementsprocedure zonder meer niet van toepassing is op grote ondernemingen;
b) een dergelijke niet-toepasselijkheid gepaard gaat met de voortzetting van het bedrijf van de onderneming;
mede in aanmerking genomen dat de Italiaanse besluitwet nr. 414 van 31 juli 1981 (omgezet in wet nr. 544/1981) in artikel 4 bepaalt, dat $geen individuele executiehandelingen (...) mogen worden ingeleid of voortgezet na de afkondiging van de maatregel waarbij de procedure van buitengewoon beheer wordt geopend'."
De ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag
24 Ter terechtzitting heeft AFS de relevantie van de prejudiciële vraag in twijfel getrokken, op grond dat indien aanstonds de gewone faillissementsprocedure tegen haar was ingeleid, Ecotrade haar vordering evenmin had kunnen doen executeren.
25 In dit verband moet er in de eerste plaats aan worden herinnerd, dat het uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt (zie onder meer arrest van 15 december 1995, Bosman, C-415/93, Jurispr. blz. I-4921, punt 59).
26 Voorts blijkt uit de verwijzingsbeschikking niet, dat indien de litigieuze nationale maatregelen niet waren toegepast op grond dat zij een verboden staatssteun inhielden, Ecotrade zich aan het verbod van individuele executiemaatregelen had kunnen onttrekken, aangezien dat verbod ook geldt in geval van de gewone faillissementsprocedure.
27 In ieder geval kan niet bij voorbaat worden gesteld, dat wanneer AFS aan de gewone faillissementsprocedure was onderworpen, de situatie van Ecotrade in alle opzichten dezelfde zou zijn geweest, in het bijzonder wat haar kansen op althans een gedeeltelijke voldoening van haar vorderingen betreft, hetgeen ter beoordeling staat van de nationale rechter.
28 De prejudiciële vraag dient dus te worden beantwoord.
De prejudiciële vraag
29 Om te beginnen zij vastgesteld, dat AFS zich bezighoudt met de productie van ijzer en staal en dus een onderneming is in de zin van artikel 80 EGKS-Verdrag. Derhalve moet de vraag van de verwijzende rechter worden bezien in het kader van het EGKS-Verdrag.
30 Met zijn vraag wil de verwijzende rechter in feite vernemen, of de toepassing op een onderneming in de zin van artikel 80 EGKS-Verdrag van een regeling als bij wet nr. 95/79 is ingevoerd en die afwijkt van de bepalingen van het commune faillissementsrecht, moet worden geacht een bij artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag verboden, door de staat verleende steun in te houden.
31 Brief E 13/92 van de Commissie, waarop de verwijzende rechter doelt, behelst, zoals uit punt 20 van dit arrest blijkt, slechts een verzoek aan de Italiaanse regering uit hoofde van artikel 93, lid 1, EG-Verdrag om alle gevallen waarin wet nr. 95/79 wordt toegepast, vooraf aan te melden, na welk verzoek de procedure van artikel 93, lid 2, EG-Verdrag is ingeleid. In deze laatste procedure was op de dag waarop het verzoek om een prejudiciële beslissing binnenkwam, nog niet een eindbeschikking van de Commissie gegeven.
32 Artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag bepaalt dat door de staten verleende subsidies of hulp, in welke vorm ook, als zijnde onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal, worden afgeschaft en binnen de Gemeenschap zijn verboden.
33 Ingevolge beschikking nr. 3855/91/EGKS van de Commissie van 27 november 1991 tot invoering van communautaire regels voor de steun aan de ijzer- en staalindustrie (PB L 362, blz. 57), welke in werking is getreden op 1 januari 1992 en van toepassing is tot en met 31 december 1996, is steunverlening aan de ijzer- en staalindustrie in een aantal limitatief opgesomde gevallen toegestaan, waaronder steun bij sluiting, mits zij overeenkomstig artikel 6, lid 2, van deze beschikking tevoren bij de Commissie is aangemeld.
34 Zoals het Hof reeds heeft verklaard, heeft het begrip steun een algemenere strekking dan het begrip subsidie, daar het niet alleen positieve prestaties omvat zoals de subsidie zelf, maar ook maatregelen die, in verschillende vormen, de lasten verlichten, die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor - zonder nog subsidies in de strikte zin van het woord te zijn - van gelijke aard zijn en tot identieke gevolgen leiden (zie arresten van 23 februari 1961, De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg/Hoge Autoriteit, 30/59, Jurispr. blz. 3, 40, en 15 maart 1994, Banco Exterior de Expaña, C-387/92, Jurispr. blz. I-877, punt 13).
35 Bovendien houdt "hulp" in de zin van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag in navolging van hetgeen het Hof heeft geoordeeld ten aanzien van artikel 92, lid 1, EG-Verdrag, noodzakelijkerwijze voordelen in, die rechtstreeks of zijdelings met staatsmiddelen worden bekostigd of die een extra last voor de staat of voor daartoe aangewezen of ingestelde instellingen meebrengen (zie arresten van 24 januari 1978, Van Tiggele, 82/77, Jurispr. blz. 25, punten 23-25; 13 oktober 1982, Norddeutsches Vieh- und Fleischkontor Will e.a., 213/81, 214/81 en 215/81, Jurispr. blz. 3583, punt 22; 17 maart 1993, Sloman Neptun, C-72/91 en C-73/91, Jurispr. blz. I-887, punten 19 en 21; 30 november 1993, Kirsammer-Hack, C-189/91, Jurispr. blz. I-6185, punt 16, en 7 mei 1998, Viscido e.a., C-52/97, C-53/97 en C-54/97, Jurispr. blz. I-2629, punt 13).
36 In tegenstelling tot wat de Commissie betoogt, is het eventuele verlies van belastingontvangsten dat voor de staat uit de toepassing van de regeling van buitengewoon beheer voortvloeit wegens het absolute verbod van individuele executiehandelingen en de schorsing van de rente op alle schulden van de betrokken onderneming, alsmede de dienovereenkomstige vermindering van de voordelen van de schuldeisers, op zichzelf geen grond om die regeling als steunmaatregel te kwalificeren. Die consequentie is immers inherent aan iedere wettelijke regeling die het kader vaststelt waarbinnen de betrekkingen tussen een insolvabele onderneming en al haar schuldeisers worden geregeld, zonder dat daaruit automatisch het bestaan van een extra financiële last kan worden afgeleid die rechtstreeks of zijdelings door de overheid wordt gedragen en die is bestemd om de betrokken ondernemingen een bepaald voordeel toe te kennen (zie in deze zin arrest Sloman Neptun, reeds aangehaald, punt 21).
37 Daarentegen zijn er verschillende kenmerken van de bij wet nr. 95/79 ingevoerde regeling, in het bijzonder gelet op de omstandigheden in het hoofdgeding, die erop zouden kunnen wijzen dat het om een door artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag verboden steunmaatregel gaat, indien de hierna daaraan toegeschreven strekking door de verwijzende rechter wordt bevestigd.
38 In de eerste plaats blijkt uit het dossier, dat wet nr. 95/79 op selectieve wijze van toepassing is op grote industriële ondernemingen in moeilijkheden, die bijzonder hoge schulden hebben jegens bepaalde categorieën van schuldeisers, voor het merendeel openbare instellingen. Zoals de advocaat-generaal in punt 26 van zijn conclusie opmerkt, is het zelfs hoogstwaarschijnlijk dat de staat of openbare instellingen tot de belangrijkste schuldeisers van de betrokken onderneming behoren.
39 Eveneens dient te worden opgemerkt, dat het besluit van de minister van Industrie om een onderneming in moeilijkheden onder buitengewoon beheer te plaatsen en haar toe te staan haar bedrijf voort te zetten, zelfs indien daarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de belangen van de schuldeisers en in het bijzonder met de mogelijkheid om de activa van de onderneming in waarde te doen toenemen, mede wordt beïnvloed, zoals de Italiaanse regering zelf in haar memories en ter terechtzitting heeft toegegeven, door de wens om de economische activiteit van de onderneming in stand te houden uit overwegingen van nationaal industriebeleid.
40 Gelet op de categorie van ondernemingen die door de litigieuze regeling worden bestreken en de omvang van de discretionaire bevoegdheid die de minister heeft wanneer hij in het bijzonder een insolvabele onderneming onder buitengewoon beheer toestaat haar bedrijf voort te zetten, beantwoordt de betrokken regeling aan de voorwaarde van specificiteit die een van de kenmerken van het begrip steunmaatregel van de staat is (zie in deze zin arrest van 26 september 1996, Frankrijk/Commissie, C-241/94, Jurispr. blz. I-4551, punten 23 en 24).
41 Ongeacht het doel dat door de nationale wetgever wordt nagestreefd, blijkt de betrokken regeling de ondernemingen waarop zij wordt toegepast, bovendien in een gunstiger positie te kunnen brengen dan andere, voor zover zij de voortzetting van hun bedrijf mogelijk zou maken onder omstandigheden waarin een dergelijke mogelijkheid uitgesloten zou zijn bij toepassing van de gewone regels van het faillissementsrecht, waarvoor de bescherming van de belangen van de schuldeisers doorslaggevend is. Gelet op de voorrang voor de schuldvorderingen in verband met de voortzetting van het bedrijf, zou de toestemming om dit bedrijf voort te zetten onder zulke omstandigheden een extra last voor de overheid met zich kunnen brengen, indien inderdaad komt vast te staan dat de staat of openbare instellingen tot de belangrijkste schuldeisers van de onderneming in moeilijkheden behoren, te meer wanneer zij, naar aan te nemen is, grote bedragen verschuldigd is.
42 Behalve de staatsgarantie ingevolge artikel 2 bis van wet nr. 95/79, die de Italiaanse autoriteiten bereid zijn vooraf bij de Commissie aan te melden, brengt de plaatsing onder buitengewoon beheer met zich: uitbreiding van het verbod en de opschorting van elke individuele executiehandeling tot de belastingschulden en geldboetes, interessen en verhogingen in geval van te late betaling van de vennootschapsbelasting, vrijstelling van de verplichting om geldboetes en financiële sancties wegens niet-betaling van sociale bijdragen te betalen, alsook toepassing van een voordeliger tarief in geval van gehele of gedeeltelijke overdracht van de onderneming, aangezien voor overdracht een forfaitair registratierecht geldt van een miljoen LIT, terwijl het normale registratierecht 3 % van de waarde van de overgedragen goederen bedraagt.
43 Dergelijke door de nationale wetgever toegestane voordelen kunnen eveneens een extra last voor de overheid met zich brengen in de vorm van een staatsgarantie, een feitelijke kwijtschelding van vorderingen van de overheid, vrijstelling van de verplichting tot betaling van geldboetes of andere financiële sancties of een verlaagd belastingtarief. Dat zou slechts anders zijn, indien kwam vast te staan, dat de plaatsing onder buitengewoon beheer en de voortzetting van het bedrijf van de onderneming in feite niet een extra last voor de staat met zich zou hebben gebracht, vergeleken met de toepassing van de normale bepalingen van het faillissementsrecht.
44 Op dit punt stelt de Italiaanse regering enerzijds, dat het buitengewoon beheer voor de staat die de belastingvorderingen heeft, geen groter verlies met zich brengt dan de regeling van het commune recht, waarin hij een aantal procedurele privileges geniet, en anderzijds, dat de bepalingen welke voorzien in een vrijstelling van de verplichting tot betaling van geldboetes en financiële sancties wegens te late betaling van sociale bijdragen niet meer van toepassing zijn. De verwijzende rechter dient een en ander te verifiëren.
45 Gelet op het voorgaande moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat de toepassing op een onderneming in de zin van artikel 80 EGKS-Verdrag van een regeling als die welke bij wet nr. 95/79 is ingevoerd en die van het commune faillissementsrecht afwijkt, moet worden geacht een door artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag verboden, door de staat verleende steun in te houden, wanneer komt vast te staan dat die onderneming
- toestemming heeft gekregen om haar bedrijf voort te zetten onder omstandigheden waarin een dergelijke mogelijkheid uitgesloten zou zijn bij toepassing van de bepalingen van het commune faillissementsrecht, of
- een of meer voordelen heeft genoten, zoals een staatsgarantie, een verlaagd belastingtarief, vrijstelling van de verplichting tot betaling van geldboetes en andere financiële sancties of een feitelijke algehele of gedeeltelijke kwijtschelding van vorderingen van de overheid, waarop een andere insolvabele onderneming in het kader van de toepassing van de bepalingen van het commune faillissementsrecht geen aanspraak had kunnen maken.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
46 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door Corte suprema di cassazione bij 10 februari 1997 gestelde vraag, verklaart voor recht:
De toepassing op een onderneming in de zin van artikel 80 EGKS-Verdrag van een regeling als die welke bij wet nr. 95/79 is ingevoerd en die van het commune faillissementsrecht afwijkt, moet worden geacht een door artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag verboden, door de staat verleende steun in te houden, wanneer komt vast te staan dat die onderneming
- toestemming heeft gekregen om haar bedrijf voort te zetten onder omstandigheden waarin een dergelijke mogelijkheid uitgesloten zou zijn bij toepassing van de bepalingen van het commune faillissementsrecht, of
- een of meer voordelen heeft genoten, zoals een staatsgarantie, een verlaagd belastingtarief, vrijstelling van de verplichting tot betaling van geldboetes en andere financiële sancties of een feitelijke algehele of gedeeltelijke kwijtschelding van vorderingen van de overheid, waarop een andere insolvabele onderneming in het kader van de toepassing van de bepalingen van het commune faillissementsrecht geen aanspraak had kunnen maken.
Full & Egal Universal Law Academy