Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Steunmaatregelen van de staten Voorgenomen steunmaatregelen Onderzoek door Commissie Vooronderzoek en contradictoire procedure Voorwerp van vooronderzoek Verplichting van Commissie alle elementen, feitelijk en rechtens, te onderzoeken die betrokken lidstaat en belanghebbenden te harer kennis hebben gebracht Verplichting contradictoire procedure in te leiden bij moeilijkheden bij beoordeling van verenigbaarheid van steunmaatregel
[EG-Verdrag, art. 93, leden 2 en 3 (thans art. 88, leden 2 en 3, EG)]
Samenvatting
$$De procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag (thans artikel 88, lid 2, EG) is volstrekt noodzakelijk wanneer de Commissie ernstige moeilijkheden ondervindt bij de beoordeling, of een steunmaatregel verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. In geval van een positieve beslissing over de steunmaatregel mag de Commissie zich slechts tot het in artikel 93, lid 3, bedoelde vooronderzoek beperken indien zij na een eerste onderzoek tot de overtuiging kan komen dat de voorgenomen steunmaatregel verenigbaar is met het Verdrag. Staatssteun die wegens enkele van zijn modaliteiten andere verdragsbepalingen schendt, kan door de Commissie niet verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden verklaard. Brengt het eerste onderzoek de Commissie echter tot de tegengestelde conclusie of heeft de Commissie niet alle problemen weten op te lossen die zich bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt voordoen, dan is zij verplicht de nodige adviezen in te winnen en hiertoe de procedure van artikel 93, lid 2, in te leiden.
De in artikel 93, lid 3, van het Verdrag bedoelde inleidende fase heeft alleen tot doel, de Commissie een periode van overweging en onderzoek te geven om zich een eerste oordeel te kunnen vormen over de bij haar aangemelde steunvoornemens teneinde, zonder dat een grondig onderzoek noodzakelijk is, te concluderen dat zij verenigbaar zijn met het Verdrag of, integendeel, vast te stellen dat hun inhoud twijfel doet rijzen omtrent deze verenigbaarheid. In dat verband is de Commissie gehouden alle elementen feitelijk en rechtens te onderzoeken die de personen, ondernemingen of verenigingen die eventueel door de verlening van de steun in hun belangen worden geraakt, te harer kennis hebben gebracht. In het kader van het in artikel 93, lid 3, van het Verdrag bedoelde inleidende onderzoek moet deze instelling dus bij het vormen van haar oordeel zowel rekening houden met de inlichtingen van de betrokken staat, als met die van de eventuele klagers.
( cf. punten 33-35 )
Partijen
In zaak C-204/97,
Portugese Republiek, vertegenwoordigd door L. Fernandes, Â. Seiça Neves en C. Botelho Moniz als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
ondersteund door
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door R. Silva de Lapuerta als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënt,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. M. Alves Vieira en D. Triantafyllou als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
ondersteund door
Franse Republiek, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger en G. Mignot als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 6 november 1996 betreffende steun van de Franse Republiek ten gunste van producenten van likeurwijn en van eau-de-vie voor promotieacties, technische steun en steun voor onderzoek, technische bijstand en investering, waarvan een samenvatting is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 6 maart 1997 (PB C 70, blz. 14),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: C. Gulmann, president van de Derde en de Zesde kamer, waarnemend voor de president, A. La Pergola, M. Wathelet en V. Skouris, kamerpresidenten, D. A. O. Edward (rapporteur), J.-P. Puissochet, P. Jann, L. Sevón en R. Schintgen, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 28 maart 2000, waarbij de Portugese Republiek was vertegenwoordigd door C. Botelho Moniz; het Koninkrijk Spanje door R. Silva de Lapuerta; de Franse Republiek door F. Million en S. Seam als gemachtigden, en de Commissie door D. Triantafyllou en door M. Afonso als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 mei 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 29 mei 1997, heeft de Portugese Republiek krachtens artikel 173, eerste alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230, eerste alinea, EG) verzocht om nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 6 november 1996 betreffende steun van de Franse Republiek ten gunste van producenten van likeurwijn en van eau-de-vie voor promotieacties, technische steun en steun voor onderzoek, technische bijstand en investering (hierna: bestreden beschikking"), waarvan een samenvatting is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 6 maart 1997 (PB C 70, blz. 14).
2 Bij beschikkingen van de president van het Hof van 23 september 1997 zijn het Koninkrijk Spanje en de Franse Republiek toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van respectievelijk de Portugese Republiek en de Commissie.
Feiten en toepasselijke bepalingen
3 In de loop van de jaren 1992 en 1993 wijzigde de Franse regering de nationale wetgeving inzake accijns op alcoholhoudende dranken en voerde zij een gedifferentieerde belastingregeling voor likeurwijn en van nature zoete wijn in. Ingevolge de aanvullende begrotingswet voor 1993 (wet nr. 93-859 van 22 juni 1993) werd over deze wijnen met ingang van 1 juli 1993 een accijns geheven, waarvan het tarief per hectoliter was vastgesteld op 1 400 FRF (te weten 9 FRF per fles) voor likeurwijn, en op 350 FRF (te weten 2,25 FRF per fles) voor van nature zoete wijn.
4 In de loop van 1993 en een deel van 1994 staakten een aantal Franse producenten van likeurwijn gedeeltelijk de betaling van de accijns door het verschil tussen de belasting op likeurwijn en die op van nature zoete wijn in te houden.
5 Vanaf mei of juni 1994 werd deze staking van accijnsbetaling" tijdelijk opgeheven. In het nummer van juni 1994 van het tijdschrift VITI heeft de voorzitter van het nationaal verbond van producenten van likeurwijn met gecontroleerde oorsprongsbenaming (hierna: CNVDLAOC") als grond voor deze opheffing aangevoerd, dat de Franse regering volgens hem van plan was de Franse producenten van likeurwijn een jaarlijkse vergoeding alsook een schadevergoeding voor de jaren 1994 tot en met 1997 te betalen ter compensatie van het verschil in belasting. Hij verklaarde in het bijzonder:
De producenten [van likeurwijn] voeren deze staking al een jaar. Zij hebben 30 miljoen frank aan de Staat verschuldigde belastingen op een rekening geblokkeerd om te verkrijgen dat het buitensporige verschil tussen de belastingen [op likeurwijn en op van nature zoete wijn] wordt verminderd.
De staking wordt tijdelijk opgeheven omdat de regering impliciet heeft erkend, dat er twijfels zijn over de wettigheid van het verschil in belasting op [likeurwijn] en op [van nature zoete wijn]. De regering aanvaardt dat dit geschil wordt beslecht door het Europees Hof van Justitie te Luxemburg, tot wie wij ons zullen wenden. Voorts is zij bereid om ons voor de jaren 1994 tot en met 1997 een jaarlijkse vergoeding van 20 miljoen frank te betalen, alsook een schadevergoeding van 4 miljoen frank voor 1994, 8 miljoen voor 1995, 12 miljoen voor 1996 en 16 miljoen voor 1997 om het behoud van het huidige belastingpeil geleidelijk te compenseren."
6 Op 24 maart 1995 diende de Associação de Exportadores de Vinho do Porto (hierna: AEVP") twee klachten in bij de Commissie. De eerste klacht betrof de onverenigbaarheid van de Franse belastingregeling inzake likeurwijn met artikel 95 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 90 EG). De tweede betrof schending van de artikelen 92 en 93 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 87 EG en 88 EG) door de door de Franse regering geplande compensatiemaatregelen ten gunste van haar nationale producenten van likeurwijn.
7 Naar aanleiding van deze laatste klacht verzocht de Commissie de Franse autoriteiten op 12 april 1995 het betrokken steunvoornemen aan te melden. Zij verklaarde met name, dat volgens de haar verstrekte inlichtingen de Franse regering steun in de vorm van een financiële vergoeding aan de producenten van likeurwijn zou toekennen om het verschil in belasting op ,likeurwijn en ,van nature zoete wijn voor de producten van Franse oorsprong op te heffen". Zij verzocht om verschillende inlichtingen door middel van een twee bladzijden tellende vragenlijst.
8 Bij brief van 17 juli 1995 deelden de Franse autoriteiten haar een steunvoornemen ten gunste van producenten van likeurwijn en van eau-de-vie met gecontroleerde oorsprongsbenaming (hierna: steunvoornemen") mee. Deze steun zou uit een promotioneel en een technisch onderdeel bestaan.
9 Volgens dit voornemen zouden de promotieacties enerzijds dienen om de afzet van de wijnproductie afkomstig uit gebieden met overproductie te bevorderen, en anderzijds betrekking hebben op bepaalde, bijzonder achtergebleven gebieden. De promotieacties voor cognac, armagnac en calvados zouden uitsluitend verband houden met derde landen. Gepreciseerd werd, dat het in een ruimere betekenis van het begrip promotieacties mogelijk is de organisatie van beurzen en tentoonstellingen te overwegen, public-relationsacties zoals degustaties in Frankrijk en in het buitenland te ondernemen, en marktstudies te realiseren".
10 De technische steunmaatregelen zouden bestaan uit acties ter verbetering van de structurele voorzieningen op het gebied van de productie en de bereiding van de producten", met een grotere stabiliteit van de wijn, een verhoogde opslagcapaciteit, een betere opleiding van de wijnbouwers en een snelle verspreiding van ontwikkelingen inzake de wijnkunde tot gevolg".
11 De brief van 17 juli 1995 eindigde met de volgende verklaring:
Ten slotte preciseren de Franse autoriteiten, dat deze steun op geen enkele wijze neerkomt op een compensatie van het verschil in belasting tussen ,van nature zoete wijn en ,likeurwijn. De verscheidenheid van de begunstigden, te weten eau-de-vie van wijn (cognac, armagnac), eau-de-vie van cider (calvados) en likeurwijn (pineau, floc, macvin, cartagène, pommeau), toont dit aan."
12 Op de mededeling van het steunvoornemen door de Franse autoriteiten volgde een uitvoerige briefwisseling tussen deze autoriteiten en de Commissie.
13 De Commissie legde deze briefwisseling aan het Hof over ter uitvoering van een beschikking van het Hof van 21 september 1999. Blijkens die stukken heeft de Commissie tussen de aanmelding van het steunvoornemen bij brief van 17 juli 1995 en de mededeling van de bestreden beschikking aan de Franse autoriteiten bij brief van 21 november 1996, dus in een periode van zestien maanden, vijf verzoeken om inlichtingen gericht tot de Franse autoriteiten. Zij ontving zes antwoorden met bijlagen waarin nadere gegevens over het steunvoornemen werden verstrekt.
14 De Commissie stelde, dat zij tal van aanvullende inlichtingen en ophelderingen nodig had om een beslissing te kunnen nemen. In dat verband bevat het telexbericht dat de Commissie de Franse autoriteiten op 30 januari 1996, te weten nadat dezen haar al twee keer aanvullende inlichtingen hadden verstrekt, heeft gestuurd, de volgende passage:
Na een vooronderzoek blijkt dat deze laatste [inlichtingen] niet volledig zijn en dat aanvullende inlichtingen dus noodzakelijk zijn voor een grondig onderzoek van dit voornemen."
15 Bij brief van 29 mei 1996 verzochten de gemachtigden van AEVP de Commissie, onmiddellijk de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden, de steunmaatregelen te schorsen indien deze reeds ten uitvoer werden gelegd, hen volledig te informeren over het verloop van de inleidende fase van het onderzoek en inzage te verlenen van het dossier en van de door de Franse autoriteiten verstrekte inlichtingen. AEVP stelde de Commissie tevens in kennis van haar voornemen om de Commissie formeel in gebreke te stellen in de zin van artikel 175 EG-Verdrag (thans artikel 232 EG) indien zij haar verplichting om een standpunt te bepalen over de klacht en over het inleiden van de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag, niet nakomt.
16 Bij brieven van 19 juli en 2 september 1996 aan de Commissie herhaalde AEVP haar verzoek om onmiddellijk de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden. Ten slotte nodigde AEVP de Commissie bij brief van 25 september 1996 uit tot handelen overeenkomstig artikel 175, tweede alinea, van het Verdrag.
17 Bij de bestreden beschikking van 6 november 1996 besliste de Commissie geen bezwaar te maken tegen het steunvoornemen, omdat het valt onder de in artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag geformuleerde uitzondering voor steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid te vergemakkelijken. Zij stelde de Franse regering hiervan in kennis bij brief van 21 november 1996 en AEVP bij brief van 11 maart 1997. Een samenvatting van de bestreden beschikking werd bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 6 maart 1997.
18 Blijkens de brief van 21 november 1996 heeft de Commissie, alvorens de bestreden beschikking vast te stellen, de Franse autoriteiten verplicht het steunvoornemen te wijzigen door af te zien van de steunmaatregelen ten gunste van investeringen voor opslag. Voorts hebben de Franse autoriteiten de Commissie verzekerd, dat de tenuitvoerlegging van de steunmaatregelen de door de Commissie vermelde bepalingen van gemeenschapsrecht zou eerbiedigen. Deze omvatten in het bijzonder de mededelingen 86/C 272/03 van de Commissie van 28 oktober 1986 betreffende de betrokkenheid van de lidstaten bij acties ter bevordering van de verkoop van landbouw- en visserijproducten (PB C 272, blz. 3), 87/C 302/06 van 12 november 1987 betreffende kadervoorschriften voor nationale steunmaatregelen voor reclame voor landbouwproducten en bepaalde producten die niet onder bijlage II van het EEG-Verdrag vallen, met uitzondering van visserijproducten (PB C 302, blz. 6), 96/C 45/06 van 17 februari 1996 betreffende de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling (PB C 45, blz. 5) en 96/C 29/03 van 2 februari 1996 betreffende de kaderregeling inzake staatssteun voor investeringen voor de verwerking en afzet van landbouwproducten (PB C 29, blz. 4), alsook beschikking 94/173/EG van de Commissie van 22 maart 1994 tot vaststelling van de selectiecriteria voor investeringen ter verbetering van de voorwaarden inzake verwerking en afzet van land- en bosbouwproducten en tot intrekking van beschikking 90/342/EEG (PB L 79, blz. 29).
De door de Portugese Republiek aangevoerde middelen
19 De Portugese Republiek, ondersteund door het Koninkrijk Spanje, voert twee middelen aan ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring van de bestreden beschikking.
20 Het eerste middel betreft schending van wezenlijke vormvoorschriften doordat de procedureregels van artikel 93, leden 2 en 3, van het Verdrag zijn geschonden en de motiveringsplicht van artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG) niet is nagekomen.
21 Het tweede middel betreft schending van het Verdrag of van rechtsregels ter uitvoering daarvan doordat artikel 92, lid 1, juncto artikel 95 van het Verdrag alsook de in artikel 92, lid 3, van het Verdrag neergelegde algemene criteria voor de toepassing van de uitzonderingen zijn geschonden.
Het eerste middel
Argumenten van partijen
22 In haar eerste middel verwijt de Portugese regering de Commissie enerzijds, dat zij de bestreden beschikking heeft vastgesteld zonder de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden, en anderzijds, dat zij de verplichting om haar beschikking met redenen te omkleden, niet is nagekomen.
23 Op grond van het arrest van 11 december 1973, Lorenz (120/73, Jurispr. blz. 1471, punt 4), betoogt deze regering, dat de duur van de in artikel 93, lid 3, van het Verdrag voorziene inleidende fase van het onderzoek, in het kader waarvan de Commissie de bestreden beschikking heeft gegeven, op twee maanden is vastgesteld. Bovendien is het inleiden van de onderzoeksfase van artikel 93, lid 2, van het Verdrag volstrekt noodzakelijk wanneer de Commissie ernstige moeilijkheden ondervindt bij de beoordeling, of een steunvoornemen verenigbaar is met het Verdrag.
24 Volgens de Portugese regering is het in casu duidelijk, dat de Commissie bij het eerste onderzoek niet van mening was, dat de door de Franse autoriteiten aangemelde maatregelen verenigbaar waren met het Verdrag. De Commissie had integendeel een langdurig onderzoek nodig, waarbij gedurende zestien maanden vanaf de datum van aanmelding van het steunvoornemen tal van brieven werden gewisseld met de Franse regering, om de in de bestreden beschikking voorgenomen steunmaatregelen uiteindelijk te kunnen goedkeuren.
25 De Commissie stelt, dat blijkens het arrest van 14 februari 1990, Frankrijk/Commissie, Boussac" (C-301/87, Jurispr. blz. I-307, punten 27 en 28), de termijn van twee maanden waarover zij beschikt om de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden, pas begint te lopen vanaf het ogenblik dat zij beschikt over alle documenten die nodig zijn om de steunmaatregel te onderzoeken op zijn verenigbaarheid met het Verdrag.
26 Zij beklemtoont, dat de inlichtingen die de lidstaten over voorgenomen steunmaatregelen verstrekken, dikwijls onvolledig en onduidelijk zijn over bijkomstige kwesties. Om deze reden moet de Commissie tijdens de inleidende fase aanvullende inlichtingen inwinnen en aanvullende toezeggingen verkrijgen opdat de voorgenomen steunmaatregel volledig in overeenstemming zou zijn met de gemeenschapsbepalingen. Zoals in casu betreffen deze aanpassingen evenwel slechts bijkomstige aspecten en uitvoeringsmodaliteiten van de steun. De Commissie dient dus over een zekere beoordelingsmarge te beschikken om de moeilijkheden die het onderzoek van een bij haar aangemeld steunvoornemen met zich brengt en die eventueel slechts een te verwaarlozen belang hebben, uit de weg te ruimen.
Beoordeling door het Hof
27 Om te beginnen dienen de relevante regels van het door het Verdrag ingestelde stelsel van toezicht op staatssteun in herinnering te worden gebracht.
28 Artikel 92, lid 1, van het Verdrag bepaalt, dat behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, steunmaatregelen van de staten of met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.
29 Artikel 93 van het Verdrag voorziet in een bijzondere procedure van voortdurend onderzoek van en toezicht op staatssteun door de Commissie. Met betrekking tot nieuwe steunmaatregelen van lidstaten is voorzien in een voorafgaande procedure, zonder welke geen steunmaatregel kan worden geacht op regelmatige wijze te zijn vastgesteld. Ingevolge artikel 93, lid 3, eerste volzin, van het Verdrag, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof, wordt de Commissie van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen op de hoogte gebracht voordat die maatregelen ten uitvoer worden gelegd (arrest van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink's France, C-367/95 P, Jurispr. blz. I-1719, punt 35).
30 Vervolgens onderwerpt de Commissie de voorgenomen steunmaatregelen aan een eerste onderzoek. Blijkt daarbij, dat een voorgenomen steunmaatregel onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, dan leidt zij onverwijld de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in. De eerste alinea van deze bepaling luidt als volgt: Indien de Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat een steunmaatregel door een staat of met staatsmiddelen bekostigd, volgens artikel 92 niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt of dat van deze steunmaatregel misbruik wordt gemaakt, bepaalt zij dat de betrokken staat die steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn" (zie arrest Commissie/Sytraval en Brink's France, reeds aangehaald, punt 36).
31 Belanghebbenden in de zin van artikel 93, lid 2, van het Verdrag zijn niet alleen de door een steunmaatregel begunstigde onderneming of ondernemingen, maar evenzeer de personen, ondernemingen of verenigingen die eventueel door de verlening van de steun in hun belangen worden geraakt, met name concurrerende ondernemingen en beroepsverenigingen (zie, met name, arrest van 14 november 1984, Intermills/Commissie, 323/82, Jurispr. blz. 3809, punt 16).
32 In het kader van de procedure van artikel 93 moet dus onderscheid worden gemaakt tussen, enerzijds, de in artikel 93, lid 3, van het Verdrag bedoelde inleidende fase van het onderzoek van steunmaatregelen, die er slechts toe dient de Commissie in staat te stellen zich een eerste oordeel te vormen over de gedeeltelijke of volledige verenigbaarheid van de betrokken steun, en, anderzijds, de onderzoeksfase van artikel 93, lid 2, van het Verdrag, die de Commissie in staat moet stellen zich volledig te informeren over alle gegevens van de zaak (zie arresten van 19 mei 1993, Cook/Commissie, C-198/91, Jurispr. blz. I-2487, punt 22; 15 juni 1993, Matra/Commissie, C-225/91, Jurispr. blz. I-3203, punt 16, en Commissie/Sytraval en Brink's France, reeds aangehaald, punt 38).
33 De procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag, die de overige lidstaten en de belanghebbende kringen de zekerheid biedt dat zij zullen worden gehoord en die de Commissie in staat stelt, zich vóór haar beslissing volledig over alle relevante aspecten van de zaak te laten voorlichten, is volstrekt noodzakelijk wanneer de Commissie ernstige moeilijkheden ondervindt bij de beoordeling, of een steunmaatregel verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. In geval van een positieve beslissing over de steunmaatregel mag de Commissie zich slechts tot het in artikel 93, lid 3, bedoelde vooronderzoek beperken indien zij na een eerste onderzoek tot de overtuiging kan komen, dat de voorgenomen steunmaatregel verenigbaar is met het Verdrag. Brengt het eerste onderzoek de Commissie echter tot een tegengestelde conclusie of heeft zij niet alle problemen weten op te lossen die zich bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt voordoen, dan is zij verplicht alle nodige adviezen in te winnen en hiertoe de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden (zie, met name, arrest van 20 maart 1984, Duitsland/Commissie, 84/82, Jurispr. blz. 1451, punt 13, en de reeds aangehaalde arresten Cook/Commissie, punt 29; Matra/Commissie, punt 33 en Commissie/Sytraval en Brink's France, punt 39).
34 De in artikel 93, lid 3, van het Verdrag bedoelde inleidende fase heeft alleen tot doel, de Commissie een periode van overweging en onderzoek te geven om zich een eerste oordeel te kunnen vormen over de bij haar aangemelde steunvoornemens teneinde, zonder dat een grondig onderzoek noodzakelijk is, te concluderen dat zij verenigbaar zijn met het Verdrag of, integendeel, dat hun inhoud twijfels doet rijzen omtrent deze verenigbaarheid (zie, in die zin, arrest van 15 februari 2001, Oostenrijk/Commissie, C-99/98, Jurispr. blz. I-1101, punten 53 en 54).
35 In dat verband is de Commissie gehouden alle elementen feitelijk en rechtens te onderzoeken die de personen, ondernemingen of verenigingen die eventueel door de verlening van de steun in hun belangen worden geraakt, te harer kennis hebben gebracht (zie, in die zin, arrest Commissie/Sytraval en Brink's France, reeds aangehaald, punt 51). In het kader van het in artikel 93, lid 3, van het Verdrag bedoelde inleidende onderzoek moet deze instelling dus bij het vormen van haar oordeel zowel rekening houden met de inlichtingen van de betrokken staat, als met die van de eventuele klagers.
36 De feiten dienen aan de hand van deze beginselen te worden onderzocht.
37 Uit de twee klachten van AEVP blijkt duidelijk, dat deze in wezen gebaseerd waren op het bestaan van een verband tussen enerzijds het verschil in belasting op likeurwijn en van nature zoete wijn, en anderzijds de steun voor de Franse producenten van likeurwijn. In haar tweede klacht, die betrekking had op schending van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag, heeft AEVP expliciet aangevoerd, dat de betrokken steun dit verschil in belasting voor de Franse producenten van likeurwijn beoogde te compenseren, hetgeen, zakelijk weergegeven, tot gevolg had dat alleen de buitenlandse producenten van likeurwijn aan een hogere belasting werden onderworpen.
38 Volgens AEVP, die de Commissie bijzonderheden over de reden van het steunvoornemen heeft verstrekt, heeft de Franse regering de financiële compensaties voor de Franse producenten van likeurwijn aangekondigd als antwoord op hun staking van betaling van de accijnsbelasting", hetgeen de tijdelijke opheffing van deze staking mogelijk heeft gemaakt.
39 Ter ondersteuning van haar analyse heeft AEVP artikelen overgelegd die zijn verschenen in de vakpers van de wijnindustrie en van de industrie van gedistilleerde dranken. AEVP heeft de Commissie in het bijzonder gewezen op de in punt 5 van het onderhavige arrest aangehaalde verklaring van de voorzitter van het CNVDLAOC in het nummer van juni 1994 van het tijdschrift VITI.
40 De klachten van AEVP bevatten dus ernstige argumenten voor haar stelling, dat de voorgenomen steunmaatregelen tot fiscale discriminatie in de zin van artikel 95 van het Verdrag kunnen leiden.
41 Dienaangaande blijkt uit de algemene structuur van het Verdrag, dat de procedure van artikel 93 van het Verdrag nooit mag leiden tot een resultaat dat strijdig is met de specifieke verdragsbepalingen. Staatssteun die wegens enkele van haar modaliteiten andere verdragsbepalingen schendt, kan door de Commissie derhalve niet verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden verklaard (zie, met name, arrest van 19 september 2000, Duitsland/Commissie, C-156/98, Jurispr. blz. I-6857, punt 78).
42 Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, moet zij bij de beoordeling van de verenigbaarheid van een steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt, ook rekening houden met de marktsituatie, de fiscale aspecten daaronder begrepen.
43 In haar in punt 7 van het onderhavige arrest aangehaalde brief aan de Franse autoriteiten van 12 april 1995 heeft de Commissie er bovendien op gewezen, dat volgens de haar verstrekte inlichtingen steun in de vorm van een financiële vergoeding aan de producenten van likeurwijn zou worden toegekend om het verschil in belasting op ,likeurwijn en ,van nature zoete wijn voor de producten van Franse oorsprong op te heffen.
44 In het op 17 juli 1995 bij de Commissie aangemelde steunvoornemen heeft de Franse regering de belastingkwestie evenwel slechts kort aangesneden, te weten in de in punt 11 van het onderhavige arrest weergegeven bewoordingen.
45 Uit het onderzoek van het gehele dossier, zoals dat door de Commissie ten vervolge op de beschikking van het Hof van 21 september 1999 is overgelegd, volgt, dat dit het enige antwoord van de Franse regering is op het argument dat de voorgenomen steunmaatregelen tot doel hadden het verschil in belasting op likeurwijn en van nature zoete wijn voor de producten van Franse oorsprong op te heffen.
46 De Commissie heeft noch in de bestreden beschikking noch in de in de punten 17 en 18 van het onderhavige arrest aangehaalde brief van 21 november 1996 aan de Franse autoriteiten verwezen naar het feit, dat de vordering van AEVP in wezen gebaseerd was op een verband tussen enerzijds het verschil in belasting op likeurwijn en van nature zoete wijn, en anderzijds de steun voor de Franse producenten van likeurwijn.
47 De Commissie heeft evenmin uitgelegd, waarom zij had geconcludeerd dat die grief ongegrond was.
48 Zoals de advocaat-generaal in punt 90 van zijn conclusie heeft opgemerkt, lijkt nochtans een deel van de betrokken steunmaatregelen een categorie producenten te begunstigen die grotendeels overeenstemt met de Franse producenten van likeurwijn die door de belastingregeling fiscaal zijn benadeeld. Derhalve moet worden erkend, dat het eventuele bestaan van een verband tussen de belastingregeling en het betrokken steunvoornemen een ernstig probleem vormde bij de beoordeling van de verenigbaarheid van dit steunvoornemen met de verdragsbepalingen.
49 In deze omstandigheden kon de Commissie alleen door het inleiden van de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag de in de klachten van AEVP opgeworpen geschilpunten behandelen en uitmaken, of het eventuele verband tussen het verschil in belasting en het steunvoornemen een schending van artikel 95 van het Verdrag uitmaakte, en dus of dit steunvoornemen verenigbaar was met de gemeenschappelijke markt.
50 De bestreden beschikking mist hoe dan ook elke motivering op dit punt en voldoet derhalve niet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.
51 Bijgevolg is de bestreden beschikking onwettig wegens het nalaten om de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden alsook wegens niet-nakoming van de motiveringsplicht. Het eerste door de Portugese Republiek aangevoerde middel moet dus worden aanvaard.
52 Een onderzoek van het tweede middel kan derhalve achterwege blijven.
53 In deze omstandigheden moet het beroep van de Portugese Republiek worden toegewezen en moet de bestreden beschikking derhalve nietig worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
54 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Portugese Republiek in de kosten te worden verwezen. Volgens artikel 69, lid 4, eerste alinea, van dit reglement dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten. In deze omstandigheden dient te worden beslist, dat het Koninkrijk Spanje en de Franse Republiek hun eigen kosten zullen dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Verklaart nietig de beschikking van de Commissie van 6 november 1996 betreffende steun van de Franse Republiek ten gunste van producenten van likeurwijn en van eau-de-vie voor promotieacties, technische steun en steun voor onderzoek, technische bijstand en investering.
2) Verwijst de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de kosten.
3) Verstaat dat het Koninkrijk Spanje en de Franse Republiek hun eigen kosten zullen dragen.
Full & Egal Universal Law Academy