Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-betwiste niet-nakoming
(EG-Verdrag, art. 169)
Partijen
In zaak C-208/97,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. de Sousa Fialho, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Portugese Republiek, vertegenwoordigd door L. Fernandes, directeur van de juridische dienst van het directoraat-generaal Europese Gemeenschappen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en J. Lopes Fernandes, directeur van de juridische dienst van het Nationaal Waterinstituut, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Portugese ambassade, Allée Scheffer 33,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen, primair, dat de Portugese Republiek, door niet binnen de gestelde termijn alle nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen voor de uitvoering van de bepalingen van richtlijn 84/156/EEG van de Raad van 8 maart 1984 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor kwiklozingen afkomstig van andere sectoren dan de elektrolyse van alkalichloriden (PB L 74, blz. 49), meer bepaald door niet de in de richtlijn bedoelde specifieke programma's op te stellen, en, subsidiair, door de Commissie niet onverwijld van die maatregelen in kennis te stellen, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 189, derde alinea, EG-Verdrag en de bepalingen van deze richtlijn,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: H. Ragnemalm, kamerpresident, G. F. Mancini, J. L. Murray, G. Hirsch en K. M. Ioannou (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 april 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 30 mei 1997, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen, primair, dat de Portugese Republiek, door niet binnen de gestelde termijn alle nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen voor de uitvoering van de bepalingen van richtlijn 84/156/EEG van de Raad van 8 maart 1984 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor kwiklozingen afkomstig van andere sectoren dan de elektrolyse van alkalichloriden (PB L 74, blz. 49; hierna: "richtlijn"), meer bepaald door niet de in de richtlijn bedoelde specifieke programma's op te stellen, en, subsidiair, door de Commissie niet onverwijld van die maatregelen in kennis te stellen, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 189, derde alinea, EG-Verdrag en de bepalingen van deze richtlijn.
2 Artikel 3 van de richtlijn heeft betrekking op de emissienormen voor kwiklozingen afkomstig van industriële bedrijven.
3 Ter voorkoming of opheffing van de verontreiniging door kwik door lozingen van andere bedrijven waarvoor emissienormen niet kunnen worden vastgesteld en de toepassing ook niet regelmatig kan worden gecontroleerd wegens de verspreiding van de bronnen, moeten de lidstaten ingevolge artikel 4, lid 1, specifieke programma's opstellen voor lozingen van kwik uit velerlei bronnen die geen industriële bedrijven zijn en waarop de in artikel 3 bedoelde emissienormen in de praktijk niet kunnen worden toegepast. Volgens artikel 4, lid 3, zijn de specifieke programma's met ingang van 1 juli 1989 van toepassing en worden zij aan de Commissie meegedeeld.
4 Ingevolge artikel 7, lid 1, van de richtlijn moesten de lidstaten de nodige maatregelen treffen om binnen twee jaar na kennisgeving van de richtlijn eraan te voldoen, en de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
5 Toen de Commissie geen enkel bericht ontving over door de Portugese regering uitgevoerde programma's in de zin van de richtlijn, verzocht zij deze regering bij brief van 4 december 1992 het programma of de programma's binnen twee maanden aan haar mee te delen.
6 Daar de Commissie geen enkele reactie ontving en niet over andere informatie beschikte waaruit zij kon opmaken dat de Portugese Republiek programma's had opgesteld, maande zij bij brief van 18 juni 1993 de Portugese Republiek aan, binnen twee maanden haar opmerkingen te maken.
7 Bij brief van 6 januari 1994 antwoordde de Portugese Republiek op dit verzoek, dat er in andere sectoren dan de elektrolyse van alkalichloriden geen enkele installatie die kwik loosde, was aangetroffen en dat zij daarom van mening was dat, waar de voorwaarde waarvan de verplichting tot het opstellen van de in artikel 4 van de richtlijn bedoelde programma's afhing, ontbrak - te weten kwiklozingen en verontreiniging door kwik - zij niet verplicht was die programma's op te stellen.
8 Niet overtuigd van de gegrondheid van de opmerkingen van de Portugese Republiek, deed de Commissie haar bij brief van 25 oktober 1995 een met redenen omkleed advies toekomen met het verzoek, de nodige maatregelen te treffen om binnen twee maanden na de kennisgeving ervan aan het advies te voldoen.
9 Bij brief van 18 juli 1996 deelde de Portugese Republiek de Commissie in antwoord op het met redenen omkleed advies mee, dat zij de noodzaak en de spoedeisendheid van de uitvoering van de genoemde programma's inzag, maar dat hun toepassing bijzonder moeilijk was wegens de problemen bij de vaststelling van velerlei verschillende bronnen. Verder was zij bezig met de beoordeling van de mogelijkheden en de voorwaarden om overeenkomsten te sluiten met de betrokken lichamen (beroepsverenigingen, ziekenhuizen, gemeenten, enz.), alsmede van de technische voorwaarden en de definitie van criteria en voorschriften voor de controle op de lozingen van kwik uit velerlei niet-industriële bronnen. Ten slotte gaf zij te kennen, dat zij een termijn van drie maanden nodig had voor de verwezenlijking van haar projecten, waarvan de resultaten tijdig aan de Commissie zouden worden meegedeeld.
10 Na die brief ontving de Commissie geen enkel bericht meer van de Portugese regering waaruit zij had kunnen opmaken dat de Portugese Republiek aan haar verplichtingen krachtens de richtlijn had voldaan. De Commissie heeft derhalve het onderhavige beroep ingesteld.
11 De Commissie stelt, dat uit het antwoord op het met redenen omkleed advies blijkt, dat de Portugese Republiek haar verplichting tot opstelling van de in artikel 4 van de richtlijn bedoelde programma's niet betwist. Hoewel de gestelde termijnen zijn verstreken, heeft de Portugese Republiek de specifieke programma's evenwel niet opgesteld of toegepast en ze ook niet aan de Commissie meegedeeld. Bijgevolg is zij de krachtens artikel 189, derde alinea, van het Verdrag en de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
12 De Portugese Republiek betwist de verweten niet-nakoming niet. Zij wijst erop, dat zij zich heeft ingespannen om de moeilijkheden op te lossen die zij had ondervonden bij de opstelling van de specifieke programma's voor kwiklozingen bedoeld in artikel 4 van de richtlijn, in het bijzonder bij de vaststelling van de vele verschillende bronnen. Maar ondanks die inspanningen was de definitieve opstelling van de programma's, waarbij het immers om een zeer ingewikkelde materie ging, nog op enkele problemen gestuit.
13 Uit het voorgaande volgt, dat de richtlijn niet binnen de gestelde termijn is omgezet.
14 Bijgevolg moet het beroep van de Commissie gegrond worden verklaard.
15 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Portugese Republiek, door niet binnen de gestelde termijn alle nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen voor de uitvoering van de bepalingen van de richtlijn, en meer bepaald door niet de in de richtlijn bedoelde specifieke programma's op te stellen, niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 4, lid 1, van de richtlijn op haar rustende verplichtingen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
16 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien de Portugese Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
17 Door niet binnen de gestelde termijn alle nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen voor de uitvoering van de bepalingen van richtlijn 84/156/EEG van de Raad van 8 maart 1984 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor kwiklozingen afkomstig van andere sectoren dan de elektrolyse van alkalichloriden, en meer bepaald door niet de in de richtlijn bedoelde specifieke programma's op te stellen, heeft de Portugese Republiek niet voldaan aan de krachtens artikel 4, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen.
2) De Portugese Republiek wordt verwezen in de kosten.$
Full & Egal Universal Law Academy