Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Harmonisatie van wetgevingen - Overheidsopdrachten in sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie - Toepassing van gemeenschapsregels op procedures voor plaatsen van opdrachten - Richtlijn 92/13 - Beroep op nationaal niveau - Verplichting voor lidstaten om beroepsinstanties bevoegdheden toe te kennen - Bevoegdheid om dwangsom op te leggen verleend aan nationale rechter - Verplichting vervuld
(Richtlijn 92/13 van de Raad, art. 2, leden 1, sub c, en 5)
2 Harmonisatie van wetgevingen - Overheidsopdrachten in sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie - Toepassing van gemeenschapsregels op procedures voor plaatsen van opdrachten - Richtlijn 92/13 - Verificatieregeling en bemiddelingsprocedure - Verplichting voor lidstaten om omzettingsmaatregelen te nemen
(Richtlijn 92/13 van de Raad, art. 3-7 en 9-11)
Samenvatting
1 Richtlijn 92/13 betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie bepaalt in hoofdstuk 1 (artikelen 1 en 2), dat de lidstaten de maatregelen nemen die noodzakelijk zijn om aan mogelijke leveranciers en ondernemers passende beroepsprocedures ter beschikking te stellen in geval van een inbreuk door de aanbestedende diensten op de regels die van toepassing zijn op de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten, en machtigt de lidstaten tussen verschillende mogelijkheden met betrekking tot de bevoegdheden van de beroepsinstanties te kiezen.
Aan deze eisen voldoet een lidstaat die heeft gekozen voor de in artikel 2, lid 1, sub c, van de richtlijn voorziene mogelijkheid - zijnde het treffen van maatregelen om door middel van passende procedures een betalingsopdracht voor een bepaald bedrag te kunnen uitschrijven wanneer de inbreuk niet ongedaan wordt gemaakt of wordt voorkomen - door te bepalen dat een rechter over de bevoegdheid beschikt tot het opleggen van een dwangsom waarvan hij het bedrag vaststelt aan de hand van zijn beoordeling van de specifieke situatie. Een dergelijke dwangsom beantwoordt aan de in lid 5 van dat artikel 2 gestelde voorwaarden.
2 Richtlijn 92/13 betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie voorziet in hoofdstuk 2 (artikelen 3-7) in een verificatieregeling op grond waarvan aanbestedende diensten een attest kunnen krijgen waarin wordt geconstateerd, dat zij de regels inzake het plaatsen van opdrachten juist toepassen, en in hoofdstuk 4 (artikelen 9-11) in een bemiddelingsprocedure op communautair niveau waardoor geschillen tussen de ondernemingen en de aanbestedende diensten vreedzaam kunnen worden beslecht.
In dat verband betekent de omstandigheid dat de richtlijn aan onder haar werkingssfeer vallende organen de mogelijkheid biedt om gebruik te maken van die verificatieregeling, geenszins dat de omzetting van een dergelijke regeling in het nationale recht facultatief is. Integendeel, de relevante bepalingen van de richtlijn moeten worden uitgevoerd met een onbetwistbaar dwingende kracht en met de specificiteit, nauwkeurigheid en duidelijkheid die nodig zijn om te voldoen aan het rechtszekerheidsvereiste. Een omzetting in nationaal recht is, wat de bemiddelingsprocedure betreft, eveneens noodzakelijk, opdat de belanghebbenden het bestaan van een dergelijke procedure kunnen kennen en dus de zekerheid hebben dat zij daarvan gebruik kunnen maken.
Partijen
In zaak C-225/97,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Lier, juridisch adviseur, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur internationaal economisch recht en gemeenschapsrecht bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en P. Lalliot, secretaris buitenlandse zaken bij die directie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard Joseph II 8B,
verweerster,
"betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen, dat de Franse Republiek, door niet alle noodzakelijke maatregelen te nemen om te voldoen aan richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB L 76, blz. 14), de krachtens de artikelen 1, lid 2, en 2, leden 1, sub c, en 5, alsmede krachtens de hoofdstukken 2 en 4 van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn (rapporteur), kamerpresident, G. Hirsch en G. F. Mancini, rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: L. Hewlett, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 22 oktober 1998, tijdens welke de Commissie was vertegenwoordigd door H. van Lier en de Franse regering door A. Viéville-Bréville, chargé de mission bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 januari 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 17 juni 1997, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) verzocht vast te stellen, dat de Franse Republiek, door niet alle noodzakelijke maatregelen te nemen om te voldoen aan richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB L 76, blz. 14), de krachtens de artikelen 1, lid 2, en 2, leden 1, sub c, en 5, alsmede krachtens de hoofdstukken 2 en 4 van genoemde richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Het gemeenschapsrecht
2 Artikel 13 van richtlijn 92/13 bepaalt, dat de lidstaten de maatregelen moeten treffen die nodig zijn om vóór 1 januari 1993 aan die richtlijn te voldoen en de Commissie daarvan onverwijld in kennis moeten stellen.
De dwangsom
3 Hoofdstuk 1 van richtlijn 92/13 (artikelen 1 en 2) heeft betrekking op de beroepsmogelijkheden op nationaal niveau.
4 Artikel 1 bepaalt:
"1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat tegen door de aanbestedende diensten genomen besluiten doeltreffend en vooral zo snel mogelijk beroep kan worden ingesteld overeenkomstig het bepaalde in de volgende artikelen, met name artikel 2, lid 8, op grond van het feit dat door die besluiten het gemeenschapsrecht inzake aanbestedingen of de nationale voorschriften waarin dat gemeenschapsrecht is omgezet, geschonden zijn, voor wat betreft:
a) de procedures voor het plaatsen van opdrachten die vallen onder de werkingssfeer van richtlijn 90/531/EEG; en
b) de inachtneming van artikel 3, lid 2, onder a, van die richtlijn ten aanzien van de aanbestedende diensten waarop die bepaling van toepassing is.
2. De lidstaten zien erop toe dat ondernemingen die een eis wegens in het kader van een procedure voor het plaatsen van opdrachten geleden schade willen indienen, niet worden gediscrimineerd op grond van het in deze richtlijn gemaakte onderscheid tussen nationale voorschriften waarin het gemeenschapsrecht is omgezet, en andere nationale voorschriften.
(...)"
5 Artikel 2 van richtlijn 92/13 luidt als volgt:
"1. De lidstaten zorgen ervoor dat de maatregelen betreffende het in artikel 1 bedoelde beroep de nodige bevoegdheden behelzen om:
hetzij
a) zo snel mogelijk in kort geding voorlopige maatregelen te nemen om de beweerde inbreuk ongedaan te maken of te voorkomen dat de betrokken belangen verder worden geschaad, met inbegrip van maatregelen om de aanbestedingsprocedure of de tenuitvoerlegging van enig door de aanbestedende diensten genomen besluit op te schorten c.q. te doen opschorten; en
b) onwettige besluiten nietig te verklaren c.q. nietig te doen verklaren, met inbegrip van het verwijderen van discriminerende technische, economische of financiële specificaties in de aankondiging, de periodieke indicatieve aankondiging, de mededeling inzake het bestaan van een erkenningssysteem, de uitnodiging tot inschrijving, de bestekken dan wel in enig ander stuk dat verband houdt met de aanbestedingsprocedure;
hetzij
c) ten spoedigste, zo mogelijk in kort geding en indien noodzakelijk volgens een definitieve procedure ten principale, andere maatregelen dan bedoeld onder a en b te nemen om de geconstateerde inbreuk ongedaan te maken en te voorkomen dat de betrokken belangen verder worden geschaad; met name een betalingsopdracht voor een bepaald bedrag uit te schrijven wanneer de inbreuk niet ongedaan gemaakt c.q. voorkomen wordt.
De lidstaten kunnen deze keuze maken hetzij voor alle aanbestedende diensten, hetzij voor aan de hand van objectieve criteria bepaalde categorieën diensten waarbij zij in ieder geval de doeltreffendheid van de vastgestelde maatregelen waarborgen om te voorkomen dat de betrokken belangen worden geschaad;
d) en in de bovengenoemde twee gevallen, schadevergoeding toe te kennen aan degenen die door een inbreuk zijn gelaedeerd.
Wanneer schadevergoeding wordt gevorderd omdat een besluit onwettig is genomen, kunnen de lidstaten, indien hun nationale recht zulks vereist en in de ter zake bevoegde instanties voorziet, bepalen dat het aangevochten besluit eerst moet worden vernietigd of onwettig moet worden verklaard.
2. De in lid 1 bedoelde bevoegdheden kunnen worden opgedragen aan afzonderlijke instanties die verantwoordelijk zijn voor verschillende aspecten van de beroepsprocedures.
3. De beroepsprocedures behoeven niet noodzakelijk een automatische opschortende werking te hebben voor de aanbestedingsprocedures waarop zij betrekking hebben.
4. De lidstaten kunnen bepalen dat de verantwoordelijke instantie, wanneer deze beziet of het dienstig is voorlopige maatregelen te treffen, rekening kan houden met de vermoedelijke gevolgen van deze maatregelen voor alle belangen die kunnen zijn geschaad, alsmede met het algemeen belang, en kan besluiten deze maatregelen niet toe te staan wanneer hun negatieve gevolgen groter zouden kunnen zijn dan hun voordelen. Een besluit om geen voorlopige maatregelen toe te staan laat de andere rechten die worden opgeëist door degene die om deze maatregelen verzoekt, onverlet.
5. De overeenkomstig lid 1, onder c, te betalen geldsom moet op een voldoende hoog niveau worden vastgesteld om de aanbestedende dienst ervan te weerhouden een inbreuk te plegen c.q. voort te zetten. De betaling van deze som kan afhankelijk worden gemaakt van een eindbeslissing waarin het bestaan van de inbreuk wordt bevestigd.
(...)"
De verificatie
6 Hoofdstuk 2 van richtlijn 92/13 (artikelen 3-7) heeft betrekking op de verificatieregeling.
7 Artikel 3 bepaalt, dat de lidstaten de aanbestedende diensten de mogelijkheid geven om gebruik te maken van een verificatieregeling overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 7.
8 Artikel 4 luidt:
"De aanbestedende diensten kunnen de aanbestedingsprocedures die onder richtlijn 90/531/EEG vallen en ook de praktische tenuitvoerlegging daarvan regelmatig laten controleren met het oog op het verkrijgen van een verificatieattest waarin wordt geconstateerd dat ze op dat tijdstip in overeenstemming zijn met het gemeenschapsrecht inzake het plaatsen van opdrachten en de nationale voorschriften waarin dat recht is omgezet."
9 Volgens artikel 7 van richtlijn 92/13 zijn de bepalingen van de artikelen 4, 5 en 6 te beschouwen als essentiële vereisten met het oog op de uitwerking van Europese verificatienormen.
De bemiddelingsprocedure
10 Hoofdstuk 4 van richtlijn 92/13 (artikelen 9-11) heeft betrekking op de bemiddelingsprocedure.
11 Artikel 9 bepaalt:
"1. Eenieder die een belang heeft of heeft gehad bij de toewijzing van een bepaalde opdracht die onder richtlijn 90/531/EEG valt en die van oordeel is dat hij in verband met de desbetreffende aanbestedingsprocedure benadeeld is of benadeeld dreigt te worden omdat het gemeenschapsrecht inzake overheidsopdrachten of de nationale bepalingen waarin dit recht is omgezet, zijn geschonden, kan verzoeken om toepassing van de bemiddelingsprocedure van de artikelen 10 en 11.
2. Het in lid 1 bedoelde verzoek wordt schriftelijk bij de Commissie of bij de in de bijlage vermelde nationale autoriteiten ingediend. Die autoriteiten zenden dit verzoek zo spoedig mogelijk aan de Commissie toe."
Het Franse recht
12 Bij brief van 14 januari 1994 hebben de Franse autoriteiten de Commissie de tekst van wet nr. 93-1416 van 29 december 1993 met betrekking tot de beroepsmogelijkheden ter zake van het plaatsen van bepaalde opdrachten tot levering en tot uitvoering van werken in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (JORF van 1 januari 1994, blz. 10) medegedeeld.
13 Artikel 1 van die wet bepaalt:
"Na artikel 7 van wet nr. 92-1282 van 11 december 1992 met betrekking tot de procedures voor het plaatsen van bepaalde opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie, worden de volgende artikelen 7-1 en 7-2 ingevoegd:
$Artikel 7-1 - In geval van niet-nakoming van de verplichtingen tot bekendmaking en tot openstelling voor mededinging, waaraan de aanbesteding van de in artikel 1 omschreven privaatrechtelijke overeenkomsten is onderworpen, kan de rechter vóór de sluiting van de overeenkomst slechts uitspraak doen in de hierna omschreven omstandigheden.
Op vordering van eenieder die belang heeft bij de sluiting van de overeenkomst en door een niet-nakoming kan worden geschaad, kan de president van de bevoegde rechterlijke instantie of zijn plaatsvervanger degeen die zijn verplichtingen niet nakomt, gelasten daaraan te voldoen. Hij stelt de termijnen vast waarbinnen de betrokkene alsnog zijn verplichtingen dient na te komen. Hij kan ook een voorlopige dwangsom opleggen die wordt verbeurd bij het verstrijken van de gestelde termijnen. Hij kan echter rekening houden met de vermoedelijke gevolgen van laatstgenoemde maatregel voor alle belangen die kunnen zijn geschaad, met name het algemeen belang, en besluiten de maatregel niet toe te staan, wanneer de negatieve gevolgen ervan groter zouden kunnen zijn dan de voordelen.
De vordering kan eveneens worden ingediend door het Openbaar ministerie, wanneer de Commissie van de Europese Gemeenschappen de staat in kennis heeft gesteld van de redenen waarom zij van mening is, dat de in de eerste alinea genoemde verplichtingen duidelijk en kennelijk zijn geschonden.
Het bedrag van de voorlopige dwangsom wordt geliquideerd, rekening houdend met het gedrag van degene tot wie het bevel is gericht en met de moeilijkheden die hij bij de uitvoering ervan heeft ondervonden.
De president van de bevoegde rechterlijke instantie of zijn plaatsvervanger beslist in eerste en laatste aanleg overeenkomstig de procedure in kort geding.
Indien bij de liquidatie van de voorlopige dwangsom de geconstateerde niet-nakoming niet ongedaan is gemaakt, kan de rechter een definitieve dwangsom opleggen. In dat geval beslist hij overeenkomstig de procedure in kort geding en kan hoger beroep worden ingesteld zoals ter zake van een kort geding.
De dwangsom staat, ongeacht of zij voorlopig dan wel definitief is, los van de schadevergoeding. De voorlopige of definitieve dwangsom wordt geheel of gedeeltelijk opgeheven, wanneer vaststaat dat de niet-uitvoering of de vertraging bij de uitvoering van het bevel van de rechter geheel of gedeeltelijk een gevolg is van een niet aan de betrokkene toe te rekenen oorzaak.
Artikel 7-2 - In geval van niet-nakoming van de verplichtingen tot bekendmaking en tot openstelling voor mededinging, waaraan de aanbesteding van de in artikel 1 omschreven publiekrechtelijke overeenkomsten is onderworpen, kan eenieder die belang heeft bij de sluiting van de overeenkomst en die door die niet-nakoming kan worden geschaad, bij de rechter een vordering indienen om vóór de sluiting van de overeenkomst de maatregelen te nemen bedoeld in artikel L. 23 van de Code des tribunaux administratifs en des cours administratives d'appel.'"
14 Artikel 4 van wet nr. 93-1416 bepaalt:
"Artikel L. 23 van de Code des tribunaux administratifs en des cours administratives d'appel luidt:
$Artikel L. 23 - De president van het Tribunal administratif of zijn plaatsvervanger kan worden geadieerd in geval van niet-nakoming van de verplichtingen tot bekendmaking of tot openstelling voor mededinging, waaraan de overeenkomsten zijn onderworpen, bedoeld in artikel 7-2 van wet nr. 92-1282 van 11 december 1992 met betrekking tot de procedures voor de aanbesteding van bepaalde overeenkomsten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie. De rechter kan vóór de sluiting van de overeenkomst slechts uitspraak doen in de hierna omschreven omstandigheden.
De vordering kan worden ingesteld door eenieder die bij de sluiting van de overeenkomst belang heeft en door die niet-nakoming kan worden geschaad.
De president van het Tribunal administratif of zijn plaatsvervanger kan degeen die zijn verplichtingen niet nakomt, gelasten daaraan te voldoen. Hij stelt de termijnen vast waarbinnen de betrokkene alsnog zijn verplichtingen dient na te komen. Hij kan ook een voorlopige dwangsom opleggen die wordt verbeurd bij het verstrijken van de gestelde termijnen. Hij kan evenwel rekening houden met de vermoedelijke gevolgen van laatstgenoemde maatregel voor alle belangen die kunnen zijn geschaad, met name het algemeen belang, en besluiten de maatregel niet toe te staan, wanneer de negatieve gevolgen ervan groter zouden kunnen zijn dan de voordelen.
Het bedrag van de voorlopige dwangsom wordt geliquideerd, rekening houdend met het gedrag van degene tot wie het bevel is gericht en met de moeilijkheden die hij bij de uitvoering ervan heeft ondervonden.
De vordering kan, behalve wanneer zij betrekking heeft op het plaatsen van opdrachten of het sluiten van overeenkomsten door de staat, eveneens door de staat worden ingediend, wanneer de Commissie van de Europese Gemeenschappen hem in kennis heeft gesteld van de redenen waarom zij van mening is, dat de hiervoor genoemde verplichtingen duidelijk en kennelijk zijn geschonden.
De president van het Tribunal administratif of zijn plaatsvervanger beslist in eerste en laatste aanleg overeenkomstig de procedure in kort geding.
Wanneer bij de liquidatie van de voorlopige dwangsom de geconstateerde niet-nakoming niet ongedaan is gemaakt, kan de rechter een definitieve dwangsom opleggen. In dat geval beslist hij overeenkomstig de procedure in kort geding en kan hoger beroep worden ingesteld zoals ter zake van een kort geding.
De dwangsom staat, ongeacht of zij voorlopig of definitief is, los van de schadevergoeding. De voorlopige of definitieve dwangsom wordt geheel of gedeeltelijk opgeheven, wanneer vaststaat dat de niet-uitvoering of de vertraging bij de uitvoering van het bevel van de rechter geheel of gedeeltelijk een gevolg is van een niet aan de betrokkene toe te rekenen oorzaak.'"
De precontentieuze procedure
15 Bij aanmaningsbrief van 8 september 1995 deelde de Commissie de Franse autoriteiten mede, dat de in richtlijn 92/13 bedoelde regeling van de dwangsom niet juist in nationaal recht was omgezet, terwijl de bepalingen van deze richtlijn betreffende de verificatieregeling en de bemiddelingsprocedure niet in nationaal recht waren omgezet. Overeenkomstig artikel 169 van het Verdrag verzocht de Commissie de Franse regering om binnen twee maanden haar opmerkingen in te dienen en de noodzakelijke amendementen vast te stellen.
16 De Franse autoriteiten gaven op 13 november 1995 antwoord door middel van enkele preciseringen over de werking van het stelsel van de dwangsom en over de bepalingen van richtlijn 92/13 betreffende de bemiddelingsprocedure die niet in wet nr. 93-1416 zijn omgezet.
17 In haar met redenen omkleed advies van 8 november 1996 handhaafde de Commissie niettemin haar grieven met betrekking tot het stelsel van de dwangsom en de niet-omzetting van de hoofdstukken 2 en 4 van genoemde richtlijn.
18 In hun antwoord van 20 februari 1997 verklaarden de Franse autoriteiten, dat de inhoud van wet nr. 93-1416 huns inziens op bevredigende wijze aan de vereisten van richtlijn 92/13 voldoet, dat zij voornemens waren om binnenkort een circulaire te publiceren teneinde particulieren over de werking van de bemiddelingsprocedure voor te lichten en dat de betrokken overheidsinstanties bestudeerden welke maatregelen zouden kunnen worden genomen om een doeltreffende toepassing van de verificatieregeling te verzekeren.
19 Van mening dat het antwoord van de Franse regering niet voldoende was, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
De dwangsom
20 Vooraf moet erop worden gewezen, dat vaststaat, dat de Commissie geen bezwaar maakt tegen de door de Franse Republiek gemaakte keuze voor de in artikel 2, lid 1, sub c, van richtlijn 92/13 bedoelde mogelijkheid.
21 Met betrekking tot die keuze betoogt de Commissie echter om te beginnen, dat de omzetting van artikel 2, lid 5, van richtlijn 92/13, volgens hetwelk de overeenkomstig lid 1, sub c, van die bepaling te betalen geldsom op een voldoende hoog niveau moet worden vastgesteld om de aanbestedende dienst ervan te weerhouden een inbreuk te plegen dan wel voort te zetten, een specifieke bepaling met betrekking tot het bedrag van de dwangsom vergt, waarin ofwel wordt gepreciseerd dat zij hoog genoeg dient te zijn om de vereiste afschrikkende werking te hebben, dan wel de aan de rechter toegekende beoordelingsbevoegdheid voor de vaststelling van dat bedrag wordt beperkt. Volgens de Commissie kan het ontbreken van een dergelijke bepaling twijfels bij de bevoegde rechter oproepen.
22 Daartegenover stelt de Franse regering in de eerste plaats, dat richtlijn 92/13 geen uitdrukkelijke bepaling bevat die de lidstaten verplicht het bedrag van de dwangsom vast te stellen en in de tweede plaats, dat, omdat situaties onderling verschillen, aan de rechter de mogelijkheid moet worden geboden de dwangsom op basis van zijn beoordeling van de specifieke situatie vast te stellen, waarbij dit bedrag zo hoog dient te zijn dat de doelstellingen van richtlijn 92/13 worden bereikt.
23 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat artikel 2, lid 5, van richtlijn 92/13 voorschrijft dat de overeenkomstig lid 1, sub c, te betalen geldsom op een voldoende hoog niveau moet worden vastgesteld om de aanbestedende dienst ervan te weerhouden een inbreuk te plegen of voort te zetten. Evenwel wordt niet vermeld of de wetgever dan wel de bevoegde rechter het bedrag van de te betalen geldsom dient vast te stellen.
24 Zoals de advocaat-generaal in punt 13 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft een dwangsom, een dwingende maatregel met als voornaamste doel de uitvoering van de beslissingen van de geadieerde rechter af te dwingen, naar haar aard reeds een afschrikkende werking. Een bepaling die preciseert dat de overeenkomstig artikel 2, lid 1, van richtlijn 92/13 te betalen geldsom van afschrikkende aard moet zijn, kan daaraan als zodanig dus niets af- of toedoen.
25 Bovendien betoogt de Franse regering, zonder met vrucht door de Commissie te zijn weersproken, dat in het Franse recht de dwangsom naar haar aard een dwangmiddel is en een doeltreffend instrument om de niet-nakoming van gerechtelijke bevelen tegen te gaan.
26 De volgende grief van de Commissie is, dat de Franse regering in de artikelen 1 en 4 van wet nr. 93-1416 niet enkel heeft bepaald, dat de definitieve dwangsom slechts kan worden opgelegd op het moment waarop het bedrag van de voorlopige dwangsom wordt geliquideerd, maar eveneens dat bij die liquidatie rekening wordt gehouden met het gedrag van degenen tot wie het bevel is gericht en de moeilijkheden die hij bij de uitvoering ervan heeft ondervonden. Haars inziens is de aldus aan de rechter toegekende speelruimte afhankelijk van subjectieve factoren, die te vaag zijn omschreven om de goede werking van het stelsel te verzekeren.
27 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt, dat artikel 2, lid 1, sub c, van richtlijn 92/13 de lidstaten die voor deze mogelijkheid hebben gekozen, slechts de verplichting oplegt, maatregelen te treffen om door middel van passende procedures een betalingsopdracht voor een bepaald bedrag te kunnen uitschrijven, wanneer de inbreuk niet ongedaan wordt gemaakt of wordt voorkomen. Volgens lid 5 van deze bepaling moet dat bedrag worden vastgesteld op een voldoende hoog niveau om de aanbestedende dienst ervan te weerhouden een inbreuk te plegen of voort te zetten, zonder dat daarbij echter wordt gepreciseerd of dit een definitieve dan wel een voorlopige maatregel dient te zijn. Anders dan de Commissie betoogt, wordt in die bepaling niet verklaard dat de rechter, teneinde een inbreuk te voorkomen of ongedaan te maken, verplicht is enkel definitieve dwangsommen op te leggen.
28 In de tweede plaats moet met betrekking tot het argument van de Commissie, dat de artikelen 1 en 4 van wet nr. 93-1416 haars inziens ten onrechte een verband leggen tussen de dwangsom en het gedrag van degene tot wie het bevel is gericht, worden opgemerkt, dat in het beginsel van het recht op een billijk proces besloten ligt, dat de rechter in een procedure zoals die van artikel 2, lid 1, sub c, van richtlijn 92/13, het gedrag van degene tot wie het bevel is gericht en de moeilijkheden die hij bij de uitvoering ervan heeft ondervonden, niet buiten beschouwing kan laten.
29 Ten slotte stelt de Commissie, dat wet nr. 93-1416, doordat de afschrikkende werking van de dwangsom niet werkelijk wordt gewaarborgd, een specifieke, minder dwingende procedure vaststelt dan de procedure in het civielrecht, wat in strijd is met artikel 1, lid 2, van richtlijn 92/13. Dienaangaande betoogt zij, dat de bepalingen betreffende de dwangsom in wet nr. 93-1416 verschillen van die in wet nr. 91-650 van 9 juli 1991 met betrekking tot de herziening van de civielrechtelijke executieprocedures (JORF van 14 juli 1991, blz. 9228). Haars inziens toont dat verschil aan, dat de Franse wetgever de specifieke regels in wet nr. 93-1416 minder dwingend wilde maken dan die van de algemene regeling in wet nr. 91-650.
30 Dienaangaande volstaat de vaststelling dat wet nr. 93-1416, zoals de Franse regering heeft betoogd zonder met vrucht door de Commissie te zijn weersproken, een ander doel heeft dan wet nr. 91-650. Deze laatste wet, die een schuldeiser die over een executoriale titel beschikt, de middelen verschaft om in het kader van de afwikkeling van een voordien als liquide en opeisbaar erkende schuldvordering tot gedwongen executie van die titel op de goederen van de debiteur over te gaan, verleent de rechter immers geen enkele bevoegdheid om tussenbeide te komen in de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten door een aanbestedende dienst.
31 Zoals de advocaat-generaal in punt 17 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kon wet nr. 91-650, hoewel deze een dwangsomprocedure invoerde, niet als basis voor de omzetting van richtlijn 92/13 dienen.
32 De grief van de Commissie, dat de Franse wetgever de bedoeling heeft gehad een ten opzichte van de geldende civielrechtelijke regels specifieke procedure in te voeren, die niet de in richtlijn 92/13 bedoelde waarborgen omvat, is dus ongegrond.
33 Uit het voorgaande volgt, dat de grief van de Commissie betreffende de onjuiste omzetting van artikel 2, leden 1, sub c, en 5, van richtlijn 92/13 niet kan worden aanvaard.
De verificatie
34 Volgens de Commissie is de in hoofdstuk 2 van richtlijn 92/13 vastgestelde verificatieregeling niet in Frans recht omgezet.
35 Volgens de Franse regering kunnen de lidstaten, hoewel zij verplicht zijn artikel 3 van richtlijn 92/13 om te zetten, aan die verplichting voldoen door de verificateurs rechtstreeks aan te wijzen, zoals voorzien in artikel 6, lid 2, van de richtlijn, dan wel door een gespecialiseerd orgaan met de benoeming van de verificateurs te belasten, zoals indirect toegestaan door artikel 7 van de richtlijn. Zij stelt, dat de eerste methode geen verplichting tot vaststelling van een nationale maatregel inhoudt, maar enkel de noodzaak de aanbestedende diensten in kennis te stellen van de mogelijkheid die het gemeenschapsrecht hun biedt. De Franse regering voegt daaraan toe, dat zij de noodzakelijke bekendheid aan richtlijn 92/13 heeft gegeven.
36 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat uit de bewoordingen zelf van artikel 3 van richtlijn 92/13 volgt, dat de lidstaten verplicht zijn de aanbestedende diensten de mogelijkheid te geven om gebruik te maken van een verificatieregeling overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 7 van de richtlijn. Zoals de Commissie terecht heeft beklemtoond, betekent de mogelijkheid die richtlijn 92/13 aan de onder de werkingssfeer ervan vallende organen biedt om gebruik te maken van een verificatieregeling, geenszins dat de omzetting van een dergelijke regeling in het nationale recht facultatief is.
37 Wat de door de Franse regering aan richtlijn 92/13 gegeven bekendheid betreft, is het voldoende eraan te herinneren, dat volgens vaste rechtspraak de bepalingen van een richtlijn moeten worden uitgevoerd met een onbetwistbare dwingende kracht en met de specificiteit, nauwkeurigheid en duidelijkheid die nodig zijn om te voldoen aan het vereiste van rechtszekerheid (zie arrest van 30 mei 1991, Commissie/Duitsland, C-59/89, Jurispr. blz. I-2607, punt 24).
38 Derhalve moet worden vastgesteld, dat de in hoofdstuk 2 van richtlijn 92/13 vastgestelde verificatieregeling niet binnen de gestelde termijn in Frans recht is omgezet.
De bemiddelingsprocedure
39 Ten slotte verwijt de Commissie de Franse Republiek, de artikelen 9 tot en met 11 van richtlijn 92/13 betreffende de bemiddelingsprocedure niet in nationaal recht te hebben omgezet.
40 Volgens de Franse regering houdt de in artikel 9, lid 2, van richtlijn 92/13 bedoelde bemiddelingsprocedure, die de lidstaten geen andere verplichting oplegt dan het bemiddelingsverzoek van elke belanghebbende zo spoedig mogelijk aan de Commissie toe te zenden, op zich niet in, dat nationale wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen moeten worden genomen. Zij voegt daaraan toe dat zij, teneinde de toepassing van die bemiddelingsprocedure te vergemakkelijken, de inhoud van richtlijn 92/13 aan de belanghebbende ondernemingen ter kennis heeft gebracht door deze te publiceren in het april-mei-nummer van het tijdschrift Marchés Publics, hét tijdschrift voor alle beroepsbeoefenaars.
41 Dienaangaande volstaat de vaststelling dat artikel 9, lid 1, van richtlijn 92/13 bepaalt, dat eenieder die belang heeft of heeft gehad bij de toewijzing van een bepaalde opdracht die valt onder richtlijn 90/531/EEG van de Raad van 17 september 1990 betreffende de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB L 297, blz. 1), en die van oordeel is dat hij in verband met de desbetreffende aanbestedingsprocedure is benadeeld of dreigt te worden benadeeld, omdat het gemeenschapsrecht inzake overheidsopdrachten of de nationale bepalingen waarin dit recht is omgezet, zijn geschonden, om toepassing van de bemiddelingsprocedure van de artikelen 10 en 11 kan verzoeken. Daaruit volgt, dat omzetting in nationaal recht noodzakelijk is, zodat belanghebbenden het bestaan van een dergelijke procedure kunnen kennen en dus de zekerheid hebben dat zij daarvan gebruik kunnen maken.
42 Bijgevolg moet worden geconcludeerd, dat de artikelen 9 tot en met 11 van richtlijn 92/13 betreffende de bemiddelingsprocedure niet binnen de gestelde termijn in nationaal recht zijn omgezet.
43 In het licht van al het voorgaande moet worden vastgesteld, dat de Franse regering, door niet binnen de gestelde termijn alle noodzakelijke maatregelen te nemen om te voldoen aan de bepalingen van de hoofdstukken 2 en 4 van richtlijn 92/13, de krachtens artikel 13, lid 1, van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
44 Volgens artikel 69, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Aangezien zowel de Commissie als de Franse Republiek gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij elk in hun eigen kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn alle noodzakelijke maatregelen te nemen om te voldoen aan de bepalingen van de hoofdstukken 2 en 4 van richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie, is de Franse Republiek de krachtens artikel 13, lid 1, van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het beroep wordt voor het overige verworpen.
3) Elk der partijen zal zijn eigen kosten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy