Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Procedure - Conclusie van advocaat-generaal - Wijze waarop conclusie is genomen
2. Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Gelijke beloning - Artikel 119 van Verdrag (de artikelen 117-120 van Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) - Beperking van werking in tijd, voortvloeiend uit arrest van 8 april 1976, 43/75 - Geen beletsel voor nationale bepalingen die recht geven op aansluiting met terugwerkende kracht bij bedrijfspensioenregeling
[EG-Verdrag, art. 119 (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG)]
3. Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Gelijke beloning - Artikel 119 van Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) - Geen beletsel voor nationale bepalingen die recht geven op aansluiting met terugwerkende kracht bij bedrijfspensioenregeling, niettegenstaande risico van verstoring van mededinging - Voorrang van sociaal doel van artikel 119 van Verdrag
[EG-Verdrag, art. 119 (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG)]
4. Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Gelijke beloning - Toepassing van beginsel door nationale rechter
[EG-Verdrag, art. 119 (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG)]
Samenvatting
$$1. Het feit dat het beslissingsvoorstel van de conclusie van de advocaat-generaal wordt voorgelezen ter terechtzitting van een andere kamer dan die welke over de zaak moet oordelen, betekent niet dat de voor het Hof toepasselijke regels of de aan partijen in het hoofdgeding toegekende rechten zijn geschonden. De rechters van de betrokken kamer kunnen immers kennis nemen van de conclusie van de advocaat-generaal doordat deze ter griffie van het Hof wordt neergelegd en het openbare karakter van deze conclusie is met name verzekerd doordat het beslissingsvoorstel ter openbare terechtzitting wordt voorgelezen en ter griffie wordt neergelegd.
( cf. punten 27-28 )
2. De uit het arrest van 8 april 1976, Defrenne II, 43/75, volgende beperking in de tijd van de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag (de artikelen 117-120 van het Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) te beroepen, staat niet in de weg aan nationale bepalingen die een gelijkheidsbeginsel omvatten, op grond waarvan alle deeltijdwerknemers recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling.
Deze beperking had niet de bedoeling, voor de betrokken werknemers de mogelijkheid uit te sluiten om zich op nationale bepalingen te beroepen die een gelijkheidsbeginsel omvatten. Nationale bepalingen waardoor de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers wordt gewaarborgd, dragen er immers toe bij, dat aan artikel 119 van het Verdrag uitvoering wordt gegeven. In een dergelijk geval is het rechtszekerheidsbeginsel op grond waarvan het Hof bij wijze van uitzondering de mogelijkheid kan beperken om zich op een door het Hof uitgelegde bepaling te beroepen, niet van toepassing en staat het niet in de weg aan de toepassing van nationale bepalingen die een met het gemeenschapsrecht conform resultaat opleveren.
( cf. punten 48-50, 52, dictum 1 )
3. Artikel 119 van het Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) staat niet in de weg aan bepalingen van een lidstaat die een gelijkheidsbeginsel omvatten op grond waarvan alle deeltijdwerknemers recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling, niettegenstaande het risico van verstoringen van de mededinging tussen ondernemers uit de verschillende lidstaten ten nadele van de werkgevers in de eerste lidstaat.
Het economische doel van artikel 119 van het Verdrag, namelijk opheffing van mededingingsverstoringen tussen in verschillende lidstaten gevestigde ondernemingen, is immers ondergeschikt aan het sociale doel van deze bepaling, dat de uitdrukking vormt van het fundamentele mensenrecht om niet op grond van geslacht te worden gediscrimineerd.
( cf. punten 56-57, 59, dictum 2 )
4. De nationale rechter moet zijn nationale recht zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht, met name artikel 119 van het Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG), teneinde de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers te verzekeren, met dien verstande dat het gemeenschapsrecht, met name artikel 119 van het Verdrag, de verwezenlijking van dit beginsel nastreeft en niet in de weg staat aan nationale bepalingen die de eerbiediging daarvan verzekeren.
( cf. punten 62-64, dictum 3 )
Partijen
In de gevoegde zaken C-270/97 en C-271/97,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Landesarbeitsgericht Niedersachsen (Duitsland), in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Deutsche Post AG,
en
E. Sievers (C-270/97),
B. Schrage (C-271/97),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) en het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, gehecht aan het EG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen (rapporteur), president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, G. Hirsch en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Deutsche Post AG, vertegenwoordigd door M. Karoff, advocaat te Hannover,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Hillenkamp en M. Wolfcarius, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door K. Bertelsmann, advocaat te Hamburg,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Deutsche Post AG, vertegenwoordigd door J. Peter, advocaat te Bonn; E. Sievers en B. Schrage, vertegenwoordigd door K. Lörcher, Gewerkschaftssekretär van de Deutsche Postgewerkschaft, en de Commissie, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius, bijgestaan door K. Bertelsmann, ter terechtzitting van 1 juli 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 oktober 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij twee beschikkingen van 8 november 1996, ingekomen bij het Hof op 24 juli 1997, heeft het Landesarbeitsgericht Niedersachsen krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) en het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: protocol"), gehecht aan het EG-Verdrag.
2 Deze vragen zijn gerezen in twee geschillen tussen Deutsche Post AG (hierna: Deutsche Post"), voorheen Deutsche Bundespost, enerzijds, en E. Sievers (C-270/97) en B. Schrage (C-271/97) anderzijds, over de voorwaarden voor aansluiting bij een aanvullende bedrijfspensioenregeling en de toekenning van een pensioen uit hoofde daarvan.
De nationale wettelijke regeling
3 Artikel 3, leden 1 tot en met 3, van het Grundgesetz für die Bundesrepublik Deutschland (hierna: Grundgesetz") bepaalt:
1. Alle mensen zijn voor de wet gelijk.
2. Mannen en vrouwen hebben gelijke rechten. De staat bevordert de daadwerkelijke toepassing van het beginsel van gelijke rechten voor vrouwen en mannen en zet zich in om aan bestaande ongelijkheden een einde te maken.
3. Niemand mag wegens zijn geslacht, afkomst, ras, taal, land van herkomst, geloofsovertuiging, religieuze of politieke opvattingen worden benadeeld of bevoordeeld. Niemand mag wegens zijn handicap worden benadeeld."
4 Bij artikel 1 van het Gesetz über die Gleichbehandlung von Männern und Frauen am Arbeitsplatz van 13 augustus 1980 (wet van 1980 inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het werk) is aan § 612 van het Bürgerliche Gesetzbuch een nieuw lid 3 toegevoegd, dat luidt:
In een arbeidsverhouding mag voor gelijke of gelijkwaardige arbeid niet op grond van het geslacht van de werknemer een lagere beloning worden overeengekomen dan voor een werknemer van het andere geslacht. Het overeenkomen van een lagere beloning kan niet worden gerechtvaardigd doordat in verband met het geslacht van de werknemer bijzondere beschermingsvoorschriften gelden (...)"
5 In 1985 is het Gesetz über arbeitsrechtliche Vorschriften zur Beschäftigungsförderung (wet inzake arbeidsrechtelijke bepalingen ter bevordering van de werkgelegenheid; hierna: BeschFG") aangenomen. De §§ 2 tot en met 6 daarvan hebben betrekking op arbeid in deeltijd. § 2, lid 1, verbiedt de werkgever een deeltijdwerknemer anders te behandelen dan voltijds werkzame werknemers, tenzij er objectieve gronden zijn voor ongelijke behandeling. Ingevolge § 6 kan evenwel bij collectieve arbeidsovereenkomst worden afgeweken van het bepaalde in deze afdeling, ook ten nadele van de werknemer.
6 Krachtens § 24 van het Tarifvertrag für Arbeiter der Deutschen Bundespost (CAO voor werknemers van de Deutsche Bundespost) moeten deze werknemers worden verzekerd bij de Versorgungsanstalt der Deutschen Bundespost (pensioenfonds van de Deutsche Bundespost; hierna: VAP") volgens de voorwaarden van het Tarifvertrag über die Versorgung der Arbeitnehmer der Deutschen Bundespost (CAO betreffende de pensioenen van werknemers van de Deutsche Bundespost; hierna: collectieve pensioenregeling").
7 Tot en met 31 december 1987 luidde § 3 van de collectieve pensioenregeling:
De werknemer wordt overeenkomstig het statuut en de desbetreffende uitvoeringsbepalingen bij de VAP verzekerd, indien (...) de gemiddelde arbeidsduur per week volgens zijn arbeidsovereenkomst ten minste de helft bedraagt van de normale arbeidsduur per week van een vergelijkbare werknemer die voltijds werkzaam is (...)"
8 Deze bepaling is met ingang van 1 januari 1988 als volgt gewijzigd:
De werknemer wordt overeenkomstig het statuut en de desbetreffende uitvoeringsbepalingen bij de VAP verzekerd, indien (...) de gemiddelde arbeidsduur per week volgens zijn arbeidsovereenkomst ten minste 18 uur per week bedraagt."
9 Bij CAO van 22 september 1992 is § 3 van de collectieve pensioenregeling met terugwerkende kracht tot 1 april 1991 opnieuw gewijzigd, en wel als volgt:
De werknemer wordt overeenkomstig het statuut en de desbetreffende uitvoeringsbepalingen bij de VAP verzekerd, indien (...) zijn arbeidsverhouding niet enkel werkzaamheden van geringe duur bevat in de zin van § 8, lid 1, Sozialgesetzbuch IV."
De hoofdgedingen
10 Sievers is in deeltijd werkzaam geweest bij Deutsche Bundespost van 16 september 1964 tot en met 28 februari 1988, de datum waarop zij met pensioen ging. Sinds 1 maart 1988 ontvangt zij een wettelijk ouderdomspensioen. Omdat zij steeds minder dan 18 uur per week werkte, behalve in 1963 en 1964, toen zij 18 uur per week werkte, is Sievers nooit bij de VAP verzekerd geweest.
11 Schrage is in deeltijd werkzaam geweest bij Deutsche Bundespost, aanvankelijk op basis van contracten voor bepaalde tijd, onderbroken door perioden waarin zij niet werkte, van 1 april 1960 tot en met 30 september 1980, vervolgens op basis van contracten voor onbepaalde tijd van 1 oktober 1981 tot en met 31 maart 1993, de datum waarop zij met pensioen ging. Sinds 1 april 1993 ontvangt zij een wettelijk ouderdomspensioen. Omdat zij steeds tussen 8 en 13 uur per week werkte, is Schrage nooit bij de VAP verzekerd geweest.
12 Sievers vorderde voor het Arbeitsgericht Hannover van Deutsche Post betaling van een aanvullend ouderdomspensioen vanaf haar pensionering, ter hoogte van het bedrag dat zij zou hebben ontvangen indien zij gedurende haar gehele dienstverband bij de VAP verzekerd was geweest. Schrage vorderde voor het Arbeitsgericht Hannover van Deutsche Post hetzelfde.
13 Beiden stelden, dat de uitsluiting van werknemers met een dienstverband van minder dan 20, later minder dan 18, uur per week van het recht op aanvullend pensioen een bij artikel 119 van het Verdrag, artikel 3 Grundgesetz en § 2, lid 1, BeschFG verboden discriminatie was.
14 Deutsche Post concludeerde tot afwijzing van de vorderingen, op grond dat er voor het verschil in behandeling een objectieve reden bestond, dat de kosten verbonden aan de uitbreiding met terugwerkende kracht van de regeling tot alle deeltijdwerknemers het voortbestaan van Deutsche Post in gevaar zouden brengen en dat gezien de rechtspraak van het Hof inzake artikel 119 van het Verdrag het door verzoeksters gestelde recht niet bestond voor de tijdvakken van arbeid gelegen vóór 17 mei 1990, de datum van uitspraak van het arrest Barber (C-262/88, Jurispr. blz. I-1889).
15 Bij vonnissen van 3 februari 1994 wees het Arbeitsgericht de vorderingen van Sievers en Schrage grotendeels toe, waarbij het de in het geval van Schrage in aanmerking te nemen tijdvakken van arbeid nauwkeuriger vaststelde.
16 Deutsche Post stelde van deze vonnissen hoger beroep in bij het Landesarbeitsgericht Niedersachsen. Zij betoogde in het bijzonder, dat de uit de Barber-rechtspraak voortvloeiende beperking van de terugwerkende kracht geldt voor elke ongelijke behandeling op het gebied van de beloning in het kader van bedrijfspensioenregelingen en dat de rechtspraak van het Hof en het protocol voorrang hebben boven artikel 3 Grundgesetz.
17 Sievers en Schrage brachten daar tegenin, dat de beperking van de werking in de tijd van artikel 119 van het Verdrag als voortvloeiend uit het arrest Barber niet op het onderhavige geval kan worden toegepast. Dat arrest is niet van belang voor de vraag, of in de Bondsrepubliek Duitsland, gelet op het grondwettelijk beginsel van gelijke behandeling van artikel 3 Grundgesetz, een vertrouwen in de geldigheid van de uiteenlopende regels voor deeltijdwerknemers en voltijdse werknemers kon ontstaan.
De prejudiciële vragen
18 Het Landesarbeitsgericht overweegt, dat bij toepassing van de rechtspraak van het Bundesarbeitsgericht het hoger beroep van Deutsche Post ongegrond zou zijn en dat Sievers en Schrage recht zouden hebben op het gevorderde pensioen. Het merkt echter op, dat volgens de rechtspraak van het Hof (arrest Barber, reeds aangehaald; arresten van 6 oktober 1993, Ten Oever, C-109/91, Jurispr. blz. I-4879, en 28 september 1994, Fisscher, C-128/93, Jurispr. blz. I-4583) op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag in beginsel slechts een beroep kan worden gedaan teneinde gelijkheid van behandeling op het gebied van bedrijfspensioenregelingen te eisen, wanneer het gaat om na 17 mei 1990 vervulde tijdvakken van arbeid. Bovendien zou uit het protocol volgen, dat uitkeringen op grond van ondernemings- of sectorale regelingen inzake sociale zekerheid niet als beloning zijn te beschouwen, indien en voor zover zij kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid vóór 17 mei 1990.
19 Aanspraken op gelijke behandeling op het gebied van bedrijfspensioenen zouden dikwijls evengoed kunnen worden gebaseerd op artikel 119 van het Verdrag, met dien verstande dat geen uitkering kan worden verlangd over tijdvakken vóór 17 mei 1990, als op het nationale recht, of het nu gaat om het sociaalrechtelijke beginsel van gelijke behandeling, § 2, lid 1, BeschFG, of artikel 3 Grundgesetz.
20 Het Landesarbeitsgericht is van oordeel, dat in een dergelijke situatie van samenloop het gemeenschapsrecht voorrang heeft, met als gevolg dat het verbod om vóór 17 mei 1990 vervulde tijdvakken van arbeid met terugwerkende kracht in aanmerking te nemen, en dus de beperking van de uitkering, eveneens van toepassing moet zijn op de bepalingen van nationaal recht. De vraag van de voorrang van het gemeenschapsrecht is van belang, omdat het nationale recht en het gemeenschapsrecht conflicteren en het gemeenschapsrecht rechtstreekse werking heeft. Dit conflict wordt duidelijk wanneer wordt bedacht, dat artikel 119 van het Verdrag niet alleen een sociaal doel heeft, maar ook, en historisch gezien vooral, een economisch doel, namelijk de invoering van gelijke kansen op het gebied van de mededinging. Dit doel zou worden uitgehold, wanneer in het nationale recht de beperking van de terugwerkende kracht van artikel 119 van het Verdrag zou kunnen worden omzeild.
21 In die omstandigheden heeft het Landesarbeitsgericht Niedersachsen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof in beide zaken de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1) a) Moet het gemeenschapsrecht voorrang hebben boven het nationale recht (krachtens de artikelen 5, tweede alinea, en 189 EG-Verdrag), wanneer aanspraken zowel op het gemeenschapsrecht kunnen worden gebaseerd als op nationale bepalingen die eveneens recht op gelijke behandeling op het gebied van bedrijfspensioenregelingen beogen te verlenen en die eveneens kunnen of moeten worden toegepast op de feiten, zoals in Duitsland het geval is met - in algemene zin - het sociaalrechtelijk beginsel van gelijke behandeling of - meer specifiek - § 2, lid 1, van het Beschäftigungsförderungsgesetz 1985?
b) Heeft het gemeenschapsrecht altijd voorrang in een dergelijk geval van collisie, waarbij volgens het gemeenschapsrecht uitsluitend recht op uitkering krachtens een bedrijfspensioenregeling bestaat, indien en voor zover het tijdvakken van arbeid na 17 mei 1990 betreft, terwijl het nationale recht dezelfde situatie in zoverre anders regelt, dat terugwerkende kracht niet is uitgesloten?
c) Bestaat deze voorrang alleen wanneer het economische doel van artikel 119 van het Verdrag - het scheppen van gelijke kansen op het gebied van de mededinging -, dat naast het sociale doel van deze bepaling bestaat, concreet aan de orde is?
2) Betekent het gemeenschapsrechtelijk beginsel dat het nationale recht conform het gemeenschapsrecht moet worden uitgelegd, dat nationale bepalingen betreffende gelijke behandeling inzake uitkeringen op grond van bedrijfspensioenregelingen moeten worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met de eisen en de beperkingen (verbod van terugwerkende kracht) die door het gemeenschapsrecht worden gesteld?"
22 Bij beschikking van de president van het Hof van 25 september 1996 zijn de twee zaken gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en het arrest.
Het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling
23 Bij brief van 5 november 1998 heeft Deutsche Post om heropening van de mondelinge behandeling verzocht. Om te beginnen hadden door een samenloop van omstandigheden haar vertegenwoordiger en haar raadsman, die naar het Hof waren gekomen om het nemen van de conclusie bij te wonen, de zaal waar de zaak werd behandeld eerst gevonden toen de conclusie reeds was voorgelezen. Bijgevolg was in strijd met artikel 28 van 's Hofs Statuut-EG de deelneming van partijen en van het publiek aan de behandeling niet verzekerd.
24 Voorts zou de conclusie van de advocaat-generaal onregelmatig zijn genomen, omdat zij is voorgelezen in een zitting van de Vijfde kamer en niet van de Zesde kamer, die de zaak behandelt.
25 Ten slotte wenste zij over enkele punten van de conclusie van de advocaat-generaal opmerkingen in te dienen.
26 Bovendien schaarde Deutsche Post zich bij brief van 11 november 1998 achter de opmerkingen van Deutsche Telekom in de zaak Schröder, C-50/96, en in de gevoegde zaken Vick en Conze, C-234/96 en C-235/96, dat een weigering om na de conclusie van de advocaat-generaal, waarmee overeenkomstig artikel 59, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof de mondelinge behandeling wordt afgesloten, bij wijze van uitzondering heropening van de mondelinge behandeling toe te staan teneinde partijen in de gelegenheid te stellen te wijzen op kennelijke fouten of leemten in de uiteenzetting van de feiten of in de juridische beoordeling, dan wel te antwoorden op de conclusie van de advocaat-generaal, in strijd is met het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 (hierna: EVRM").
27 In dit verband dient in de eerste plaats te worden vastgesteld, dat de voor het Hof toepasselijke regels of de aan partijen in de hoofdgedingen toegekende rechten niet zijn geschonden door de wijze waarop de conclusie in de onderhavige zaak is genomen.
28 De rechters van de Zesde kamer, die over de onderhavige zaak moeten oordelen, hebben immers kennis genomen van de conclusie van de advocaat-generaal, aangezien deze ter griffie van het Hof is neergelegd; het openbare karakter ervan is verzekerd doordat zij ter openbare terechtzitting is voorgelezen en ter griffie is neergelegd.
29 In dit verband is niet van belang, dat de vertegenwoordiger en de raadsman van een van partijen de zaal waar de conclusie van de advocaat-generaal werd voorgelezen, niet tijdig hebben kunnen vinden.
30 In de tweede plaats volgt uit de beschikking van het Hof van 4 februari 2000, Emesa Sugar (C-17/98, Jurispr. blz. I-665, punt 18), dat juist in verband met artikel 6 EVRM en het doel van het recht van eenieder op een procedure op tegenspraak en een eerlijk proces in de zin van deze bepaling, het Hof ambtshalve, op voorstel van de advocaat-generaal dan wel op verzoek van partijen, de mondelinge behandeling krachtens artikel 61 van het Reglement voor de procesvoering kan heropenen, indien het van oordeel is, dat het onvoldoende is ingelicht of dat de zaak moet worden beslecht op basis van een argument waarover tussen partijen geen discussie heeft plaatsgevonden.
31 In casu is het Hof echter, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel, dat Deutsche Post in haar verzoek niets naar voren heeft gebracht op grond waarvan heropening van de mondelinge behandeling zinvol of noodzakelijk voorkomt.
32 Het verzoek van Deutsche Post moet derhalve worden afgewezen.
De eerste vraag
33 Met de eerste vraag, in haar geheel genomen, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of in de eerste plaats de beperking in de tijd van de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen, in de weg staat aan nationale bepalingen die een gelijkheidsbeginsel omvatten, op grond waarvan alle deeltijdwerknemers in omstandigheden als die van de hoofdgedingen recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling. In de tweede plaats wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 119 van het Verdrag in de weg staat aan nationale bepalingen die een gelijkheidsbeginsel omvatten, op grond waarvan alle deeltijdwerknemers in omstandigheden als die van de hoofdgedingen recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling, gezien het risico van verstoringen van de mededinging tussen ondernemers uit de verschillende lidstaten ten nadele van de ondernemers in de eerste lidstaat. In geval van een bevestigend antwoord op het eerste of het tweede deel van de vraag wil de verwijzende rechter in de derde plaats weten, of de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid de bepalingen van het gemeenschapsrecht moet toepassen, verplicht is om de volledige werking van die normen te verzekeren en daarvoor zonodig bepalingen van de nationale wetgeving die daarmee in strijd zijn, buiten toepassing te laten.
Het eerste deel van de vraag
34 In dit verband moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een pensioenregeling van het type als in het hoofdgeding aan de orde is, die voornamelijk afhankelijk is van de door de betrokkene vervulde dienstbetrekking, deel uitmaakt van de door deze ontvangen beloning en onder artikel 119 van het Verdrag valt (zie in deze zin met name arrest van 13 mei 1986, Bilka, 170/84, Jurispr. blz. 1607, punt 22; arrest Barber, reeds aangehaald, punt 28, en arrest van 28 september 1994, Beune, C-7/93, Jurispr. blz. I-4471, punt 46). De uitsluiting van deeltijdwerknemers van een dergelijke pensioenregeling kan derhalve in strijd zijn met artikel 119 (zie in deze zin arrest Bilka, reeds aangehaald, punt 29).
35 Wat de beperking in de tijd van de werking van artikel 119 van het Verdrag betreft, heeft het Hof in het arrest van 8 april 1976, Defrenne II (43/75, Jurispr. blz. 455, punt 40), voor recht verklaard, dat voor de nationale rechterlijke instanties een beroep kan worden gedaan op het in artikel 119 van het Verdrag vervatte beginsel van gelijke beloning en dat zij de bescherming van de rechten die de justitiabelen aan die bepaling ontlenen, moeten verzekeren. In de punten 74 en 75 van dat arrest preciseerde het Hof evenwel, dat dwingende overwegingen van rechtszekerheid met betrekking tot alle, openbare zowel als particuliere, belangen meebrengen, dat op de rechtstreekse werking van artikel 119 geen beroep kan worden gedaan voor loonaanspraken over tijdvakken voorafgaande aan de dag waarop het arrest werd uitgesproken, dus 8 april 1976, behoudens wanneer een werknemer reeds een beroep in rechte of een daarmee gelijk te stellen vordering had ingediend.
36 Wat bedrijfspensioenregelingen betreft, verklaarde het Hof in de punten 44 en 45 van het arrest Barber (reeds aangehaald) voor recht, dat op grond van dwingende overwegingen van rechtszekerheid geen beroep op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag kan worden gedaan ter verkrijging van een pensioenrecht vanaf een eerdere datum dan die van de uitspraak van dat arrest, 17 mei 1990, behoudens door degenen die vóór die datum een rechtsvordering hadden ingesteld of een daarmee gelijk te stellen vordering hadden ingediend.
37 Zoals het Hof preciseerde in punt 20 van het arrest Ten Oever, reeds aangehaald, kan ingevolge het arrest Barber op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag slechts een beroep worden gedaan teneinde gelijkheid van behandeling op het gebied van bedrijfspensioenregelingen te eisen, wanneer het gaat om uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van na 17 mei 1990 vervulde tijdvakken van arbeid, behoudens de uitzondering ten gunste van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering hebben ingesteld of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend.
38 Deze beperking staat eveneens in het protocol, dat bepaalt dat voor de toepassing van artikel 119 van het Verdrag uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- of sectorale regeling inzake sociale zekerheid niet als beloning worden beschouwd indien en voor zover zij kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid vóór 17 mei 1990, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering hebben ingesteld of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend.
39 Niettemin volgt uit arresten van 28 september 1994, Vroege (C-57/93, Jurispr. blz. I-4541, punten 20-27); Fisscher, reeds aangehaald, (punten 17-24), en 11 december 1997, Magorrian en Cunningham (C-246/96, Jurispr. blz. I-7153, punten 27-35), dat de zowel uit het arrest Barber als het protocol volgende beperking van de werking in de tijd van artikel 119 van het Verdrag alleen betrekking heeft op de soorten van discriminatie waarvan de werkgevers en de pensioenregelingen, op grond van de tijdelijke uitzonderingen die waren voorzien in het gemeenschapsrecht dat op het gebied van bedrijfspensioenen van toepassing kon zijn, redelijkerwijze mochten aannemen, dat zij getolereerd werden (arrest van 24 oktober 1996, Dietz, C-435/93, Jurispr. blz. I-5223, punt 19).
40 Met betrekking tot het recht op aansluiting bij bedrijfsregelingen heeft het Hof evenwel vastgesteld, dat uit niets kon worden opgemaakt, dat de betrokken beroepskringen zich hadden kunnen vergissen met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 119 van het Verdrag (arrest Magorrian en Cunningham, reeds aangehaald, punt 28).
41 Sinds het arrest Bilka, reeds aangehaald, is het immers duidelijk, dat discriminatie op grond van geslacht bij de toekenning van bedoeld recht strijdig is met artikel 119 van het Verdrag (reeds aangehaalde arresten Vroege, punt 29; Fisscher, punt 26, Dietz; punt 20, en Magorrian en Cunningham, punt 29).
42 Aangezien het arrest Bilka geen enkele beperking in de tijd bevat, kan de rechtstreekse werking van artikel 119 derhalve worden ingeroepen teneinde met terugwerkende kracht gelijkheid van behandeling met betrekking tot het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling te eisen, en wel vanaf 8 april 1976, de datum van het arrest Defrenne II, reeds aangehaald, waarin het Hof voor het eerst de rechtstreekse werking van dat artikel heeft erkend (reeds aangehaalde arresten Dietz, punt 21, en Magorrian en Cunningham, punt 30).
43 Overigens heeft het Hof in punt 23 van het arrest Dietz en punt 33 van het arrest Magorrian en Cunningham reeds verklaard, dat de aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling voor de werknemer elke zin zou verliezen, indien deze hem geen recht gaf op ontvangst van de uit hoofde van de betrokken regeling verstrekte uitkeringen. Het Hof achtte het recht om uit hoofde van een bedrijfsregeling een ouderdomspensioen te ontvangen, dan ook onlosmakelijk verbonden met het recht op aansluiting bij een dergelijke regeling. Het Hof verklaarde echter ook, dat een werknemer zich niet op grond van het feit dat hij met terugwerkende kracht aanspraak kan maken op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling, kan onttrekken aan de betaling van de op de betrokken periode van aansluiting betrekking hebbende premies (arresten Fisscher, punt 37, en Dietz, punt 34).
44 Bijgevolg is de enige beperking in de tijd die geldt voor de mogelijkheid om zich met betrekking tot de aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling als de onderhavige en de latere uitkering van een pensioen, op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen, die welke volgt uit het arrest Defrenne II.
45 Wat de vraag betreft, of het gemeenschapsrecht eraan in de weg staat dat krachtens nationale bepalingen tijdvakken in aanmerking worden genomen die zijn gelegen vóór 8 april 1976, de datum van uitspraak van het arrest Defrenne II, moet er allereerst aan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak (zie met name arresten van 27 maart 1980, Denkavit italiana, 61/79, Jurispr. blz. 1205, punten 16 en 17, en Salumi e.a., 66/79, 127/79 en 128/79, Jurispr. blz. 1237, punten 9 en 10) de uitlegging die het Hof van Justitie krachtens de hem bij artikel 177 van het Verdrag verleende bevoegdheid geeft van een voorschrift van gemeenschapsrecht, de betekenis en strekking van dat voorschrift zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden verstaan en toegepast, verklaart en preciseert, voor zover dat nodig is. Slechts bij uitzondering zal het Hof van Justitie, zoals het in zijn arrest Defrenne II heeft erkend, met toepassing van een aan de communautaire rechtsorde inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid en in verband met de ernstige problemen die zijn arrest voor het verleden zou kunnen meebrengen voor te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen, aanleiding kunnen vinden, voor alle belanghebbenden beperkingen te stellen aan de mogelijkheid om met een beroep op de aldus uitgelegde bepaling die rechtsbetrekkingen weer in geding te brengen.
46 Voorts heeft het Hof in punt 65 van het arrest Defrenne II erop gewezen, dat de toepassing van artikel 119 van het Verdrag ten volle moet worden verzekerd door de oorspronkelijke lidstaten, waaronder de Bondsrepubliek Duitsland, vanaf 1 januari 1962, de aanvangsdatum van de tweede etappe van de overgangsperiode. Uit punt 68 van dat arrest volgt trouwens, dat ook op de gebieden waarop artikel 119 niet rechtstreeks werkt, de tenuitvoerlegging van deze bepaling voor zover nodig kan voortvloeien uit het gecombineerde effect van communautaire en nationale bepalingen.
47 Ten slotte overwoog het Hof in het arrest Defrenne II, toen het de mogelijkheid beperkte om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen, dat bij wijze van uitzondering rekening moest worden gehouden met de omstandigheid dat door het gedrag van verscheidene lidstaten en het herhaaldelijk ter kennis van de betrokken kringen gebrachte standpunt van de Commissie de belanghebbende partijen ertoe waren gebracht lange tijd praktijken te blijven toepassen die, hoewel nog niet door hun nationaal recht verboden, in strijd waren met artikel 119 van het Verdrag (arrest Defrenne II, punt 72).
48 Uit het voorgaande volgt, dat de beperking van de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen, niet de bedoeling had, voor de betrokken werknemers de mogelijkheid uit te sluiten om zich op nationale bepalingen te beroepen die een gelijkheidsbeginsel omvatten.
49 Nationale bepalingen waardoor de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers wordt gewaarborgd, dragen er immers toe bij, dat aan artikel 119 van het Verdrag uitvoering wordt gegeven overeenkomstig de sinds 1 januari 1962 op de oorspronkelijke lidstaten rustende verplichtingen.
50 In een dergelijk geval is het aan de communautaire rechtsorde inherente beginsel van rechtszekerheid, dat het Hof bij wijze van uitzondering aanleiding kan geven tot beperking van de mogelijkheid om zich op een door het Hof uitgelegde bepaling te beroepen, niet van toepassing en staat het niet in de weg aan de toepassing van nationale bepalingen die een met het gemeenschapsrecht conform resultaat opleveren.
51 In dit verband is niet relevant, dat de in geding zijnde nationale bepalingen eerst na de datum waarop het arrest Defrenne II is gewezen, in met artikel 119 van het Verdrag conforme zin zijn uitgelegd en die uitlegging in voorkomend geval kan worden toegepast op situaties die vóór die datum zijn ontstaan. Het is immers niet de taak van het Hof, zich uit te spreken over de toepassing in de tijd van regels van nationaal recht.
52 Op het eerste deel van de eerste vraag moet derhalve worden geantwoord, dat de uit het arrest Defrenne II volgende beperking in de tijd van de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen, niet in de weg staat aan nationale bepalingen die een gelijkheidsbeginsel omvatten, op grond waarvan deeltijdwerknemers in omstandigheden als die van de hoofdgedingen recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling.
Het tweede deel van de vraag
53 Zoals de verwijzende rechter terecht opmerkt, verklaarde het Hof in de punten 8 tot en met 11 van het arrest Defrenne II, dat het doel van dit artikel tweeledig is, namelijk economisch en sociaal.
54 Enerzijds heeft deze bepaling, gezien de ongelijke ontwikkeling van de sociale wetgeving in de verschillende lidstaten, tot doel te voorkomen dat wat de mededinging binnen de Gemeenschap betreft, ondernemingen in staten die het beginsel van gelijke beloning metterdaad toepassen, in een ongunstige concurrentiepositie raken ten opzichte van ondernemingen in staten die de loondiscriminatie ten nadele van vrouwelijke werknemers nog niet hebben afgeschaft (arrest Defrenne II, punt 9).
55 Anderzijds is deze bepaling de uitdrukking van de sociale doelstellingen van de Gemeenschap, die immers niet slechts een economische unie is, maar tevens overeenkomstig de preambule van het Verdrag door gemeenschappelijk optreden de sociale vooruitgang en een voortdurende verbetering van de omstandigheden waaronder de volkeren van Europa leven en werken, moet verzekeren. Dat doel verkrijgt te meer nadruk door de plaatsing van artikel 119 van het Verdrag in het hoofdstuk betreffende de sociale politiek, waarvan het inleidende artikel 117 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) de noodzaak erkent verbetering van de levensstandaard en de arbeidsvoorwaarden van de werknemers te bevorderen, zodat de onderlinge aanpassing daarvan op de weg van de vooruitgang wordt mogelijk gemaakt" (arrest Defrenne II, punten 10 en 11).
56 In latere arresten heeft het Hof echter herhaaldelijk vastgesteld, dat het recht om niet op grond van zijn geslacht te worden gediscrimineerd, een van de fundamentele rechten van de mens is, waarvan het Hof de eerbiediging dient te verzekeren (zie in die zin arresten van 15 juni 1978, Defrenne III, 149/77, Jurispr. blz. 1365, punten 26 en 27; 20 maart 1984, Razzouk en Beydoun/Commissie, 75/82 en 117/82, Jurispr. blz. 1509, punt 16, en 30 april 1996, P./S., C-13/94, Jurispr. blz. I-2143, punt 19).
57 Gelet op deze rechtspraak moet worden geoordeeld, dat het economische doel van artikel 119 van het Verdrag, namelijk opheffing van mededingingsverstoringen tussen in verschillende lidstaten gevestigde ondernemingen, een ondergeschikte betekenis heeft ten opzichte van het sociale doel van deze bepaling, dat de uitdrukking vormt van een fundamenteel mensenrecht.
58 De omstandigheid dat vóór het arrest Defrenne II noch op grond van de nationale wetgeving, noch op grond van de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag, beroep kon worden gedaan op het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers tegenover in andere lidstaten dan de Bondsrepubliek Duitsland gevestigde werkgevers, is dan ook niet van invloed op de toepassing van de nationale bepalingen die de eerbiediging van dit beginsel in de Bondsrepubliek Duitsland verzekeren.
59 Derhalve moet op het tweede deel van de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 119 van het Verdrag niet in de weg staat aan bepalingen van een lidstaat die een gelijkheidsbeginsel omvatten, op grond waarvan deeltijdwerknemers in omstandigheden als die van de hoofdgedingen recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling, niettegenstaande het risico van verstoringen van de mededinging tussen ondernemers uit de verschillende lidstaten ten nadele van de werkgevers in de eerste lidstaat.
Het derde deel van de vraag
60 Gezien het antwoord op het eerste en het tweede deel van de eerste vraag behoeft het derde deel van deze vraag geen beantwoording.
De tweede vraag
61 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de nationale rechter zijn nationale recht moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht, met name artikel 119 van het Verdrag.
62 Volgens vaste rechtspraak moet de nationale rechter zijn nationale recht zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht, met name artikel 119 van het Verdrag, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken (zie in deze zin met name arresten van 4 februari 1988, Murphy e.a., 157/86, Jurispr. blz. 673, punt 11, en 13 november 1990, Marleasing, C-106/89, Jurispr. blz. I-4135, punt 8).
63 Uit de antwoorden op de eerste vraag volgt, dat het gemeenschapsrecht, met name artikel 119 van het Verdrag, verwezenlijking van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers nastreeft en niet in de weg staat aan nationale bepalingen die de eerbiediging van dit beginsel verzekeren.
64 Op de tweede vraag moet derhalve worden geantwoord, dat de nationale rechter zijn nationale recht zoveel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht, met name artikel 119 van het Verdrag, teneinde de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers te verzekeren.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
65 De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Landesarbeitsgericht Niedersachsen bij beschikkingen van 8 november 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) De uit het arrest van 8 april 1976, Defrenne II (43/75), volgende beperking in de tijd van de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) te beroepen, staat niet in de weg aan nationale bepalingen die een gelijkheidsbeginsel omvatten, op grond waarvan alle deeltijdwerknemers in omstandigheden als die van de hoofdgedingen recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling.
2) Artikel 119 van het Verdrag staat niet in de weg aan bepalingen van een lidstaat die een gelijkheidsbeginsel omvatten, op grond waarvan deeltijdwerknemers in omstandigheden als die van de hoofdgedingen recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling, niettegenstaande het risico van verstoringen van de mededinging tussen ondernemers uit de verschillende lidstaten ten nadele van de werkgevers in de eerste lidstaat.
3) De nationale rechter moet zijn nationale recht zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht, met name artikel 119 van het Verdrag, teneinde de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers te verzekeren.
Full & Egal Universal Law Academy